Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:10934

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-11-2013
Datum publicatie
22-11-2013
Zaaknummer
AWB-12_2176
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak. Vervolg op tussenuitspraak ECLI:NL:RBNHO:2013:5679. Omgevingsvergunning voor het plaatsen van zes lichtmasten met een hoogte van circa 15 meter rondom een voetbalveld.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder er met zijn nadere motivering niet in is geslaagd het in de tussenuitspraak genoemde gebrek te herstellen. De rechtbank overweegt daartoe dat verweerder zijn stelling dat lichtmasten met een hoogte van meer dan 10 meter noodzakelijk zijn voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond, ondanks dat hij daar in de tussenuitspraak nadrukkelijk toe in de gelegenheid is gesteld en op is gewezen, niet aan de hand van stukken en/of objectieve gegevens heeft onderbouwd. Verweerders eigen - niet van een deskundige afkomstige of kenbaar door een deskundige onderschreven - stelling dat lichtmasten van 15 meter hoog noodzakelijk zijn, is niet afdoende. Voor zover verweerder wijst op de “Algemene richtlijn betreffende lichthinder” van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde heeft de rechtbank de onderbouwing van verweerders stelling daarin niet gevonden. Aldus heeft verweerder nog steeds niet aannemelijk gemaakt dat lichtmasten met een hoogte van 15 meter noodzakelijk zijn voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond. Het voorgaande betekent dat niet kan worden geconcludeerd dat verweerder voor het onderhavige project bevoegd was om gebruik te maken van de binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2013-0322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/2176

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 november 2013 in de zaak tussen

[eiser 1], [eiser 2], [eiser 3] en [eiser 4], te [woonplaats], eisers (gemachtigde: mr. X. Visscher),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerhugowaard, verweerder (gemachtigde: T.H.M. Slats).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], te [vestigingsplaats].

Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2011 heeft verweerder aan de gemeente Heerhugowaard een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en gebruiken verleend voor het plaatsen van zes lichtmasten op het C-veld op de locatie [perceel].

Bij besluit van 19 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2013. Van eisers zijn verschenen [eiser 1] en [eiser 2], bijgestaan door hun gemachtigde en [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 1] en[naam 2]. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3].

Verweerder heeft op 20 juni 2013 vooruitlopend op de tussenuitspraak van de rechtbank een nader verweerschrift ingediend.

Bij tussenuitspraak van 20 juni 2013 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, twee gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft op 16 juli 2013 in reactie op de tussenuitspraak een nader verweerschrift ingediend.

Eisers hebben hierop een schriftelijke zienswijze gegeven.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank onder 4.3 overwogen dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat lichtmasten met een hoogte van 15 meter noodzakelijk zijn voor het op de ter plaatse geldende bestemming “Sportterrein” gerichte gebruik van de grond.

Verweerder is in de tussenuitspraak onder 4.6 in de gelegenheid gesteld zijn stelling dat lichtmasten met een hoogte van meer dan 10 meter noodzakelijk zijn voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond nader uit te werken en aan de hand van objectieve gegevens te onderbouwen.

2.

In het nadere verweerschrift van 20 juni 2013 stelt verweerder dat, indien er lichtmasten met een hoogte van 10 meter rondom het C-veld zouden worden geplaatst, er meer lichtmasten nodig zijn om dat veld te kunnen verlichten dan wanneer er lichtmasten met een hoogte van 15 meter om het veld zouden worden geplaatst. Dit zal leiden tot meer licht op de gevels van de omliggende woningen, omdat de lampen bij lichtmasten met een hoogte van 10 meter horizontaler schijnen. Hierdoor ontstaat meer overlast voor omwonenden. Met lichtmasten met een hoogte van 10 meter kan volgens verweerder niet worden voldaan aan de grenswaarden voor de lichtemissie van een verlichtingsinstallatie voor sportaccommodaties ter voorkoming van lichthinder voor omwonenden als opgenomen in de “Algemene richtlijn betreffende lichthinder” van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV).

Indien lichtmasten met een hoogte van 15 meter worden geplaatst, zijn minder lichtmasten nodig en kan, vanwege de hoogte, de armatuur voor de verlichting voorts op het veld zelf worden gericht. Door het gebruik van LED-verlichting kan de verlichting bij lichtmasten met een hoogte van 15 meter bovendien zo worden ingeregeld dat aan de richtlijnen van de NSVV wordt voldaan.

Verweerder concludeert al met al dat het noodzakelijk is masten met een hoogte van 15 meter te gebruiken om aan de normen te kunnen voldoen.

3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder er met de onder 2 weergegeven nadere motivering niet in is geslaagd het in de tussenuitspraak onder 4.3 genoemde gebrek te herstellen. De rechtbank overweegt daartoe dat verweerder zijn stelling dat lichtmasten met een hoogte van meer dan 10 meter noodzakelijk zijn voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond, ondanks dat hij daar in de tussenuitspraak onder 4.6 nadrukkelijk toe in de gelegenheid is gesteld en op is gewezen, niet aan de hand van stukken en/of objectieve gegevens heeft onderbouwd. Verweerders eigen - niet van een deskundige afkomstige of kenbaar door een deskundige onderschreven - stelling dat lichtmasten van 15 meter hoog noodzakelijk zijn, is niet afdoende. Voor zover verweerder wijst op de “Algemene richtlijn betreffende lichthinder” van de NSVV (gedingstuk A-38) heeft de rechtbank de onderbouwing van verweerders stelling daarin niet gevonden. Aldus heeft verweerder nog steeds niet aannemelijk gemaakt dat lichtmasten met een hoogte van 15 meter noodzakelijk zijn voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.

4.

Het voorgaande betekent dat niet kan worden geconcludeerd dat verweerder bevoegd was om met toepassing van artikel 13, vijfde lid, onder 5.1, van de planvoorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “’t Kruis 1980” vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 13, tweede lid, aanhef en onder 2.5, van de planvoorschriften voor de bouw van verlichtingsinstallaties tot een hoogte van maximaal 16 meter en daarmee voor het onderhavige project.

5.

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Nu verweerder in zijn nadere verweer in ieder geval het gebrek als bedoeld onder 4.3 van de tussenuitspraak niet heeft hersteld, ziet de rechtbank geen aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank ziet evenmin aanleiding zelf in de zaak te voorzien, omdat dat in deze zaak te veel zou ingrijpen in de bestuurlijke vrijheid die verweerder hier heeft.

Verweerder zal gelet hierop een nieuw besluit op het bezwaar van eisers dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak.

6.

Aan een beoordeling van de vraag of verweerder erin is geslaagd het onder 5.5 van de tussenuitspraak geconstateerde gebrek te herstellen, komt de rechtbank gelet op het voorgaande niet toe.

7.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 156,00 vergoedt.

8.

De rechtbank veroordeelt verweerder voorts in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.180,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van de schriftelijke zienswijze na de bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 472,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156,00 aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.180,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzitter, mr. M. Kraefft en mr. drs. M.M. Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 november 2013.

griffier voorzitter

Afschriften verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.