Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:10923

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-11-2013
Datum publicatie
14-11-2013
Zaaknummer
15/810120-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Everest. Geen schending van de beginselen van de goede procesorde. Evenmin sprake van een vormverzuim. De rechtbank verwerpt het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in al zijn onderdelen. Voor bewijsuitsluiting of strafvermindering is evenmin aanleiding. Vrijspraak van twee keer medeplegen van de opzettelijke invoer van cocaïne via de luchthaven Schiphol, dan wel de voorbereidingshandelingen daartoe. Het enkele feit dat er een aantal telefoongesprekken met de hoofdverdachte plaatsvinden is onvoldoende om het opzet uit te destilleren. Nu aan de overige inhoud van het zaaksdossier ook geen feiten en omstandigheden kunnen worden ontleend waaruit blijkt van wetenschap of een vermoeden van verdachte met betrekking tot de invoer of voorbereiding/bevordering van de invoer van cocaïne, is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Wettig en overtuigend het voorhanden hebben van een hoeveelheid cocaïne en overtreding van de Wet wapens en munitie (WWM).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer. 15/810120-12 (onderzoek Everest)

Uitspraakdatum. 14 november 2013

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 27 september 2013, 30 september 2013, 21 oktober 2013 en 31 oktober 2013in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname),

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.B. Haneveld en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M. Rozenbeek, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

Feit 1 (zaaksdossier B05):

primair

hij op of omstreeks 25 mei 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 8,7 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair

hij op of omstreeks 25 mei 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of in Amsterdam en/of (elders) in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 8,7 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

meer subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 mei 2012 tot en met 28 mei 2012 te Amsterdam en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of (elders) in Nederland en/of in Peru, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten heeft getracht te verschaffen en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat die feit(en),

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens)

- meermalen met elkaar en/of met (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(s) en/of afnemers (telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en/of mededaders met elkaar in contact gebracht en/of

- ( meermalen) afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of meermalen ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd en/of

- ( meermalen) bij die ontmoeting(en) papieren/documenten verstrekt en/of ontvangen en/of getoond en/of bekeken en/of

- ( meermalen) (telefonisch) aan/van elkaar of een ander of anderen informatie verstrekt en/of ontvangen over het land van herkomst van de verdovende middelen (Peru) en/of de mogelijke verzend- en/of aankomstdata van de verdovende middelen en/of

- ( meermalen) (telefonisch) informatie verstrekt en/of instructie(s) gegeven en/of informatie en/of instructie(s) ontvangen ten behoeve van de invoer en/of de bergplaats en/of de overdracht van een of meer hoeveelheden verdovende middelen en/of

- ( meermalen) (telefonisch) aan/van elkaar of een ander of anderen informatie verstrekt en/of ontvangen over de prijs (van) en/of (een) hoeveelheid verdovende middelen en/of

- ( meermalen) vlucht- en/of bagage - en/of reizigersgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of

- beveiligd gebied op de luchthaven betreden teneinde de koffer/(reis) tas te onderkennen en/of op beveiligd gebied op de luchthaven gezocht naar (een) hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen en/of

- zich beschikbaar gesteld (om naar de luchthaven te gaan) voor de overdracht en/of voor de verdere doorvoer van de verdovende middelen en/of

- geld ontvangen en/of gegeven en/of afspraken gemaakt omtrent (een) beloning(en).

Feit 2 (zaaksdossier B06):

primair

hij op of omstreeks 28 mei 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 16017 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 mei 2012 tot en met 28 mei 2012 te Amsterdam en/of Rotterdam en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of (elders) in Nederland en/of in Ecuador, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten heeft getracht te verschaffen en/of
- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat die feit(en),

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens)

- meermalen met elkaar en/of met (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(s) en/of afnemers (telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en/of
- (meermalen) afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of meermalen ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd en/of
- (meermalen) bij die ontmoeting(en) papieren/documenten verstrekt en/of ontvangen en/of getoond en/of bekeken en/of besproken en/of
- (meermalen) (telefonisch) aan/van elkaar of een ander of anderen informatie verstrekt en/of ontvangen over het land van herkomst van de verdovende middelen (Ecuador) en/of de mogelijke verzend- en/of aankomstdata van de verdovende middelen en/of
- (meermalen) (telefonisch) informatie verstrekt en/of instructie(s) gegeven en/of informatie en/of instructie(s) ontvangen ten behoeve van de invoer en/of de bergplaats en/of de overdracht van een of meer hoeveelheden verdovende middelen en/of
- (meermalen) (telefonisch) dienstroosters en/of werktijden (van luchthavenmedewerkers) gevraagd en/of ontvangen en/of doorgegeven en/of - (meermalen) vlucht- en/of bagage - en/of reizigersgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of
- beveiligd gebied op de luchthaven betreden teneinde de koffer/(reis)tas te onderkennen en/of op beveiligd gebied op de luchthaven gezocht naar (een) hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen en/of
- zichzelf beschikbaar gesteld (om naar de luchthaven te gaan) voor de overdracht en/of voor de verdere doorvoer van de verdovende middelen.

Feit 3 (zaaksdossier B09):

primair

hij op of omstreeks 28 juni 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 3,5 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair

hij op of omstreeks 30 juni 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of in Amsterdam en/of (elders) in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd en/of afgeleverd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 3,5 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

meer subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 juni 2012 tot en met 13 juli 2012 te Amsterdam en/of Almere en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of (elders) in Nederland en/of in Ecuador, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten heeft getracht te verschaffen en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat die feit(en),

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens)

- meermalen met elkaar en/of met (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(s) en/of afnemers (telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en/of

- ( meermalen) afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of meermalen ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd en/of

- ( meermalen) (telefonisch) aan/van elkaar of een ander of anderen informatie verstrekt en/of ontvangen over het land van herkomst van de verdovende middelen (Ecuador) en/of de mogelijke verzend- en/of aankomstdata van de verdovende middelen en/of

- ( meermalen) (telefonisch) dienstroosters en/of werktijden (van luchthavenmedewerkers) gevraagd en/of ontvangen en/of doorgegeven en/of

- ( meermalen) (telefonisch) aan/van elkaar of een ander of anderen informatie verstrekt en/of ontvangen over de prijs (van) en/of (een) hoeveelheid verdovende middelen en/of

- beveiligd gebied op de luchthaven betreden teneinde de bagage te onderkennen en/of op beveiligd gebied op de luchthaven gezocht naar (een) hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen en/of

- zichzelf beschikbaar gesteld (om naar de luchthaven te gaan) voor de overdracht en/of de verdere doorvoer van de verdovende middelen en/of

- geld ontvangen en/of gegeven en/of afspraken gemaakt omtrent (een) beloning(en).

