Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:10925

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
14-11-2013
Zaaknummer
C/15/206856/HA RK 13-88
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking kantonrechter afgewezen; Verzoek tot wraking van de wrakingskamer niet in behandeling genomen; Bepaling dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet in behandeling wordt genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer

zaaknummer: C/15/206856/HA RK 13-88

datum beslissing: 8 oktober 2013

Op verzoek van:

[verzoeker]

wonende te [woonplaats]

verzoeker,

Het verzoek is gericht tegen:

mr. E.P. Stolp,

hierna te noemen: de kantonrechter

1 Procesverloop

1.1

Bij schriftelijk verzoek van 6 september 2013 heeft verzoeker de wraking verzocht van de kantonrechter, in de bij deze rechtbank, afdeling privaatrecht, sectie kanton, locatie Haarlem, aanhangige zaak met zaaknummer 591772/CV EXPL 13-1979, hierna te noemen de hoofdzaak.

1.2

Bij e-mail van 9 september 2013 heeft verzoeker een aantal vragen aan de wrakingskamer voorgelegd.

1.3

De kantonrechter heeft niet in de wraking berust en heeft op 11 september 2013 schriftelijk op het verzoek gereageerd.

1.4

Op 30 september 2013 heeft de wrakingskamer op de vragen in de brief van verzoeker van 9 september 2013 geantwoord.

1.4

Bij e-mail van 1 oktober 2013 heeft verzoeker de oproeping van getuigen verzocht. Bij e-mail van 4 oktober 2013 heeft de griffier namens de wrakingskamer verzoeker bericht dat, indien de behandelend rechters na de zitting van oordeel zijn dat het noodzakelijk is getuigen te horen, dan zal worden aangegeven wanneer deze getuige(n) gehoord zullen worden.

1.5

Verzoeker, de wederpartij in de hoofdzaak en de rechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 7 oktober 2013. Verzoeker is in persoon verschenen, evenals de kantonrechter. De wederpartij heeft van de geboden gelegenheid, met bericht, geen gebruik gemaakt. Op de zitting van de wrakingskamer zijn behandeld het onder 1.1 bedoelde wrakingsverzoek en de nadien ingekomen stukken, waaronder de onder 1.2 bedoelde en de op 1 oktober 2013 ontvangen e-mails van verzoeker.

1.6

Verzoeker heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 7 oktober 2013 een verzoek tot wraking van de wrakingskamer ingediend. De wrakingskamer heeft ter zitting beslist dat het verzoek tot wraking van de leden van de wrakingskamer buiten behandeling wordt gelaten, onder verwijzing naar de beslissing van de wrakingskamer van 29 augustus 2013 (r.o. 3.2)

2 De feiten

2.1

Op 13 juni 2013 heeft verzoeker een incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van de Staat der Nederlanden ingediend in de hoofdzaak. Op 11 juli 2013 heeft de wederpartij in het incident geantwoord. Vonnis in het incident is bepaald op 8 augustus 2013.

2.2

Op 16 juli 2013 heeft verzoeker de wraking verzocht van de kantonrechter. Nadien heeft verzoeker ook de wrakingskamer gewraakt.

2.3

Bij vonnis van 29 augustus 2013 heeft de wrakingskamer van de Rechtbank Noord-Holland de door verzoeker verzochte wraking van de wrakingskamer buiten behandeling gelaten en die van de kantonrechter afgewezen.

2.4

Op 30 augustus 2013 heeft verzoeker in de hoofdzaak een verzoek tot het houden van pleidooi ex artikel 134 RV ingediend. Bij e-mail van 5 september 2013 heeft de griffier van de sectie kanton de ontvangst van het verzoek tot het houden van pleidooi aan verzoeker bevestigd.

2.5

Bij e-mail van 6 september 2013 heeft verzoeker aan de griffier verzocht hem mee te delen op welke datum op zijn verzoek zal worden beslist. Bij e-mail van dezelfde datum heeft de griffier aan verzoeker geantwoord dat de zaak op 12 september 2013 voor vonnis staat. Op 6 september 2013 heeft verzoeker aan de griffier het volgende geantwoord: “Is er dan al beslist op mijn verzoek tot het houden van pleidooi en wanneer dan?

