Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:11263

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-11-2013
Datum publicatie
25-11-2013
Zaaknummer
HAA 13/2267
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wob verzoek - Elektronische weg niet opengesteld voor indienen bezwaar. Foutief adres op brief met mededeling dat de bezwaarschriften niet in ontvangst zijn genomen en dat eiser dit verzuim kan herstellen door schriftelijk bezwaar te maken. Derhalve is eiser niet voorafgaand aan de niet-ontvankelijkverklaring in de gelegenheid gesteld het gebrek dat kleeft aan indiening van de bezwaarschriften te herstellen. Verweerder heeft niet kunnen concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de bezwaren.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 13/2267

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 november 2013in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. H.P. Olthof),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Seinen).

Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2013 (het primaire besluit I) heeft verweerder eiser informatie verstrekt naar aanleiding van een verzoek, met nummer 19998, op grond van de Wet openbaarheid bestuur (Wob).

Bij besluit van 9 januari 2013 (het primaire besluit II) heeft verweerder eiser informatie verstrekt naar aanleiding van een verzoek, met nummer 19999, op grond van de Wob.

Bij afzonderlijke faxberichten van 5 februari 2013 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten.

Bij brieven van 13 februari 2013 heeft verweerder meegedeeld dat de bezwaren niet in ontvangst zijn genomen onder verwijzing naar artikel 2:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Op 6 april 2013 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het uitblijven van beslissingen op bezwaar.

Op 18 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat eiser geen bezwaarschrift op de voorgeschreven wijze – schriftelijk – heeft ingediend, en dat de termijn om alsnog bezwaar te maken inmiddels is verstreken.

Eiser heeft op 1 mei 2013 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2013.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Aangeenbrug als waarnemer van gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Eiser heeft bij afzonderlijke verzoeken van 8 januari 2013 verweerder verzocht om (digitale) openbaarmaking op grond van de Wob van alle informatie die betrekking heeft tot verkeersovertreding 960677 en een verkeersovertreding 960676. Daarbij heeft hij een lijst verstrekt met documenten waarover hij in elk geval wil beschikken. Verweerder heeft bij afzonderlijke besluiten van 8 januari 2013 gegevens verstrekt aan eiser.

Eiser heeft per fax op 5 februari 2013 bij verweerder afzonderlijke bezwaarschriften ingediend vanwege het niet volledig tegemoetkomen aan zijn verzoeken.

2.

Bij afzonderlijke brieven van 13 februari 2013 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de politie de elektronische weg voor het indienen van een bericht niet uitdrukkelijk heeft opengesteld en dat eisers bezwaarschriften daarom niet in ontvangst zijn genomen. Voorts is vermeld dat indien eiser zijn bezwaren wenst te handhaven, hij de bezwaarschriften schriftelijk dient in te dienen.

3.

In reactie op eisers ingebrekestelling van 6 april 2013 heeft verweerder bij brief van 18 april 2013 aan eiser meegedeeld dat de politie de elektronische weg ingevolge artikel 2:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet nadrukkelijk heeft opengesteld en dat hij de bij fax ingediende bezwaarschriften niet in ontvangst heeft genomen. Eiser heeft geen bezwaarschriften op de voorgeschreven wijze – schriftelijk – ingediend. De bezwaartermijn is inmiddels verstreken. Verweerder acht zich niet gehouden te besluiten op eisers bezwaarschriften die per fax zijn ingediend en heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van het niet tijdig beslissen op bezwaar.

4.

In het verweerschrift heeft verweerder meegedeeld dat naar aanleiding van de bezwaarschriften alsnog de gevraagde ‘overzichten zaaksgegevens Mulder’ in beide zaken aan hem zijn verstrekt. Verweerder meent dat hiermee aan de verzoeken van eiser is voldaan. Nu de gevraagde documenten openbaar zijn gemaakt is volgens verweerder alleen nog de proceskostenveroordeling aan de orde. Omdat de bezwaarschriften niet op de juiste wijze zijn ingediend is volgens verweerder voor een proceskostenveroordeling geen grond aanwezig. De rechtbank stelt vast dat genoemde overzichten zich bevinden in het procesdossier.

5.

In het beroepschrift voert eiser aan dat de brieven van 13 februari 2013 hem nooit hebben bereikt. Ter zitting heeft verweerder erkend dat de brieven van 13 februari 2013 naar een onjuist adres zijn verzonden. Tussen partijen is niet in geschil dat de brieven van 13 februari 2013 eerst op 18 april 2013 kenbaar zijn geworden voor eiser.