Feit 4 (zaaksdossier B13):

hij op of omstreeks 03 september 2012 te Amsterdam een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool (merk Pietro Baretta, type 9000S, kaliber 9mm), en/of munitie van categorie III, te weten (17) kogelpatronen (kaliber 9mm Luger volmantel), voorhanden heeft gehad.

2. Beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

De raadsman heeft betoogd dat sprake is van overtreding van het doorlaatverbod van artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering (hierna. Sv). Bovendien bevat het dossier vele suggestieve samenvattingen en conclusies bevat van verbalisanten. Volgens de raadsman dient dit te leiden tot de niet–ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de zaaksdossiers B05, B06 en B09.

Schending van het doorlaatverbod.

De rechtbank stelt voorop dat uit de jurisprudentie (ECLI.NL.HR.2002.AD9915) volgt dat een beroep van verdachte op de onjuiste naleving van artikel 126ff Sv in beginsel al niet kan slagen, omdat het bepaalde in artikel 126ff Sv niet in het leven is geroepen in het belang van verdachte en voor hem derhalve geen rechtens te beschermen belang in het geding is.

De raadsman heeft aangegeven dat het onderhavige geval toch anders ligt dan in voornoemde uitspraak van de Hoge Raad, het geval was, en dat een sanctie als verzocht op zijn plaats is. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat het Openbaar Ministerie behoort in te staan voor een integere opsporing en daarvan is in casu geen sprake meer.

De rechtbank overweegt dat niet is gebleken is dat door het onderzoeksteam van de Koninklijke Marechaussee (hierna te noemen. KMar) dan wel de officier van justitie opzettelijk verdovende middelen zijn doorgelaten. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat – op het moment van het plaatsvinden van de invoer of het voorhanden hebben van de verdovende middelen – de aanwijzingen die het onderzoeksteam had omtrent de aanwezigheid en vindplaats van de drugs zodanig waren dat deze geen ruimte voor twijfel lieten. De officier van justitie heeft in dat verband aangevoerd dat het onderzoeksteam waar mogelijk direct heeft ingegrepen en dat soms pas bij een latere uitwerking van opgenomen tapgesprekken naar voren kwam dat er eerder een overdacht van verdovende middelen had plaatsgevonden. Dat het voorgaande anders ligt, is door de verdediging niet aannemelijk gemaakt.

Voorts constateert de rechtbank dat in diverse zaaksdossiers achteraf blijkt dat er een transport verdovende middelen is geweest, al dan niet geslaagd, omdat er door de bij dat transport betrokken verdachten een en ander wordt nabesproken. Bovendien betreft onderzoek Everest een dossier met een groot aantal verdachte met veel taplijnen, waarbij meerdere gesprekken vertaald moesten worden.

In het door de raadsman aangevoerde ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de Hoge Raad heeft geformuleerd en dat hiervoor is weergeven. De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat een verdachte er zelf voor kiest om strafbare feit(en) te plegen, dit dient uitsluitend voor eigen rekening en risico te komen. Het kan nu niet zo zijn dat een verdachte geen of minder straf moet krijgen omdat de KMar hem daarvan niet heeft weerhouden door hem niet eerder aan te houden. Daarnaast kunnen er overigens tactische redenen zijn een verdachte op een later moment aan te houden, omdat het onderzoeksteam bijvoorbeeld een groep verdachten in zijn geheel in beeld wil krijgen. Zeker bij een wisselende samenstelling van de groep kan dat een rol spelen.

Suggestieve verbalen

De rechtbank heeft reeds bij de aanvang van de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting een kanttekening gemaakt met betrekking tot de vermoedens en conclusies van de verbalisanten in de diverse zaaksdossiers. Met nadruk is er op gewezen dat de vermoedens of conclusies van verbalisanten naar aanleiding van diverse tap- en of OVC-gesprekken of observaties, niet de vermoedens of conclusies van de rechtbank zijn. Dat verbalisanten in een proces-verbaal vermoedens of conclusies weergeven naar aanleiding van bijvoorbeeld de inhoud van diverse tapgesprekken is niet in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel. De rechtbank zal uitsluitend feiten en omstandigheden uit de processen-verbaal bezigen voor het bewijs die door hen zelf zijn waargenomen en niet de door leden van het onderzoeksteam van de KMar naar de aanleiding van die zelf waargenomen feiten en omstandigheden getrokken conclusies en vermoedens. Overigens is in de loopprocessen-verbaal in de diverse zaaksdossiers duidelijk gerelateerd dat het vermoedens of hypotheses betrof.

Nu bij het onderzoek ter terechtzitting ook overigens geen feiten en/of omstandigheden zijn gebleken die aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de weg staan, is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging, ook ter zake van de zaaksdossiers B05, B06 en B09.

Weergave van de tap- en OVC-gesprekken

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld er grote twijfels zijn aan de juistheid van de transcripten van de telefoontaps en de OVC-gesprekken. Deze lijken niet letterlijk te zijn vertaald, maar meer in de context van een gesprek. Voorts heeft de verdediging zich afgevraagd of de tolken goed hebben verstaan wat er wordt gezegd. Nu in elk geval bij één van de door de verdediging uitgeluisterde tapgesprekken vaststaat dat het transcript niet de juiste weergave van het gesprokene betreft, heeft de verdediging verzocht de transcripten van de tap- en OVC-gesprekken van het bewijs uit te sluiten. De verdediging heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 juni 2009 (ECLI.NL.RBUTR.2009.BJ1335).

De rechtbank overweegt als volgt.

Het dossier bevat een zeer groot aantal afgeluisterde telefoon- en OVC-gesprekken en sms-berichten. Ten aanzien van diverse gesprekken heeft het Openbaar Ministerie enkel samenvattingen overgelegd. Soms zijn de gesprekken gedeeltelijk samengevat. Hier komt bij dat de gesprekssamenvattingen hier en daar zijn voorzien van interpretaties van verbalisanten en/of tolken welke personen de gesprekken voeren en waar zij over spreken.

