Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:11245

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
C-15-206788 - KG ZA 13-480
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eisers hebben uit de boedel van een voormalig concurrent uitsluitend de activa, waaronder het klantenbestand, gekocht. Gedaagde had ook interesse in die activa en heeft een geheimhoudingsverklaring ondertekent alvorens zij vertrouwelijke informatie van de curator heeft verkregen. Nadien zijn vijf werknemers van de failliet bij gedaagde in dienst getreden en heeft gedaagde met twee partijen uit de offertelijst van de failliet contact gehad. Geen sprake van onrechtmatige concurrentie jegens eisers. Schending van de geheimhoudingsverklaring, alsmede het gebruikmaken van de kennis van werknemer, is, veronderstellenderwijs, uitsluitend als onrechtmatig jegens failliet aan te merken. Dergelijk handelen is niet als onrechtmatig aan te merken jegens eisers die immers alleen de activa, waaronder het klantenbestand, uit de boedel hebben gekocht. Daarbij komt bovendien dat nog geenszins vaststaat dat gedaagde onrechtmatig jegens de failliet dan wel de curator heeft gehandeld. Ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad staat in beginsel de vrijheid van handel en bedrijf voorop. Het enkel profiteren van het bedrijfsdebiet van een concurrent is niet onrechtmatig; ook niet indien de concurrent daarvan nadeel ondervindt. Voor onrechtmatigheid moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter gaat hetgeen in de casus van het arrest van de Hoge Raad van 27 juni 1986 (LJN: AD7158, Holland Nautic/ Decca) weliswaar onfatsoenlijk maar niet onrechtmatig wordt geacht, aanzienlijk verder dan hetgeen in dit kort geding als onrechtmatig wordt gesteld. Dat in onderhavig geval van bijkomende omstandigheden sprake is die de onrechtmatigheid meebrengen, is niet gebleken. Daartoe is de stelling dat gedaagde op eigen kracht haar plek in de markt moet veroveren en eisers de kans dienen te krijgen om de investering te laten renderen, onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RI 2014/27
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/206788 / KG ZA 13-480

Vonnis in kort geding van 15 november 2013

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

D.D.G. BEHEER BV,

gevestigd te Roermond,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GROBA BV,

gevestigd te Ittervoort,

eiseressen,

advocaat mr. L.V. Claassens,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ELTEN,

gevestigd te Nieuw-Vennep,

gedaagde,

advocaat mr. M.D. Savenije.

Eisers zullen hierna DDG Beheer en Groba genoemd worden en gedaagde zal Elten genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 5

  • -

    de bij brief van 29 oktober 2013 van mr. Claassens ontvangen producties 7 en 8

  • -

    de bij brief van 30 oktober 2013 van mr. Savenije ontvangen producties 1 tot en met 4

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van DDG Beheer en Groba

  • -

    de pleitnota van Elten.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Groba is een onderneming die zich bezighoudt met de ontwikkeling en productie van kaasverwerkingsmachines. DDG Beheer is een aan Groba gelieerde onderneming en is onder meer eigenaar van de intellectuele eigendomsrechten die door Groba worden gebruikt in het kader van haar bedrijfsvoering.

2.2.

Elten is een onderneming die zich bezighoudt met de ontwikkeling en productie van kaasbehandelsystemen die ingezet worden tijdens het rijpingsproces. Dero Holding B.V. is bestuurder van Elten. [betrokkene 1] is enig aandeelhouder/bestuurder van Dero Holding B.V.

2.3.

Hendriks Engineering en Machinery (hierna: Hendriks) is een directe concurrent van Groba. Op 25 september 2012 is Hendriks in staat van faillissement verklaard.

In verband met mogelijke overname van de activa van Hendriks hebben zowel Elten als Groba een geheimhoudingsverklaring ondertekend waarna zij een verkoopmemorandum van de curator van Hendriks, mr. L.L. Boef, hebben ontvangen met daarin vertrouwelijke informatie over lopende offertetrajecten en onderhanden werk. Aan de geheimhoudingsverklaring was een boeteclausule verbonden van € 250.000,- bij schending daarvan.

2.4.

DDG Beheer heeft ten behoeve van Groba een groot gedeelte van de activa, waaronder de lopende offertetrajecten van Hendriks en de lopende projecten, overgenomen van de curator voor een koopprijs van € 400.000,- exclusief btw.

