Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:11470

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-11-2013
Datum publicatie
29-11-2013
Zaaknummer
14/701100-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; ontnemingszaak “Colorado”; grootschalig telen en bewerken van hennep; vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel; draagkracht; oplegging verplichting tot betaling aan de Staat van 1.000 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige kamer

Parketnummer: 14/701100-10 (ontneming)

Uitspraakdatum : 18 november 2013

Promisvonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie van 3 december 2012 ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht in de zaak tegen:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboortedatum],

wonende te [adres].

1 De vordering

De officier heeft bij vordering van 3 december 2012 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, lid 4 (de rechtbank leest verbeterd: lid 5), van het Wetboek van Strafrecht zal vaststellen op € 7.500,00 en dat aan veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2 Het verloop van de procedure

De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van veroordeelde om te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 18 januari 2013. Dit betrof een zogeheten regiezitting.

Ter terechtzitting van 18 januari 2013 is gehoord de officier van justitie. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden tot een tweede regiezitting op 15 april 2013 en de stukken in handen gesteld van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken teneinde nadere onderzoekshandelingen te verrichten. Tevens zijn termijnen afgesproken in verband met de schriftelijke voorbereiding van de ontnemingszaak.

Ter terechtzitting van 15 april 2013 zijn gehoord de raadsvrouw van veroordeelde, mr. F. Heidinga, advocaat te Almere, en de officier van justitie. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden tot de terechtzitting van 8 oktober 2013 en de stukken in handen gesteld van de rechter-commissaris voornoemd teneinde nadere onderzoekshandelingen te verrichten. Tevens zijn definitieve termijnen afgesproken in verband met de schriftelijke voorbereiding van de ontnemingszaak.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder het met deze vordering samenhangende ontnemingsdossier, aangevuld met enkele afschriften uit het strafdossier en de in het kader van de schriftelijke voorbereiding tussen de officier van justitie en de raadsman van veroordeelde gewisselde conclusies.

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 8 oktober 2013. Daarbij zijn gehoord de raadsvrouw van veroordeelde, mr. F. Heidinga, advocaat te Almere, en de officier van justitie.

Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 18 november 2013 te 13.00 uur.

3 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering. Subsidiair is de officier van justitie van mening dat in geval van matiging van een eventueel op te leggen betalingsverplichting een bedrag van € 3.000,00 als ondergrens heeft te gelden.

4 Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft niet betwist dat er sprake is geweest van wederrechtelijk verkregen voordeel. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank het te betalen bedrag lager vast te stellen dan het geschatte voordeel, dan wel deze op nihil te stellen.

5. De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel 1

5.1

Veroordeling

Bij arrest van 5 december 2012 van het Gerechtshof Amsterdam is veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, waarbij onder andere is bewezen verklaard dat:

3.

zij in de periode van 1 juni 2008 tot en met 31 december 2008 in de gemeente Medemblik, in een woning gelegen aan de [adres] te Opperdoes, meermalen tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf,

opzettelijk heeft bewerkt grote hoeveelheden van een materiaal bevattende hennep;

4.

zij in de periode van 1 april 2008 tot en met 30 september 2008 in de gemeente Heerhugowaard, in een bedrijfspand gelegen aan de [adres], meermalen tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft bewerkt grote hoeveelheden van een materiaal bevattende hennep.

Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van de ingevolge dat arrest bewezen verklaarde strafbare feiten.

5.2

De beoordeling

Op 9 november 2010 heeft de verbalisant [naam], financieel rechercheur bij de Financiële Recherche te Alkmaar, een rapport opgesteld betreffende het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij het rapport zijn diverse bijlagen gevoegd, ontleend aan het dossier met betrekking tot de onderliggende strafzaak tegen veroordeelde.

Bewezen is verklaard dat veroordeelde, samen met medeveroordeelden [medeveroordeelde], [medeveroordeelde], [medeveroordeelde], [medeveroordeelde], [medeveroordeelde] en[medeveroordeelde], deel uit maakte van de zogenoemde ‘oude’ knipploeg die in de hennepkwekerij in Heerhugowaard en de kniplocatie in Opperdoes knipten. Nadat het knippen in Heerhugowaard in 2008 enige tijd was gestopt, is het knippen van hennep daarna voortgezet door de zogenoemde ‘nieuwe’ knipploeg met alleen nog veroordeelde en [medeveroordeelde] uit de oude ploeg.

