Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:11396

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
31-01-2014
Zaaknummer
C/14/141716 / ES RK 12-1413
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling van kinderalimentatie op basis van de richtlijnen geldend sinds 1 april 2013. Rekening is gehouden met de door de man te betalen woonlasten van de echtelijke woning van partijen. De man had daarvoor geen beroep hoeven doen op de aanvaardbaarheidstoets omdat de vrouw deze kosten van de man niet betwist. Het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets met betrekking tot zijn advocaatkosten en de woonlasten van zijn huidige woning die hoger zijn dan het forfaitaire bedrag waarmee rekening wordt gehouden, is afgewezen. Met betrekking tot de advocaatkosten heeft de rechtbank in zijn beoordeling betrokken dat de man voldoende draagkracht heeft om deze schuld in termijnen terug te betalen. Met betrekking tot de woonlasten is de rechtbank van oordeel dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een onaanvaardbare situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Familie & Jeugd

zaaknummer / rekestnummer: C/14/141716 / ES RK 12-1413

Beschikking van 27 november 2013 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat voorheen mr. V.E. de Haas, thans mr. M.E. Groot, gevestigd te Heerhugowaard,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. M.R. Ploeger, gevestigd te Schagen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 13 november 2012;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, ingekomen op 8 januari 2013;

- het verzoekschrift strekkende tot wijziging nevenverzoek, ingekomen op 27 februari 2013;

- het bericht van de man met ouderschapsplan, ingekomen op 26 maart 2013;

- het bericht van de vrouw met bijlagen, ingekomen op 10 september 2013,

- het bericht van de man met bijlagen, ingekomen op 27 september 2013;

- het bericht van de man met bijlage, ingekomen op 30 september 2013, en

- het e-mailbericht van 9 oktober 2013 van de gezinsvoogd, de heer[gezinsvoogd] van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland (hierna: BJZNH).

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 10 oktober 2013, tegelijkertijd met de behandeling van het verzoek van de vrouw tot wijziging van een tussen partijen geldende voorlopige voorziening, bij de rechtbank bekend onder zaaknummer 148703/ FA RK 13/1839.

Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door mr. Groot voornoemd, en de man, bijgestaan door mr. Ploeger voornoemd.

1.3.

De minderjarige [minderjarige 1] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken en heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Gelet op de leeftijd van de minderjarige [minderjarige 2] is zij niet gehoord.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op 18 september 1998 te [plaats].

2.2.

De minderjarige kinderen (hierna: de kinderen) van partijen zijn:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], en

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

2.3.

Scheiding

2.3.1.

De vrouw heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

De man heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

2.3.2.

Op grond van artikel 815, lid twee van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid zes Rv).

Door de vrouw is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid twee Rv overgelegd. Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, blijkt voldoende dat het voor partijen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door hen beiden akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank zal de vrouw derhalve ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.

2.3.3.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.4.

Verblijfplaats

2.4.1.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar zal zijn.

De man heeft zich daartegen niet verweerd.

2.4.2.

De rechtbank zal conform het verzoek beslissen, nu dit verzoek niet is weersproken en het verzoek op de wet is gegrond. Niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet.

2.5.

Verdeling zorg- en opvoedingstaken

2.5.1.

De vrouw heeft verzocht een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vast te stellen. Zij verzoekt te bepalen dat de zorgregeling wordt vastgesteld overeenkomstig het door haar overgelegde ouderschapsplan.

De man heeft daartegen als verweer gevoerd dat de vrouw geen ouderschapsplan heeft overgelegd. In zijn concept ouderschapsplan stelt de man voor dat de kinderen in de even weekenden van vrijdag 19.00 uur tot zondag 20.00 uur bij hem zijn, waarbij de vrouw de kinderen op vrijdag naar de man brengt en de man de kinderen op zondag naar de vrouw brengt. Ten aanzien van de vakanties en feestdagen stelt de man voor dat deze in onderling overleg worden verdeeld, met dien verstande dat de kinderen in de even jaren oud en nieuw bij de man vieren en in de oneven jaren bij de vrouw en dat de man in de even jaren de eerste keus heeft met betrekking tot de meivakantie en de vrouw in de oneven jaren.

