Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:11152

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-10-2013
Datum publicatie
21-11-2013
Zaaknummer
15/800926-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; beslissing; schorsing der vervolging.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op verdachtes geestestoestand, zijn ziektebeeld alsmede de somatische problematiek en de (beperkte) levensverwachting van verdachte het van groot belang is dat er zo spoedig mogelijk een passende plaats met het juiste regime voor hem wordt gevonden, waarbij tegelijkertijd de veiligheid van de maatschappij, gelet op het recidivegevaar, voldoende is gewaarborgd. Dit onderzoek dient tweeledig te zijn, waarbij enerzijds de officier van justitie het initiatief dient te nemen om onderzoek te doen naar plaatsing op grond van de Wet Bopz en anderzijds de reclassering (tegelijkertijd) onderzoek doet naar plaatsing in een instelling zoals De Blinkert, een en ander in overleg en samenwerking met de deskundige en de verdediging opdat verdachte zo spoedig mogelijk in een voor hem geschikte instelling kan worden geplaatst.

De rechtbank gelast - gelet op en met inachtneming van het vorenstaande - dat de schorsing van de vervolging van verdachte zich niet uitstrekt tot hetgeen de voorlopige hechtenis betreft. Ten behoeve van het opnieuw beoordelen van het voortduren van de voorlopige hechtenis en de mogelijkheden van plaatsing van verdachte in een setting zoals hiervoor overwogen, bepaalt de rechtbank dat in overleg met de officier van justitie en de verdediging de zaak binnen twee maanden opnieuw op een zitting moet worden behandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800926-13

Uitspraakdatum: 31 oktober 2013

Tegenspraak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 31 oktober 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Armenië,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in het Justitieel Medisch Centrum (JMC) te Den Haag.

De rechtbank heeft kennisgenomen van hetgeen de officier van justitie mr. J. van Bree en verdachte en zijn raadsman, mr. M. Bijleveld, advocaat te Hoofddorp, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 03 augustus 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto/taxi (van het merk Mercedes en voorzien van het kenteken [kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Taxibedrijf Bios-groep, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Feit 2:

hij op of omstreeks 03 augustus 2013 op de Rijksweg A1 (ter hoogte van Bunschoten), regio Gooi en Vechtstreek, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan (een) perso(o)n(en) genaamd [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] (hoofdagent(en) belast met de assistentiedienst), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen (telkens), althans eenmaal, -(met hoge snelheid) met een door hem, verdachte, bestuurde taxi/personenauto tegen/op de (linkerzijde van de) dienstauto van die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] is aangereden/ingereden/gebotst (waardoor die dienstauto dwars/haaks aan de voorzijde van voornoemde taxi/personenauto vooruit werd geduwd en/of die dienstauto (om zijn as) ronddraaide), terwijl die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] (met hoge snelheid) in die dienstauto reden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Feit 3:

hij op of omstreeks 03 augustus 2013 op de Rijksweg A1 (ter hoogte van Bunschoten), Regio Gooi en Vechtstreek, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (te weten een personenauto/taxi), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A1 (gaande in de richting van Apeldoorn) (met hoge snelheid),

- tussen twee weggebruikers is doorgereden en/of (vervolgens) de (linker)buitenspiegel van het voortuig van één van die weggebruikers heeft afgereden/vernield en/of (vervolgens),

- tegen/op één of meerdere voertuigen is aangereden/ingereden/gebotst en/of (vervolgens),

- tegen/op de (linkerzijde van een) politievoertuig is aangereden/ingereden/gebotst (waardoor dat politievoertuig dwars/haaks aan de voorzijde van de door verdachte bestuurde personenauto/taxi vooruit werd geduwd en/of (vervolgens) dat politievoertuig (om zijn as) ronddraaide), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Feit 4:

hij op of omstreeks 03 augustus 2013 op de Rijksweg A1 (richting Apeldoorn), regio Gooi en Vechtstreek, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (te weten een personenauto/taxi) heeft gereden op de weg, de Rijksweg A1, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging.

Ter terechtzitting is deskundige [deskundige], psychiater (verder te noemen: de deskundige), in aanvulling op het door hem opgestelde rapport gedateerd 7 oktober 2013 over de geestestoestand van verdachte gehoord over onder meer de vraag of verdachte in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen.

