Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:10962

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-11-2013
Datum publicatie
18-11-2013
Zaaknummer
15/840176-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Everest. Vrijspraak van het onder primair ten laste gelegde medeplegen van de invoer van cocaïne via de luchthaven Schiphol nu uit de inhoud van zaaksdossier B08 en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende is gebleken van betrokkenheid van verdachte bij het medeplegen van de invoer van een hoeveelheid cocaïne. Bewezenverklaring van medeplegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van de invoer van cocaïne via de luchthaven Schiphol. De rol van verdachte bestond, naar het oordeel van de rechtbank, hierin dat hij als tussenpersoon anderen met elkaar in contact bracht, ontmoetingen en contacten regelde en afspraken maakte om elkaar te ontmoeten. De rechtbank waardeert de gedragingen van verdachte naar hun aard en betekenis als ondersteunend aan de gedragingen van degene(n) die zich bezig hielden met de invoer van cocaïne in Nederland en wijst er met betrekking tot hetgeen de raadsvrouw omtrent de rol van verdachte naar voren heeft gebracht nog op dat de bestanddelen van de delictsomschrijving zijn ontleend aan artikel 48 Sr en aldus reeds het karakter van strafbare ondersteuning aan het handelen van verdachte tot uitdrukking brengen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, gelet op het door verdachte en zijn medeverdachten gebezigde versluierde taalgebruik, niet anders kan zijn dan dat de verdachte er zich van bewust is geweest dat hij tezamen met anderen bezig was met het voorbereiden van de invoer van cocaïne in Nederland, zodat sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op de invoer van cocaïne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/840176-12 (onderzoek Everest)

Uitspraakdatum: 14 november 2013

Tegenspraak (ex artikel 279 Sv)

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 1 oktober 2013, 17 oktober 2013 en 31 oktober 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname),

wonende te [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.B. Haneveld en van wat de raadsman van verdachte, mr. M.M.J. Nuijten, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

(zaaksdossier B08):

primair

hij op of omstreeks 18 juni 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 9942,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocane, zijnde cocane een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 juni 2012 tot en met
18 juni 2012 te Amsterdam en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten heeft getracht te verschaffen en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat die feit(en),

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens)

- meermalen met elkaar en/of met (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(s) en/of afnemers (telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en/of

- ( meermalen) afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of meermalen ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd en/of

- ( meermalen) (telefonisch) informatie verstrekt en/of instructie(s) gegeven en/of informatie en/of instructie(s) ontvangen ten behoeve van de invoer en/of de bergplaats en/of van de overdracht van een of meer hoeveelheden verdovende middelen en/of

- ( meermalen) vlucht- en/of bagage- en/of reizigersgegevens en/of kenmerken van de koffer/ (reis)tas doorgegeven en/of ontvangen en/of

- beveiligd gebied op de luchthaven betreden teneinde de koffer/ (reis)tas te onderkennen en/of op beveiligd gebied op de luchthaven gezocht naar (een) hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Algemeen

3.1. Inleiding
Op 2 mei 2011 is het Schipholteam gestart met onderzoek Hazelaar. Vanaf 6 juni 2011 tot

2 april 2012 is het onderzoek projectmatig aangepakt en om die reden onder de naam Vinson overgenomen door de afdeling Zware Criminaliteit van de Koninklijke Marechaussee (hierna ook te noemen: KMar). Het onderzoek richtte zich primair op een organisatie die zich bezig zou houden met de invoer van cocaïne via de luchthaven Schiphol met behulp van aldaar werkzame corrupte bagagemedewerkers. Tijdens onderzoek Vinson kwam onder andere als verdachte naar voren bagagemedewerker [hoofdverdachte] (hierna te noemen: [hoofdverdachte]).

Op 2 april 2012 is besloten een afzonderlijk onderzoek met de naam Everest te starten naar [hoofdverdachte] en personen om hem heen die zich bezig zouden houden met de invoer van verdovende middelen via de luchthaven Schiphol.

4. Bewijs

4.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte primair ten laste is gelegd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op 18 juni 2012 is omstreeks 17.31 uur door het Bureau Lost Luggage op de luchthaven Schiphol een koffer met een aantal pakketten aangetroffen en aan het Schipholteam overgedragen. De pakketten in deze koffer bevatten 9.942,1 gram netto aan cocaïne. De koffer was voorzien van een uitgeprint bagagelabel met het tagnummer 8 074 KL 197031.