2.5.2.

Uit het e-mailbericht van de gezinsvoogd blijkt dat de, in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure, vastgestelde zorgregeling, inhoudende dat de kinderen een weekend per veertien dagen van vrijdag 19.00 uur tot zondag 20.00 uur bij de man verblijven, nooit is verlopen zoals door de rechtbank is bepaald. Reden daarvoor is, volgens de gezinsvoogd, gelegen in het feit dat partijen niet kunnen communiceren en dat de communicatie tussen partijen niet van de grond komt. Uit het e-mailbericht van de gezinsvoogd blijkt voorts dat de overdrachtsmomenten van de kinderen van de ene naar de andere ouder niet goed verlopen, omdat partijen zich niet aan de afspraken houden die daaromtrent zijn gemaakt. Volgens de gezinsvoogd is er sprake van zeer onverantwoord gedrag. De gezinsvoogd wijst er op dat de vader zich bedreigend heeft uitgelaten jegens de moeder en zelfs de mogelijkheid heeft geopperd om zichzelf en zijn kinderen iets aan te doen, onder verwijzing naar familiedrama’s die zich in Nederland hebben afgespeeld. De gezinsvoogd is van mening dat de kinderen onder geen beding nog getuige mogen van zijn van de strijd tussen de ouders, de scheldpartijen tussen hen en de dreigementen. De ouders moeten direct contact met elkaar vermijden. Eerst moet er rust komen voor de kinderen. In de volgende gesprekken bij BJZNH kunnen dan afspraken worden gemaakt over de communicatie van de ouders en hoe dit vorm moet worden gegeven. De ouders zullen gehoor moeten geven aan de uitnodiging van BJZNH om met elkaar en de gezinsvoogden in gesprek te gaan over therapeutische gezinsbegeleiding voor de onderliggende problematiek. De ouders moeten leren ouders te zijn voor de kinderen en zich als ex-partners te gedragen. De gezinsvoogd geeft aan dat het ondanks alles redelijk goed gaat met de kinderen, maar dat de zorgen groot zijn.

2.5.3.

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen overeenstemming hebben over de zorgregeling, inhoudende dat de kinderen een weekend per veertien dagen naar de man gaan, alsmede dat de vakanties en feestdagen in onderling overleg worden verdeeld.

De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling beaamd dat de overdracht van de kinderen van de ene naar de andere ouder uit de hand loopt. Zij gaf daarnaast aan dat de kinderen soms een weekend niet naar de man gaan. De vrouw vindt dat zwaar omdat zij zichzelf wil kunnen opladen maar ook omdat de kinderen graag naar de man gaan.

Uit hetgeen de man tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht blijkt dat partijen nauwelijks in staat zijn om als ouders van de kinderen met elkaar te communiceren.

2.5.4.

De rechtbank overweegt uit volgt.

Ondanks hun slechte onderlinge verhouding hebben partijen overeenstemming weten te bereiken over de zorgregeling, inhoudende dat de kinderen een weekend in de veertien dagen van vrijdag 19.00 uur tot zondag 20.00 uur bij de man zijn, alsmede gedurende vakanties en feestdagen in onderling overleg tussen partijen te bepalen. De rechtbank acht deze regeling in het belang van de kinderen en zal deze in het navolgende vaststellen. Gelet op de onderlinge verhoudingen en hetgeen blijkt uit het e-mailbericht van de gezinsvoogd is de rechtbank van oordeel dat het contact tussen partijen thans tot het minimum dient te worden beperkt om zodoende rust te creëren tussen partijen onderling. Partijen dienen om die reden geen telefonisch contact meer met elkaar te hebben of op andere wijze contact met elkaar op te nemen. Met betrekking tot de zorgregeling dient de man enkel op vrijdag 17.00 uur de vrouw op haar mobiele nummer te bellen om te laten weten of hij in staat is om de kinderen op vrijdagavond 19.00 uur op te halen of dat hij de kinderen vanaf zaterdagochtend 09.00 / 09.30 uur op kan halen. Partijen dienen zich voorts strikt te houden aan de aanwijzingen die de gezinsvoogd aan partijen geeft.

