Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:10914

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-04-2013
Datum publicatie
14-11-2013
Zaaknummer
HAA 12/2384
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijstand in de vorm van renteloze geldlening die later is omgezet in bedragen om niet vormen uitkeringen of verstrekkingen in de zin van de Wet IB 2001. Deze uitkeringen of versstrekkingen zijn periodiek indien na de eerste omzetting van de geldlening in een bedrag om niet redelijkerwijs te verwachten is dat deze zou worden gevolgd door een volgende uitkering/verstrekking die wordt omgezet in een bedrag om niet.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-2799
V-N Vandaag 2013/2596
mr. J. Zandee-Dingemanse annotatie in NTFR 2014/578
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Zaaknummer: AWB 12/2384

Uitspraakdatum: 25 april 2013

Uitspraak in het geding tussen

[X] , wonende te [Z], eiser,

gemachtigde: mr. P.A. Caljé

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Midden, kantoor Hoofddorp, verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2010 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.068. Voorts is bij beschikking een bedrag van € 17 aan heffingsrente aan eiser vergoed.

1.2.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 april 2012 de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2013. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Namens verweerder zijn verschenen T.V. van der Veen en A. Berkhuizen.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Eiser dreef vanaf 2008 een onderneming. Deze onderneming is in 2010 gestaakt. Aan eiser met ingang van 1 mei 2008 op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) en het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (hierna: Bbz) bijstand verleend voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. De bijstand is (voorlopig) verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening en werd in 2008 en 2009 in maandelijkse termijnen uitbetaald.

2.2.

De bijstand voor de jaren 2008 en 2009 is in het jaar 2010 bij beschikkingen van 15 april 2010 en 16 november 2010 definitief vastgesteld. Volgens de beschikking van 15 april 2010 is de bijstand voor het jaar 2008 definitief vastgesteld op € 1.782,72 en heeft eiser nog recht op een nabetaling van € 374,75, aangezien hij een bedrag van € 1.407,07 heeft ontvangen. Volgens de beschikking van 16 november 2010 is de bijstand voor het jaar 2009 definitief vastgesteld op € 10.831,53 en heeft eiser nog recht op een nabetaling van € 23,53, aangezien hij een bedrag van € 10.807,98 heeft ontvangen.

2.3.

Eiser heeft over het jaar 2010 aangifte ib/pvv gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.068. De aangifte vermeldt bij de inkomsten uit vroegere dienstbetrekking een bedrag van € 28.657 aan uitkering van de Gemeente [Z] (en een bedrag aan loonheffing van € 8.427). Hiervan heeft € 19.361 betrekking op de in 2008 en 2009 toegekende bijstand (inclusief de in 2010 afgedragen loonheffing van € 5.693). De aanslag ib/pvv 2010 is overeenkomstig de aangifte opgelegd.

3 Geschil

In geschil is of de door eiser ontvangen bijstand die betrekking heeft op de jaren 2008 en 2009 belast is voor de ib/pvv in het jaar 2010. Ter zitting is komen vast te staan dat in de onderhavige procedure niet (meer) in geschil is of eiser recht heeft op middeling, aangezien middeling pas aan de orde is op het moment dat (in ieder geval) de onderhavige aanslag onherroepelijk is komen vast te staan.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Op de voet van artikel 3.81 van de Wet IB 2001 in verbinding met artikel 34 van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) en artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 behoren periodieke uitkeringen of verstrekkingen ingevolge de Wwb tot het loon. Aangezien - voor zover hier van belang - artikel 34 van de Wet LB strekt tot heffing van loonbelasting ter zake van periodieke uitkeringen en verstrekkingen waarover tevens inkomstenbelasting wordt geheven, dient daarbij wel (tevens) sprake te zijn van een periodieke uitkering of verstrekking in de zin van de Wet IB 2001 (artikel 3.100 e.v. van de Wet IB 2001).

4.2.

De rechtbank stelt vast dat aan eiser in 2008 en 2009 ingevolge de Wwb en op de voet van artikel 10 en 11 van het Bbz algemene bijstand is verleend in de vorm van renteloze geldleningen. Deze leningen zijn in 2010 op de voet van artikel 11, tweede lid, en 12 van het Bbz middels de beschikkingen van 15 april 2010 en 16 november 2010, naar tussen partijen niet in geschil is, omgezet in bedragen om niet.

4.3.

In het Bbz is - voor zover van belang - opgenomen:

Artikel 5. Boekjaar

De algemene bijstand wordt per boekjaar vastgesteld.

(…)

Artikel 10. Vormen van bijstand

Algemene bijstand kan naar de regels van dit besluit worden verleend in de vorm van een renteloze geldlening, die al dan niet geheel of gedeeltelijk kan worden omgezet in een bedrag om niet of in de vorm van een bedrag om niet.

Artikel 11. Uitbetaling van lening

1. Algemene bijstand heeft voorlopig de vorm van een renteloze geldlening die in maandelijkse termijnen wordt uitbetaald.

2. Zodra het inkomen bekend is over het boekjaar waarin de in het eerste lid bedoelde bijstand is verleend, wordt de hoogte van deze bijstand definitief vastgesteld en vindt, voor zover het vermogen van de zelfstandige de van toepassing zijnde grens van artikel 3 niet te boven gaat, tot die hoogte omzetting plaats in een bedrag om niet.

