Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:11154

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-11-2013
Datum publicatie
21-11-2013
Zaaknummer
15/710554-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; 6 Wegenverkeerswet.

Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto op 18 januari 2012 een verkeersongeval veroorzaakt op de Venneperweg te Nieuw-Vennep doordat zij onvoldoende voorzichtigheid heeft betracht. Zij reed met haar personenauto vanuit de uitrit van haar ouderlijk huis achteruit de Venneperweg op, stak al achteruitrijdend de eerste rijstrook over en reed aansluitend over een zich aldaar bevindende doorgetrokken streep de daarnaast gelegen rijstroken op. Zij reed daarbij achteruit in tegengestelde richting ten opzichte van het verkeer op die rijbaan en was voornemens vervolgens vooruit rijdend haar weg in de juiste richting te vervolgen. Er stonden auto’s te wachten voor het verkeerslicht en het was de bedoeling van verdachte om achter die auto’s aan te sluiten. Bij het achteruit rijden heeft zij echter het latere slachtoffer, een in opvallende kledij gestoken motoragent, die zich op zijn dienstmotor nog achter die auto’s bevond, in het geheel niet heeft gezien. Verdachte is met haar auto tegen de motorfiets aangereden en de motoragent is hierdoor hard ten val gekomen. Het slachtoffer heeft tengevolge van dit ongeval zijn pols op twee plaatsen gebroken, waardoor hij langere tijd zijn werkzaamheden als politiesurveillant niet heeft kunnen uitoefenen. Ter terechtzitting heeft verdachte blijk gegeven van gevoelens van spijt en medeleven met het slachtoffer. Verdachte heeft het slachtoffer een bezoek gebracht en zich voor haar handelwijze en gedrag bij hem verontschuldigd. Het slachtoffer heeft toen aangegeven dat hij zich er van bewust was dat verdachte hem niet expres had aangereden. De rechtbank acht het positief dat verdachte het slachtoffer op een dergelijke wijze persoonlijk heeft benaderd en zal hiermee enigszins rekening houden bij het bepalen van de strafmaat. Ook de rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte erg geschrokken is van hetgeen is gebeurd en het ongeval erg betreurt. De rechtbank zal voorts rekening houden met het feit dat tussen de dag van het ongeval en de dag van de inhoudelijke behandeling van de onderhavige zaak, onwenselijk veel tijd heeft gezeten, waardoor verdachte geruime tijd in onzekerheid heeft verkeerd over de eventuele strafrechtelijke gevolgen daarvan. De rechtbank heeft gekozen voor een andere strafmodaliteit dan door de officier van justitie gevorderd, omdat de rechtbank dit in overeenstemming acht met de ernst van het strafbare feit, zoals die moeten worden gekwalificeerd in de door de rechtbank bewezen geachte variant. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een geldboete moet worden opgelegd. De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen dient te worden ontzegd voor na te noemen duur. De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan, rekening houdend met de tijd die inmiddels na het ongeval is verstreken, een proeftijd verbinden één jaar opdat verdachte er voor het einde van die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 175
Wegenverkeerswet 1994 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2014/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/710554-12 (P)

Uitspraakdatum: 21 november 2013

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

7 november 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Vos en van wat verdachte en haar raadsman, mr. R.J. Mesland, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:

zij op of omstreeks 18 januari 2012 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, als verkeersdeelneemster, namelijk als bestuurster van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, Venneperweg zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden immers is zij

vanuit een uitrit, achteruit rijdend, die Venneperweg opgereden en/of vervolgens (aldus rijdend) na een weghelft te zijn overgestoken en een doorgetrokken streep als bedoeld in het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 te hebben overschreden, haar weg achteruit rijdend heeft vervolgd op de volgende/tweede weghelft en/of (vervolgens) niet het door haar bestuurde motorrijtuig ( op die tweede weghelft) tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover de weg vrij was en zij deze kon overzien,

waarna of (mede) waardoor een aanrijding of botsing ontstond tussen dat door haar bestuurde motorrijtuig en een op die weg(/het tweede weggedeelte) (in file), voor een in zijn rijrichting rood licht uitstralend verkeerslicht als bedoeld in het reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, stilstaand/langzaam rijdend , tweewielig motorrijtuig,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken (rechter) pols, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair:

zij op of omstreeks 18 januari 2012 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, als bestuurster van een voertuig (personenauto), vanuit een uitrit, achteruit rijdend, die Venneperweg is opgereden en/of vervolgens (aldus rijdend) na een weghelft te zijn overgestoken en een doorgetrokken streep als bedoeld in het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 te hebben overschreden, haar weg achteruit rijdend heeft vervolgd op de volgende/tweede weghelft en/of (vervolgens) niet het door haar bestuurde motorrijtuig

( op die tweede weghelft) tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover de weg vrij was en zij deze kon overzien,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van primair het ten laste gelegde feit.