6.

Ingevolge artikel 2:15, eerste lid, van de Awb, voor zover van belang, kan een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. Op grond van het tweede en derde lid van artikel 2:15 kan het bestuursorgaan elektronisch verschafte gegevens en bescheiden -kort samengevat- weigeren. Het vierde lid bepaalt dat het bestuursorgaan een weigering op grond van dit artikel zo spoedig mogelijk aan de afzender mededeelt.

Ingevolge artikel 6:6, aanhef en onder b, van de Awb kan een bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard, indien het bezwaarschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

7.

Ter zitting heeft verweerder desgevraagd bevestigd dat de brief van 18 april 2013 dient te worden aangemerkt als een niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar als bedoeld in artikel 6:6, aanhef en onder b, van de Awb. De rechtbank begrijpt dat verweerder met de brieven van 13 februari 2013 heeft beoogd eiser de gelegenheid te bieden het verzuim te herstellen als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb.
Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank tegen het besluit van 18 april 2013 op 1 mei 2013 tijdig beroep ingesteld.

8.

Eiser heeft eerst op 18 april 2013 kennis kunnen nemen van de brief van 13 februari 2013 en derhalve van het feit dat zijn bezwaarschriften niet in ontvangst zijn genomen en eiser dit verzuim kan herstellen door schriftelijk bezwaar te maken. Derhalve heeft verweerder eiser niet voorafgaand aan de niet-ontvankelijkverklaring op 18 april 2013 in de gelegenheid gesteld het gebrek dat kleeft aan indiening van de bezwaarschriften te herstellen. Verweerder heeft bij besluit van 18 april 2013 dan ook niet kunnen concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de bezwaren. Er bestaat daarom aanleiding het besluit van 18 april 2013 te vernietigen. Het beroep is in zoverre gegrond.

9.

Verweerder heeft bij verweerschrift alsnog op de bezwaren beslist. Met toepassing van artikel 6:19 van de Awb zal de rechtbank het beroep aanmerken als te zijn gericht tegen het bij verweerschrift genomen besluit.

10.

De rechtbank stelt vast dat met de verstrekking van het overzicht zaaksgegevens Mulder aan het bezwaar met nummer 21257 is tegemoetgekomen en dat eiser in zoverre geen belang meer heeft bij beoordeling van het beroep.

11.

Aan het bezwaar met nummer 21258 wordt met de verstrekking van het overzicht zaaksgegevens Mulder niet geheel tegemoetgekomen, nu in dit bezwaarschrift (en het oorspronkelijke verzoek) tevens nog wordt verzocht om informatie over de behandelaar van het Wob verzoek en verstrekking van het mandaatsbesluit en –register. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat deze gegevens inderdaad niet zijn verstrekt, omdat een mandaatsbesluit en –register niet bestaat en dus niet kan worden verstrekt. Het betreft derhalve geen document dat bij verweerder berust. De verbalisant ontleent zijn bevoegdheid aan zijn aanstelling/beëdiging, aldus verweerder. De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder.

12.

Nu uit de aanhef en de ondertekening van het besluit op bezwaar de behandelaar van het Wob verzoek blijkt en verweerder ter zitting zijn besluit heeft aangevuld als hiervoor verwoord, is verweerder naar het oordeel van de rechtbank thans ook aan het bezwaar met nummer 21258 tegemoetgekomen. Eiser heeft thans derhalve ook geen belang meer bij beoordeling van het beroep voor zover het zijn bezwaar met nummer 21258 betreft.

13.

Uit het voorgaande volgt dat geen sprake meer is van het niet (tijdig) beslissen op de bezwaren, zodat er geen aanleiding is het beroep, zoals verzocht, te behandelen als een beroep tegen een zodanig besluit.

14.

Nu eiser geen belang meer heeft bij beoordeling van het beroep voor zover gericht tegen het bij verweerschrift van 7 oktober 2013 genomen besluit, zoals ter zitting aangevuld, is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk.

15.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser ter zitting verzochte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 18 april 2013gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 18 april 2013;

  • -

    verklaart het beroep gericht tegen het bij verweerschrift van 7 oktober 2013 genomen besluit op bezwaar, zoals ter zitting aangevuld, niet-ontvankelijk;

- draagt verweerder op de betaalde griffierechten van € 160,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,- te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 november 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.