2.5.5.

De rechtbank wijst partijen voorts nog op het navolgende.

De rechtbank stelt voorop zich ernstige zorgen te maken over de slechte onderlinge verhouding tussen partijen en de gevolgen daarvan voor de kinderen. Uit onderzoek is onomstotelijk gebleken dat voortdurende strijd tussen ouders voor kinderen ontwrichtend, onveilig en beangstigend is. Ouderlijke strijd heeft op zowel korte als op de lange termijn zeer nadelige gevolgen voor kinderen. Als voorbeelden kunnen hier genoemd worden: loyaliteitsconflict, parentificatie, meer kans op ontwikkelingsproblemen in de puberteit, moeite met conflicthantering, grotere kans op mislukken eigen relaties, grotere kans op depressie, faalangst en een laag zelfbeeld. Ouders dienen naar hun kinderen toe verantwoordelijkheid te nemen en dienen hun ouderrol verantwoord in te vullen. Dit houdt in dat zij moeten leren op ouderniveau met elkaar te communiceren. Gelet op het vorenstaande geeft de rechtbank partijen ernstig in overweging zich te richten naar de aanwijzingen van de gezinsvoogd en er alles aan te doen om een oplossing te vinden van hun onderlinge communicatieproblematiek.

2.6.

Onderhoudsbijdrage

2.6.1.

De vrouw heeft verzocht – naar de rechtbank begrijpt – een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderbijdrage) vast te stellen van [euro] 275,00 per maand per kind. De vrouw stelt dat zij onvoldoende inkomsten heeft om in de kosten van de kinderen te voorzien.

De man heeft daartegen verweer gevoerd. De man stelt dat de vrouw de behoefte van de kinderen niet heeft gemotiveerd. Volgens de man bedraagt de behoefte van de kinderen

[euro] 650,- per maand. De vrouw heeft naar mening van de man ook geen onderbouwing gegeven hoe zij aan het bedrag van [euro] 275,- per kind per maand is gekomen. De man wijst erop dat de vrouw zelf voldoende inkomsten, ook uit gunstige fiscale regelingen, heeft om in de kosten van levensonderhoud te voorzien, zodat zij ook een substantieel deel van de kosten van de kinderen voor haar rekening kan nemen. De man verzoekt de rechtbank consequenties te verbinden aan het feit dat de vrouw geen stukken in het geding heeft gebracht.

De man stelt voorts dat hij onvoldoende draagkracht heeft om een bijdrage van [euro] 275,- per kind per maand te betalen.

De rechtbank gaat in het navolgende eerst in op de behoefte van de kinderen en vervolgens op de draagkracht van partijen.

2.6.2.

Behoefte kinderen

In het kader van de voorlopige voorzieningen procedure is bepaald dat de behoefte van de kinderen [euro] 655,- per maand bedraagt. De vrouw is van deze behoefte uitgegaan. Nu de door de man berekende behoefte nauwelijks afwijkt van de behoefte die de rechtbank in het kader van de voorlopige voorzieningen procedure heeft vastgesteld, zal de rechtbank in de onderhavige procedure uitgaan van een behoefte van [euro] 655,- per maand. Partijen zijn het er over eens dat de vrouw, omdat de man zich na 1 augustus 2013 heeft laten uitschrijven uit de echtelijke woning, met ingang van 1 januari 2014 aanspraak maakt op een kindgebonden budget van [euro] 148,- per maand en dat dit kindgebonden budget met ingang van 1 januari 2014 in mindering dient te worden gebracht op de behoefte van de kinderen. De rechtbank ziet hierin aanleiding een getrapte beschikking te nemen, waarbij voor de periode tot 1 januari 2014 uit wordt gegaan van een behoefte van [euro] 655,- per maand en met ingang van 1 januari 2014 wordt uitgegaan van een geïndexeerde behoefte van [euro] 661,- per maand minus het kindgebonden budget van [euro]148,- per maand, derhalve van een behoefte van [euro] 513,- per maand.

2.6.3.

