Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:11292

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-11-2013
Datum publicatie
09-12-2013
Zaaknummer
AWB-13_2240
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2015:3997, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft genoten inkomsten niet in zijn aangifte ib/pvv 2007 aangegeven. Terecht omkering bewijslast.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2801
NTFR 2015/3187 met annotatie van Mr. P.G.M. Jansen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13/2240

Uitspraakdatum: 28 november 2013

Uitspraak van de meervoudige kamer in het geding tussen

[X] te [Z], eiser,

gemachtigde: mr. M.B.C.R. Heemskerk,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Amsterdam, verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Eiser heeft over 2007 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 155.384 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 24.013.

1.2.

Verweerder heeft aan eiser over het jaar 2007 met dagtekening 21 januari 2011 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 734.384 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 24.013. Tegelijk heeft hij bij beschikking heffingsrente berekend. De voormalige gemachtigde heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen de aanslag.

Verweerder heeft de aanslag bij uitspraak op bezwaar van 21 maart 2013 gehandhaafd.

1.3.

Verweerder heeft aan eiser over het jaar 2007 met dagtekening 1 december 2012 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 806.130 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 24.013. Tegelijk heeft hij bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Verweerder heeft geen boete opgelegd.

De gemachtigde heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 maart 2013 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.4.

Eiser heeft tegen de uitspraak met betrekking tot de navorderingsaanslag beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2013, samen met dat in de zaak met kenmerk AWB 13/2031 van[A].

De gemachtigde is namens eiser ter zitting verschenen. Namens verweerder zijn verschenen mr. R. Moolenburgh, A. van Alebeek, B.W.M. Jansen en M.S.L. Bos. Het proces-verbaal van de zitting is bij deze uitspraak gevoegd.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.0.

Het navolgende beperkt zich tot de zaken die betrekking hebben op de geschilpunten zoals die ter beslissing voorliggen voor het belastingjaar 2007.

2.1.

Eiser was in 2007 buiten gemeenschap van goederen gehuwd met[A]. Eiser heeft een zoon, [B], geboren in [JAARTAL], en een dochter, [C], geboren in [JAARTAL].

Eiser was in 2007 bestuursvoorzitter van Woningstichting [A BEDRIJF] (hierna: [A BEDRIJF]).

[A BEDRIJF] was opdrachtgever van [B BEDRIJF] B.V. (hierna: [B BEDRIJF]), waarvan [D] (middellijk) bestuurder was.

[C BEDRIJF] B.V. (hierna:[C BEDRIJF]), waarvan [E] bestuurder was, was een vaste zakelijke relatie van [A BEDRIJF].

2.2.1.

Eiser had in 2007 de beschikking over een personenauto van zijn werkgever, een [AUTOMERK] met een cataloguswaarde van € [BEDRAG].[C BEDRIJF]

2.2.2.

[C BEDRIJF] heeft in december 2007 op verzoek van eiser en door tussenkomst van een notariskantoor € 300.000 betaald aan [F], een schuldeiser van eiser.

2.2.3.

[D] heeft in 2005 € 300.000 overgemaakt naar een Spaanse bankrekening van de echtgenote van eiser. [D] heeft in 2007 een bedrag van € 200.000 en een bedrag van € 25.000 overgemaakt naar een Spaanse rekening van eiser.

2.2.4.

Eiser had in 2007 de beschikking over twee creditcards op naam van [A BEDRIJF].

2.2.5.

In juni 2007 heeft eiser een [AUTOMERK] op zijn naam gekregen. Eiser heeft deze auto in oktober 2007 verkocht aan [D BEDRIJF] B.V. voor € 48.000 en hij heeft de verkoopsom op zijn rekening ontvangen.

2.2.6.

Eiser had het gebruiksrecht van een woning in Spanje.

2.3.

De Raad van Commissarissen van [A BEDRIJF] heeft eiser op 24 oktober 2008 geschorst. In opdracht van de Raad van Commissarissen heeft [E BEDRIJF] een onderzoek ingesteld. [E BEDRIJF] heeft hiervan rapport uitgebracht op 28 januari 2009 (Deelrapport 1) en 16 juli 2009 (Deelrapport 2). Kort samengevat zijn de bevindingen van die rapporten als volgt.

