Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:10937

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-11-2013
Datum publicatie
22-11-2013
Zaaknummer
AWB-13_5
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om tegemoetkoming in planschade op basis van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening terecht afgewezen, omdat de tegemoetkoming voldoende anderszins is verzekerd. Beroep op het vertrouwensbeginsel. Dispositievereiste.

Hoewel eisers aan het telefoongesprek van 30 augustus 2011 naar het oordeel van de rechtbank zekere verwachtingen konden ontlenen ten aanzien van de door hen aangevraagde tegemoetkoming, is ter zitting komen vast te staan dat eisers op grond van het door hen gestelde vertrouwen in de periode tussen 30 augustus 2011 en 9 september 2011 niet iets hebben gedaan of nagelaten wat zij niet zouden hebben gedaan of nagelaten, indien dat vertrouwen niet zou hebben bestaan. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 februari 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF5001 slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel daarom niet.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: ALK 13/5

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 november 2013 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2], te [woonplaats], eisers

(gemachtigde: mr. J.C. Dekker),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, verweerder

(gemachtigde: G.R.M. Koopman).

Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers om een tegemoetkoming in planschade op basis van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) afgewezen.

Bij besluit van 15 november 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2013. [eiser 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eisers zijn sinds 28 november 1986 eigenaren van de onroerende zaak, kadastraal bekend als gemeente Hoorn, sectie I, nummer 8669, plaatselijk bekend als [adres] (hierna: het pand).

Op 30 december 1998 hebben eisers een perceel fruittuin en cultuurland gelegen achter het pand verkocht aan [naam] Commanditaire Vennootschap (C.V.) voor ƒ140.000,00.

Op 15 augustus 2010 hebben eisers een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade bij verweerder ingediend. De aanvraag ziet op schade die eisers stellen te hebben geleden door het rechtskracht verkrijgen van het bestemmingsplan “Bangert en Oosterpolder, uitwerking fase 4”.

Verweerder heeft de aanvraag behandeld met toepassing van de Procedureverordening Planschadevergoeding en een adviseur opdracht verstrekt om over het schadeverzoek advies uit te brengen. De Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) heeft als adviseur gediend voor verweerder. De SAOZ heeft in een advies van augustus 2011 geadviseerd om de aanvraag toe te wijzen en aan eisers een tegemoetkoming toe te kennen tot een bedrag van € 12.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente.

Op 30 augustus 2011 heeft verweerder besloten het advies van de SAOZ over te nemen, aan eisers het voornoemde bedrag toe te kennen en eisers hiervan in kennis te stellen. De “Akkoordlijst College” waarin de beslissing van 30 augustus 2011 (hierna: het collegebesluit) staat verwoord is op de website van verweerder gepubliceerd. Aan eisers is geen brief gestuurd waarin zij in kennis zijn gesteld van het collegebesluit.

Bij e-mailbericht van 7 september 2011 heeft verweerder aan de SAOZ meegedeeld dat eisers gronden hebben verkocht in het kader van de ontwikkeling van de woonwijk “Bangert en Oosterpolder” en de SAOZ verzocht het eerder uitgebrachte advies nogmaals te beoordelen met inachtneming van deze informatie.

De SAOZ heeft in mei 2012 een aangepast advies uitgebracht en verweerder daarin geadviseerd de aanvraag van eisers af te wijzen.

Op 4 juni 2012 heeft verweerder besloten het collegebesluit in te trekken.

Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit genomen.

2.

Niet in geschil is dat eisers door het rechtskracht verkrijgen van het bestemmingsplan “Bangert en Oosterpolder, uitwerking fase 4”, vergeleken met het voorheen geldende planologische regime, in een planologisch nadeliger positie zijn komen te verkeren, ten gevolge waarvan zij schade lijden. Evenmin is in geschil dat die schade
€ 12.000,00 bedraagt.

3.1

Eisers betogen allereerst dat verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op hun grond van bezwaar dat het primaire besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel.

3.2

Op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vindt op grondslag van het bezwaar een heroverweging van het primaire besluit plaats.