3.2. Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft - zoals weergegeven in zijn pleitnotities - zich op het standpunt gesteld dat verdachte zowel van het primair als van het subsidiair ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken.

3.3. Bespreking van de verweren en het oordeel van de rechtbank

De raadsman heeft allereerst aangevoerd dat de Aanwijzing verkeersongevallen 2013 (2013A002; hierna: de Aanwijzing) niet dan wel onvoldoende is nageleefd, omdat het tactisch onderzoek in onderhavige zaak is verricht door verbalisanten die evenals het slachtoffer werkzaam zijn bij de Regiopolitie Kennemerland terwijl de Aanwijzing voorschrijft dat het onderzoek door een ander onderdeel van de lokale politie wordt verricht. Hieraan dienen volgens de raadsman, mede in samenhang met andere door hem gevoerde - hierna besproken - verweren, consequenties te worden verbonden.

Met betrekking tot dit verweer overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat de Aanwijzing, welke op dit punt dezelfde strekking heeft als de ten tijde van het ongeval geldende Aanwijzing verkeersongevallen 2009 (2009A026), slechts instructienormen voor de politie bevat, aan welke instructienormen verdachte in beginsel geen rechten kan ontlenen. In dit verband acht de rechtbank mede van belang dat door de verdediging niet aan de hand van de in het tweede lid van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering genoemde factoren is gemotiveerd dat, waarom en in hoeverre de verdachte door het beweerdelijke niet-naleven van deze instructienorm, dat in het bijzonder ertoe strekt de objectiviteit van het onderzoek te waarborgen, daadwerkelijk in haar verdedigingsrechten is geschaad of is getroffen in belangen die dit voorschrift beoogt te beschermen (HR 20 november 2012, LJN: BY0249). De rechtbank verwerpt daarom dit verweer.

Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat aan de hand van de bevindingen in de door de verdediging overgelegde analyse van het ongeval door het bureau MVOA (hierna: het MVOA rapport) tegenstrijdigheden en onjuistheden zijn aan te tonen in de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer]. Deze onjuistheden betreffen de door het slachtoffer aangegeven snelheid waarmee verdachte zou hebben gereden en de afstand tussen het voertuig van het slachtoffer en diens voorganger. Aan de verklaring van het slachtoffer kan volgens de verdediging om die reden geen enkele belastende betekenis worden toegekend. De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat aan de verklaring van getuige [getuige] evenmin belastende betekenis kan worden toegekend, omdat deze, zo blijkt uit de bevindingen in het MVOA rapport, eveneens onjuist zou hebben verklaard over de snelheid waarmee verdachte heeft gereden.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. De rechtbank deelt het standpunt van de verdediging dat op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat verdachte met een te hoge snelheid heeft gereden. Dit is overigens ook niet aan verdachte ten laste gelegd, zodat dit punt reeds daarom geen verdere bespreking behoeft. Verder kan er op grond van het MVOA rapport vanuit worden gegaan dat het slachtoffer geruime afstand heeft gehouden van zijn voorganger, hetgeen ook uit de verklaring van het slachtoffer zelf volgt. Een en ander doet niet af aan de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer noch aan het onbetwiste feit dat het slachtoffer door verdachte is aangereden. De rechtbank acht de verklaring van het slachtoffer voldoende betrouwbaar en zal deze hanteren voor het bewijs.