Vast staat dat de originele afgeluisterde en opgenomen gesprekken nog beschikbaar zijn, zodat het zowel voor de verdediging als voor de rechtbank mogelijk was te beoordelen of die samenvattingen een correcte weergave van de desbetreffende gesprekken geven. Gelet hierop kan niet zonder meer worden gesteld dat de gesprekssamenvattingen onvoldoende betrouwbaar zijn en dat deze reeds om die reden niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. De omstandigheid dat de vertalingen van de door de KMar ingeschakelde tolken van de tapgesprekken verschillen van vertalingen door later ingeschakelde tolken, maakt dit oordeel niet anders. Sommige woorden zijn inderdaad anders vertaald, de essentie/strekking van het gesprokene is echter in beide vertalingen gelijkluidend. Een en ander kan met de interpretatie van bepaalde woorden te maken hebben. Bovendien gaat het bij het door de raadsman gegeven voorbeeld doorgaans niet om vertaalfouten, maar om (mogelijke) luisterfouten. Afgaande op wat de luisteraar, in casu de tolk, hoort, zal hij tot een andere vertaling komen. Dit blijft onvermijdelijk en is in het kader van de oordeelsvorming in deze zaak - nu de gesprekken in zijn geheel qua strekking geen aanleiding geven tot misverstand - overigens niet van belang. Bovendien heeft de verdediging tijdens het vooronderzoek de mogelijkheid gehad om gesprekken opnieuw uit te luisteren, om daarvan een aanvullend proces-verbaal op te laten maken of om de gesprekken opnieuw en door een andere tolk te laten vertalen. De rechtbank is niet gebleken dat de verdediging gedurende het vooronderzoek hierom heeft verzocht. Zelfs bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling is door de officier van justitie deze mogelijkheid nog geboden.

Voor de toetsing van de validiteit van de gesprekken beziet de rechtbank voorts de externe betrouwbaarheid, dat wil zeggen de vraag of datgene dat in een vertaald gesprek als werkelijkheid wordt gepresenteerd, ook is terug te vinden in de overige bewijsmiddelen. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om op voorhand alle transcripten van tap- en OVC-gesprekken uit te sluiten van het bewijs. De uitspraak van de rechtbank Utrecht, waarnaar de verdediging heeft verwezen maakt dit niet anders, nu de gronden waarop die rechtbank tot bewijsuitsluiting is gekomen in de onderhavige zaak niet aannemelijk zijn en evenmin zijn gebleken.

De rechtbank zal telkens per gesprek of sms-bericht beoordelen of deze voor het bewijs kan worden gebruikt, mocht de verdediging daartegen specifieke bezwaren hebben aangevoerd.

Overige voorvragen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Algemeen

3.1. Inleiding

Op 2 mei 2011 is het Schipholteam gestart met onderzoek Hazelaar. Vanaf 6 juni 2011 tot

2 april 2012 is het onderzoek projectmatig aangepakt en om die reden onder de naam Vinson overgenomen door de afdeling Zware Criminaliteit van de Koninklijke Marechaussee (hierna ook te noemen. KMar). Het onderzoek richtte zich primair op een organisatie die zich bezig zou houden met de invoer van cocaïne via de luchthaven Schiphol met behulp van aldaar werkzame corrupte bagagemedewerkers. Tijdens onderzoek Vinson kwam onder andere als verdachte naar voren bagagemedewerker [hoofdverdachte] (hierna ook te noemen. [hoofdverdachte]).


Op 2 april 2012 is besloten een afzonderlijk onderzoek met de naam Everest te starten naar [hoofdverdachte] en personen om hem heen die zich bezig zouden houden met de invoer van verdovende middelen via de luchthaven Schiphol.

4. Bewijs

4.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 primair, 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde feiten.

4.2. Vrijspraak van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair, 2 primair en subsidiair en feit 3 primair ten laste gelegde

Vrijspraak van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde

Met de raadsman van verdachte en in weerwil van de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen verdachte onder primair, subsidiair en meer subsidiair is ten laste gelegd – kort gezegd – het medeplegen van invoer van 8,7 kilogram cocaïne in Nederland, het vervoeren of voorhanden hebben van die 8,7 kilogram cocaïne dan wel het medeplegen van voorbereidingshandelingen cq bevorderingshandelingen ten behoeve van de invoer van cocaïne, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank constateert in de eerste plaats dat uit de inhoud van zaaksdossier B05 en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken van enige betrokkenheid van verdachte in het voortraject van de van de zijde van het openbaar ministerie bewezen geachte invoer van een hoeveelheid cocaïne.

De enige vaststaande betrokkenheid van verdachte in zaaksdossier B05 betreft een negental telefonische contacten met [hoofdverdachte]. Deze vinden alle plaats op 25 mei 2012, de dag van de vermeende invoer, vanaf 15:11 uur tot 21:31 uur. Hoewel verdachte zich in zijn verhoren met betrekking tot de zaaksinhoud grotendeels op zijn zwijgrecht heeft beroepen, dat ook merendeels heeft gedaan ter terechtzitting bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling en daarmee dus zelf geen redengevende verklaring voor de inhoud van deze gesprekken heeft gegeven, kan de rechtbank niet uitsluiten dat er een verklaring voor de inhoud van de gesprekken mogelijk is die afwijkt van de door verbalisanten geuite vermoedens en hypotheses. In ieder geval kan, naar het oordeel van de rechtbank, uit de inhoud van deze telefonische contacten met onvoldoende zekerheid afgeleid worden dat verdachte betrokken is bij, dan wel wetenschap van de invoer van cocaïne door [hoofdverdachte] en/of anderen heeft gehad.

Kortom, er kan onvoldoende invulling gegeven worden aan de vereiste bestanddelen voor de onder primair ten laste gelegde invoer en de onder meer subsidiair ten laste gelegde voorbereidings-/bevorderingshandelingen, zodat dit niet bewezen kan worden verklaard.

Ten aanzien van hetgeen onder subsidiair is ten laste gelegd, het vervoeren of voorhanden hebben van cocaïne, is de rechtbank het volgende gebleken.