Pas nadat de cocaïne door het Schipholteam is onderschept, te weten in het OVC-gesprek van 18 juni 2012 om 21:34 uur tussen [hoofdverdachte] en verdachte, is niet door verdachte, maar door [hoofdverdachte] het tagnummer 197031 genoemd. [hoofdverdachte] vertelt aan verdachte ‘Die mannen hebben me een tag nummer gegeven.’ Hoewel dat tagnummer het tagnummer is dat aan de onderschepte koffer met cocaïne was gelabeld, kan, naar het oordeel van de rechtbank, uit dit OVC-gesprek onvoldoende worden afgeleid dat juist verdachte degene is geweest die het tagnummer 197031 voorafgaand aan het invoeren van de koffer aan [hoofdverdachte] heeft doorgegeven en daarmee een onmisbare schakel heeft gevormd tussen de organisatie enerzijds en [hoofdverdachte] die de koffer diende ‘weg te trekken’ anderzijds. Weliswaar is in de BlackBerry van verdachte een foto aangetroffen van een zwarte koffer met daarin een zwarte tas, maar deze foto is niet te relateren aan een strafbaar feit binnen onderzoek Everest.

Voorts bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank geen, dan wel onvoldoende aanwijzingen waaruit de betrokkenheid van verdachte bij het medeplegen van de invoer van cocaïne in Nederland zou blijken, temeer daar er sprake lijkt te zijn van meer partijen die [hoofdverdachte] een tagnummer hebben gegeven en derhalve niet uit te sluiten is dat [hoofdverdachte] het bewuste tagnummer van anderen dan (via) verdachte heeft gekregen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

4.3. Bewijs(middel)verweer

De verdediging heeft bepleit om het OVC-gesprek tussen [hoofdverdachte] en [medeverdachte] (NN-man) d.d. 18 juni 2012 om 21:07 uur uit te sluiten van het bewijs. Volgens de verdediging dient dit afgeluisterde gesprek gelijkgesteld te worden met een getuigenverklaring waarop de ‘Vidgen-jurisprudentie’ (Vidgen vs. Nederland, NBSTRAF 2012/254, EHRM 10 juli 2012) van toepassing is. Het is voor de verdediging namelijk niet mogelijk gebleken om [hoofdverdachte] als getuige te ondervragen over dit OVC-gesprek, omdat [hoofdverdachte] zich tijdens zijn verhoor als getuige bij de rechter-commissaris op zijn verschoningsrecht heeft beroepen. Compensatie is niet mogelijk gebleken omdat de gesprekspartner van [hoofdverdachte], [medeverdachte] (NN-man), die in andere zaaksdossiers uit het onderzoek Everest als verdachte figureert, ook door de rechter-commissaris als getuige is gehoord en zich eveneens op zijn verschoningsrecht heeft beroepen. Volgens de verdediging bevat het dossier verder geen steunbewijs, zodat een eventuele bewezenverklaring uitsluitend of in beslissende mate is gebaseerd op verklaringen van een persoon die de verdediging niet heeft kunnen ondervragen. Daarmee is volgens de verdediging sprake van een schending van artikel 6 van het EVRM.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de situatie van een OVC-gesprek waaraan een aantal personen deelnemen, niet gelijkgesteld worden met de situatie waarin een getuige ten overstaan van verbalisanten een verklaring heeft afgelegd, welke is opgenomen in een ambtsedig proces-verbaal waarop de ‘Vidgen-jurisprudentie’ van toepassing zou kunnen zijn. Een uitgewerkt OVC-gesprek is immers een schriftelijk bescheid en kan slechts in samenhang met andere bewijsmiddelen gebruikt worden. Alleen al om die reden kan het verweer van de raadsman niet slagen.

Overigens, al zou de rechtbank uitgaan van een gelijkstelling zoals door de verdediging bepleit, dan constateert de rechtbank dat de vertrouwelijke communicatie waarop de raadsman doelt, niet het enige dan wel het beslissende bewijsmiddel vormt.