De rechtbank stelt vast dat eisers in hun bezwaarschrift van 25 juli 2012 hebben betoogd dat het primaire besluit in strijd met het vertrouwensbeginsel is genomen. Voorts staat vast, naar verweerder ter zitting ook heeft erkend, dat verweerder in het bestreden besluit niet op deze bezwaargrond van eisers is ingegaan.

Nu verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op deze bezwaargrond heeft er geen volledige heroverweging plaatsgevonden. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb genomen. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd.

4.

De rechtbank zal in het hierna volgende beoordelen of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.

5.1

Eisers betogen dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel. Volgens eisers is het collegebesluit op 30 augustus 2011 telefonisch aan hun gemachtigde kenbaar gemaakt en is ook aan hun gemachtigde gevraagd of hij zijn zakelijke bankrekeningnummer wilde opgeven teneinde het bedrag van € 12.000,00 te kunnen overmaken. Gerechtvaardigde verwachtingen moeten volgens eisers worden gehonoreerd en de gedane toezeggingen hadden dienen te worden nagekomen. Slechts in uitzonderingssituaties mag van dat beginsel van behoorlijk bestuur worden afgeweken, namelijk indien het vertrouwen van burgers moet wijken voor hogere algemene belangen. Van zo een hoger algemeen belang is in de voorliggende situatie geen sprake. Verweerder was al sinds 1998 op de hoogte van de grondtransactie en niet pas nadat het collegebesluit was genomen. Verweerder verkeerde evenmin in een overmachtsituatie. Daarnaast heeft verweerder tussen 15 augustus 2010 en het collegebesluit diverse keren de gelegenheid gehad om de door eisers ingediende aanvraag te toetsen aan wettelijke voorschriften.

5.2

Verweerder betoogt in het verweerschrift dat hij, met inachtneming van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot het intrekken van het collegebesluit. Verweerder neemt hierbij onder meer in aanmerking dat de fout die hij heeft geconstateerd spoedig na het collegebesluit telefonisch aan de gemachtigde van eisers is meegedeeld alsmede dat eisers geen schade hebben geleden ten gevolge van het collegebesluit.

5.3

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) – zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW3895 – is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.

Volgens eveneens vaste rechtspraak van de Afdeling – zie bijvoorbeeld de uitspraak van
26 februari 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF5001 – kan een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts slagen indien een betrokkene op grond van het door hem gestelde vertrouwen iets heeft gedaan of nagelaten, wat hij niet zou hebben gedaan of nagelaten, indien dat vertrouwen niet zou hebben bestaan.

5.4

Niet in geschil is dat op 30 augustus 2011 een telefoongesprek heeft plaatsgevonden tussen een medewerker van verweerder en onder meer de gemachtigde van eisers. Evenmin is in geschil dat dat gesprek de strekking heeft gehad als door eisers is gesteld en is weergegeven onder 5.1. Daarnaast is niet in geschil dat een medewerker van verweerder op

9 september 2011 telefonisch aan de gemachtigde van eisers heeft meegedeeld dat het collegebesluit van 30 augustus 2011 niet op de juiste feiten was gebaseerd.

5.5

Hoewel eisers aan het telefoongesprek van 30 augustus 2011 naar het oordeel van de rechtbank zekere verwachtingen konden ontlenen ten aanzien van de door hen aangevraagde tegemoetkoming, is ter zitting komen vast te staan dat eisers op grond van het door hen gestelde vertrouwen in de periode tussen 30 augustus 2011 en 9 september 2011 niet iets hebben gedaan of nagelaten wat zij niet zouden hebben gedaan of nagelaten, indien dat vertrouwen niet zou hebben bestaan. Gelet op de hiervoor aangehaalde rechtspraak van de Afdeling slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel daarom niet.

6.1

In geschil is verder of de door de bestemmingsplanwijziging ontstane planschade redelijkerwijs voor rekening van eisers dient te blijven.