Artikel 12. Definitieve vaststelling netto inkomen

1. Het college neemt een nadere beslissing met betrekking tot de verleende bijstand, bedoeld in artikel 11, eerste lid, nadat het college het netto inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep definitief heeft vastgesteld.

2. Indien de verleende bijstand, vermeerderd met het in het desbetreffende boekjaar behaalde netto inkomen:

a. minder is dan de jaarnorm, wordt ambtshalve voor het verschil bijstand verleend, met dien verstande dat de in totaal te verlenen bijstand niet meer bedraagt dan de jaarnorm berekend naar evenredigheid over de periode waarin over het desbetreffende boekjaar bijstand is verleend, waarbij de als geldlening verstrekte bijstand wordt omgezet in een bedrag om niet;

b. gelijk is aan de jaarnorm, wordt de als geldlening verstrekte bijstand omgezet in een bedrag om niet;

c. meer is dan de jaarnorm, wordt de bijstand ter grootte van het verschil teruggevorderd en wordt de rest van de als geldlening verstrekte bijstand omgezet in een bedrag om niet.”

4.4.

Eiser heeft ten eerste aangevoerd dat de omzetting van de lening in een bedrag om niet geen periodieke uitkering vormt. Eiser stelt zich hierbij op het standpunt dat de omzetting van de lening een kwijtschelding betreft en dat een kwijtschelding geen uitkering is in de zin van de Wet IB 2001. Hij verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 7 februari 1962, nr. 14.706, LJN AX8010, BNB 1962/105. Eiser stelt zich ten tweede op het standpunt dat geen sprake is van periodiciteit en verwijst in dat kader naar het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2005, nr. 39.687, LJN AQ7159, BNB 2006/5.

4.5.

Vooropgesteld zij dat van een uitkering in de zin van de Wet IB 2001 slechts kan worden gesproken, indien een geldsom aan de genieter is betaald of een prestatie aan hem is gedaan (vgl. de HR weergegeven in de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 24 oktober 1962, nr. 82/1962, LJN AX9747, BNB 1963/36). Naar het oordeel van de rechtbank vormt de omzetting van de aan eiser ter bijstand verstrekte leningen in een uitkering om niet in 2010, een uitkering of verstrekking in de zin van de Wet IB 2001. Dit geldt zowel in het geval de in artikel 11, tweede lid, en artikel 12 van het Bbz bedoelde omzetting moet worden gezien als een kwijtschelding van de vordering op eiser als in het geval deze omzetting moet worden gezien als verrekening van een schuld tot betaling van de definitieve uitkering met de vordering op eiser. In beide gevallen vindt er immers een waardeovergang plaats en geniet eiser een voordeel. Aldus is sprake van een prestatie aan eiser die is aan te merken als een uitkering in de zin van de Wet IB 2001.

Overigens geldt dat voor zover er naast de omzetting van de lening tevens bedragen zijn betaald in 2010 ter zake van de bijstandsuitkeringen over 2008 en 2009, dat deze hoe dan ook als uitkering hebben te gelden in 2010.

4.6.

Voor wat betreft de periodiciteit van de uitkering heeft het volgende te gelden. De verstrekking van een geldlening is naar zijn aard geen periodieke uitkering of verstrekking, aangezien hiervoor een terugbetalingsverplichting geldt. Dat de renteloze geldlening in het onderhavige geval in maandelijkse termijnen werd uitbetaald, brengt derhalve (anders dan verweerder heeft gesteld) ook nog niet mee dat er sprake is van periodiciteit voor wat betreft de uitkering. Voor de vraag of sprake is van periodiciteit is van belang of op het moment van de eerste uitkering redelijkerwijs uitkeringen uit dezelfde ontstaansgrond te verwachten waren (vgl. HR 4 juni 1980, nr. 19.887, LJN AW9967, BNB 1980/200). Daarbij dient in ogenschouw te worden genomen dat de onderhavige uitkering, gelet op artikel 5 van het Bbz, niet van maand tot maand ontstaat, maar dat deze steeds over een jaar ontstaat. Dat de uitkering over een jaar ontstaat blijkt ook uit het feit dat bij vaststelling van de uitkering het jaarinkomen wordt vergeleken met de jaarnorm en het recht op bijstand derhalve niet per maand wordt toegekend.

In casu is van periodiciteit derhalve eerst sprake indien de eerste omzetting per 15 april 2010 voor het jaar 2008 naar redelijker wijze te verwachten was, zou worden gevolgd door een of meer uitkeringen ingevolge het Bbz voor volgende jaren. Aangezien eiser ook in 2009 een lening verstrekt heeft gekregen op grond van het Bbz en ten tijde van de eerste uitkering in april 2010 redelijkerwijs reeds voorzienbaar was dat ook de ter bijstand voor het jaar 2009 verstrekte lening zou worden omgezet in een bedrag om niet, is voldaan aan het vereiste van periodiciteit. Bij dit laatste is van belang dat de onderneming van eiser in 2010 is gestaakt en dat in april 2010 voor eiser kenbaar moet zijn geweest dat zijn inkomen in het jaar 2009 niet boven de jaarnorm volgens het Bbz zou uitkomen.

4.7.

Aldus heeft verweerder het bedrag van € 19.361 terecht in de ib/pvv voor het jaar 2010 betrokken. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. de Jong, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.T. van Arnhem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.