4.4. Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van het onder subsidiair ten laste gelegde1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Ten aanzien van het onder subsidiair (zaaksdossier B08) ten laste gelegde:

Communicatie:

In het onderzoek Everest zijn verschillende telefoon-, Imei-, PIN-nummers en ip-adressen naar voren gekomen. PIN-nummers zijn unieke nummers van BlackBerry smartphones, waarmee de gebruikers van deze toestellen met elkaar kunnen communiceren (‘pingen’). De PIN-code kan gekoppeld worden aan de door de gebruiker opgegeven naam, hetzij de eigen naam of een nickname. Een Imei-nummer heeft als eigenschap dat het verbonden is met de mobiele telefoon die gebruikt wordt. Het Imei-nummer blijft bij het toestel en verandert nooit. Mocht de gebruiker een andere simkaart in het toestel stoppen dan blijft het Imei-nummer hetzelfde maar het 06-nummer verandert wel. Een IP-adres betreft een internetaansluitingsnummer.

Alvorens de afzonderlijke zaaksdossiers te bespreken, zal de rechtbank eerst aangeven welke nummers zij aan welke verdachte toeschrijft en op grond waarvan.

Verdachte [verdachte]:

Het onderzoeksteam van de KMar schrijft het telefoonnummer [telefoonnummer] aan verdachte toe op basis van het volgende.

Op 2 mei 2012 wordt door het observatieteam gezien dat de bestuurder van een Opel Astra voorzien van het kenteken [kenteken] op de [adres 1] te Amsterdam rijdt nadat de bestuurder van voornoemde auto een ontmoeting heeft gehad met [hoofdverdachte]. De Opel Astra staat volgens de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) op naam van [verdachte]. Op 18 juni 2012 wordt [hoofdverdachte] tweemaal gebeld door de gebruiker van het prepaid nummer [telefoonnummer] (hierna: [telefoonnummer]) teneinde een afspraak te maken en elkaar te ontmoeten. Op 18 juni 2012 vindt vervolgens een observatie plaats waarbij gezien wordt dat [hoofdverdachte] contact maakt met de bestuurder van een scooter met het kenteken [kenteken], welke volgens informatie van de RDW, informatie uit het politiesysteem BlueView, en de gemeentelijke basisadministratie, op naam staat van de dochter van de (ex)vriendin van [verdachte] woonachtig op de [adres 2] te Amsterdam. Gelet op de fotoherkenning, de observaties van 2 mei 2012 en 18 juni 2012 en de afgeluisterde en opgenomen gesprekken wordt vervolgens vastgesteld dat het telefoonnummer [telefoonnummer] in gebruik is bij [verdachte].2 Onder [verdachte] is ook een BlackBerry met voormeld telefoonnummer in beslag genomen. [verdachte] heeft voorts verklaard dat de telefoon die onder hem in beslag is genomen een prepaid telefoon betreft3 en dat hij regelmatig op het adres van zijn vriendin op de [adres 2] te Amsterdam verblijft.4

Nu door en namens verdachte niet is betwist dat voormeld telefoonnummer aan hem toebehoort en hij deelnemer is geweest aan de met dat telefoonnummer gevoerde gesprekken, zal de rechtbank het telefoonnummer [telefoonnummer] en de daarmee gevoerde (tap)gesprekken aan hem toeschrijven.

Medeverdachte [hoofdverdachte]:

Bij [hoofdverdachte] is de telefoon met Imei-nummer [IMEI] in gebruik.5 Nu door en namens [hoofdverdachte] niet is betwist dat voormeld Imei-nummer aan hem toebehoort en dat hij deelnemer is geweest aan de met deze telefoon gevoerde gesprekken, zal de rechtbank deze aan hem toeschrijven. Een en ander voor zover in het navolgende geen andersluidend oordeel is gegeven.

OVC-gesprekken:

In het onderzoek Everest is tevens sprake geweest van vertrouwelijk opgenomen communicatie (OVC) in een Mazda met kenteken [kenteken hoofdverdachte]. Deze Mazda stond op naam van [hoofdverdachte].6 Verdachte en [hoofdverdachte] hebben niet betwist dat zij deelnemer zijn geweest aan de hen toegeschreven gesprekken in de Mazda. De rechtbank gaat bij de redengevende feiten en omstandigheden dan ook van dat gegeven uit.