Op 25 mei 2012 om 18:01 uur belt [hoofdverdachte] naar verdachte en vraagt hem waar hij is. Verdachte zegt dat hij boven bij 3 is. Op de camerabeelden van de luchthaven Schiphol is te zien dat [hoofdverdachte] op 25 mei 2012 om 18:03 uur in vertrekhal 1 loopt ter hoogte van balie rij 3. Hij draagt op dat moment een donderkleurige rugzak over zijn rechterschouder. Vervolgens is te zien dat [hoofdverdachte] in vertrekhal 1 richting draaideur H loopt en hij naar buiten gaat, waarna hij uit beeld verdwijnt. Om 18:08 uur is op de beelden te zien dat [hoofdverdachte] in vertrekhal 3 loopt en de trap neemt naar aankomsthal 3. Hij heeft op dat moment geen rugzak meer bij zich en gaat om 18:08 uur het beveiligde gebied van Schiphol op. Die avond om 21:31 uur belt [hoofdverdachte] naar [verdachte] en zegt tegen hem ‘Als je me hebt gegeven dan moet je daarna gewoon wegrijden, je weet toch wat ik bedoel.’
In het dossier zijn geen camerabeelden van het tijdsbestek van 18:03 uur tot 18:08 uur op deze 25e mei 2012. Verbalisanten spreken in het dossier het vermoeden uit dat [hoofdverdachte] op dat moment de rugzak waarin cocaïne aanwezig zou zijn, overdraagt aan verdachte.

Zelfs als de rechtbank er van uit zou gaan dat [hoofdverdachte] de rugzak aan verdachte zou hebben gegeven en verdachte die later op de avond aan [hoofdverdachte] terug zou hebben gegeven, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen van hetgeen onder subsidiair aan verdachte is ten laste gelegd. Uit de overige inhoud van het zaaksdossier kunnen namelijk geen feiten en omstandigheden worden ontleend waaruit blijkt van opzet op de aanwezigheid van cocaïne in de rugzak. Vermoedens, aanwijzingen en hypotheses alleen zijn immers onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen.

Vrijspraak van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde

Met de raadsman van verdachte en anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 primair en subsidiair is ten laste gelegd – kort gezegd – het medeplegen van de invoer van netto 16.017 gram cocaïne in Nederland, dan wel het medeplegen van voorbereidings- cq bevorderingshandelingen ten behoeve van de invoer van cocaïne. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank constateert in de eerste plaats dat uit de inhoud van zaaksdossier B06 en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte vier – korte – telefonische contacten met zijn vader, [hoofdverdachte] heeft gehad. Deze vinden plaats op 27 en 28 mei 2012.

Op 27 mei 2012 om 23:21 uur belt [hoofdverdachte] naar verdachte en zegt dat hij een andere kaars moet aansteken. Verdachte antwoordt dat het net uit is en [hoofdverdachte] zegt dat hij in de berghok moet kijken. Verdachte antwoordt dat hij weet waar het is.

Op 28 mei 2012 om 12.11 uur belt verdachte naar [hoofdverdachte] en vraagt hoe laat hij stand by moet staan. [hoofdverdachte] antwoordt vijf uur. Later, om 13:21 uur, belt [hoofdverdachte] naar verdachte en zegt dat hij thuis was en niet vrij uit (kon) praten en hem zal bellen. Verdachte moet maar zijn ding gaan doen, waarop verdachte antwoordt ‘oke, even ruim van te voren, een uurtje’. [hoofdverdachte] zegt ‘oké’. Vervolgens belt verdachte om 16:44 uur naar [hoofdverdachte] waarop [hoofdverdachte] zegt dat het niet meer hoeft.

Hoewel verdachte zich in zijn verhoren met betrekking tot de zaaksinhoud telkens op zijn zwijgrecht heeft beroepen, dat ook heeft gedaan ter terechtzitting bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling en daarmee dus zelf geen redengevende verklaring voor de inhoud van deze gesprekken heeft gegeven, kan de rechtbank niet uitsluiten dat er een verklaring voor de inhoud van de gesprekken mogelijk is die afwijkt van de door verbalisanten geuite vermoedens en hypotheses.

In ieder geval is, naar het oordeel van de rechtbank de inhoud van deze telefoongesprekken onvoldoende redengevend om te concluderen tot (enige) betrokkenheid van verdachte bij de invoer van cocaïne of de voorbereiding of bevordering daarvan.

Nu aan de overige inhoud van het zaaksdossier ook geen feiten en omstandigheden kunnen worden ontleend waaruit blijkt van wetenschap of een vermoeden van verdachte met betrekking tot de invoer of voorbereiding/bevordering van de invoer van cocaïne, is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te komen van hetgeen verdachte onder 2 primair en subsidiair is ten laste gelegd. Vermoedens, aanwijzingen en hypotheses alleen zijn immers onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het hem onder feit 2 onder primair en subsidiair ten laste gelegde.

Vrijspraak van het onder 3 primair ten laste gelegde

Met de officier van justitie en de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen verdachte onder 3 primair ten laste is gelegd. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Uit de uitgewerkte tapgesprekken in zaaksdossier B09 blijkt dat verdachte tot het moment waarop [hoofdverdachte] op 28 juni 2012 hem om 17:35 uur een sms stuurt met de tekst ‘Bel me.’ niet in de onderlinge contacten betrokken is geweest. Om 18:15 uur belt verdachte naar [hoofdverdachte]. [hoofdverdachte] geeft in dat gesprek aan dat hij verdachte al lang probeerde te bereiken, maar dat verdachte zijn telefoon niet opnam. Op de vraag van verdachte waarvoor zijn vader hem nodig had, zegt [hoofdverdachte] dat het niet meer hoeft en hij ([hoofdverdachte]) weer moet gaan werken. Om 18:55 uur diezelfde dag belt verdachte andermaal naar [hoofdverdachte] en zegt hij tegen hem dat hij nu pas Burger King ziet, maar dat hij niet kon.

Uit tapgesprekken blijkt voorts dat [hoofdverdachte] op 28 juni 2012 vanaf 18:00 uur verschillende keren telefonisch contact heeft met zijn tante [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) belt en haar vraagt om naar Schiphol te komen. Uit camerabeelden van Schiphol (vanaf 17:38 uur) en de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt dat [medeverdachte 1] omstreeks 18:30 uur die dag een rugzak heeft opgehaald bij [hoofdverdachte] op Schiphol.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat niet verdachte, maar [medeverdachte 1] degene is geweest die op verzoek van [hoofdverdachte] de rugzak op Schiphol op is komen halen en naar huis heeft meegenomen, zodat gelet daarop niet kan worden vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne op 28 juni 2012. Van verdere betrokkenheid van verdachte bij de invoer zelf is uit het dossier niet gebleken.