6.2

Eisers stellen dat zij door de verkoop van de grond in 1998 niet actief het risico hebben aanvaard op woningbouwontwikkeling en infrastructuur. [eiser 1] was en is werkzaam bij verweerder. [eiser 1] kreeg ten tijde van de onderhandelingen inzake de verkoop van de grond last van psychosomatische verschijnselen. Verweerder heeft gebruik gemaakt van zijn dominante economische en psychologische positie. Verweerder, maar ook de betreffende notaris, hadden eisers erop moeten wijzen dat door de grondtransactie geen recht meer zou bestaan op vergoeding van eventuele planschade. Zij hebben dit echter nagelaten. Daarnaast hadden eisers geen enkel idee omtrent de stedenbouwkundige inrichting van het gebied achter hun woning. Dit werd pas duidelijk toen het bestemmingsplan “Bangert en Oosterpolder, uitwerking fase 4” van kracht werd. Verder hadden eisers, gelet op de summiere omschrijving in de overeenkomst van 30 december 1998, niet kunnen voorzien dat de grond links van hun woning de bestemming “Groen” zou krijgen in het bestemmingsplan en daardoor een verkeersweg zou kunnen worden gerealiseerd.

6.3

Verweerder betoogt in het bestreden besluit dat op de dag dat eisers de onroerende zaak kochten, 28 november 1986, de planologische mutatie op basis van de toentertijd van overheidswege openbaar bekend gemaakte ruimtelijke beleidsvoornemens niet was te voorzien. Op 30 december 1998 heeft [eiser 1] echter grond verkocht aan [naam] C.V. In de akte van levering die ten behoeve van die verkoop is opgesteld is duidelijk aangegeven dat de gronden worden aangekocht ten behoeve van woningbouw en/of infrastructuur. Verweerder is van mening dat [eiser 1] door de verkoop van de gronden actief het risico heeft aanvaard op woningbouwontwikkeling.

6.4

Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kent het college van burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 6.3 van de Wro betrekken burgemeester en wethouders met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade bij hun beslissing op de aanvraag in ieder geval:

a. de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak;

b. de mogelijkheden van de aanvrager om de schade te voorkomen of te beperken.

6.5

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling – zie bijvoorbeeld de uitspraak van
19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6653 ‒ moet de vraag of sprake is van voorzienbaarheid worden beoordeeld aan de hand van het antwoord op de vraag of ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft.

6.6

De rechtbank stelt vast, naar verweerder ter zitting ook heeft erkend, dat er voor eisers ten tijde van de aankoop van hun woning met grond in 1986 geen aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatste in ongunstige zin zou veranderen. Voor het standpunt van verweerder dat ook sprake kan zijn van voorzienbaarheid van een schadeoorzaak vanwege een omstandigheid die zich na aankoop van een onroerende zaak heeft voorgedaan, zijn geen aanknopingspunten te vinden in de wet(sgeschiedenis) en de rechtspraak. Niet geconcludeerd kan dan ook worden dat de ontstane planschade gezien de grondverkoop in 1998 redelijkerwijs voor rekening van eisers dient te blijven. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb ondeugdelijk gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.

7.1

Partijen houdt voorts verdeeld het antwoord op de vraag of de tegemoetkoming voldoende anderszins is verzekerd als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, van de Wro.

7.2

Eisers erkennen dat de prijs die in 1998 voor de grond is betaald hoger is dan de prijs die toentertijd voor agrarische gronden werd betaald. De grond die eisers hebben verkocht maakte echter deel uit van een siertuin behorende bij een woonhuis, geen bedrijfswoning zijnde, aldus eisers. Er zou dan ook geen sprake zijn geweest van agrarisch gebruik maar van een siertuin. De grondprijs van dergelijke percelen ligt volgens deskundigen beduidend hoger dan de prijs die [naam] C.V. in 1998 heeft betaald. [eiser 1] is en was ook overigens geen agrariër. Van inschrijving bij de Kamer van Koophandel is geen sprake geweest en het perceel van eisers is ook nooit opgenomen geweest in de zogenoemde landbouwtellingen.

7.3

Verweerder betoogt dat [eiser 1] grond heeft verkocht ten behoeve van woningbouwontwikkeling. De prijs die voor deze grond is betaald is beduidend hoger dan de prijs die voor agrarische gronden werd betaald. Door de ontvangen meerwaarde is de planschade volgens verweerder voldoende gecompenseerd.