Redengevende feiten en omstandigheden subsidiair zaaksdossier B08

Op 11 juni 2012 om 21:31 uur wordt [hoofdverdachte] gebeld door [verdachte]. Deze stelt aan [hoofdverdachte] voor elkaar om 10 uur te ontmoeten, ‘dat is nodig.’ [hoofdverdachte] vraagt hem waar het over gaat. [verdachte] zegt: ‘Die man is helemaal klaar. […] Oké, dan ontmoeten we bij het pompstation waar je laatst zei.’7

Op 17 juni 2012 om 19:31 uur neemt [hoofdverdachte] telefonisch contact op met [verdachte] en vraagt hem hoe het is gegaan. [verdachte] antwoordt: ‘Ik weet het niet, ik heb niks gehoord.’, waarop [hoofdverdachte] hem vraagt: ‘Hebben die krokodillen niets gezegd?’ [verdachte] reageert door te zeggen: ‘Nee, dus ik denk dat ik straks van die man hoor. […] Maar ik bel je straks.’8

Ongeveer vier uur later, om 23:44 uur, belt [verdachte] naar [hoofdverdachte] en zegt tegen hem dat hij hem ‘s morgens zal bellen. [hoofdverdachte] reageert hierop door tegen [verdachte] te zeggen: ‘Hoor eens, als het serieus is kan je me bellen. Wanneer je honderd bent kan je me bellen. Maar als het niks is, hoef je me niet te bellen.’ [verdachte] zegt iets later tegen [hoofdverdachte] dat hij ’s morgens van de man gaat horen en dat hij die man straks weer belt.9

De volgende dag, te weten 18 juni 2012 om 9:25 uur, belt [verdachte] naar [hoofdverdachte] en spreekt met hem af: ‘Half elf, daar waar we laatst waren.’ [hoofdverdachte] zegt dat dit goed is.10 Om 10:43 uur belt [verdachte] [hoofdverdachte] weer op. [hoofdverdachte] vraagt of hij al daar is, waarop [verdachte] antwoordt dat hij er al is en [hoofdverdachte] meldt dat hij eraan komt.11

Op 18 juni 2012 om 15:31 uur belt [verdachte] weer naar [hoofdverdachte] en zegt tegen hem: ‘De mannen, de man reageert niet. […] Okay, maar jij hebt niets gezien?’ [hoofdverdachte] antwoordt hem vervolgens: ‘Nee, ik zal woordenwisseling krijgen met de mannen, dat weet ik al.’ [verdachte] zegt daarop dat [hoofdverdachte] hem dan moet bellen.12

In de avond van 18 juni 2012 probeert [hoofdverdachte] vervolgens tot driemaal toe, namelijk om 20:22 uur, 20:28 uur en 20:29 uur, [verdachte] op te bellen, maar de telefoon wordt niet opgenomen.13 Hierop stuurt [hoofdverdachte] om 20:32 uur een sms-bericht naar [verdachte] met de vraag waarom hij niet opneemt.14 Binnen de minuut belt [verdachte] naar [hoofdverdachte]. [hoofdverdachte] vraagt of [verdachte] al contact heeft gehad met de mannen. [verdachte] antwoordt: ‘Ik heb met de man gesproken ja. […] De man zei dat hij wel wil komen. […] Waar, gaan wij hier weer bespreken?’ [hoofdverdachte] antwoordt hem: ‘Ja, daar aan de achterzijde van jou, om negen uur.’ [verdachte] zegt: ‘Okay, wacht ik zal de man bellen. […] Dan zal ik je bellen om te zeggen hoe laat.’ [hoofdverdachte] beaamt dit.15

Iets later, om 20.33 uur diezelfde avond, belt [hoofdverdachte] naar [verdachte] en zegt: ‘Nee, om negen uur moet de man er zijn [..] want ik bel je heel lang, jij hebt mij niet meer gebeld. Jij moest de man hebben gebeld toch.’ [verdachte] reageert met: ‘Ja, ik had de man gebeld. Ik heb vandaag met de man gesproken. Dus de man moest mij terugbellen. Dus nu zal ik tekeer gaan tegen de man.’ [hoofdverdachte] zegt vervolgens: ‘Zeg tegen de man dat ik niet teveel tijd heb en ze hoeven niet meer te komen, mijn vriend?’16

Een kwartier later, om 20:47 uur, belt [verdachte] weer naar [hoofdverdachte] en zegt hem: ‘Na voetbal.’ [hoofdverdachte] zegt: ‘Nee, nee, nee, nee, nee, nee, sorry hoor? Ik kom nu naar jou toe. Ik geef je de dingen, jij zal aan de mannen uitleggen. Wat klote bal belangrijk.’ [verdachte] reageert: ‘De man zei dat hij niet kan, maar ik kom langsrijden om jou te ontmoeten.’17