De rechtbank zal verdachte wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs vrijspreken van hetgeen hem onder 3 primair is ten laste gelegd.

4.3. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Ten aanzien van het onder 3 subsidiair (zaaksdossier B09) ten laste gelegde.

Telecommunicatie

In het onderzoek Everest zijn verschillende telefoon- en Imei-nummers naar voren gekomen. Een Imei-nummer heeft als eigenschap dat het verbonden is met de mobiele telefoon die gebruikt wordt. Het Imei-nummer blijft bij het toestel en verandert nooit. Mocht de gebruiker een andere simkaart in het toestel stoppen dan blijft het Imei-nummer hetzelfde maar het 06-nummer verandert wel. Alvorens het afzonderlijke zaaksdossier te bespreken, zal de rechtbank eerst aangeven welke nummers zij aan welke verdachte toeschrijft en op grond waarvan.

Verdachte [verdachte]

Het telefoonnummer [telefoonnummer verdachte] is in gebruik bij [verdachte] (hierna ook te noemen. [verdachte]).2

Nu door en namens [verdachte] niet is betwist dat voormeld telefoonnummer aan hem toebehoort, zal de rechtbank de daarmee gevoerde gesprekken aan hem toeschrijven nu ook door en namens hem niet is betwist dat hij deelnemer aan die gesprekken en de daarin afgesproken ontmoetingen is geweest.

Medeverdachte [hoofdverdachte]

De telefoon met Imei-nummer [IMEI hoofdverdachte] (T105) is in gebruik bij [hoofdverdachte] (hierna ook te noemen. [hoofdverdachte]).3 Ook het telefoonnummer [telefoonnummer hoofdverdachte] (T103) is in gebruik bij [hoofdverdachte].4

Nu door en namens [hoofdverdachte] niet is betwist dat voormeld telefoonnummer en Imei-nummer aan hem toebehoren en hij deelnemer is geweest aan de daarmee gevoerde gesprekken, zal de rechtbank de met deze nummers gevoerde gesprekken aan hem toeschrijven.

OVC-gesprekken

Tevens is er in het onderzoek sprake geweest van het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC) in een personenauto Mazda 3 met kenteken [kenteken hoofdverdachte]. Deze Mazda stond op naam van [hoofdverdachte].5 [hoofdverdachte] en [verdachte] hebben niet betwist dat zij deelnemer zijn geweest aan de hen toegeschreven gesprekken in deze Mazda. De rechtbank gaat bij de redengevende feiten en omstandigheden dan ook van dat gegeven uit.

Redengevende feiten en omstandigheden feit 3 zaaksdossier B09

Verdachten wordt - kort gezegd - verweten dat zij zich op 28 juni 2012 schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van invoer van 3,5 kilogram cocaïne in Nederland. Alle schriftelijke bescheiden welke in de voetnoten worden genoemd zijn gevoegd bij het loopproces-verbaal zaaksdossier B09 opgemaakt d.d. 20 november 2012.

Op 28 juni 2012 omstreeks 13.51 uur wordt gezien dat [hoofdverdachte] op Plaza loopt ter hoogte van de Burger King. Hij draagt op dat moment geen tas of rugzak bij zich en loopt in de richting van de personeelsdoorgang X-passage, gelegen in aankomsthal 3 6. Om 13.52 uur maakt [hoofdverdachte] gebruik van zijn Schipholpas en gaat hij het beveiligde gebied van Schiphol op. Om 13.53 uur gaat [hoofdverdachte] de bagagekelder in.

Enige tijd later, om 17.32 uur, maakt [hoofdverdachte] gebruik van zijn Schipholpas en gaat hij het beveiligde gebied van Schiphol af bij een doorgang bij Terminal 1.7.Omstreeks 17.38 uur wordt gezien dat [hoofdverdachte] op Plaza loopt ter hoogte van aankomsthal 1 met een rugzak.8

Op 28 juni 2012 om 17.48 uur wordt [hoofdverdachte] gebeld door [medeverdachte 1] die hem vraagt wat er gebeurd is. [hoofdverdachte] zegt dat hij [voornaam verdachte] (naar de rechtbank begrijpt. [verdachte]) nodig heeft. [medeverdachte 1] zegt dat zij iemand gaat bellen die bij [voornaam verdachte ] is. [hoofdverdachte] wil graag dat [voornaam verdachte ] hem direct belt.’9 Om 17.57 uur wordt gezien dat [hoofdverdachte] op Plaza richting aankomsthal 1 & 2 loopt en hij nog steeds de rugzak bij zich draagt.10 Om 18.00 uur belt [hoofdverdachte] naar [medeverdachte 1] en vraagt haar ‘Heb je die man al gebeld?’, waarop zij zegt dat hij slaapt. [hoofdverdachte] vraagt vervolgens aan [medeverdachte 1] of zij met de auto is en of zij naar hem toe kan rijden. Als [medeverdachte 1] vraagt ‘Om wat te doen?’, zegt [hoofdverdachte] ‘Als ik je dat vraag.’. [medeverdachte 1] zegt vervolgens ‘Oké is goed, is goed, ik kom.’ [hoofdverdachte] antwoordt haar ‘Je moet komen bij 3, boven. […] Je moet voor half zeven hier zijn, want ik…’11 Om 18.02 uur wordt gezien dat [hoofdverdachte] op Plaza richting de trap naar de vertrekpassage loopt, terwijl hij nog steeds de rugzak bij zich draagt.12 Om 18.09 uur belt [hoofdverdachte] naar [medeverdachte 1] met de vraag waar zij is en of er file is, omdat hij half zeven weer moet beginnen. [medeverdachte 1] zegt dat er geen file is en dat zij doorrijden. Voorts vraagt zij ‘vertrek 3, toch?’ [hoofdverdachte] zegt ‘Ja, ik sta bij 1 bij de voordeur.’, waarop [medeverdachte 1] vraagt ‘Je staat nu bij 1? […] Is goed, vertrek 1.’13

Op 28 juni 2012 om 18.15 uur wordt [hoofdverdachte] gebeld door [verdachte] die vraagt ‘Waarvoor had Pa me nodig?’ [hoofdverdachte] antwoordt ‘Het hoef niet meer, hoef niet meer, ik moet weer gaan werken.’14