2.5.

De curator van Hendriks heeft bij schrijven van 25 oktober 2012 Elten meegedeeld dat zij in strijd handelt met de geheimhoudingsverklaring, althans dat Elten de daarin opgenomen verplichtingen zou hebben geschonden.

2.6.

Per 1 november 2012 zijn vijf voormalig medewerkers van Hendriks in dienst getreden bij Elten, waaronder [betrokkene 2], die al 35 jaar in dienst was bij Hendriks, voor het laatst in de functie van hoofd verkoop. Geen van de medewerkers heeft een contractueel concurrentiebeding of relatiebeding.

2.7.

Bij dagvaarding van 30 juli 2013 hebben DDG Beheer en Groba Elten gedagvaard in kort geding, waarin de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2013.

Partijen zijn ter zitting ter beëindiging van hun geschil een overeenkomst aangegaan met daarin de opschortende voorwaarde dat de curator van Hendriks afziet van de vordering in verband met de overtreding van het geheimhoudingsbeding die hij pretendeert te hebben op Elten en [betrokkene 1] in privé.

2.8.

De curator is niet bereid af te zien van de vordering, zodat de opschortende voorwaarde in werking is getreden, waarmee de afspraken tussen partijen vervallen.

3 Het geschil

3.1.

DDG Beheer en Groba vorderen – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1. zal verbieden op enigerlei wijze contacten te onderhouden met de partijen zoals genoemd op de lijst welke als bijlage e aan de koopovereenkomst is gehecht (productie 1 bij productie 1) ten aanzien van de levering van de in de bijlage e genoemde machines en activiteiten, in verband waarmee Groba de omschrijvingen of de offertes van deze machines en activiteiten aan Elten zal doen toekomen

2. zal verbieden op enigerlei wijze contacten te onderhouden met de partijen zoals genoemd op de lijst welke als productie 15 bij productie 5 in deze procedure is overgelegd ten aanzien van de levering van de op deze lijst genoemde machines en activiteiten, in verband waarmee Groba de omschrijvingen en/of de orders aan Elten zal doen toekomen

3. zal gebieden om eisers binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis

schriftelijk te berichten welke partijen zoals genoemd op de lijst zoals door de curator aan Elten ter beschikking is gesteld (bijlage e bij productie 1 van productie 1) door of namens Elten (of aan haar gelieerde ondernemingen) offertes zijn gedaan of opdrachtbevestigingen zijn verstuurd voor (soortgelijke) machines of activiteiten zoals genoemd op de lijst en met welke van deze partijen eventueel een overeenkomst is gesloten met betrekking tot de levering van (soortgelijke) machines of activiteiten zoals genoemd op deze lijst

4. zal gebieden om binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis kopieën toe te

zenden van offertes en opdrachtbevestigingen welke Elten (of de aan haar gelieerde

ondernemingen) heeft uitgebracht aan de partijen zoals genoemd op de lijst van de curator

(bijlage e bij productie 1 van productie 1) met betrekking tot de levering van (soortgelijke)

machines of activiteiten zoals genoemd op deze lijst en, in geval met deze partijen een

overeenkomst is gesloten, eisers daarvan een kopie toe te zenden

5. zal gebieden om ten aanzien van de activiteiten en machines zoals vermeld op de

orderportefeuille overgelegd als productie 15 bij productie 5 overeenkomstig hetgeen sub 3 en 4 is gevorderd te handelen

6. gedaagde zal gebieden om alle partijen zoals genoemd op de lijst van de curator en op de lijst terzake de orderportefeuille die zij heeft benaderd ten aanzien van de activiteiten zoals vermeld op deze lijsten schriftelijk te berichten, onder toezending van een kopie aan Groba, dat zij op onrechtmatige wijze kennis heeft genomen van deze projecten, waarbij gedaagde de navolgende tekst dient te gebruiken:

Geachte heer, mevrouw,

Uw onderneming is vanuit Elten BV benaderd voor de levering van (omschrijving van de te leveren dienst of machine). Voor de levering van deze dienst of machine had u in een eerder stadium reeds een offerte ontvangen of een overeenkomst gesloten met het voormalig Hendriks Engineering en Machinery, later PMN Techniek genaamd. De activiteiten van Hendriks Engineering en Machinery zijn grotendeels voortgezet door Groba BV uit Ittervoort.