Vervolgens heeft [hoofdverdachte] op 18 juni 2012 om 21:07 uur in zijn auto een gesprek met een NN-man. [hoofdverdachte] zegt onder andere tegen hem: ‘Weet je vanmorgen heeft iemand me gebeld toen ik aan het werk was. Ze hebben me alleen het tagnummer gegeven, niets meer. Ik ga nu naar ze toe. Hij kon me niet vertellen waar het naartoe gaat, wat de naam is, niets. Ik heb hem net gebeld, hij vertelt me na de voetbal. Is voetbal belangrijk. [..] Ze hebben me gisteravond gebeld, het is oke. Ik had een afspraak met hun om 10.30. Ik was daar om 10.45 uur. Hij had een Blackberry en hij liet me zien, hij had alleen een nummer. Alleen het nummer, hij liet me een tas zien. Ik zei maar wat is de bestemming. Ze weten het niet. […] Niets wisten ze. Dat was voor ik naar jou toe kwam. Toen ik naar jou toe kwam belde er iemand, ik ging hem ontmoeten bij La Place. Hij heeft me hetzelfde tagnummer gegeven. Ik heb niets gezegd. Toen ik daar was, niets. Nu heb ik de Colombiaanse man gebeld, na de voetbal. Wie is hier een kleine jongen [...] Ik ga de Surinaamse man ontmoeten, ik heb ze gezegd dat ik klaar met ze ben. [...] Ze hebben me het tagnummer gegeven 19 70 31 […] Alles wat eruit is gekomen van dezelfde vlucht. Alles wat eruit is gekomen is alleen maar 14, 14, 14, 14. Zie je alleen 14.’18

Op 18 juni 2012 om 21:35 uur wordt de Mazda van [hoofdverdachte] door een observatieteam van de KMar, ter hoogte van het Buikslotermeerplein te Amsterdam gezien. Om 21.38 uur wordt gezien dat een zwarte scooter met het kenteken [kenteken] naast de Mazda van [hoofdverdachte] staat. [hoofdverdachte] zit als bestuurder in zijn auto en er zit een man in de auto als bijrijder. De bijrijder stapt om 21.53 uur uit de auto van [hoofdverdachte] en rijdt weg op de eerdergenoemde scooter. De man wordt aan de hand van foto’s die tijdens de observatie zijn gemaakt, herkend als [verdachte].19