- Deelrapport 1 vermeldt onder 6.2 dat eiser in het jaar 2007 kon beschikken over een [AUTOMERK] en een [AUTOMERK] en (vanaf juli) een [AUTOMERK]. Eiser heeft desgevraagd tegenover de onderzoekers verklaard dat de [AUTOMERK] vanaf juli 2007 op zijn huisadres was gestald en dat hij deze ook daadwerkelijk voor privéritten heeft gebruikt.

- Deelrapport 1 maakt melding van uitgaven door eiser voor een onroerende zaak in Spanje, de vervreemding van het pand in een samenwerking met [E] en het gebruik daarvan door eiser.

- Deelrapport 2 vermeldt dat eiser kon beschikken over creditcards van [A BEDRIJF] en dat in 2007 bestedingen tot een bedrag van € 38.494 ten laste van [A BEDRIJF] zijn gekomen (na verrekening van de op voorhand als privé aangemerkte bestedingen) en dat daarvan tot een bedrag van € 925 bewijsstukken voorhanden waren. De rapporteurs hebben nader onderzoek gedaan met betrekking tot het gebruik van de creditcards aan de hand van de agenda van eiser, de aard van de uitgaven, de plaats waar en het tijdstip waarop deze zijn gedaan. Het rapport bevat geen eenduidige conclusie met betrekking tot de zakelijkheid van de bestedingen.

2.4.

Medewerkers van de FIOD-ECD hebben een aantal feiten gerelateerd en proces-verbaal opgemaakt van een aantal verklaringen afgelegd door eiser, [E] en [D]. De strekking van het relaas van de medewerkers van de FIOD-ECD en die verklaringen is als volgt:

- Eiser heeft verklaard dat hij een lening had gesloten bij [F], een zakelijke relatie, dat [E] deze verplichting heeft overgenomen en dat daarvoor een getekende leningovereenkomst voorhanden is. [E] heeft verklaard dat hij leningen had verstrekt aan eiser om voorwaarden te scheppen om het zaken doen met [A BEDRIJF] en eiser te continueren, dat hij op verzoek van eiser de lening van € 300.000 van eiser aan [F] heeft afgelost zonder dat er een leningovereenkomst is opgemaakt, dat hij zich niet kon veroorloven het bedrag van € 300.000 niet te betalen en dat eiser en hij aan elkaar vast zaten. Ook heeft [E] verklaard dat hij zich misbruikt voelde door eiser.

- [D] heeft in 2005 een bedrag van € 300.000 overgemaakt naar een Spaanse bankrekening van [A]. Eiser heeft verklaard dat hij geld geleend had van [D], een zakenrelatie, een paar keer in diens auto’s heeft gereden en dat in de leningovereenkomst was afgesproken dat hij het geleende bedrag na zijn pensionering zou terugbetalen. [D] heeft verklaard dat het een lening betrof op initiatief van eiser, dat die geen zakelijke grondslag had, dat er geen rente was bedongen en ook geen afspraken waren gemaakt met betrekking tot de aflossing en dat hij niet wist waarom geen lening aan eiser vermeld was op zijn aangifte inkomstenbelasting.

[D] heeft in 2007 € 200.000 en later € 25.000 overgemaakt naar een Spaanse bankrekening van eiser; [D] heeft overigens verklaard dat de gang van zaken in 2007 identiek was aan die rond de overmaking in 2005.

- De dochter van eiser heeft bij Automobielbedrijf [F BEDRIJF] B.V. (hierna: [F BEDRIJF]) een [AUTOMERK] meegenomen en daarbij een op naam van eiser staande [AUTOMERK] ingeruild voor een bedrag van € 20.000. De verschuldigde huurtermijnen voor die [AUTOMERK] en enkele verkeersboetes werden betaald door [B BEDRIJF]. In juni 2007 is de [AUTOMERK] op naam gezet van eiser. [F BEDRIJF] heeft in 2007 aan de dochter van eiser een bedrag van € 74.000 gefactureerd. Van het gefactureerde bedrag heeft [F BEDRIJF] (na afboeking van de inruilwaarde) € 44.000 afgeboekt met de inkoopwaarde van een [AUTOMERK] van [D] en de resterende € 10.000 heeft hij afgeboekt met een overbetaling door [B BEDRIJF] tot dit bedrag ter gelegenheid van de levering van een [AUTOMERK] aan [B BEDRIJF].

- Eiser heeft verklaard dat hij medio 2000 in Spanje een huis in aanbouw had verkocht aan [E] en na voltooiing als enige het gebruiksrecht daarvan had. [E] heeft verklaard dat hij, [E], aan een trust huur betaalde voor het huis in Spanje en dat eiser het mocht gebruiken.