Bij deze bericht ik u dat Elten BV de informatie die ten grondslag ligt aan onze initiatieven om u te benaderen op onrechtmatige wijze is verkregen uit het faillissement van het voormalig Hendriks Engineering en Machinery. Het is Elten BV dan ook niet toegestaan om de dienst en/of machine waarover met uw onderneming contact is geweest, daadwerkelijk te leveren.

Eventueel gedane offertes worden hierbij ingetrokken.

Wij verontschuldigen ons voor het eventueel ontstane ongemak.

Mocht u nog vragen en/of opmerkingen hebben over deze brief, dan kunt u zich wenden tot ondergetekende.

Met vriendelijke groet,

[betrokkene 1], directeur

7. het onder punt 1 tot en met 6 op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250.000,- per dag of gedeelte daarvan voor iedere dag of gedeelte daarvan dat gedaagde na ommekomst van de genoemde termijn in gebreke blijft met nakoming van de ge- c.q. verboden

8. gedaagde zal veroordelen in de kosten van het geding, waaronder begrepen het salaris van de raadsman van eisers en met bepaling dat gedaagde de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd is indien deze kosten niet binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan eisers zijn voldaan, alsmede gedaagde te veroordelen in de nakosten begroot op een bedrag ad € 131,- zonder betekening van dit vonnis en een bedrag ad € 199,- met betekening van dit vonnis.

3.2.

Elten voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

DDG Beheer en Groba leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat Elten zich schuldig maakt aan onrechtmatige concurrentie. Daartoe voeren zij aan dat zowel DDG Beheer en Groba als Elten in het kader van mogelijke overname van de activa van Hendriks na ondertekening van een geheimhoudingsverklaring vertrouwelijke informatie over Hendriks hebben verkregen. Elten gebruikt de vertrouwelijke informatie om achter de offertes en lopende orders van Hendriks, die DDG Beheer ten behoeve van Groba uiteindelijk daadwerkelijk heeft overgenomen, aan te gaan. Ter onderbouwing stellen DDG Beheer en Groba dat Elten een project bij Friesland Campina heeft binnengehaald, die zij, indien zij niet over de vertrouwelijke informatie van Hendriks zou hebben beschikt, niet zou hebben gekregen, en voorts dat Elten een machine die op de offertelijst van Hendriks stond geprobeerd heeft bij Vepo Cheese te slijten.

Daarnaast voeren DDG Beheer en Groba aan dat Elten misbruik maakt van de wanprestatie van [betrokkene 2], nu [betrokkene 2] zijn wettelijke geheimhoudingsverplichting schendt, en Elten daarvan profiteert door de informatie van [betrokkene 2] te gebruiken voor haar eigen gewin. DDG Beheer en Groba stellen dat Elten daarmee onrechtmatig jegens hen handelt.

4.2.

Elten betwist dat zij in strijd met de geheimhoudingsverklaring heeft gehandeld omdat zij geen informatie van Hendriks heeft gebruikt die zij in het verkooptraject onder geheimhouding van de curator heeft gekregen. Voor zover Elten informatie heeft gebruikt, heeft zij die informatie louter doordat de heer [betrokkene 2] als (oud-) medewerker van Hendriks over deze kennis beschikt, aldus de stellingen van DDG Beheer en Groba. Nu deze medewerker niet is gebonden aan enig relatie- of concurrentiebeding en er geen sprake is van oneerlijke concurrentie handelt Elten, aldus haar stellingen, niet onrechtmatig. Daarbij beroept zij zich erop dat de enkele omstandigheid dat een werknemer in dienst is getreden bij een nieuwe werkgever en namens die nieuwe werkgever de oude werkgever beconcurreert op zichzelf nog niet met zich brengt dat de werknemer jegens de oude werkgever onrechtmatig handelt. Voorts stelt Elten dat DDG Beheer en Groba met hun vorderingen miskennen dat zij wellicht bepaalde activa uit het faillissement van Hendriks hebben gekocht maar dat dit geenszins inhoudt dat zij exclusiviteit hebben gekregen over deze klanten.