Om 18.23 uur wordt [hoofdverdachte] gebeld door [medeverdachte 1] die hem vraagt waar hij is. [hoofdverdachte] zegt ‘Zie je me niet? Bij 1.’ [medeverdachte 1] zegt ‘Ik ben bij 1 vertrek departure 1.’. [hoofdverdachte] antwoordt ‘Ik ben boven’ en ‘2e deur, bij de 2e deur ben ik, ik zie je, rijd naar me toe.’15

Uit camerabeelden blijkt dat [hoofdverdachte] om 18.26 uur bij vertrekhal 3 naar binnen loopt en richting de trap naar de aankomstpassage loopt. Hij draagt geen rugzak meer bij zich.16 Vervolgens maakt [hoofdverdachte] om 18.27 uur gebruik van zijn Schipholpas om het beveiligde gebied van Schiphol op te gaan en hij gaat om 18.28 uur de bagagekelder in.17 [medeverdachte 1] heeft een donkere rugtas bij [hoofdverdachte] opgehaald op Schiphol.18

Op 28 juni 2012 om 19.35 uur belt [hoofdverdachte] naar [medeverdachte 1] en vraagt of ze al thuis is aangekomen. [medeverdachte 1] zegt dat zij al lang thuis is.19

Op 28 juni 2012 om 21.57 uur maakt [hoofdverdachte] gebruik van zijn Schipholpas en gaat hij het beveiligde gebied van Schiphol af 20. Om 21.58 uur wordt gezien dat [hoofdverdachte] in aankomst 3 loopt richting de uitgang naar Schiphol Plaza, terwijl hij geen rugzak bij zich draagt.21

Uit de bakengegevens van de auto van [hoofdverdachte] blijkt dat de auto op 28 juni 2012 omstreeks 22.28 uur bij flat [flat medeverdachte 1] in Amsterdam Zuidoost staat. Op het adres [flat medeverdachte 1] staat [medeverdachte 1] ingeschreven.22 [hoofdverdachte] heeft die avond de tas bij [medeverdachte 1] opgehaald.23

Nog diezelfde avond om 22.28 uur belt [verdachte] naar [hoofdverdachte] en vraagt ‘Is Pa al van het werk?’ [hoofdverdachte] bevestigt dat, waarop [verdachte] zegt ‘Dat is het enige wat ik wil weten.’24 Vervolgens vindt om 23.14 uur in de auto van [hoofdverdachte] het volgende gesprek plaats tussen [hoofdverdachte] en een NNman. De NN-man vraagt of [hoofdverdachte] het al opgehaald heeft. [hoofdverdachte] bevestigt dat en zegt dat hij op hem zat te wachten. Zijn gesprekspartner kan het open maken om te kijken. Vervolgens constateert deze dat het een grote is en vraagt of [hoofdverdachte] het gekookt heeft, of geproefd heeft. [hoofdverdachte] beantwoordt beide vragen ontkennend. [hoofdverdachte] geeft aan dat deze anderhalf is, waarop de NN-man zegt dat deze twee is, en even later vraagt of [hoofdverdachte] hier dus drie en een half heeft. [hoofdverdachte] beaamt dat. De NN-man zet het weer terug.25

Kort na dit OVC-gesprek, om 23.20 uur, belt [hoofdverdachte] naar [verdachte] en vraagt hem waar hij is. [verdachte] zegt dat hij thuis is. Hierop vraagt [hoofdverdachte] ‘Ik heb en paar dingen gekocht, maar die zak is gescheurd, kan je met een Albert Heijn zak komen?’ [verdachte] komt eraan.26 Zeven minuten later vindt in de auto van [hoofdverdachte] een gesprek plaats tussen hem en [verdachte] [hoofdverdachte] zegt ‘Kijk daar is die zak, hoe is?’ [verdachte] zegt. ‘rustig’. [hoofdverdachte] zegt. het zak is opengescheurd, je moet het voor me vast plakken voor me.’. [verdachte] zegt daarop ‘Het spul ruikt sterk.’ Daarna vraagt [hoofdverdachte] aan [verdachte] hoe laat hij morgen klaar is met werken. [verdachte] zegt ‘Vier uur. Ik moet ….ehhhh vroeg.’. Daarop zegt [hoofdverdachte] ‘Nee, omdat ik nog een zak heb. […] Thuis […]’ [verdachte] antwoordt ‘ja ik weet.’27

In de ochtend van 30 juni 2012 om 11.26 uur spreken [hoofdverdachte] en [verdachte] elkaar in de auto van [hoofdverdachte]. Deze zegt ‘Luister dan, je moet het papier er van af scheuren, [naam] (ng) komt straks. Als [naam] beneden is, dan ga ik je bellen, dan moet je het voor hem brengen.’ [verdachte] zegt dat het goed is. Daarop vraagt [hoofdverdachte] ‘Had je het geplakt?’ [verdachte] antwoordt ‘Ehhh, ja bovenste. Maar het is een beetje beschadigd, niet beschadigd maar….’ Hierop zegt [hoofdverdachte] tegen hem ‘Geef het even aan mij…. het ruikt sterk.’, waarop zijn zoon reageert ‘Ja verschrikkelijk.’28 Om 11.46 uur belt [hoofdverdachte] met [verdachte] en zegt dat de man heeft gezegd dat hij dichtbij is en [hoofdverdachte] vraagt of hij naar beneden wil gaan. [hoofdverdachte] geeft hem mee dat hij gewoon moet zeggen dat het van thuis is.29 Om 12.16 uur vindt er andermaal een gesprek plaats tussen [hoofdverdachte] en zijn zoon. [hoofdverdachte] vraagt hem of hij al beneden is. [verdachte] zegt dat hij allang beneden is, waarop vader hem zegt dat hij moet lopen zodat de man hem ziet. [verdachte] zegt is goed.30

Bewijsoverweging feit 3 zaaksdossier B09

De rechtbank overweegt dat uit de camerabeelden en Schipholpasgegevens blijkt dat [hoofdverdachte] op 28 juni 2012 om 17.32 uur het beveiligde gebied af gaat met een rugzak die hij nog niet had toen hij eerder in de middag het beveiligde gebied op ging. Uit de tapgesprekken, camerabeelden, Schipholpasgegevens en de verklaring van [medeverdachte 1], leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 1] deze rugzak tussen 17.32 uur en 18.30 uur op verzoek van [hoofdverdachte] op Schiphol heeft opgehaald. [hoofdverdachte] is vervolgens weer aan het werk gegaan en nadat hij om 21.57 uur het beveiligde deel van Schiphol heeft verlaten, is hij, zoals hiervoor is overwogen, blijkens de bakengegevens en de verklaring van [medeverdachte 1] omstreeks 22.28 uur naar [medeverdachte 1] gegaan om de rugtas op te halen. [medeverdachte 1] heeft deze ook aan hem overhandigd. Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank de rugzak tot [hoofdverdachte] worden herleid.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden, wat zich in de rugzak bevond die door [hoofdverdachte] van het beveiligde gebied van de luchthaven Schiphol naar buiten is gebracht.