De deskundige heeft ter terechtzitting in aanvulling op zijn rapport verklaard dat hij het zeer waarschijnlijk acht dat verdachte de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging niet begrijpt en dat er voorts sprake is van recidive gevaar. Verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis en of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, te weten amnesie, hoogst waarschijnlijk van psychogene aard, waardoor hij zich het tenlastegelegde niet herinnert.

De feiten doen hem zelfs vreemd aan en hij meent dat hij in de gevangenis zit, terwijl hij in het penitentiaire ziekenhuis verblijft. Verdachte weet niet waarom hij in voorlopige hechtenis zit. De psychiater verklaart dat de verdachte niet begrijpt wat hij bij de rechtbank doet, hij is te zeer bezig met zijn terminale ziekte, leverkanker. Hij ziet de zitting ook als een bijkomstigheid. Naar de mening van de deskundige kan verdachte zich niet voorbereiden op vragen van de rechtbank, nu verdachte zich niets van de betreffende feiten herinnert. Alles wat hij weet heeft hij van horen zeggen. Het is niet zo dat hij zichzelf daadwerkelijk iets herinnert. Verdachte begrijpt ook niet welke invloed de vervolging en een eventuele beslissing van de rechtbank op zijn leven zal kunnen hebben. In het geheugen van verdachte lopen zijn ziekte en de ten laste gelegde feiten door elkaar. Hij kan deze niet van elkaar onderscheiden. Bij verdachte was ten tijde van het tenlastegelegde zeer waarschijnlijk sprake van een dissociatieve fugue, hetgeen past bij een psychogeen bepaalde amnesie.

De deskundige acht vrijwel uitgesloten dat verdachte de amnesie simuleert. Het gedragspatroon van verdachte is al gedurende langere tijd consistent afwijkend en dit speelde al lang voor de ten laste gelegde gebeurtenissen. Hierbij komt dat de amnesie in het geval van verdachte geen doel dient en hem geen gewin oplevert, nu hij op korte termijn zal komen te overlijden. Het heeft hem zelfs tegengewerkt, nu hij door zijn amnesie en het daarbij behorende onbegrip wantrouwend is, bijvoorbeeld tegenover artsen. Dit had tot gevolg dat hij door het land reisde op zoek naar medische hulp. Zijn geheugen functioneert beter op rustige momenten, als hij geen stress heeft. Ook dan is er echter alleen sprake van flarden herinnering en geen consistent verhaal. Het geheugen van verdachte is volstrekt onbetrouwbaar.

Mede naar aanleiding van hetgeen de deskundige hierover ter zitting naar voren heeft gebracht, heeft de raadsman aangevoerd dat de vervolging jegens verdachte moet worden geschorst. De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen en dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 16, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering. Gelet op de ziekelijke stoornis van de geestvermogens van verdachte is het niet mogelijk geweest de zaak inhoudelijk met verdachte te bespreken en zijn verdediging voor te bereiden.

Hij heeft niet met verdachte over de tenlastegelegde feiten kunnen praten en moest verdachte vertellen wat er was gebeurd. Verdachte begrijpt niet wat het onderzoek ter terechtzitting inhoudt, wat de rol van de rechtbank is, waarom hij vast zit en welke gevolgen een veroordelend vonnis voor hem zal hebben, aldus nog steeds de raadsman.

De officier van justitie stelt zich, onder verwijzing naar hetgeen de raadsman daaromtrent naar voren heeft gebracht, eveneens op het standpunt dat de vervolging van verdachte moet worden geschorst.

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het door deskundige [deskundige] uitgebrachte rapport van 7 oktober 2013 en zijn in aanvulling daarop ter terechtzitting als deskundige afgelegde verklaring vast dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, te weten amnesie, waardoor hij niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen. Verdachte begrijpt niet dat en waarom hij in voorlopige hechtenis zit. Evenmin lijkt hij enig besef te hebben van de strafrechtelijke beschuldigingen aan zijn adres en het verband daarvan met de behandeling ter terechtzitting. Verdachte is niet in staat geweest om zich tezamen met zijn raadsman voor te bereiden op vragen die betrekking hebben op de tenlastegelegde feiten, noch heeft hij besef van de invloed van zijn antwoorden op de door de rechtbank te nemen beslissingen. Daarmee kan hij naar het oordeel van de rechtbank de gevolgen die een vonnis in de strafzaak op zijn leven zal hebben, niet dan wel onvoldoende overzien.

