Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:11296

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
26-11-2013
Zaaknummer
581850
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verhuur paardenbox en verzorging paard. Verhuurder is tekortgeschoten in de verzorging van een paard en wordt tot schadevergoeding veroordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 581850 / CV EXPL 12-15097

datum uitspraak: 23 oktober 2013

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiser]

te [gevestigd]

eisende partij in conventie

verwerende partij in reconventie

hierna te noemen [eiser]

gemachtigde Appointment Incasso B.V.

tegen

[gedaagde]

te [woonplaats]

gedaagde partij in conventie

eisende partij in reconventie

hierna te noemen [gedaagde]

gemachtigden mr. R.H.O.A. Gruijters en R. de Ruiter

In conventie en in reconventie

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 12 november 2012, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties,

  • -

    de door de kantonrechter tussen partijen gegeven en op 2 januari 2013 uitgesproken rolbeschikking,

  • -

    het door de kantonrechter tussen partijen gewezen en op 27 februari 2013 uitgesproken tussenvonnis,

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de ingevolge dat vonnis op 8 mei 2013 gehouden comparitie van partijen,

  • -

    de akte met producties van [gedaagde] van 27 juni 2013,

  • -

    de antwoordakte met producties van [eiser],

  • -

    de schriftelijke reactie van [gedaagde], met producties.

[gedaagde] heeft bij haar laatste schriftelijke reactie nog producties in het geding gebracht. [eiser] heeft op die producties niet kunnen reageren. Aangezien die producties voor het beoordelen van deze zaak niet van belang zijn, is er geen noodzaak om [eiser] alsnog in de gelegenheid te stellen om op die producties te reageren; [eiser] is immers niet geschaad in de verdediging.

De feiten

  1. [eiser] heeft aan [gedaagde] een, in [gevestigd] gelegen, box verhuurd voor de stalling en verzorging van haar paard [naam] (hierna: [naam]).

  2. De prijs voor de huur en verzorging van [naam] bedroeg € 300,00 per maand.

  3. Het stalreglement van [eiser] bevat de volgende regel met betrekking tot het voeren van de paarden: “Wij voeren de paarden. Het is niet de bedoeling om zelf voer en kuil te pakken.”

  4. Op 24 april 2012 heeft R. de Ruiter aan [eiser] het volgende geschreven:

“Ons is gebleken dat de door u geleverde diensten niet voldoen aan de daaraan in redelijkheid te stellen eisen. Met name hebben wij de volgende bezwaren:

Er wordt door ons een toeslag op de boxhuur betaald zodat de paarden door uw bedrijf wordt gevoerd. Kort daarna is door ons geconstateerd dat er onvoldoende werd gevoerd. Op onze eis om meer te voeren werd niet in gegaan. Door het te weinig voeren van het paard is er een verstopping ontstaan in de darmen. Deze verstopping is door de dierenarts verholpen.

Voor de veroorzaakte schade acht ik u volledig aansprakelijk (…)

Het schadebedrag is reeds begroot op € 1.850,-. (…)

Verder dien ik u er op te wijzen dat dit een indicatie is van het schadebedrag. Mocht de geleden schade en nog te lijden schade hoger zijn, dan maak ik alsnog aanspraak op vergoeding van dit bedrag. (…)”

Op 2 en 6 mei 2012 heeft [eiser] aan R. de Ruiter het volgende geantwoord:

“Het gebruik van de accommodatie en de levering van ruwvoer (stro en voordroogkuil) zijn inclusief de boxprijs.

De hoeveelheid stro per dag bedraagt 1 pak van een grote baal stro en het voordroogkuil heeft een gewicht variërend tussen de 8 en 11 kg per dag.

Wij voeren 3 maal per dag gemiddeld 3 kg, dus totaal 9 kg voordroogkuil per dag.

Deze hoeveelheid is besproken met [naam], maar zij wilde echter meer geven aan haar paard. Wij hebben toen afgesproken dat haar paard van ons de 3 x 3 kg voordroogkuil zou krijgen in een hooinet en Melanie dit zelf ging aanvullen met hooi dat zij elders koopt. Over deze regeling was zij zeer tevreden (…).

(…)

Wij willen u daarom ook mededelen dat wij niet aansprakelijk zijn voor de koliek van het paard van [naam] en wij stellen u hier ook niet schadeloos voor.”