Vooropgesteld wordt dat de rugzak niet door de KMar is onderschept en onderzocht. Ten aanzien van de rugtas is van belang dat [hoofdverdachte] [medeverdachte 1] heeft verzocht om de rugtas (met inhoud) op te halen van Schiphol en hij deze vrijwel direct na zijn werk weer bij [medeverdachte 1] heeft opgehaald. [medeverdachte 1] heeft niets uit deze rugzak gehaald. Voorts is van belang het gesprek dat in de auto van [hoofdverdachte] plaatsvindt drie kwartier nadat [hoofdverdachte] de rugzak bij [medeverdachte 1] heeft opgehaald. In dat gesprek bevestigt [hoofdverdachte] dat hij het al heeft opgehaald. Er wordt hem gevraagd of hij het heeft ‘gekookt’, en heeft ‘geproefd’ en geconstateerd ‘dat deze anderhalf is en deze twee’, en later ‘dus hier heb je drie en een half’.

Enkele minuten na dit OVC-gesprek vraagt [hoofdverdachte] aan verdachte om met een zak te komen omdat de zak is gescheurd. Zeven minuten na dit telefoontje stapt verdachte in de auto van [hoofdverdachte] en zegt [hoofdverdachte] dat de zak is opengescheurd, dat verdachte het moet vastplakken en zegt verdachte dat het spul sterk ruikt. Twee dagen later, op 30 juni 2012, vindt er een OVC-gesprek tussen [hoofdverdachte], en verdachte in de auto van [hoofdverdachte] waarin [hoofdverdachte] aan verdachte vraagt of hij de zak voor hem heeft geplakt en of hij de zak even aan hem wil geven. [hoofdverdachte] merkt daarbij op dat het sterk ruikt.

Gelet op dit samenstel van feiten, waarbij de rechtbank met name acht slaat op de korte tijdspanne na het beëindigen van de dienst door [hoofdverdachte] op de avond van de 28e juni 2012 tot aan het ophalen van de tas door [hoofdverdachte] bij [medeverdachte 1], is naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie mogelijk dan dat er sprake is van handelingen met betrekking tot cocaïne. Uit voormeld OVC-gesprek van 28 juni 2013 om 23.14 uur leidt de rechtbank af dat 3,5 kilogram is ingevoerd. Het op verzoek van de verdediging van [hoofdverdachte] uitgevoerde sporenonderzoek in de Mazda op cocaïne maakt deze conclusie niet anders. Weliswaar heeft dit onderzoek een negatief resultaat opgeleverd, maar het onderzoek heeft bijna een jaar later, op 13 juni 2013, plaatsgevonden.

De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en met name gelet op de OVC-gesprekken van 28 juni 2012 om 23.27 uur en 30 juni 201211.26 uur, van oordeel dat hieruit kan worden afgeleid, dat verdachte 3,5 kilogram cocaïne meerdere dagen in zijn bezit dan wel voorhanden heeft gehad om de zak met de cocaïne voor [hoofdverdachte] te plakken.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat – gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden – wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte omstreeks 30 juni 2012 een hoeveelheid van 3,5 kilo cocaïne voorhanden heeft gehad.

De rechtbank heeft mede in haar oordeel betrokken dat verdachte zowel in het voorbereidend onderzoek als bij de behandeling ter terechtzitting geen openheid van zaken heeft gegeven. Verdachte heeft daarmee geen de redengevendheid van de bewijsmiddelen ontzenuwende verklaring gegeven, in het bijzonder heeft hij het belastende karakter van de inhoud van de door hem gevoerde gesprekken niet kunnen wegnemen voor zover het ziet op het voorhanden hebben van cocaïne.

Ten aanzien van het onder 4 (zaaksdossier B13) ten laste gelegde.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het aan verdachte onder 4 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten.

de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 27 september 2013 afgelegd;

het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 september 2012 met bijlagen (zaaksdossier B13, pagina 8-14);

het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 september 2012 (zaaksdossier B13, pagina 15-17);

het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 september 2012 (zaaksdossier B13, pagina 18-19).

4.4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 3 subsidiair (zaaksdossier B09):

hij op 30 juni 2012 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,5 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne.

Feit 4 (zaaksdossier B13):

hij op 03 september 2012 te Amsterdam een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Pietro Baretta, type 9000S, kaliber 9mm) en munitie van categorie III, te weten 17 kogelpatronen (kaliber 9mm Luger volmantel), voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 3 subsidiair en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op.

feit 3 subsidiair

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 4

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

7.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) jaren, zulks met aftrek van het voorarrest.

7.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het gedurende twee dagen voorhanden hebben van ongeveer 3,5 kilogram cocaïne, welke verdachte van zijn vader had gekregen omdat de verpakking was gescheurd en verdachte dit moest herstellen.

Cocaïne is een stof die schadelijk is voor de gezondheid en sterk verslavend kan zijn. Daarnaast ontstaat door het gebruik van cocaïne vaak schade en overlast voor de samenleving. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat verslaafden aan cocaïne, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, veelal vermogensdelicten plegen. Verdachte heeft zich echter niets aangetrokken van het verbod op het bezit van cocaïne.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen te weten een pistool en bijbehorende munitie. Vuurwapens worden vaak gebruikt bij het plegen van strafbare feiten, vormen een groot gevaar en een aanzienlijke bedreiging voor de veiligheid van personen in de samenleving. Het voorhanden hebben daarvan maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens en munitie. Het bezit ervan kan bovendien niet als de geëigende reactie op een mogelijke bedreiging door anderen gezien worden, laat staan daardoor gerechtvaardigd zijn. De rechtbank merkt overigens nog op dat de door verdachte gestelde bedreiging niet nader onderbouwd is.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een gevangenisstraf als passende sanctie in aanmerking. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat in de indertijd zo geheten oriëntatiepunten van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en rechtbanken (LOVS) voor het voorhanden hebben van een pistool een gevangenisstraf van drie maanden het uitgangspunt is.