Draagkracht man

2.6.3.1. De Werkgroep Alimentatienormen adviseert bij het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige met een ingangsdatum van de te betalen bijdrage na 1 april 2013 uit te gaan van een forfaitaire berekening. De vrouw heeft geen ingangsdatum verzocht met betrekking tot de – eventueel – door de man aan haar te betalen bijdrage. De rechtbank acht het redelijk deze ingangsdatum te stellen op de datum van inschrijving van de onderhavige beschikking nu er tussen partijen met betrekking tot de kinderbijdrage ook een voorlopige voorziening is vastgesteld. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de draagkracht van de man berekenen aan de hand van een forfaitaire berekening.

2.6.3.2. De vrouw heeft berekend dat het netto besteedbaar inkomen van de man [euro] 2.190,- per maand bedraagt. De man heeft berekend dat zijn netto besteedbaar inkomen [euro] 2.186,- per maand bedraagt. De man is er daarbij vanuit gegaan dat hij aan overwerk [euro] 800,- bruto per maand ontvangt. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij zich in deze stelling van de man kan vinden. Nu het netto besteedbaar inkomen van de man volgens partijen nagenoeg gelijk is, zal de rechtbank in het navolgende uitgaan van een netto besteedbaar inkomen van [euro] 2.186,- per maand.

2.6.3.3. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de man de helft van de woonlasten van de echtelijke woning dient te betalen. In een dergelijke situatie behoeft, aldus het Rapport van de Werkgroep Alimentatienormen versie juli 2013 (hierna: het Tremarapport), geen beroep te worden gedaan op de aanvaardbaarheidstoets, zoals de man heeft gedaan, maar dient bij het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige met deze ‘extra’ lasten rekening te worden gehouden. De hypotheekrente ten behoeve van de echtelijke woning bedraagt

[euro] 7.584,- per jaar. De helft hiervan is [euro] 3.792,- per maand en derhalve [euro] 316,- per maand. Voor het bepalen van de draagkracht van de man dient te worden uitgegaan van de netto ‘extra’ woonlast. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw gesteld dat de netto hypotheeklast van de man [euro] 260,- per maand bedraagt. De man heeft dat niet betwist zodat de rechtbank van dat bedrag zal uitgaan. Aan de hypotheek zit een levensverzekering gekoppeld met een premie van [euro] 136,85 per maand. De rechtbank zal met de helft van de premie rekening houden, zijnde [euro] 68,- per maand.

2.6.3.4. Op basis van het vorenstaande kan de man op grond van de draagkrachttabel, inclusief de netto woonlast van de echtelijke woning, een bijdrage ten behoeve van de kinderen betalen van: 70 [procent] [[euro] 2.186,- -/- (0,3 X [euro] 2.186,- + [euro] 850,- + [euro] 260,- + [euro] 68,-)]

[euro] 247,- per maand.

2.6.3.5. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de man mogelijk de echtelijke woning van partijen kan overnemen. Nu onduidelijk is of en per wanneer de man deze woning daadwerkelijk zal kunnen overnemen, kan de rechtbank met deze toekomstige thans nog onzekere gebeurtenis voor het bepalen van de draagkracht van de man geen rekening houden. De rechtbank stelt thans slechts vast dat met het vervallen van deze extra last na verkoop van de woning de man een draagkracht heeft van 70 [procent] [[euro] 2.186,- -/- (0,3 X [euro] 2.186,- + [euro] 850,-)] [euro] 476,- per maand.

2.6.4.

Draagkracht vrouw

2.6.4.1. De vrouw heeft berekend dat zij een netto besteedbaar inkomen heeft van [euro] 1.432,- per maand. De vrouw heeft geen berekening overgelegd van haar netto besteedbaar inkomen.

De man heeft gesteld dat van de vrouw verwacht had mogen worden dat zij meer inzage gaf in de wijze waarop zij haar netto besteedbaar inkomen heeft berekend. Hij is van mening dat de vrouw tekort schiet in het informeren van de rechtbank over haar financiële positie. Hij heeft berekend dat de vrouw een netto besteedbaar inkomen heeft van [euro] 1.755,- per maand.