Tijdens deze ontmoeting hebben verdachte en [hoofdverdachte] om 21:34 uur een gesprek in de Mazda van [hoofdverdachte]. [hoofdverdachte] zegt tegen [verdachte]: ‘Dus hoor eens [hoofdverdachte], wanneer ik praat, doe ik dat als een groot mens/volwassene, wanneer ik praat ben ik niet boos op je. Je weet toch, ik ben niet boos op jou. Die mannen hebben me een tag nummer gegeven.’ waarop [verdachte] hem aanvult. Dat helemaal niet voor komt.’ [hoofdverdachte] zegt ‘19 70 31. Kijk maar hier ... niets komt broeder, je weet toch. En wat me boos heeft gemaakt, je belt die man en dan zegt die man gebakken ballen. Dat ding is zó belangrijk, wat hier is, is geen kleine jongens groenten.’ [verdachte] antwoordt ‘Kijk wat die man mij heeft laten zien, kijk hier.. Kijk: (leest voor): wacht ik vraag die andere man, ik ben daar maar die andere man reageert niet... boos met wie. Die andere mensen, ja natuurlijk [...] Dus nou reageert die andere man niet. Die mannen zijn heet.’ [hoofdverdachte] zegt ‘Dan ga ik je nou een torie geven/vertellen. Die mannen ... datzelfde ding dat die jongen voor mij heeft gestuurd, toch. […] Heeft hij me op zijn BlackBerry laten zien. […] Die mannen hebben die man ook nog een ander werk gegeven. Ditzelfde werk hebben die mannen aan een andere man gegeven’. [verdachte] antwoordt ‘Die mannen hebben het aan een andere man gegeven, hè? Zie je wel. dat dacht ik al. Dat dacht ik al’. [hoofdverdachte] zegt vervolgens ‘Dan .... hebben die mannen die man alleen het tagnummer gegeven, alleen het tagnummer hebben ze die man gegeven. Je weet toch. Die man zei: ik weet niks, ik weet niet waar het heen gaat, of wat. Maar deze man had gezegd Milaan, toch.’, waarop [verdachte] antwoordt ‘Die man heeft mij gezegd dat die man me zou pingen, toch. Die man heeft me gezegd dat hij me zou pingen. Of Milaan, of die andere, Matasoe (fon).’ [hoofdverdachte]. corrigeert hem ‘Malpensa.’ waarop [verdachte] reageert ‘Ja, Malpensa. […] Dan hebben die mannen ook aan die andere man dat zelfde ding gegeven.’ Een paar minuten later zegt [hoofdverdachte] ‘Zeg aan die mannen dat ik niet meer kom. Dan.. want ik heb die Curacaoenaar ook papier gegeven, je weet toch, want ik had meer. Om die mannen te laten zien, kijk dit zijn de tagnummers, je weet toch, dat tagnummer van je komt helemaal niet voor. [hoofdverdachte], wanneer ik werk wil ik geld maken, ik houd van geld, dat weet je toch. Alles wat ik doe voor geld denk ik tien (keer na). En wanneer dat klote ding mis gaat, dan draaien alle mannen hun gezicht, toch. 19 70 31 dat is het tagnummer […] Komt niet voor. [..] Kijk, kijk als het werk echt was, dan zou die bal de man interesseren.’ [verdachte] zegt ‘dan zou die man geïnteresseerd zijn. Die man heeft zelf gezien dat die mannen heet zijn want toen ik die man liet zien: kijk wat die man zegt, die man had toen al gezien dat iets niet… Weet je wat de ik die man gevraagd heb, de eerste keer, voordat jij kwam, weet je wat ik die man heb gevraagd, ik heb hem gevraagd, broeder, ben je zeker dat… Hij vroeg me, hoe bedoel je. Ik heb hem gevraagd of hij zeker is dat dat klote ding in die wagen/auto is? Ben je zeker? Die man zei: ja die man komt, ik ga die man nu meteen halen.’20

Bewijsoverweging subsidiair zaaksdossier B08

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van het subsidiair ten laste gelegde feit bepleit.

Onder verwijzing naar het arrest van het Gerechtshof Amsterdam, gewezen in de zaak Alpamayo op 14 december 2012 (ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ0299), heeft de raadsman daartoe aangevoerd, dat hoewel is gebleken dat verdachte en [hoofdverdachte] op verschillende momenten contact met elkaar hebben gehad en de inhoud van die gesprekken, te weten versluierd taalgebruik, vragen kunnen oproepen, in geen tapgesprek tussen verdachte en [hoofdverdachte] wordt gerept over cocaïne of een tagnummer, zodat de rechtbank in de lijn van voornoemd arrest zorgvuldig en terughoudend dient om te springen met voormelde tap- en OVC-gesprekken nu mogelijk bewijs voornamelijk daarop stoelt.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent als volgt.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande allereerst vast dat verdachte in de periode

11 juni 2012 tot 18 juni 2012 ontmoetingen met [hoofdverdachte] en/of andere mannen heeft gehad. Uit de vorenbeschreven gang van zaken concludeert de rechtbank dat door verdachte, [hoofdverdachte] en andere mannen de invoer van goederen in Nederland werd voorbereid. Uit de hiervoor gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte een relatief kleine rol heeft gehad bij deze voorbereidingshandelingen. Hoewel door [hoofdverdachte] over een tagnummer is gesproken (OVC-gesprek van 18 juni 2012 om, 21.34 uur), heeft de rechtbank, zoals reeds hiervoor is overwogen onder het kopje ‘Vrijspraak’, niet kunnen vaststellen dat verdachte dit of een ander tagnummer aan [hoofdverdachte] heeft doorgegeven. Verdachte fungeerde naar het oordeel van de rechtbank als ‘boodschappenjongen’ teneinde ontmoetingen tussen [hoofdverdachte] en de andere mannen te regelen.

De rechtbank waardeert de gedragingen van verdachte naar hun aard en betekenis als ondersteunend aan de gedragingen van degene(n) die zich bezig hielden met de invoer van cocaïne in Nederland en wijst er in dit verband voorts op dat de bestanddelen van de delictsomschrijving zijn ontleend aan artikel 48 van het Wetboek van Strafrecht en aldus reeds het karakter van strafbare ondersteuning aan het handelen van de verdachte tot uitdrukking brengen.