2.5.

De Raad van Commissarissen van [A BEDRIJF] heeft eiser op 30 januari 2009 op staande voet ontslagen.

2.6.

Eiser is begin 2012 failliet verklaard. Mr. [G] is zijn curator. [E] heeft namens[C BEDRIJF] op 24 augustus 2012 verklaard dat hij zijn bij de curator ingediende vordering niet handhaaft. [D] heeft geen vordering bij de curator ingediend.

2.7.

De aan eiser geadresseerde jaaropgaaf van zijn werkgever over 2007 vermeldde bij het onderdeel “Personen- of bestelauto ter beschikking gesteld” de aanduiding “nee”. Eiser heeft in zijn aangifte over 2007 geen melding gemaakt van privégebruik van een personenauto. Eiser heeft evenmin melding gemaakt van enige schuld aan[C BEDRIJF]/[E], dan wel aan [D] of het bezit van enige onroerende zaak of een bankrekening in Spanje.

In het bezwaarschrift heeft de gemachtigde verklaard dat de reguliere bijtellingsregeling voor het privégebruik van de [AUTOMERK] gehanteerd zou moeten worden.

2.8.

De rechtbank Arnhem heeft op 12 juli 2012 uitspraak gedaan met betrekking tot de navorderingsaanslagen ib/pvv 2002 en 2003, ECLI:NL:RBARN:2012:BX1120. De rechtbank Noord-Holland heeft op 17 juli 2013 uitspraak gedaan met betrekking tot een aan eiser opgelegde navorderingsaanslag ib/pvv over 2006.

2.9.

Verweerder heeft bij het opleggen van de navorderingsaanslag het belastbaar inkomen uit werk en woning als volgt berekend:

- aangegeven €  155.384

- privégebruik [AUTOMERK] - 34.377

- van[C BEDRIJF]/[E] verkregen gelden - 300.000

- van [D] verkregen gelden - 225.000

- privébestedingen creditcards - 4.209

- bate uit inruil [AUTOMERK] [D] - 54.000

- gebruik Spaanse villa van [E] - 24.000

- gebruik mobiele telefoons - 9.160

€ 806.130

3 Geschil

3.1.

In geschil is de juistheid van de opgelegde navorderingsaanslag.

3.2.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de navorderingsaanslag. Daarbij heeft hij, kort samengevat, gesteld dat:

- [A BEDRIJF] de [AUTOMERK] vanaf juli 2007 ter beschikking had gesteld, dat [A BEDRIJF] de loonheffing had moeten afdragen en dat er sprake was van onbedoeld gebruik;

- [E] de schuldpositie voor de lening van € 300.000 heeft overgenomen;

- er sprake is van een schuld aan [D];

- de privébestedingen met de creditcards op het salaris werden ingehouden;

- hij bij de verkrijging van de [AUTOMERK] geen inruilvoordeel heeft genoten;

- hij voor het gebruik van de villa in Spanje een vergoeding betaalde aan [E].

De gemachtigde heeft ter zitting bevestigd dat het beroep geen betrekking heeft op het bedrag van € 9.160 dat verweerder heeft belast voor het gebruik door eiser en zijn familieleden van een vijftal mobiele telefoons waarvan de kosten voor rekening van [A BEDRIJF] zijn gekomen.

3.3.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep en heeft zich daartoe mede beroepen op de omkering van de bewijslast als verwoord in artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen omdat eiser geen aangifte heeft gedaan van privégebruik van de [AUTOMERK].

Verweerder heeft nog gesteld dat het bedrag voor privégebruik van de [AUTOMERK] uit zou moeten komen op € 38.913 op basis van de werkelijk door [A BEDRIJF] betaalde kosten, dat het bedrag van de met de creditcards verrichte privébestedingen bepaald zou moeten worden op € 18.784 en dat de waarde van het gebruik van de Spaanse villa op € 28.000 zou moeten worden vastgesteld, uitgaande van een daarin geïnvesteerd bedrag van € 700.000. In zoverre heeft verweerder zich beroepen op interne compensatie.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De gemachtigde heeft ter zitting verzocht de behandeling van de zaak aan te houden in verband met miscommunicatie met eiser en met het oog op het nader horen van een tweetal getuigen, [E] en [D]. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen op grond van de volgende omstandigheden:

