Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:11153

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-11-2013
Datum publicatie
21-11-2013
Zaaknummer
15/710207-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; 6 Wegenverkeerswet 1994.

Verdachte heeft als bestuurder van een snorfiets op 25 februari 2013 een verkeersongeval veroorzaakt op de Zijlweg te Haarlem. Verdachte reed met maximale snelheid op zijn snorfiets over het fietspad gelegen naast de hoofdrijbaan van de Zijlweg. Hij had door een beslagen windscherm beperkt zicht, minderde geen vaart bij het naderen van de voetgangersoversteekplaats en reed toen een zich aldaar bevindende voetgangster op de voetgangersoversteekplaats aan, die hij in het geheel niet had gezien. Het slachtoffer heeft tengevolge van dit ongeval lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een gebroken pols, twee gebroken vingers en verwondingen in haar gelaat. Ter terechtzitting heeft het slachtoffer aangegeven nog niet geheel te zijn hersteld van haar verwondingen.

Verdachte heeft blijk gegeven van gevoelens van spijt en medeleven met het slachtoffer. Verdachte heeft actie ondernomen om zich voor zijn handelwijze en gedrag te verontschuldigen bij het slachtoffer en hij betreurt het ongeval ten zeerste. De rechtbank zal hiermee in zijn voordeel rekening houden en ziet in een en ander aanleiding de door de officier van justitie gevorderde strafeis enigszins matigen. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd. De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen dient te worden ontzegd voor na te noemen duur. De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren opdat verdachte er voor het einde van die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2014/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/710207-13 (P)

Uitspraakdatum: 21 november 2013

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

7 november 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Vos en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H. Blaauw, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op 25 februari 2013 om ongeveer 20.25 uur in elk geval bij nacht als bedoeld in artikel 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 te Haarlem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets), daarmede rijdende over de weg, het naast de hoofdrijbaan van de Zijlweg gelegen fietspad, aangegeven middels bord G11 van bijlage l van genoemd Reglement en naderende een in die weg/fietspad gelegen voetgangersoversteekplaats als bedoeld/genoemd in artikel 49 van eerder genoemd Reglement zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, immers heeft hij

-terwijl hij nog geen 5 jaar in bezit was van enig rijbewijs en/of,

-terwijl het/zijn zicht op de weg werd belemmerd/beperkt door nevel (aanslag) op het (wind)scherm van die snorfiets en/of

-terwijl hij reed met een gezien de situatie ter plaatse onverantwoorde snelheid en/of niet een op genoemde oversteekplaats overstekende voetgangster voor heeft laten gaan en/of

in elk geval niet zijn snelheid zodanig heeft geregeld dat hij de weg/de situatie ter plaatse kon overzien dan wel niet is gestopt binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,

waarna en/of mede waardoor een aanrijding en/of een botsing ontstond tussen hem en/of de door hem bestuurde snorfiets en die voetgangster,

waardoor die voetgangster (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken (linker)pols en/of een gebroken (rechter) ringvinger en/of een gebroken pink en/of een of meerdere wonden en/of een of meerdere littekens in het gezicht, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair

hij op of omstreeks 25 februari 2013 te Haarlem als bestuurder van een snorfiets op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Zijlweg, een voetgangster ([slachtoffer]), die op een voetgangersoversteekplaats overstak of die kennelijk op het punt stond over te steken, niet heeft laten voorgaan, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.

3.2. Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft, zoals weergegeven in zijn pleitnotities, zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het primair ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de enkele omstandigheid dat verdachte het slachtoffer niet heeft gezien, hoewel die wel zichtbaar moet zijn geweest, onvoldoende is voor de gevolgtrekking dat verdachte aanmerkelijk onoplettend en met aanmerkelijke verwaarlozing van de geboden voorzichtigheid heeft gereden, zodat schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 niet kan worden bewezen.

3.3. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 25 februari 2013 heeft omstreeks 20.25 uur een verkeersongeval plaatsgevonden op een voetgangersoversteekplaats van het noordelijk gelegen fietspad naast de hoofdrijbaan van de Zijlweg te Haarlem ter hoogte van de verkeerslichten bij de kruising met de Julianalaan, waarbij verdachte als bestuurder van een snorfiets een zich op die voetgangersoversteek-plaats bevindende voetganger genaamd [slachtoffer] heeft aangereden. Ten tijde van het ongeval was het donker en het wegdek was vochtig. Ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats is een lantaarnpaal gesitueerd die op dat moment oranje natrium licht uitstraalde waardoor er zicht was op de oversteekplaats. Verdachte reed met zijn snorfiets op het fietspad dat door middel van een verhoogde middengeleider van de rijbaan van de Zijlweg is gescheiden; hij kwam vanuit oostelijke richting en reed in de richting van de westelijk gelegen Randweg. De snorfiets was geconstrueerd voor een maximumsnelheid van 25 km/uur.2 Verdachte reed naar eigen zeggen met een snelheid van ongeveer 30 km/uur en was als pizzakoerier onderweg om een bestelling weg te brengen. Zijn snorfiets was voorzien van een groot windscherm dat door de ontstane nevel was beslagen. De nevel vormde een laag over het scherm waar erg moeilijk doorheen te kijken was. Ook veroorzaakte het beslagen windscherm schittering door het licht van tegenliggers. Volgens verdachte kon hij de voetgangersoversteekplaats wel zien, maar werd het zicht wel wat bemoeilijkt door het vocht op het windscherm. Verdachte heeft bij het naderen van de voetgangersoversteekplaats en de kruising met de Julianalaan geen snelheid verminderd.3