De vraag is vervolgens of voor de verdachte heeft te gelden dat dit gezamenlijk voorbereidend handelen gericht is geweest op de invoer van cocaïne. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.

Weliswaar is het woord ‘cocaïne’ in geen van de opgenomen tap- en OVC-gesprekken door verdachte of anderen expliciet gebezigd, maar door verdachte is geen uitleg gegeven of een alternatieve verklaring geboden voor de inhoud van voornoemde gesprekken en ontmoetingen met [hoofdverdachte] en de andere onbekend gebleven mannen. Verdachte heeft immers gedurende het vooronderzoek een beroep gedaan op zijn zwijgrecht en is niet ter terechtzitting bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak verschenen. Niet valt te bedenken waarover de gesprekken anders zouden kunnen gaan dan over verdovende middelen. Gelet op het voorgaande moet verdachte er zich wel bewust van zijn geweest dat hij samen met anderen bezig was met het voorbereiden van de invoer van verdovende middelen in Nederland, zodat naar het oordeel van de rechtbank minst genomen sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.

Op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich in de periode van 11 juni 2012 tot en met 18 juni 2012 tezamen met [hoofdverdachte] en andere, onbekend gebleven personen, schuldig heeft gemaakt aan - kort gezegd - voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne in Nederland via de luchthaven Schiphol. Hierbij heeft de rechtbank, zoals hiervoor overwogen, betrokken dat verdachte noch andere, in dit zaaksdossier betrokken verdachten een aannemelijke verklaring hebben afgelegd over de inhoud van de hiervoor weergegeven tap- en OVC-gesprekken en geobserveerde ontmoetingen, welke inhoud redengevend is voor het bewijs van het ten laste gelegde, zodat daarmee die redengevendheid niet is ontzenuwd.

4.5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair (zaaksdossier B08):

hij in de periode van 11 juni 2012 tot en met 18 juni 2012 te Amsterdam en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededaders, tezamen en in vereniging met anderen,

- met elkaar en met (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(s) en/of afnemers (telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en/of

- afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of meermalen ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd en/of

- ( telefonisch) informatie verstrekt en/of instructies gegeven en/of informatie en/of instructies ontvangen ten behoeve van de invoer en/of van de overdracht van hoeveelheden verdovende middelen en/of

- beveiligd gebied op de luchthaven betreden teneinde de koffer/(reis)tas te onderkennen en op beveiligd gebied op de luchthaven gezocht naar een hoeveelheid verdovende middelen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

subsidiair

medeplegen van voorbereidingshandelingen om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen door zich en/of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

7.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) jaren, zulks met aftrek van voorarrest.

7.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte zich ongeveer één week, te weten van 11 juni 2012 tot en met 18 juni 2012, schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de invoer van een hoeveelheid cocaïne. De rol van verdachte die uit het dossier naar voren is gekomen, is dat hij als tussenpersoon tussen enerzijds de organisatie van het cocaïnetransport en anderzijds de bagagemedewerker(s) werkzaam op de luchthaven Schiphol fungeerde en aldus zorg droeg voor het regelen van afspraken en het doorgeven van informatie over die afspraken. Tevens was verdachte betrokken bij de evaluatie met [hoofdverdachte] over het mislukken van het cocaïnetransport. Aldus is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier is gebleken dat verdachte een ondersteunende rol heeft vervuld bij het bewezen verklaarde feit.

Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. Voorbereidingshandelingen zijn noodzakelijk om de daadwerkelijke invoer te doen plaatsvinden en vormen derhalve een bijdrage aan de verspreiding en het gebruik van cocaïne. De uiteindelijk ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Hierdoor wordt niet alleen de volksgezondheid ernstig bedreigd, maar de ervaring leert ook dat dit dikwijls gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit, variërend van lichte verwervingscriminaliteit tot zware criminaliteit, zoals geweldsmisdrijven en misdrijven die een bedreiging inhouden voor de integriteit van het financiële en economische verkeer.

De hoge wettelijke strafmaxima verbonden aan de opzettelijke invoer van cocaïne vormen derhalve een uitvloeisel van het streven van de wetgever om de Nederlandse samenleving hiervan te vrijwaren en ter voorkoming van het ontstaan van een grootschalige binnenlandse markt. In dit licht kan tevens worden begrepen dat ook handelingen gericht op voorbereiding of bevordering van de invoer van cocaïne met aanzienlijke straffen worden bedreigd.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een gevangenisstraf als passende sanctie in aanmerking.