- de griffier heeft partijen op 13 augustus 2013 uitgenodigd voor de zitting en daarbij overeenkomstig art. 8:60, vierde lid, van de Awb aangegeven dat partijen uiterlijk een week daarvoor konden meedelen of zij een getuige zouden willen laten horen; de gemachtigde heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt;

- de gemachtigde heeft verklaard niet zeker te weten of deze getuigen bij een volgende zitting aanwezig zouden kunnen of willen zijn;

- verweerder heeft zich verzet tegen aanhouden van de zaak.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het in strijd met de goede procesorde is de behandeling van de zaak aan te houden. Het belang bij het horen van de genoemde getuigen moet voor de gemachtigde reeds lange tijd bekend zijn geweest gelet op de in bezwaar en beroep gevoerde discussie. Ter zitting hebben zich ook geen omstandigheden voorgedaan die aanleiding kunnen zijn geweest tot het doen van het getuigenaanbod, aangezien gemachtigde dit verzoek reeds bij aanvang van de zitting heeft gedaan.

4.2.

Verweerder heeft in twee afzonderlijke geschriften uitspraak op bezwaar gedaan voor enerzijds de (primitieve) aanslag ib/pvv over 2007 en anderzijds de navorderingsaanslag over dat jaar met vermelding van de aanslagnummers. De gemachtigde heeft in zijn beroepschrift enkel verwezen naar de uitspraak op het bezwaar waarbij verweerder het bezwaar tegen de navorderingsaanslag ongegrond heeft verklaard en de gemachtigde heeft het bij die navorderingsaanslag behorende aanslagnummer vermeld.

Nu eiser geen beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak met betrekking tot de definitieve aanslag, zal de rechtbank geen beslissing kunnen geven over de hoogte van de (primitieve) aanslag maar enkel de juistheid van de navorderingsaanslag beoordelen (zie HR 18 oktober 1972, ECLI:NL:HR:1972:AY4383, BNB 1972/253).

4.3.

Eiser heeft aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 155.384, maar heeft geen aangifte gedaan van enig bedrag ter zake van het privégebruik van een door [A BEDRIJF] ter beschikking gestelde auto. Het bij te tellen bedrag terzake van het privégebruik van de [AUTOMERK] zou blijkens het bezwaarschrift tenminste zijn uitgekomen op € 20.623 (te weten 22% van € 187.489 over het tweede halfjaar van 2007), uitkomend op een relatief en absoluut groot belastingbedrag van € 10.723.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser door op dit punt niet duidelijk en stellig de gevraagde gegevens te verstrekken, niet de vereiste aangifte gedaan en daarom rust op hem de last te bewijzen dat de uitspraak op bezwaar onjuist is, oftewel dat de navorderingsaanslag op een te hoog bedrag is vastgesteld.

4.4.

Verweerder heeft op basis van de onder 2 weergegeven feiten, rapporten en verklaringen het belastbaar inkomen uit werk en woning hoger vastgesteld dan belanghebbende heeft aangegeven.

4.5.

Eiser heeft niet het bewijs geleverd dat het belastbaar inkomen te hoog is vastgesteld. Daarbij acht de rechtbank met name van belang dat eiser geen bewijs heeft geleverd dat er voor de in 2007 op zijn rekening gestorte bedragen sprake is geweest van een op hem rustende reële terugbetalingsverplichting aan[C BEDRIJF]/[E], respectievelijk [D], te minder nu bij het faillissement geen van beiden uiteindelijk enige vordering op eiser tot gelding heeft gebracht. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat eiser in zijn aangifte geen melding heeft gemaakt van enige terugbetalingsverplichting voor de in 2007 door[C BEDRIJF] c.q. [E], respectievelijk [D] verstrekte bedragen van in totaal € 525.000, hetgeen ook niet op het van eiser te verlangen bewijs duidt.

4.6.

Ook heeft eiser geen helderheid gegeven met betrekking tot de gang van zaken rond de inruil van de [AUTOMERK] en het gebruik van de woning in Spanje op grond waarvan de rechtbank zou kunnen aannemen dat er geen sprake is geweest van een voordeel met een omvang als door verweerder berekend.

4.7.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Eiser heeft geen afzonderlijke grief verwoord met betrekking tot de beschikking heffingsrente. De rechtbank ziet geen reden dat beroep niettemin gegrond te verklaren.

5 Proceskosten

Ter zitting heeft de gemachtigde expliciet afstand gedaan van een mogelijke proceskostenvergoeding.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.A. Boersma, voorzitter, mr. A. van Dongen en mr. H. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van drs. A.M. Jones, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.