Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:11102

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-07-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
15/741029-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Grow. Hennepteelt. Algehele vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/741029-10

Uitspraakdatum: 11 juli 2013

Tegenspraak

Promisvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 26 juni 2013 (inhoudelijke behandeling) en 27 juni 2013 (sluiting van het onderzoek ter terechtzitting) in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. van Venrooij en van wat verdachte en zijn raadslieden, mr. L.J.B.G. van Kleef en P.W. Hermens, advocaten te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op één (of meer) tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 januari 2000 tot en met 31 mei 2006 te Haarlem en/of Alkmaar en/of Egmond aan Zee, gemeente Bergen, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [verdachte] en/of [medeverdachte 2] en/of één of meer (onbekend) gebleven personen en/of een rechtspersoon te weten [rechtspersoon 1] welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (in de uitoefening van beroep of bedrijf) telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of opzettelijk aanwezig hebben van middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II (dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet);

Feit 2:

hij op een (of meer) tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 september 2010, te Haarlem en/of Alkmaar en/of Egmond aan Zee, gemeente Bergen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen te weten [verdachte] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of één of meer andere (onbekend) gebleven personen en/of een rechtspersoon te weten [rechtspersoon 1] en/of [rechtspersoon 2], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een misdrijf en/of misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet, namelijk het (in de uitoefening van beroep of bedrijf) telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of opzettelijk aanwezig hebben van middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II (dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet;

feit 3:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 september 2010 te Haarlem en/of Alkmaar en/of Egmond aan Zee, gemeente Bergen, in elk geval in Nederland, één of meermalen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of afgeleverd en/of verkocht en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, in het kader van een beroep of bedrijf, een of meer (grote en/of handels-) hoeveelhe(i)d(en) hennepplanten en/of hennepstekken en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit. De officier van justitie heeft voorts gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten voor de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 september 2010.

3.2. Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

3.3. Vrijspraak

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 ten laste is gelegd, nu uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende is gebleken dat verdachte betrokken is geweest bij dit ten laste gelegde feit.

Met de verdediging, maar anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat evenmin wettig en overtuigend is bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 en feit 3 ten laste is gelegd, nu uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende is gebleken dat verdachte betrokken is geweest bij deze ten laste gelegde feiten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De onderzoeksresultaten van de pseudokoop en het telecomonderzoek bieden weliswaar enkele aanknopingspunten voor de gevolgtrekking dat verdachte vanuit de door hem gedreven growshop [rechtspersonen 1 en 2] enige bemiddelende handelingen heeft verricht tussen klanten van de growshop en de onbekend gebleven stekkenhandelaar, daarmee is echter nog niet wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is geweest van een voor het medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de stekkenhandelaar en verdachte/de growshop [rechtspersonen 1 en 2] die gericht was op de illegale hennephandel en/of van deelname aan een criminele organisatie die voornoemde handel tot doel heeft. Het dossier biedt geen aanknopingspunten dat deze bemiddeling meer inhield dan een vorm van service die door de houder van een growshop richting zijn klanten werd gegeven, waar bij gelegenheid enkel een telefoonnummer werd doorgegeven teneinde klanten in de gelegenheid te stellen contact te leggen met een stekkenhandelaar. Evenmin is gebleken dat de growshop in ruil voor deze klantenservice een (geldelijke) beloning ontving, dan wel anderszins strafrechtelijk laakbare bemoeienis had met eventuele vervolgstappen die uit de bemiddeling voortkwamen. De rechtbank weegt hierbij ook mee dat contacten van (de houders van) een growshop met mogelijke henneptelers inherent zijn aan het runnen van een dergelijke growshop, wat mede het gevolg is van de enigszins ambivalente situatie van enerzijds het gedoogbeleid en de daaruit voortkomende (tot op heden) onder vergunningstelsel opererende legale branche van onder meer growshops en coffeeshops en anderzijds de toenemende (politieke) drang tot strafrechtelijke vervolging van illegale hennepteelt.

Verdachte moet derhalve worden vrijgesproken van alle hem ten laste gelegde feiten.

De rechtbank merkt wellicht ten overvloede op dat, gezien het feit dat verdachte zal worden vrijgesproken van alle hem ten laste gelegde feiten, de rechtbank de door de verdediging gevoerde (bewijs)verweren, onbesproken zal laten.

4. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1, 2 en 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1. Geld Nederlands 225.00

-

totaalbedrag 225,=

12B 1.00 STK Foto

-

foto’s

12 1.00 STK Kentekenbewijs

[kenteken]

[nummer],

22 1.00 STK Auto-papieren

-

[nummer], + autosleutels

Beveelt dat de door of namens verdachte betaalde borgsom ter hoogte van € 20.000,00 zal worden teruggestort op een daartoe bestemde rekening.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.J. van Andel, voorzitter,

mr. M.W. Groenendijk en mr. J.A.M. Jansen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.E. van den Bergh,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 juli 2013.