Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:10927

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-11-2013
Datum publicatie
14-11-2013
Zaaknummer
C/15/ 207013 / HA RK 13/90
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking kantonrechter; Gedeeltelijk niet ontvankelijk, omdat niet is voldaan aan artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat voorschrijft dat het verzoek moet worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden die grond zouden kunnen zijn voor een wraking aan verzoeker bekend zijn geworden; Verzoek voor het overige afgewezen. Uit het enkele gegeven dat verzoeker is geconfronteerd met een rechter die eerder een voor hem ongunstige beslissing heeft genomen, kan niet reeds op voorhand een vooringenomenheid worden afgeleid bij de betreffende rechter in een andere procedure waarvan de behandeling (ter zitting) nog moet plaatsvinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: C/15/ 207013 / HA RK 13/90

Beslissing van 8 november 2013

Op het verzoek tot wraking ingediend door:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker.

1 Procesverloop

1.1

Ter terechtzitting van 3 september 2013 heeft verzoeker de wraking verzocht van
mr. L.M. de Vries, hierna te noemen: de kantonrechter, in de bij deze rechtbank, afdeling privaatrecht, sectie kanton, locatie Zaandam aanhangige zaak met als zaaknummer 2201185 WM VERZ 13-1611, hierna te noemen: de hoofdzaak.

1.2

De kantonrechter heeft niet in de wraking berust en schriftelijk op het verzoek gereageerd.

1.3

Verzoeker heeft gebruikt gemaakt van de mogelijkheid om te worden gehoord op de openbare zitting van de wrakingskamer van 28 oktober 2013.

2 Het standpunt van verzoeker

2.1

Verzoeker stelt ter onderbouwing van het verzoek dat de hoofdzaak betrekking heeft op één van de vijf sancties die hem als kentekenhouder van een motorvoertuig in het kader van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) zijn opgelegd ter zake van dezelfde gedraging gekoppeld aan telkens hetzelfde kenteken. Aangezien de kantonrechter in één van de eerder behandelde zaken reeds een voor verzoeker negatieve beslissing heeft genomen, acht verzoeker het niet gepast dat diezelfde kantonrechter tevens oordeelt over één van de twee zaken die nog aanhangig zijn. Volgens verzoeker kan de kantonrechter in thans aanhangige procedure niet tot een andere beslissing komen dan in de eerdere zaak. Aldus verzoeker is de kantonrechter in de hoofdzaak derhalve niet onafhankelijk.

3 Standpunt van de kantonrechter

3.1

De kantonrechter heeft zich niet neergelegd bij het verzoek tot wraking. De kantonrechter heeft ter toelichting aangevoerd dat de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW) periodiek via haar geautomatiseerde systemen controleert of kentekenhouders voor de op hun naam staande motorvoertuigen hebben voldaan aan de verplichting tot het afsluiten van een aansprakelijkheidsverzekering. Telkens wanneer uit zo’n controle blijkt dat geen verzekering is afgesloten, wordt een sanctie opgelegd, waartegen beroep kan worden ingesteld bij de officier van justitie. Tegen de beslissing van de officier van justitie kan vervolgens beroep worden ingesteld bij de kantonrechter. Tengevolge hiervan kunnen meerdere beroepszaken bij de sectie kanton aanhangig zijn, die op verschillende momenten door dezelfde of een andere kantonrechter behandeld worden.

4 De beoordeling

4.1

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid. Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend.

4.2

Verzoeker heeft ter zitting van de wrakingskamer aangevoerd dat de wijze waarop hij op de zitting (met betrekking tot de eerste boete) door de kantonrechter is bejegend mede grond voor wraking oplevert. Ten aanzien van deze grondslag voldoet het verzoek niet aan artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat voorschrijft dat het verzoek moet worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden die grond zouden kunnen zijn voor een wraking aan verzoeker bekend zijn geworden. Verzoeker had hiervan op de zitting bij de kantonrechter mededeling moeten doen. Met betrekking tot deze grond is verzoeker daarom niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

4.3

Uit het proces‑verbaal van de zitting van 3 september 2013 blijkt dat verzoeker de kantonrechter meteen bij aanvang van het onderzoek ter terechtzitting heeft gewraakt omdat zij zijn beroep in een gelijksoortige zaak ongegrond heeft verklaard. De wrakingskamer is van oordeel dat deze grond het verzoek niet kan dragen. Het is niet ongebruikelijk dat een eerder in het ongelijk gestelde partij wordt geconfronteerd met dezelfde rechter die een soortgelijke zaak ter beoordeling krijgt voorgelegd, waarbij als uitgangspunt geldt dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling deze zaak onpartijdig dient te beoordelen. De rechter dient elke zaak op zijn merites te beoordelen. Uit het enkele gegeven dat verzoeker is geconfronteerd met een rechter die eerder een voor hem ongunstige beslissing heeft genomen, kan niet reeds op voorhand een vooringenomenheid worden afgeleid bij de betreffende rechter in een andere procedure waarvan de behandeling (ter zitting) nog moet plaatsvinden

4.4

De conclusie is dat de feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van het verzoek naar voren heeft gebracht geen grond opleveren voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en vormen derhalve geen grond voor wraking.

5 Beslissing

De rechtbank

5.1

verklaart verzoeker gedeeltelijk niet-ontvankelijk;

5.2

wijst het verzoek tot wraking van de kantonrechter voor het overige af;

5.3

beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de kantonrechter en de officier van justitie een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,

5.4

beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.J. van Andel, voorzitter, mr. A.C. Terwiel en mr. J.J. Dijk, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van A.L. Zandvliet, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2013.

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.