[naam] heeft van 1 maart 2012 tot en met 18 mei 2012 in de gehuurde box gestaan.

Bij factuur van 1 mei 2012 heeft [eiser] € 300,00 aan [gedaagde] in rekening gebracht voor de maand mei 2012.

Ondanks aanmaning heeft [gedaagde] de factuur van 1 mei 2012 ad € 300,00 onbetaald gelaten.

De gemachtigde mr. R.H.O.A. Gruijters van [gedaagde] heeft op 25 juni 2013 [eiser] nogmaals aansprakelijk gesteld voor de door [gedaagde] geleden en nog te lijden schade.

Op 5 april 2012 heeft de Universiteitskliniek voor Paarden te Utrecht, van de Universiteit Utrecht, Faculteit Diergeneeskunde, aan [gedaagde] het volgende geschreven:

“[naam] is 1 april jl. bij ons op de kliniek aangeboden met koliek klachten (sinds vrijdagochtend 30 maart).

(…)

Overmatig stro eten kan een colon obstopatie tot gevolg hebben. Om een vergelijkbaar probleem in de toekomst te voorkomen raden we aan het paard voldoende ruwvoer aan te bieden (richtlijn is 10 kg hooi of kuil voor een paard van 600 kg).”

[gedaagde] heeft € 587,65 voldaan aan de onder j genoemde Universiteitskliniek wegens het aan [naam] verrichte onderzoek.

[gedaagde] heeft € 852,13 + € 305,39 voldaan aan De Paardendokters te Zwaanshoek voor de door de dierenarts aan [naam] verrichte onderzoeken op 30 maart 2012, 31 maart 2012 en 1 april 2012.

In conventie

De vordering

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen om aan [eiser] te betalen € 372,66, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 12 november 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

[eiser] heeft het volgende aan de vordering ten grondslag gelegd:

Op grond van de overeenkomst tussen partijen en geleverde diensten heeft [eiser] € 300,00 van [gedaagde] te vorderen.

[eiser] heeft in opdracht van [gedaagde] werkzaamheden verricht, bestaande onder andere uit de verhuur van een box en de verzorging van het paard van [gedaagde].

Door ondanks aanmaning met betaling in gebreke te blijven, heeft [gedaagde] [eiser] genoodzaakt de vordering ter incasso uit handen te geven. [eiser] heeft daardoor vermogensschade geleden, bestaande uit de buitengerechtelijke incassokosten ten belope van € 59,50 inclusief omzetbelasting. [gedaagde] dient deze kosten ingevolge de algemene betalingsvoorwaarden dan wel ingevolge artikel 6:96 lid 2 sub c BW aan [eiser] te voldoen.

Voorts is [gedaagde] de wettelijke handelsrente verschuldigd geworden. Deze bedraagt, berekend vanaf de datum van verzuim tot 12 november 2012, € 13,16.

Het verweer

[gedaagde] betwist de vordering en voert daartoe het volgende aan:

[naam] heeft van 1 maart 2012 tot en met 18 mei 2012 bij [eiser] gestaan.

Het is niet duidelijk op grond waarvan [eiser] € 300,00 stelt te vorderen te hebben. Er zijn geen algemene voorwaarden van toepassing. Er is geen opzegtermijn overeengekomen.

[gedaagde] is met [eiser] een overeenkomst aangegaan betreffende de huur van een stalbox voor haar paard [naam]. Er is onder meer overeengekomen dat [eiser] dit paard zou verzorgen. Verzorging zou inhouden dat [eiser] het paard op gezette tijden de juiste voeding zou geven.

In de tweede week van maart 2012 heeft [gedaagde] aan [eiser] aangegeven dat zij vond dat [naam] te weinig ruwvoer kreeg.

Het is van cruciaal belang een paard de juiste voeding te geven. In het algemeen behoort een paard van 600 kg gemiddeld 10 kg ruwvoer (kuil) te krijgen. Als een paard onvoldoende te eten krijgt zal het paard op zoek gaan naar ander voedsel. Het enige voedsel dat in een box overblijft is stro. De maag van een paard kan grote hoeveelheden van stro niet verteren en veroorzaakt dan een verstopping (koliek). [gedaagde] heeft [eiser] hier nadrukkelijk op gewezen. Hij heeft aangegeven dat hij [naam] meer ruwvoer zou geven.