Anders dan de officier van justitie, weegt de rechtbank niet als strafverminderende factor mee dat verdachte door zijn vader bij strafbare feiten is betrokken. Daartoe overweegt de rechtbank dat verdachte, als volwassen man, in staat moet worden geacht zijn eigen afwegingen te maken en weerstand moet kunnen bieden aan verzoeken van zijn vader met een criminele strekking.

De rechtbank merkt op dat uit het Uittreksel Justitiële documentatie blijkt dat verdachte eerder een transactie heeft betaald wegens overtreding van de Wet wapens en munitie. Nu dit een ouder feit betreft, uit 2003 weegt de rechtbank dit niet ten nadele van verdachte mee.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing.

57 van het Wetboek van Strafrecht.

2 en 10 van de Opiumwet.

26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9. Beslissing

De rechtbank.

verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair, 2 primair en subsidiair en 3 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen dat verdachte de onder 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 3 subsidiair en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de onder 4.4. bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZES (6) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door.

mr. Ph. Burgers, voorzitter,

mr. L. Boonstra en mr. S.C.A. van Kuijeren, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Valk en mr. S.V. Ramdharie, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 14 november 2013.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2012, C3, pagina 001-0021 en het proces-verbaal van bevindingen onderzoek IBN goederen d.d. 3 oktober 2012, G1, pagina 427.

3 Het proces-verbaal van bevindingen van 2 april 2012, C1, pagina 14-33 en proces-verbaal van bevindingen onderzoek IBN goederen [adres verdachte] van 16 oktober 2012, G1, pagina 92-93.

4 Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek telecommunicatiegebruik van [hoofdverdachte] van 2 april 2012, C1, pagina 0014-0033 en proces-verbaal van bevindingen onderzoek IBN goederen [adres verdachte] d.d. 16 oktober 2012, G1, pagina 94.

5 Het proces-verbaal vaststelling identiteit van [hoofdverdachte] van 16 februari 2012, met bijlage, C1, pagina 0002 en 0006.

6 Het loopproces-verbaal zaaksdossier B09 van 20 november 2012, pagina 009 en twee schriftelijke bescheiden, te weten twee prints van camerabeelden van 28 juni 2012, pagina 065-066.

7 Het proces-verbaal van bevindingen Schipholpasgegevens d.d. 6 augustus 2013 (aanvulling, los opgenomen) en het loopproces-verbaal zaaksdossier B09 van 20 november 2012, pagina 009.

8 Het loopproces-verbaal zaaksdossier B09 van 20 november 2012, pagina 010 en een schriftelijk bescheid, te weten het een print van camerabeelden van 28 juni 2012, pagina 067.

9 Een schriftelijk bescheid, inhoudende de weergave van het tapgesprek van 28 juni 2012, pagina 043.

10 Het loopproces-verbaal zaaksdossier B09 van 20 november 2012, pagina 011 en een schriftelijk bescheid, te weten een print van camerabeelden van 28 juni 2012, pagina 069.

11 Een schriftelijk bescheid, inhoudende de weergave van het tapgesprek van 28 juni 2012, pagina 044.

12 Het loopproces-verbaal zaaksdossier B09 van 20 november 2012, pagina 012 en twee schriftelijke bescheiden, te weten twee prints van camerabeelden van 28 juni 2012, pagina 070-071.

13 Een schriftelijk bescheid, inhoudende de weergave van het tapgesprek van 28 juni 2012, pagina 046.

14 Een schriftelijk bescheid, inhoudende de weergave van het tapgesprek van 28 juni 2012, pagina 047.

15 Een schriftelijk bescheid, inhoudende de weergave van het tapgesprek van 28 juni 2012, pagina 048.

16 Het loopproces-verbaal zaaksdossier B09 d.d. 20 november 2012, pagina 013 en twee schriftelijke bescheiden, te weten twee prints van camerabeelden van 28 juni 2012, pagina 072-073.

17 Het proces-verbaal van bevindingen Schipholpasgegevens d.d. 6 augustus 2013 (aanvulling, los opgenomen) en het loopproces-verbaal zaaksdossier B09 van 20 november 2012, pagina 013.

18 Het proces-verbaal van 2e verhoor verdachte [medeverdachte 1] van 31 oktober 2012, C17, pagina 058.

19 Een schriftelijk bescheid, inhoudende de weergave van het tapgesprek van 28 juni 2012, pagina 050.

20 Het proces-verbaal van bevindingen Schipholpasgegevens van 6 augustus 2013 (aanvulling, los opgenomen) en het loopproces-verbaal zaaksdossier B09 van 20 november 2012, pagina 014.

21 Een schriftelijk bescheid, te weten een print van camerabeelden van 28 juni 2012, pagina 074 en het loopproces-verbaal zaaksdossier B09 van 20 november 2012, pagina 014.

22 Het loopproces-verbaal zaaksdossier B09 van 20 november 2012, pagina 014. De rechtbank merkt ten aanzien van de bakengegevens in zaaksdossier B09 op dat deze zich weliswaar niet in het thans onderhavige zaaksdossier bevinden, maar zijn gerelateerd in het op ambtseed opgemaakte loopproces-verbaal, welke de rechtbank zal bezien in samenhang met de overige bewijsmiddelen.

23 Het proces-verbaal van 2e verhoor verdachte [medeverdachte 1] van 31 oktober 2012, C17, pagina 059.

24 Een schriftelijk bescheid, inhoudende de weergave van het tapgesprek van 28 juni 2012, pagina 051.

25 Een schriftelijk bescheid, inhoudende de weergave van het OVC-gesprek van 28 juni 2012, pagina 052.

26 Een schriftelijk bescheid, inhoudende de weergave van het tapgesprek van 28 juni 2012, pagina 053.

27 Een schriftelijk bescheid, inhoudende de weergave van het OVC-gesprek van 28 juni 2012, pagina 054.

28 Een schriftelijk bescheid, inhoudende de weergave van het OVC-gesprek van 30 juni 2012, pagina 059.

29 Een schriftelijk bescheid, inhoudende de weergave van het tapgesprek van 30 juni 2012, pagina 060.

30 Een schriftelijk bescheid, inhoudende de weergave van het tapgesprek van 30 juni 2012, pagina 062.