Bij het bepalen van de strafmaat zal de rechtbank met name rekening houden met de rol van verdachte en de duur en intensiteit van zijn betrokkenheid bij het bewezen verklaarde feit. Anders dan bij drugskoeriers - waarbij de getransporteerde hoeveelheid volgens een relatief gedetailleerde systematiek een bepalende maatstaf vormt – draagt de omvang van de feitelijk binnengebrachte hoeveelheid cocaïne in de strafmaat slechts bij in samenhang met voornoemde factoren. Voor de toe te passen strafmaat voor misdrijven als de onderhavige volgt geen algemene regel noch enige cijfermatige motivering te geven.

Nu de rechtbank verdachte vrijspreekt van het primair ten laste gelegde feit is de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de strafmaat en in aanmerking genomen de beperkte en ondersteunende rol van de verdachte in dit zaaksdossier, van oordeel dat aan verdachte een lagere straf dient te worden opgelegd dan door de officier van justitie mede aan de hand van de oriëntatiepunten van het indertijd zo zogeheten Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) is geëist.

De rechtbank constateert dat uit het Uittreksel Justitiële documentatie blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld in verband met de Opiumwet. Nu dit oudere feiten betreft (uit 1994, 1996 en 2001) zal de rechtbank dit niet ten nadele van verdachte in de op te leggen straf meewegen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

47 van het Wetboek van Strafrecht.

2, 10 en 10a en van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.5. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het onder 4.5. bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZES (6) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Ph. Burgers, voorzitter,

mr. L. Boonstra en mr. S.C.A. van Kuijeren, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Valk en mr. S.V. Ramdharie, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 14 november 2013.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van vaststelling identiteit van [verdachte] d.d. 11 juli 2012, C15, pagina 0001-0032.

3 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 6 november 2012, C15, pagina 0052-0055.

4 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] (IVS) d.d. 6 november 2012, C15, pagina 0043-0044.

5 Het proces-verbaal vaststelling identiteit [hoofdverdachte] d.d.16 februari 2012, met bijlagen, C1, pagina 0001-0005 en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 april 2012, C1, pagina 0014-0033.

6 Het proces-verbaal vaststelling identiteit van [hoofdverdachte] d.d. 16 februari 2012, met bijlage, C1, pagina 0002 en 0006.

7 Een schriftelijk bescheid, inhoudende de weergave van het tapgesprek van 11 juni 2012, pagina 22.

8 Een schriftelijk bescheid, inhoudende de weergave van het tapgesprek van 17 juni 2012, pagina 25.

9 Een schriftelijk bescheid, inhoudende de weergave van het tapgesprek van 17 juni 2012, pagina 26.

10 Een schriftelijk bescheid, inhoudende de weergave van het tapgesprek van 18 juni 2012, pagina 27.

11 Een schriftelijk bescheid, inhoudende de weergave van het tapgesprek van 18 juni 2012, pagina 28.

12 Een schriftelijk bescheid, inhoudende de weergave van het tapgesprek van 18 juni 2012, pagina 29.

13 Een drietal schriftelijke bescheiden, inhoudende de weergave van de drie tapgesprekken van 18 juni 2012, pagina 30-32.

14 Een schriftelijk bescheid, inhoudende de weergave van het sms-bericht van 18 juni 2012, pagina 33.

15 Een schriftelijk bescheid, inhoudende de weergave van het tapgesprek van 18 juni 2012, pagina 34.

16 Een schriftelijk bescheid, inhoudende de weergave van het tapgesprek van 18 juni 2012, pagina 35.

17 Een schriftelijk bescheid, inhoudende de weergave van het tapgesprek van 18 juni 2012, pagina 36.

18 Een schriftelijk bescheid, inhoudende de weergave van het OVC-gesprek van 18 juni 2012, pagina 39-41.

19 Het proces-verbaal van observeren maandag 18 juni 2012, pagina 50-53 en het proces-verbaal van vaststelling identiteit van [verdachte] d.d. 11 juli 2012, C15, pagina 0001-0032.

20 Een schriftelijk bescheid, inhoudende de weergave van het OVC-gesprek van 18 juni 2012, pagina 43-48.