[gedaagde] heeft bij controle geconstateerd dat [eiser] niet extra is gaan voeren.

Op 30 maart 2012 heeft [gedaagde] geconstateerd dat [naam] last kreeg van koliek. Er waren op dat moment in de stal bij [eiser] nog drie andere paarden met koliek.

De dierenarts heeft [gedaagde] doorverwezen naar de Dierenkliniek in Utrecht.

De paardendokter heeft aangegeven dat [naam] te weinig ruwvoer heeft gekregen, waardoor [naam] koliek heeft gekregen.

Na de brief van 24 april 2012 en de brief van de gemachtigde van [gedaagde] van

25 juni 2012 is er geen schadeloosstelling geweest door [eiser]. Daarom vordert [gedaagde] in reconventie het bedrag van € 2.079,76 verhoogd met de wettelijke rente.

In reconventie

De vordering

[gedaagde] vordert dat de kantonrechter bij vonnis [eiser] zal veroordelen tot betaling aan [gedaagde] van € 2.079,76, verhoogd met de wettelijke rente.

[gedaagde] heeft haar verweer in conventie aan haar vordering in reconventie ten grondslag gelegd. De kantonrechter verwijst daar kortheidshalve naar.

Voorts heeft [gedaagde] haar vordering als volgt gespecificeerd:

- autokosten €  327,00

- factuur dierenarts te Zwaanshoek €  852,13

- factuur dierenarts te Zwaanshoek €  305,39

- factuur Dierenkliniek Utrecht €  587,65

- portokosten aangetekende brief €  7,50

in totaal € 2.079,67

Het verweer

[eiser] heeft de vordering gemotiveerd weersproken. Op het verweer zal, voor zover relevant, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

De beoordeling

In conventie en in reconventie

1.

De over en weer ingestelde vorderingen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

2.

Naar het oordeel van de kantonrechter is tussen partijen sprake van een gemengde overeenkomst in de zin van artikel 6:215 BW. De overeenkomst tussen partijen bevat namelijk bepalingen uit een huurovereenkomst met betrekking tot de box en bepalingen die betrekking hebben op de bewaarneming/verzorging van [naam], geregeld in de artikelen 7:600 e.v. BW. Nu de overeenkomst beantwoordt aan twee door de wet geregelde bijzondere soorten van overeenkomsten, zijn de voor elk van die soorten gegeven bepalingen naast elkaar op de overeenkomst van toepassing, behoudens voor zover deze bepalingen niet wel verenigbaar zijn of de strekking daarvan in verband met de aard van de overeenkomst zich tegen toepassing verzet. Die twee genoemde uitzonderingen doen zich hier niet voor.

3.

Het vorenstaande brengt met zich dat op [eiser] de zorgplicht rust als bedoeld in artikel 7:602 BW.

4.

[eiser] heeft in conventie de vergoeding voor de stalling en verzorging van [naam] (hierna: de vergoeding) over de maand mei 2012 gevorderd die immers al op

1 mei 2012 was verschuldigd.

5.

In conventie heeft [gedaagde] geen ontbinding van de overeenkomst gevorderd, terwijl onvoldoende gebleken is dat zij de overeenkomst heeft opgezegd. De aansprakelijkstelling bij brief van 24 april 2012 houdt geen opzegging in, terwijl vaststaat dat [naam] tot en met 18 mei 2012 in de box heeft gestaan. Dat de overeenkomst in een op 15 april 2012 tussen partijen gevoerd gesprek zou zijn opgezegd is niet komen vast te staan. Voor zover partijen een opzegtermijn of algemene voorwaarden bij hun debat hebben betrokken zal daaraan dus worden voorbijgegaan.

6.

Voorts heeft [gedaagde] evenmin gevorderd dat de kantonrechter op grond van artikel 6:60 BW zal bepalen dat [gedaagde] van haar verbintenis is bevrijd omdat [eiser] als schuldeiser zelf in verzuim verkeert.

7.

Gelet op het vorenstaande begrijpt de kantonrechter het verweer van [gedaagde] in conventie tegen de onderhavige factuur daarom aldus, dat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat zij geen vergoeding (meer) verschuldigd is, omdat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Indien dit tekortschieten komt vast te staan, stelt de kantonrechter voorop dat het in de gegeven omstandigheden naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als [gedaagde] de vergoeding over de maand mei 2012 nog zou moeten voldoen (artikel 6:248 BW).