In het verweerschrift stelt verweerder dat [eiser 1] omgerekend € 15,18 per m2 voor de verkoop van de grond heeft ontvangen. Het betrof grond met de bestemming “Agrarische doeleinden II”. Een gebruik als siertuin verandert niets aan die bestemming. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat [eiser 1] zelf geen agrariër was. In de omgeving van het perceel zijn voor agrarische gronden waar geen woningbouwontwikkeling was beoogd prijzen gerealiseerd van € 3,00 tot € 7,00 per m2. Uitgaande van € 7,00 per m2 is voor eisers grond dus ruim € 35.000,00 meer betaald dan de agrarische waarde. Dit compenseert de geleden planschade van € 12.000,00 voldoende. Verweerder is van mening dat hij [eiser 1] er niet expliciet op heeft hoeven te wijzen dat er door de verkoop van de grond in 1998 geen recht meer zou bestaan op eventuele planschade. Niet is vereist dat zulks in een leveringsakte wordt opgenomen. Verweerder verwijst in dit verband naar uitspraken van de Afdeling van 15 maart 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV5061 en 3 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU0430. De leveringsakte refereert ook overigens aan woningbouwontwikkeling. Daarnaast bestrijdt verweerder dat hij gebruikt heeft gemaakt van zijn economische en psychologische positie als werkgever van [eiser 1]. Verweerder heeft in dit verband ook geen signalen van [eiser 1] ontvangen.

7.4

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling – zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 mei 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD2119 ‒ moet bij de beantwoording van de vraag of de schade anderszins is verzekerd rekening worden gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden.

7.5

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat voor het antwoord op de vraag of voor de in 1998 verkochte grond een hogere prijs dan gebruikelijk is betaald de bestemming van die grond bepalend is en niet het feitelijke gebruik ervan als siertuin.

Niet in geschil is dat op de verkochte grond de bestemming “Agrarische doeleinden II” rustte en dat, uitgaande van die bestemming voor de grond in 1998, een hogere prijs is betaald dan toen gebruikelijk was.

De rechtbank stelt voorts vast dat uit de in 1998 gesloten koopovereenkomst onder meer blijkt dat de grond ten behoeve van werkzaamheden in het kader van infrastructuur en/of voor het bouwrijp maken ten behoeve van woningbouw en/of andere bouwwerken is aangekocht. Weliswaar blijkt uit de koopovereenkomst niet dat de overeengekomen grondprijs mede strekt ter vergoeding van planschade, maar daaraan komt in dit geval geen beslissende betekenis toe, nu het tegendeel daaruit evenmin blijkt.

Dat eisers stellen dat [eiser 1] de koopovereenkomst onder dwang is aangegaan, kan aan het bestaan van de koopovereenkomst in deze procedure niet afdoen. Verweerder betwist overigens ook dat [eiser 1] de koopovereenkomst onder dwang is aangegaan.

Onder voornoemde omstandigheden moet worden geoordeeld dat de schade, door eisers geleden in de vorm van waardevermindering, door de grondtransactie is ondervangen.

Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat de tegemoetkoming voldoende anderszins is verzekerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

8.

De rechtbank is, gelet op het onder 5.1 tot en met 5.5 en het onder 7.1 tot en met 7.5 overwogene, van oordeel dat verweerder het verzoek van eisers om een tegemoetkoming in planschade terecht heeft afgewezen. Dit betekent dat er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. Het onder 6.1 tot en met 6.6 overwogene maakt dit niet anders.

9.

Voor zover eisers hebben bedoeld te stellen dat verweerder niet tijdig op hun aanvraag heeft beslist, overweegt de rechtbank nog dat eisers beroep hadden kunnen instellen wegens het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag. Zij hebben deze mogelijkheid evenwel onbenut gelaten.

10.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 156,00 vergoedt.

11.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156,00 aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Auwerda, voorzitter, mr. M. Kraefft en
mr. P.H. Lauryssen, leden, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 november 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.