4.3.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
Gelet op de betwisting van Elten is onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake is van onrechtmatig handelen van Elten. Zoals door DDG Beheer en Groba gesteld en door Elten bevestigd staat wel vast dat Elten met twee partijen uit de offertelijst van Hendriks contact heeft gehad, te weten Friesland Campina en Vepo Cheese. Onweersproken is echter dat Elten al jarenlang zaken met deze partijen doet. Niet valt in te zien waarom het voortzetten van die relatie jegens DDG Beheer en Groba onrechtmatig zou zijn. Dat Elten inmiddels haar bedrijfsactiviteiten heeft gewijzigd en uitgebreid en zich mede is gaan richten op de ontwikkeling van kaasverwerkingsmachines en het verlenen van service- en onderhoudsactiviteiten aan machines doet daaraan niet af, temeer nu eveneens onweersproken is dat Elten aan Friesland Campina, op uitnodiging van laatstgenoemde, een andere machine heeft geoffreerd dan de machine die Hendriks eerder had geoffreerd. Ten aanzien van Vepo Cheese geldt dat het uiteindelijk DDG Beheer en Groba zijn geweest die de betreffende opdracht hebben verkregen.

4.4.

Nog afgezien van het hiervoor overwogene zijn de vorderingen van DDG Beheer en Groba, ook indien er veronderstellenderwijs van uit zou worden gegaan dat zou komen vast te staan hetgeen DDG Beheer en Groba ter onderbouwing aanvoeren, naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet toewijsbaar. Daartoe is het volgende redengevend.

4.5.

De door DDG Beheer en Groba gestelde onrechtmatigheid en vermeende schending van de geheimhoudingsverklaring, alsmede het gebruikmaken van de kennis van [betrokkene 2], zou uitsluitend jegens Hendriks dan wel de curator als onrechtmatig kunnen worden aangemerkt, zulks overigens onder aantekening dat een dergelijke onrechtmatigheid nog geenszins vaststaat. Jegens DDG Beheer en Groba, die immers alleen de activa - waaronder het klantenbestand - uit de boedel van Hendriks hebben gekocht, is dergelijk handelen niet als onrechtmatig aan te merken. Ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad staat in beginsel de vrijheid van handel en bedrijf voorop. Het enkel profiteren van het bedrijfsdebiet van een concurrent is niet onrechtmatig; ook niet indien de concurrent daarvan nadeel ondervindt. Voor onrechtmatigheid moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden. Niet elk “onfatsoenlijk” handelen is immers onrechtmatig en bovendien wordt in het bedrijfsleven ook over fatsoensnormen verschillend gedacht. Kijkt men bijvoorbeeld naar de volgens vele annotatoren overtreden fatsoensnormen die in het arrest van de Hoge Raad van 27 juni 1986 (LJN: AD7158, Holland Nautic/ Decca) niet onrechtmatig werden geacht, dan valt op dat hetgeen in dit kort geding door DDG Beheer en Groba als onrechtmatig wordt bestempeld aanzienlijk minder ver gaat dan in die casus. Dat in onderhavig geval van bijkomende omstandigheden sprake is die de onrechtmatigheid meebrengen, is niet gebleken. Daartoe is de stelling van DDG Beheer en Groba dat Elten op eigen kracht haar plek in de markt moet veroveren en Groba de kans dient te krijgen om de investering te laten renderen, in elk geval onvoldoende. Dat Elten wist dat de curator bezig was met de verkoop van de offerte- en orderportefeuille van Hendriks, brengt, anders dan DDG Beheer en Groba betogen, op zichzelf niet mee dat Elten onrechtmatig jegens hen handelt door deze prospects te benaderen. Dat Elten volledig profiteert van de kennis die [betrokkene 2] als medewerker van Hendriks heeft opgedaan, en Elten geen research & development kosten heeft moeten maken, kan, voor zover al juist, weliswaar worden aangemerkt als profiteren, maar maakt dat profiteren nog niet onrechtmatig.

4.6.

Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat de vorderingen van DDG Beheer en Groba zullen worden afgewezen. DDG. Beheer en Groba zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Elten worden begroot op:

- griffierecht €  589,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal €  1.405,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de voorziening,

5.2.

veroordeelt DDG. Beheer en Groba in de proceskosten, aan de zijde van Elten tot op heden begroot op € 1.405,00,

5.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.R. ten Berge op 15 november 2013.1

1 Conc.: 802