2.6

Bij e-mail van 10 september 2013 heeft de griffier aan verzoeker het volgende meegedeeld: “Uit het dossier is mij gebleken dat op 12 september a.s. een rolbeschikking wordt gegeven, waarin pleidooi in het incident tot vrijwaring is bepaald op 16 oktober 2013.” Op 10 september 2013 heeft verzoeker onder meer het volgende geantwoord: “Weet niet wat ik hiermee aanmoet. Er is immers door mij een wrakingsverzoek ingediend waardoor de zaak geschorst is en de zaak juridisch niet verder behandeld mag worden. […] Ik acht de gang van zaken hoogst onzorgvuldig en onrechtmatig.

2.7

Bij e-mail van 11 september 2013 heeft de griffier namens de kantonrechter het volgende aan verzoeker meegedeeld: “Graag verneem ik vandaag voor 17:00 uur van u of u het nieuwe wrakingsverzoek intrekt. In dat geval zal de al aangekondigde rolbeschikking morgen naar u worden toegezonden. Indien u het wrakingsverzoek handhaaft zal de rolbeschikking op 12 september niet worden gegeven. De beslissing is aan u.

2.8

Bij e-mail van 11 september 2013 heeft verzoeker geantwoord het wrakingsverzoek te handhaven. Hij heeft daarbij opgemerkt dat de reden hiervoor is dat hij er niet van uit kan gaan dat hem een fair trial wordt geboden door de kantonrechter, nu deze zich niet aan de formele en materiële regels ingevolge Rv en/of artikel 6 EVRM houdt.

3 Het standpunt van verzoeker

3.1

Het verzoek tot wraking van de kantonrechter.

Verzoeker heeft aan zijn verzoek tot wraking van de kantonrechter ten grondslag gelegd, dat hij uit de mededeling van de griffier dat op 12 september 2013 vonnis zou worden gewezen, heeft mogen afleiden dat zijn verzoek tot het houden van een pleidooi zou worden afgewezen. Dit kan volgens verzoeker slechts betekenen dat de kantonrechter partijdig is, nu afwijzing van het verzoek in strijd is met artikel 6 EVRM en/of artikel 134 Rv. Daarmee heeft de kantonrechter blijk gegeven van racisme/discriminatie jegens verzoeker. Ook heeft de kantonrechter onzorgvuldig jegens verzoeker gehandeld door hem niet uit eigen initiatief over het uitspreken van het vonnis en de precieze reden voor het afwijzen van het verzoek tot pleidooi te informeren, aldus verzoeker.

Aanvullend legt verzoeker aan zijn verzoek ten grondslag dat hij twijfelt aan de onpartijdigheid en niet-neutraliteit van de kantonrechter, nu zij zich andermaal niet aan de wet heeft gehouden door, ondanks het wrakingsverzoek en de schorsende werking daarvan, door te gaan met de procedure.

Verzoeker gaat ervan uit dat hem, gelet op de houding van de kantonrechter, geen kans zal worden geboden op een fair trial.

3.2

Het verzoek tot wraking van de wrakingskamer

Verzoeker heeft aan zijn verzoek tot wraking van de leden van de wrakingskamer – kort samengevat - ten grondslag gelegd dat de weigering zijn zaak aan te kondigen/te publiceren in de Nederlandse en buitenlandse pers en een korte samenvatting van het wrakingsverzoek te plaatsen (verzoek 2 en 3 in de e-mail van 9 september 2013) in strijd is met artikel 6 EVRM en artikel 2.2 Persrichtlijn, dat het verbod om audio-visuele opnames te maken onlogisch is, gelet op de weigering de zaak in de Nederlandse/buitenlandse pers aan te kondigen (verzoek 4 in de e-mail van 9 september 20130) en dat aan verzoeker geen informatie is verstrekt door de leden van de wrakingskamer over mogelijke innige belangenverstrengeling met personen met een Amsterdams/zionistische achtergrond als genoemd in de e-mail van verzoeker van 9 september 2013 (verzoek 6 en 7 in de e-mail van 9 september 2013). Dit bevestigt volgens verzoeker zijn gerechtvaardigde vrees dat de leden van de wrakingskamer partijdig zijn en hij geen fair trial zal krijgen.