2.6.4.2. De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt voorop geen consequenties te verbinden aan het feit dat de vrouw geen berekening heeft overgelegd van haar besteedbaar inkomen, zoals de man heeft verzocht, nu het besteedbaar inkomen van de vrouw aan de hand van de stukken die zij heeft overgelegd berekend kan worden.

Bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw gaat de rechtbank uit van haar inkomensgegevens zoals deze blijken uit de salarisspecificaties van de maanden mei tot en met juli 2013 nu de vrouw haar arbeidscontract in december 2012 met vijf uur heeft uitgebreid. Uit de salarisspecificaties blijkt dat de vrouw een inkomen heeft van [euro] 1.812,48 bruto per maand. Zij maakt aanspraak op 8 [procent] vakantietoeslag, daarnaast maakt zij aanspraak op een eindejaarsuitkering van [euro] 1.292,- bruto per jaar. Op haar inkomen wordt een pensioenpremie ingehouden van ([euro] 165,44 + [euro] 0,96 =) [euro] 166,40 per maand. De rechtbank houdt geen rekening met de premie ZVW die op het inkomen van de vrouw in mindering wordt gebracht, nu de rechtbank begrijpt dat dit de ziektekostenverzekeringspremie van de vrouw is.

2.6.4.3. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting waar zij aanspraak op maakt, bedraagt

het netto besteedbaar inkomen van de vrouw tot 1 januari 2014 [euro] 1.638,- per maand. Met ingang van 1 januari 2014 maakt de vrouw naast voormelde heffingskortingen eveneens aanspraak maakt op de alleenstaande ouderkorting. In deze situatie bedraagt haar besteedbaar inkomen [euro] 1.799,- per maand.

2.6.4.4. De draagkracht van de vrouw bedraagt op grond van de draagkrachttabel tot

1 januari 2014: 70 [procent] [[euro] 1.638,- -/- (0,3 X [euro] 1.638,- + [euro] 850,-)] [euro] 208,- per maand.

De draagkracht van de vrouw bedraagt op grond van de draagkrachttabel na 1 januari 2014:

70 [procent] [[euro] 1.799,- -/- (0,3 X [euro] 1.799,- + [euro] 850,-)] [euro] 287,- per maand.

2.6.5.

Draagkrachtvergelijking en zorgkorting

2.6.5.1. De behoefte van de kinderen bedraagt tot 1 januari 2013 [euro] 655,- per maand en vanaf 1 januari 2014 [euro] 513,- per maand.

De draagkracht van de man bedraagt [euro] 247,- per maand en de draagkracht van de vrouw bedraagt tot 1 januari 2014 [euro] 208,- per maand en vanaf 1 januari 2014 [euro] 287,- per maand.

Nu de gezamenlijke draagkracht van partijen tot 1 januari 2014 lager is dan de behoefte van de kinderen, behoeft voor de periode tot 1 januari 2014 geen draagkrachtvergelijking te worden opgesteld. Vanaf 1 januari 2014 is de gezamenlijke draagkracht hoger dan de behoefte van de kinderen en dient wel een draagkrachtvergelijking te worden opgesteld.

2.6.5.2. Periode tot 1 januari 2014

2.6.5.3. Bij het bepalen van de door de man te betalen kinderbijdrage dient te worden bekeken of zijn bijdrage dient te worden verminderd met de zorgkorting ten behoeve van de kinderen. Op basis van voormelde zorgregeling bedraagt de zorgkorting tot 1 januari 2014

15 [procent] van [euro] 655,- en derhalve [euro] 98,- per maand.

2.6.5.4. Indien het tekort aan gezamenlijke draagkracht van partijen om in de behoefte van de kinderen te voorzien twee maal zo groot is als de zorgkorting waar de man aanspraak op maakt, dient, op grond van het Tremarapport, de man tot het volledige bedrag van zijn draagkracht bij te dragen. Van deze situatie is in het onderhavige geval sprake met betrekking tot de bijdrage die de man tot 1 januari 2014 aan de vrouw dient te betalen (het tekort is [euro] 200,- per maand en de zorgkorting is [euro] 98,- per maand). Het tekort om in de behoefte te voorzien wordt over partijen verdeeld omdat de vrouw een bijdrage krijgt die lager is dan de behoefte van de kinderen en dan de zorgkosten niet kan verdisconteren.