8.

Er zal daarom thans moeten worden beoordeeld of [eiser] tekort is geschoten in zijn verzorgingsplicht, zoals door [gedaagde] is gesteld.

9.

Uit het stalreglement van [eiser] blijkt dat hij voor het voederen van het paard diende te zorgen. Voorts heeft [eiser] erkend dat hij [naam] op gezette tijden de juiste voeding diende te geven. Eén en ander staat daarom vast.

10.

Gelet op die vaststaande zorgplicht heeft [eiser] zijn stelling dat [gedaagde] naast de door [eiser] te geven 3 x 3 kg voordroogkuil voor aanvulling met hooi zou zorgen (zoals verwoord in zijn brieven van 2 en 6 mei 2012) onvoldoende concreet onderbouwd.

11.

De stelling van [eiser] dat hij dagelijks 10 kg voordroogkuil als voedsel geeft, is niet in overeenstemming met de 3 x 3 kg die hij in zijn brieven van 2 en 6 mei 2012 heeft vermeld.

12.

De Universiteitskliniek voor Paarden raadt een hoeveelheid van 10 kg hooi of kuil aan voor [naam].

13.

Op grond van het vorenstaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat [eiser] tekort is geschoten in zijn zorgplicht jegens [naam]. Immers, er moet van worden uitgegaan dat hij 9 kg voordroogkuil heeft gegeven, terwijl 10 kg is geïndiceerd.

14.

Voor tegenbewijs door [eiser] is geen plaats. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is namelijk gebleken dat de daadwerkelijke hoeveelheid voordroogkuil die [eiser] aan [naam] heeft verstrekt niet meer is te achterhalen.

15.

Deze tekortkoming van [eiser] maakt hem schadeplichtig jegens [gedaagde] indien is voldaan aan de vereisten van artikel 6:98 BW.

16.

[eiser] is tekort geschoten in zijn zorgplicht jegens [naam], namelijk het verstrekken van voldoende voedsel aan [naam]. Deze norm strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar, te weten: het optreden van koliek klachten bij [naam].

17.

Tussen partijen staat vast dat bij [naam] sprake was van koliek klachten. [eiser] heeft immers bij zijn laatste akte naar voren gebracht dat hij koliek verschijnselen bij [naam] heeft geconstateerd. Hij heeft daarmee de stelling van [gedaagde] erkend. Door [eiser] is voorts niet betoogd dat de bij [naam] geconstateerde koliek klachten zich al voordeden voordat [naam] bij hem op stal kwam.

18.

Nu het onder 16 genoemde specifieke gevaar zich heeft verwezenlijkt, neemt de kantonrechter het causale verband aan tussen de tekortkoming van [eiser] en de gestelde schade, tenzij [eiser] aannemelijk maakt dat de schade ook zonder die tekortkoming zou zijn ontstaan. Dat laatste heeft [eiser], gelet op wat hierboven reeds is overwogen, niet aannemelijk gemaakt.

19.

De kantonrechter gaat er dus van uit dat de gestelde schade het gevolg is van de tekortkoming van [eiser].

20.

De schade staat voorts in zodanig verband met de tekortkoming van [eiser] dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als gevolg van zijn tekortkoming kan worden toegerekend. Het gaat immers om facturen van dierenartsen en de Universiteitskliniek voor Paarden, alsmede de vervoerskosten die [gedaagde] noodzakelijkerwijze heeft moeten maken.

21.

[eiser] heeft de hoogte van de gevorderde schadevergoeding niet voldoende gemotiveerd weersproken.

22.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de vordering in conventie zal worden afgewezen en de vordering in reconventie zal worden toegewezen. De in reconventie gevorderde rente zal worden toegewezen vanaf dag waarop deze vordering werd ingesteld, te weten: 28 november 2012.

23.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

In conventie

De kantonrechter:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden vastgesteld op € 180,00 wegens salaris gemachtigde.

In reconventie

Veroordeelt [eiser] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] te betalen € 2.079,76, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf 28 november 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden vastgesteld op € 450,00 wegens salaris gemachtigde.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde uitspraakdatum.