4 De reactie van de kantonrechter

De kantonrechter verzoekt de wraking ongegrond te verklaren. Zij voert daartoe, onder verwijzing naar de bij de feiten sub 2.4 tot en met 2.7 genoemde e-mailcorrespondentie aan, dat verzoeker in de mededeling van de griffier dat op de zaak op 12 september 2013 voor vonnis stond, ten onrechte aanleiding heeft gezien om haar (voor de tweede maal) te wraken en dat voor handhaving van het wrakingsverzoek geen aanleiding bestond, nu de griffier aan verzoeker heeft meegedeeld dat een rolbeschikking klaar lag waarin pleidooi werd toegestaan.

5 Beoordeling

5.1

Ter zitting heeft de wrakingskamer beslist het tegen haar gerichte wrakingsverzoek buiten behandeling te laten. De wrakingskamer verwijst daartoe naar hetgeen in de beslissing van 29 augustus 2013 onder r.o. 3.2 is overwogen en beslist. Nu verzoeker aan het onderhavige wrakingsverzoek ten grondslag legt dat op grond van de hoedanigheid van de leden van de wrakingskamer als rechter bij de rechtbank Noord-Holland wordt vermoed dat zij een innige belangenverstrengeling hebben met de kantonrechter in kwestie en met de personen genoemd in zijn e-mail van 9 september 2013, komt ook dit verzoek neer op een verzoek tot wraking van de gehele rechtbank.

5.2

Met betrekking tot de wraking van de kantonrechter overweegt de wrakingskamer als volgt. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn. Het subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.

5.3

De aan het wrakingsverzoek van 6 september 2013 door verzoeker ten grondslag gelegde beweerdelijke weigering van de kantonrechter om het verzoek tot het houden van pleidooi te honoreren, kan het wrakingsverzoek niet dragen, nu het is achterhaald. Verzoeker wist op 11 september 2013 dat het verzoek bij rolbeschikking van 12 september 2013 zou worden toegewezen. Ook de aanvullende grond kan het wrakingsverzoek niet rechtvaardigen, nu de kantonrechter verzoeker slechts in de gelegenheid heeft gesteld het wrakingsverzoek in te trekken omdat het op een misverstand berustte, zodat in dat geval de schorsing van de bodemprocedure kon worden opgeheven en de rolbeschikking, waarin het pleidooi werd toegestaan, kon worden gegeven. Uit dit verzoek van de kantonrechter kan geen partijdigheid van de kantonrechter worden afgeleid.

5.4

De wrakingskamer concludeert op grond van het voorgaande dat de feiten en omstandigheden die verzoeker aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd, geen grond opleveren voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en vormen derhalve geen grond voor wraking. Het verzoek tot wraking van de kantonrechter wordt daarom afgewezen.

5.5

Met betrekking tot het verzoek van verzoeker tot het horen van getuigen beslist de wrakingskamer als volgt. Het verzoek wordt afgewezen, nu het horen van getuigen niet tot een andere beslissing op het wrakingsverzoek kan leiden.

5.6

De rechtbank ziet voorts aanleiding om toepassing te geven aan artikel 39, vierde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, omdat gebleken is van misbruik van het rechtsmiddel wraking. Verzoeker heeft immers nadat het eerste wrakingsverzoek was afgewezen, de kantonrechter opnieuw gewraakt op gronden die het verzoek niet kunnen dragen. Voorkomen dient te worden dat de inhoudelijke behandeling van de hoofdzaak te lang op zich laat wachten. Een volgende wraking van de kantonrechter in deze zaak (zaaknummer 591772/CV EXPL 13-1979) wordt derhalve niet in behandeling genomen.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1

wijst het verzoek tot wraking van de kantonrechter af;

6.2

bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze zaak (zaaknummer 591772/CV EXPL 13-1979) niet in behandeling wordt genomen;

6.3

beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de kantonrechter en de wederpartij een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;

6.4

beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.M. Janse van Mantgem , voorzitter, en mr. C.A.M. van der Heijden en mr. J.J. Dijk, leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2013 in tegenwoordigheid van drs. A.J. Verkruisen als griffier.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.