2.6.5.5. Op basis van het vorenstaande dient de man tot 1 januari 2014 aan de vrouw een bijdrage ten behoeve van de kinderen te betalen van [euro] 247,- per maand en derhalve van

[euro] 123,50 per kind per maand.

2.6.5.6. Periode vanaf 1 januari 2014

2.6.5.7. De behoefte van de kinderen bedraagt vanaf 1 januari 2014 [euro] 513,- per maand.

De draagkracht van de man bedraagt [euro] 247,- per maand en de draagkracht van de vrouw bedraagt vanaf 1 januari 2014 [euro] 287,- per maand. De totale draagkracht bedraagt derhalve

[euro] 534,- per maand. De totale draagkracht van partijen is hoger dan de behoefte van de kinderen. De rechtbank zal derhalve een draagkrachtvergelijking maken. Partijen dienen naar rato van hun draagkracht bij te dragen in de behoefte van de kinderen. De verdeling van de kosten van de kinderen over partijen dient berekend te worden volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Op basis van de bovenstaande gegevens dient de man een bijdrage in de behoefte van kinderen te betalen van [euro] 237,- ([euro] 247,- gedeeld door [euro] 534,- x [euro] 513,-) per maand en de vrouw een bijdrage van [euro] 276,- ([euro] 287,- gedeeld door [euro] 534,- x [euro] 513,-) per maand.

2.6.5.8. Nu partijen voldoende draagkracht hebben om in de kosten van de kinderen te voorzien, dient vervolgens de zorgkorting in mindering te worden gebracht op het aandeel van de man in de kosten van de kinderen. De zorgkorting bedraagt 15 [procent] van [euro] 513,- per maand derhalve [euro] 77,- per maand. De man dient derhalve vanaf 1 januari 2014 aan de vrouw een bijdrage te betalen in de kosten van de kinderen van ([euro] 237,- -/- [euro] 77,- =) [euro] 160,- per maand en derhalve van [euro] 80,- per kind per maand.

2.6.6.

Aanvaardbaarheidstoets

2.6.6.1. De man heeft een beroep gedaan op de aanvaardbaarheidstoets om drie redenen. Op het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets met betrekking tot de woonlasten van de echtelijke woning is de rechtbank in het vorenstaande al ingegaan. De man heeft voorts een beroep gedaan op de aanvaardbaarheidstoets met betrekking tot zijn advocaatkosten. De man heeft tot slot een beroep gedaan op de aanvaardbaarheidstoets met betrekking tot zijn huidige woonlasten. Volgens de man dient de woonkostencomponent in de draagkrachttabel te worden aangepast nu de huur van de huidige woning van de man hoger uitvalt dan het bedrag van de woonkostencomponent in de draagkrachttabel. De forfaitaire huur bedraagt

[euro] 656,- per maand, terwijl de man aan woonlasten [euro] 770,- per maand betaalt.

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets.

2.6.6.2. Aanvaardbaarheidstoets advocaatkosten

Op grond van het Tremarapport worden advocaatkosten niet gezien als noodzakelijke last die voorrang heeft boven een kinderbijdrage. De rechtbank sluit zich hierbij aan en zal in de onderhavige beschikking met de advocaatkosten van de man geen rekening houden. Het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets slaagt in deze situatie derhalve niet. De rechtbank heeft in haar beoordeling betrokken de omstandigheid dat de man geacht kan worden voldoende resterende draagkracht te hebben om deze schuld in termijnen terug te betalen.

2.6.6.3. Aanvaardbaarheidstoets lasten huidige woning man

Ten aanzien van het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets met betrekking tot zijn huidige woonlasten overweegt de rechtbank als volgt.

Indien in geschil is of sprake is van extra lasten en of deze effect zouden moeten hebben op de draagkracht, kan aanleiding bestaan voor toepassing van de aanvaardbaarheidstoets. In die gevallen waar sprake is van schulden, andere lasten of een lager inkomen dan [euro] 1.250,-, kan de vaststelling van een bijdrage op basis van de draagkrachttabel tot een onaanvaardbare situatie leiden voor de onderhoudsplichtige. Van een onaanvaardbare situatie is sprake indien de onderhoudsplichtige bij de vast te stellen bijdrage niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien, of van zijn inkomen na vermindering van de lasten minder dan 90 [procent] van de voor hem geldende bijstandsnorm overhoudt.