3.4. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 18 januari 2012 rond 16.25 uur heeft een verkeersongeval plaatsgevonden op de Venneperweg in Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, waarbij een door verdachte bestuurde personenauto achteruit rijdend een motor heeft aangereden. Het was ten tijde van het ongeval schemerig. De Venneperweg bestaat uit één rijbaan, welke is verdeeld in twee rijstroken en waarbij de ene rijstrook is bestemd voor verkeer gaande in de richting van de Oosterdreef en de andere rijstrook voor verkeer gaande in de richting van de Hoofdweg. Deze rijstroken worden van elkaar gescheiden door middel van een doorgetrokken streep. Het ongeval vond plaats op de meest rechtse rijstrook bestemd voor verkeer in de richting van de Oosterdreef. Aldaar bevond zich het latere slachtoffer [slachtoffer], surveillant van de regiopolitie Kennemerland. Hij droeg een gele integraal valhelm, een geel reflecterend jack en een broek met witte reflecterende streep over de naden van de broekspijp. Hij bevond zich op een opvallende politie-surveillancemotorfiets. Hij reed over de Venneperweg, komende uit de richting van de Hoofdweg en gaande in de richting van de Oosterdreef. Toen hij de kruising met de Oosterdreef naderde reed hij vanuit een snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur naar stilstand omdat het verkeerslicht op rood stond. Hij stopte op geruime afstand achter twee stilstaande auto’s in afwachting van het moment waarop hij zijn weg rechtdoor kon vervolgen. Toen zag hij links van zich uit een uitrit een achteruit rijdende auto in zijn richting komen. Deze auto botste tegen zijn motorfiets aan. Verdachte reed in deze auto. Zij kwam de Venneperweg oprijden vanaf de uitrit van [perceel]. Zij reed schuin achteruit de Venneperweg op, waarbij zij eerst de rijstrook bestemd voor verkeer in de richting van de Hoofdweg overstak en waarna zij nog steeds achteruit rijdend over de doorgetrokken streep de rijstrook op reed voor verkeer in de richting van de Oosterdreef, waar de motorfiets zich bevond. Zij botste toen met de rechterachterhoek van haar personenauto tegen de linkerzijde van de motor van de motoragent, die daardoor hard ten val kwam. Als gevolg van de val heeft het slachtoffer zijn rechterpols op twee plaatsen gebroken, waardoor hij zijn normale bezigheden als politiesurveillant tijdelijk niet heeft kunnen uitoefenen.234

3.5. Bewijsoverweging

De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of in het onderhavige geval sprake is van schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna WVW), het aan komt op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij geldt dat de enkele omstandigheid dat een verdachte het slachtoffer niet heeft gezien, onvoldoende is voor het aannemen van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat verdachte naast het niet opmerken van het slachtoffer meerdere verkeersfouten heeft gemaakt. Vast staat immers dat zij met haar personenauto achteruit is gereden over een ononderbroken streep. Dit is een duidelijke en te vermijden verkeersfout geweest, waarvoor verdachte de verantwoordelijkheid draagt. Het enkele feit dat “iedereen” dat daar doet  kennelijk tot en met de rijlesleraar aan toe - omdat men anders een eindje moet omrijden, maakt dit niet anders. Aangenomen kan worden dat indien verdachte deze verkeersfout niet had gemaakt, het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden. Daarbij komt dat verdachte ten tijde van het ongeval een bijzondere manoeuvre verrichtte. Zij stak immers achteruit rijdend de Venneperweg over. Volgens de eigen verklaring van verdachte was er rond die tijd sprake van verkeersdrukte. Tevens staat vast dat het schemerig was. Bij het uitvoeren van een dergelijke manoeuvre onder deze moeilijke omstandigheden had verdachte de uiterste voorzichtigheid moeten betrachten en al het verkeer - dus ook de motorfiets - voor moeten laten gaan. Verdachte heeft tijdens deze manoeuvre kennelijk niet voldoende zicht gehad op de weg achter haar. Ook hier geldt dat moet worden aangenomen dat – indien zij wel de van haar verlangde uiterste voorzichtigheid had betracht – het ongeval voorkomen had kunnen worden. In dat geval had zij immers de motoragent, die zich op de rijbaan bevond en nota bene was voorzien van een opvallende motorfiets en opvallende lichtgevende kleding, tijdig gezien en had zij voor hem kunnen stoppen. Dat het slachtoffer wellicht op enkele meters afstand achter een voor hem staande auto heeft gestaan en dat verdachte hem mogelijk daardoor over het hoofd heeft gezien, doet aan het voorgaande niet af.

Uit vorenstaande volgt dat verdachte het ongeval naar het oordeel van de rechtbank had kunnen voorkomen als zij zich overeenkomstig de geldende verkeersregels had gedragen. Verdachte heeft door dit na te laten onvoorzichtig en onoplettend gereden, en heeft daarom schuld aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank het rijgedrag van verdachte niet zeer onvoorzichtig en onoplettend, doch wel aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend.