Ten gevolge van het verkeersongeval heeft het slachtoffer lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van een gebroken (linker) pols, een gebroken (rechter) ringvinger en pink, waardoor zij enige tijd niet in de gelegenheid is geweest haar normale bezigheden uit te oefenen.4

3.4. Bewijsoverweging

De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of in het onderhavige geval sprake is van schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna WVW), het aan komt op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij geldt dat de enkele omstandigheid dat een verdachte het slachtoffer niet heeft gezien, onvoldoende is voor het aannemen van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat verdachte naast het niet opmerken van het slachtoffer op de oversteekplaats nog andere verkeersfouten heeft gemaakt. Zo is verdachte vol gas en zonder zijn snelheid te verminderen, afgereden op een voetgangersoversteekplaats terwijl het donker was en zijn zicht naar eigen zeggen bovendien werd bemoeilijkt door het met nevel beslagen windscherm van de snorfiets. Als gevolg hiervan is hem het latere slachtoffer dat zich op dat moment op die voetgangersoversteekplaats bevond niet opgevallen, zodat hij niet tijdig heeft geremd dan wel zijn snorfiets niet tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand, waarover de weg vrij en te overzien was. Ook was hij daardoor niet in staat behoorlijk uit te wijken.

Aangenomen kan worden dat indien verdachte de van hem in deze omstandigheden - waarbij het donker was en er ook overigens sprake was van slecht zicht - verlangde uiterste voorzichtigheid had betracht, een ongeval voorkomen had kunnen worden. In dat geval had verdachte immers bij het naderen van de voetgangersoversteekplaats waar aan voetgangers voorrang moet worden verleend, met het beperkte zicht dat hij op dat moment had, zijn snelheid aangepast en dusdanig verminderd dat hij het slachtoffer tijdig had gezien en voor haar had kunnen stoppen.

Uit vorenstaande volgt dat verdachte het ongeval naar het oordeel van de rechtbank had kunnen voorkomen als hij zich overeenkomstig de geldende verkeersregels had gedragen. Verdachte heeft door dit na te laten aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden en heeft daarom schuld aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW.

Ten aanzien van de gevolgen van het ongeval voor het slachtoffer overweegt de rechtbank dat het letsel, met name aan de pols, moet worden aangemerkt als letsel waaruit naar algemene ervaringsregels tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat.

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank het primair ten laste gelegde bewezen acht.

3.5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat:

primair

hij op 25 februari 2013 om ongeveer 20.25 uur in elk geval bij nacht als bedoeld in artikel 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 te Haarlem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, snorfiets, daarmede rijdende over de weg, het naast de hoofdrijbaan van de Zijlweg gelegen fietspad, aangegeven middels bord G11 van bijlage l van genoemd Reglement en naderende een in die weg/fietspad gelegen voetgangersoversteekplaats als bedoeld in artikel 49 van eerder genoemd Reglement zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden, immers heeft hij

-terwijl zijn zicht op de weg werd beperkt door nevel (aanslag) op het windscherm van die snorfiets en

-terwijl hij zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij de weg ter plaatse kon overzien dan wel niet is gestopt binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, niet een op genoemde oversteekplaats overstekende voetgangster voor heeft laten gaan, waardoor een aanrijding ontstond tussen de door hem bestuurde snorfiets en die voetgangster, waardoor die voetgangster genaamd [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel, te weten een gebroken linkerpols en een gebroken rechterringvinger en een gebroken pink en meerdere wonden in het gezicht werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zodanig lichamelijk letsel wordt toegebracht dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sancties

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot

- een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van veertig (40) uren subsidiair twintig (20) dagen hechtenis, en

- een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van zes (6) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

6.2. Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft met betrekking tot de op te leggen straf bepleit dat met een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van twintig (20) uren en eventueel een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen kan worden volstaan.

6.3. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

6.4. Hoofdstraf

Verdachte heeft als bestuurder van een snorfiets op 25 februari 2013 een verkeersongeval veroorzaakt op de Zijlweg te Haarlem. Verdachte reed met maximale snelheid op zijn snorfiets over het fietspad gelegen naast de hoofdrijbaan van de Zijlweg. Hij had door een beslagen windscherm beperkt zicht, minderde geen vaart bij het naderen van de voetgangersoversteekplaats en reed toen een zich aldaar bevindende voetgangster op de voetgangersoversteekplaats aan, die hij in het geheel niet had gezien. Het slachtoffer heeft tengevolge van dit ongeval lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een gebroken pols, twee gebroken vingers en verwondingen in haar gelaat. Ter terechtzitting heeft het slachtoffer aangegeven nog niet geheel te zijn hersteld van haar verwondingen.

Verdachte heeft blijk gegeven van gevoelens van spijt en medeleven met het slachtoffer. Verdachte heeft actie ondernomen om zich voor zijn handelwijze en gedrag te verontschuldigen bij het slachtoffer en hij betreurt het ongeval ten zeerste. De rechtbank zal hiermee in zijn voordeel rekening houden en ziet in een en ander aanleiding de door de officier van justitie gevorderde strafeis enigszins matigen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

6.5. Bijkomende straf

De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen dient te worden ontzegd voor na te noemen duur. De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren opdat verdachte er voor het einde van die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht;

artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het als primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van twintig (20) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door tien (10) dagen hechtenis.

Veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie (3) maanden.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Hoendervoogt, voorzitter,

mr. J.M. Sassenburg en mr. C.A. Boom, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.P. van Os,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 november 2013.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal Verkeers Ongevals Analyse d.d. 26 februari 2013 (dossierpagina’s 6-19).

3 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting.

4 Een schriftelijk stuk, zijnde een geneeskundige verklaring van de behandelend arts d.d. 26 februari 2013 (dossierpagina 33).