Opperdoes, [adres] (feit 3)

Nadat veroordeelde op 30 juni 2009 geconfronteerd werd met haar telefoongegevens2 verklaart zij dat zij minimaal 22 keer in Opperdoes hennepplanten heeft geknipt.3 Zij heeft daar gemiddeld 50 hennepplanten per dag geknipt en heeft wisselend verklaard over de beloning per hennepplant te weten € 2,50 en € 3,00.4 De rechtbank zal, ten voordele van de veroordeelde, uitgaan van een bedrag van € 2,50 per plant. Ten aanzien van de werkzaamheden van veroordeelde in de kniplocatie in Opperdoes gaat de rechtbank voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel dan ook uit van: 22 dagen maal 50 planten á € 2,50 is in totaal een bedrag van € 2.750,00.

Heerhugowaard, [adres] (feit 4)

Veroordeelde heeft op 30 juni 2009 verklaard dat zij in 2008 8 dagen en in 2009 6 dagen in Heerhugowaard hennepplanten heeft geknipt. In totaal heeft zij derhalve 14 keer in Heerhugowaard hennepplanten geknipt. Zij knipte daar gemiddeld 100 hennepplanten per dag tegen een beloning van € 2,50 per hennepplant.5 Ten aanzien van de werkzaamheden van veroordeelde in de hennepkwekerij in Heerhugowaard gaat de rechtbank voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van: 14 dagen maal 100 planten á € 2,50 is in totaal een bedrag van € 3.500,00.

De rechtbank is van oordeel dat het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat dient te worden vastgesteld op een bedrag van (€ 2.750,00

+ € 3.500,00 =) € 6.250,00.

6 Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd.

Bij de vaststelling van het door veroordeelde te betalen bedrag heeft de rechtbank het volgende mee laten wegen. Door de raadsvrouw zijn diverse stukken ingebracht met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde. Het totale inkomen van veroordeelde bedraagt € 1.251,00 per maand. Haar vaste lasten bedragen € 1.033,75 per maand. Veroordeelde houdt derhalve € 217,25 per maand over om in haar dagelijkse levensbehoeften te kunnen voorzien. Gelet op deze beperkte financiële middelen neemt veroordeelde deel aan het voedselloket te [adres]. Voorts is veroordeelde sinds de geboorte van haar dochter in 1980 thuis gebleven om voor de kinderen te zorgen. In 1994 is veroordeelde gescheiden en vanaf toen heeft zij af en toe gewerkt voor een schoonmaakbedrijf. Sedert 2004 ontvangt veroordeelde een bijstandsuitkering. In 2008 heeft veroordeelde haar heup gebroken, hetgeen niet goed is hersteld. In 2011 heeft zij een nieuwe heup gekregen, waarvan zij nog steeds veel last heeft en pijnstillers slikt. De rechtbank is van oordeel dat, gezien de financiële situatie, de leeftijd van veroordeelde, het gebrek aan noemenswaardige werkervaring en de lichamelijke gesteldheid van veroordeelde, het aanstonds duidelijk is dat veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om het hiervoor vastgestelde bedrag van € 6.250,00 te voldoen. Op grond daarvan ziet de rechtbank aanleiding het door veroordeelde te betalen bedrag aanzienlijk lager vast te stellen dan op het bedrag van het geschatte voordeel.

De rechtbank zal gelet op het vorenstaande het door veroordeelde te betalen bedrag vaststellen op € 1.000,00.

7 Toepasselijke wettelijke bepaling

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank:

Stelt het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 6.250,00 (zesduizend tweehonderd en vijftig euro).

Legt veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van door haar wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 1.000,00 (duizend euro).

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.F. van Hoorn, voorzitter,

mr. E.M. Devis en mr. G.A.M. van Dijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.C. Naeije, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 november 2013.

1 De hierna door de rechtbank in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van bevindingen over historische verkeersgegevens telecom van 14 september 2009, bijlagenummer T12.001, inhoudende de bevindingen van [naam], doorgenummerd pagina 44.

3 Proces-verbaal van 2e verhoor van 30 juni 2009, bijlagenummer B12.005, inhoudende de verklaring van verdachte [veroordeelde], doorgenummerd pagina 22.

4 Proces-verbaal van 2e verhoor van 30 juni 2009, bijlagenummer B12.005, inhoudende de verklaring van verdachte [veroordeelde], doorgenummerd pagina 20 en 25.

5 Proces-verbaal van 2e verhoor van 30 juni 2009, bijlagenummer B12.005, inhoudende de verklaring van verdachte [veroordeelde], doorgenummerd pagina 20.