3.6. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat:

primair

zij op 18 januari 2012 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, als verkeersdeelneemster, namelijk als bestuurster van een motorrijtuig, personenauto, daarmede rijdende over de Venneperweg zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden, immers is zij vanuit een uitrit, achteruit rijdend, die Venneperweg opgereden en heeft zij vervolgens aldus rijdend na een weghelft te zijn overgestoken en een

doorgetrokken streep als bedoeld in het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 te hebben overschreden, haar weg achteruit rijdend vervolgd op de volgende/tweede weghelft en vervolgens niet het door haar bestuurde motorrijtuig tot stilstand gebracht binnen de afstand waarover de weg vrij was en zij deze kon overzien, waardoor een aanrijding ontstond tussen dat door haar bestuurde motorrijtuig en een op die weg voor een in zijn rijrichting rood licht uitstralend verkeerslicht als bedoeld in het reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, stilstaand motorrijtuig, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer], zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte als primair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

primair

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sancties

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot

- een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van tachtig (80) uren, en

- een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van twaalf (12) maanden waarvan zes (6) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

6.3. Hoofdstraf

Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto op 18 januari 2012 een verkeersongeval veroorzaakt op de Venneperweg te Nieuw-Vennep doordat zij onvoldoende voorzichtigheid heeft betracht. Zij reed met haar personenauto vanuit de uitrit van haar ouderlijk huis achteruit de Venneperweg op, stak al achteruitrijdend de eerste rijstrook over en reed aansluitend over een zich aldaar bevindende doorgetrokken streep de daarnaast gelegen rijstroken op. Zij reed daarbij achteruit in tegengestelde richting ten opzichte van het verkeer op die rijbaan en was voornemens vervolgens vooruit rijdend haar weg in de juiste richting te vervolgen. Er stonden auto’s te wachten voor het verkeerslicht en het was de bedoeling van verdachte om achter die auto’s aan te sluiten. Bij het achteruit rijden heeft zij echter het latere slachtoffer, een in opvallende kledij gestoken motoragent, die zich op zijn dienstmotor nog achter die auto’s bevond, in het geheel niet heeft gezien. Verdachte is met haar auto tegen de motorfiets aangereden en de motoragent is hierdoor hard ten val gekomen. Het slachtoffer heeft tengevolge van dit ongeval zijn pols op twee plaatsen gebroken, waardoor hij langere tijd zijn werkzaamheden als politiesurveillant niet heeft kunnen uitoefenen.

Ter terechtzitting heeft verdachte blijk gegeven van gevoelens van spijt en medeleven met het slachtoffer. Verdachte heeft het slachtoffer een bezoek gebracht en zich voor haar handelwijze en gedrag bij hem verontschuldigd. Het slachtoffer heeft toen aangegeven dat hij zich er van bewust was dat verdachte hem niet expres had aangereden. De rechtbank acht het positief dat verdachte het slachtoffer op een dergelijke wijze persoonlijk heeft benaderd en zal hiermee enigszins rekening houden bij het bepalen van de strafmaat. Ook de rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte erg geschrokken is van hetgeen is gebeurd en het ongeval erg betreurt.

De rechtbank zal voorts rekening houden met het feit dat tussen de dag van het ongeval en de dag van de inhoudelijke behandeling van de onderhavige zaak, onwenselijk veel tijd heeft gezeten, waardoor verdachte geruime tijd in onzekerheid heeft verkeerd over de eventuele strafrechtelijke gevolgen daarvan.

De rechtbank heeft gekozen voor een andere strafmodaliteit dan door de officier van justitie gevorderd, omdat de rechtbank dit in overeenstemming acht met de ernst van het strafbare feit, zoals die moeten worden gekwalificeerd in de door de rechtbank bewezen geachte variant.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een geldboete moet worden opgelegd.

6.4. Bijkomende straf

De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen dient te worden ontzegd voor na te noemen duur. De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan, rekening houdend met de tijd die inmiddels na het ongeval is verstreken, een proeftijd verbinden één jaar opdat verdachte er voor het einde van die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht;

artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.6. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte als primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het primair bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het betalen van een geldboete van € 750 (zegge: zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis.

Veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie (3) maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op een jaar bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.A. Boom, voorzitter,

mr. J.M. Sassenburg en mr. M. Hoendervoogt, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.P. van Os,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 november 2013.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal Verkeersongeval Analyse d.d. 8 maart 2012 (dossierpagina’s 16-27).

3 Proces-verbaal van verhoor benadeelde [slachtoffer] d.d. 23 januari 2012 met als bijlage een handgeschreven en door de benadeelde ondertekend exemplaar (dossierpagina’s 6-13).

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 januari 2012 (dossierpagina’s 4-5).