De rechtbank stelt voorop dat alleen in uitzonderingsgevallen zoals hiervoor beschreven kan worden afgeweken van de forfaitaire benadering. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank zijn standpunt dat er sprake is van een onaanvaardbare situatie onvoldoende onderbouwd. De huidige woonlasten van de man bedragen [euro] 114,- per maand meer dan het forfaitaire bedrag waarmee in de draagkrachttabel rekening wordt gehouden. Bij het bepalen van de draagkracht van de man wordt echter ‘slechts’ rekening gehouden met 70 [procent] van zijn beschikbare ruimte. Daarnaast is in het bedrag van [euro] 850,- rekening gehouden met een post onvoorzien van [euro] 53,- per maand. De rechtbank is van oordeel dat de man de hogere woonlasten uit deze posten zou moeten kunnen betalen. De man heeft niet inzichtelijk gemaakt dat hij daar niet toe in staat is. Het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets slaagt derhalve ook met betrekking tot zijn woonlasten niet.

2.6.7.

Vast te stellen bijdrage

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een door de man te betalen kinderbijdrage van [euro] 123,50 per kind per maand tot 1 januari 2014 en van [euro] 80,- per kind per maand vanaf 1 januari 2013 in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven.

2.7.

Verdeling

2.7.1.

De vrouw heeft in haar inleidende verzoekschrift verzocht te bepalen dat partijen met elkaar zullen overgaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin zij zijn gehuwd met benoeming van een notaris en onzijdige personen. De vrouw heeft dit verzoek vervolgens gewijzigd en verzocht de wijze van de verdeling te gelasten of de verdeling vast te stellen als de rechtbank juist acht conform artikel 185 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

De man heeft zich gerefereerd aan het eerste verzoek van de vrouw.

2.7.2.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar gewijzigde verzoek ingetrokken en alsnog verzocht te bepalen dat partijen met elkaar zullen overgaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin zij zijn gehuwd met benoeming van een notaris en onzijdige personen. Nu de man zich heeft gerefereerd aan dit verzoek en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen wel afspraken met elkaar hebben kunnen maken over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, zal de rechtbank dit verzoek van de vrouw als na te melden toewijzen.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Opmeer op 18 september 1998;

3.2.

bepaalt dat de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], en

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;

3.3.

bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:

voornoemde minderjarigen zullen een weekend in de veertien dagen van vrijdag 19.00 uur tot zondag 20.00 uur bij de man zijn, waarbij de man de minderjarigen op vrijdag bij de vrouw haalt en de vrouw de minderjarigen op zondag bij de man haalt, alsmede gedurende vakanties en feestdagen in onderling overleg tussen partijen te bepalen, waarbij partijen zich gedurende de ondertoezichtstelling dienen te richten naar de aanwijzingen van de gezinsvoogd.

3.4.

bepaalt dat de man, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand,

  • -

    [euro] 123,50 per kind per maand tot 1 januari 2014, en

  • -

    [euro] 80,- per kind per maand vanaf 1 januari 2014,

dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarigen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

3.5.

beveelt partijen over te gaan tot verdeling van hun gemeenschap ten overstaan van een notaris. Voor het geval partijen het binnen veertien dagen na inschrijving van de beschikking tot echtscheiding over de keuze van een notaris niet eens zijn, benoemt de rechtbank [notaris], notaris te [vestigingsplaats], of diens waarnemer of opvolger. Wanneer de man niet meewerkt aan de verdeling zal mr. M. van Breda, advocaat te Den Helder, als zijn vertegenwoordiger optreden. Wanneer de vrouw niet meewerkt aan de verdeling zal mr. F.J. van Zwieten, advocaat te Den Helder, als haar vertegenwoordiger optreden;

3.6.

verklaart de beslissing, behoudens ten aanzien van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;

3.7.

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 27 november 2013.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.