Op grond van het vorenstaande dient naar het oordeel van de rechtbank de vervolging van verdachte te worden geschorst.

Voorlopige hechtenis

Nu de vervolging van verdachte zal worden geschorst, dient de rechtbank een beslissing te nemen met betrekking tot de voorlopige hechtenis van verdachte.

De officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de ernstige bezwaren en gronden die aan de voorlopige hechtenis ten grondslag liggen nog onverkort van toepassing zijn en dat de voorlopige hechtenis van verdachte niet moet worden geschorst. Volgens zowel de officier van justitie als de raadsman dient er wel zo spoedig mogelijk onderzoek te worden gedaan naar de verschillende mogelijkheden van plaatsing van verdachte in een voor hem geschikte setting op grond van de Wet Bopz, waarbij in eerste instantie wordt gedacht aan plaatsing in een verpleeghuis op grond van artikel 60 van deze wet of in een instelling zoals De Blinkert te Baarn (van het Leger des Heils).

De rechtbank is van oordeel dat de verdenking, ernstige bezwaren en gronden die tot de toepassing van de voorlopige hechtenis van verdachte hebben geleid, ook thans nog onverkort aanwezig zijn.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op verdachtes geestestoestand, zijn ziektebeeld alsmede de somatische problematiek en de (beperkte) levensverwachting van verdachte het van groot belang is dat er zo spoedig mogelijk een passende plaats met het juiste regime voor hem wordt gevonden, waarbij tegelijkertijd de veiligheid van de maatschappij, gelet op het recidivegevaar, voldoende is gewaarborgd. Dit onderzoek dient tweeledig te zijn, waarbij enerzijds de officier van justitie het initiatief dient te nemen om onderzoek te doen naar plaatsing op grond van de Wet Bopz en anderzijds de reclassering (tegelijkertijd) onderzoek doet naar plaatsing in een instelling zoals De Blinkert, een en ander in overleg en samenwerking met de deskundige en de verdediging opdat verdachte zo spoedig mogelijk in een voor hem geschikte instelling kan worden geplaatst.

De rechtbank gelast - gelet op en met inachtneming van het vorenstaande - dat de schorsing van de vervolging van verdachte zich niet uitstrekt tot hetgeen de voorlopige hechtenis betreft. Ten behoeve van het opnieuw beoordelen van het voortduren van de voorlopige hechtenis en de mogelijkheden van plaatsing van verdachte in een setting zoals hiervoor overwogen, bepaalt de rechtbank dat in overleg met de officier van justitie en de verdediging de zaak binnen twee maanden opnieuw op een zitting moet worden behandeld.

3. Beslissing

De rechtbank:

Schorst de vervolging van verdachte.

Gelast dat de schorsing van de vervolging zich niet uitstrekt tot hetgeen de voorlopige hechtenis betreft.

Stelt de stukken van het dossier in handen van de officier van justitie met het bevel onderzoek te (laten) doen naar de plaatsing van verdachte op grond van de wet BOPZ alsmede de reclassering daarnaast te laten rapporteren over de mogelijkheden van plaatsing van verdachte in een voor hem geschikte setting, een en ander in overleg met psychiater [deskundige] en de verdediging.

Beveelt de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd, waarbij de termijn op maximaal twee maanden wordt gesteld, ten behoeve van een nieuwe beoordeling van het voortduren van de voorlopige hechtenis en de mogelijkheid van plaatsing van verdachte buiten een penitentiaire instelling.

Beveelt de oproeping van verdachte en zijn raadsman, alsmede de reclassering en een tolk Russisch tegen een nog nader te vast te stellen datum en tijd.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Deze beslissing is genomen door

mr. E.J. van Keken, voorzitter,

mr. C.A.M. van der Heijden en mr. M. Hoendervoogt, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.W. van der Hoek,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 oktober 2013.

Mr. C.W. van der Hoek is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.