Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:10905

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-09-2013
Datum publicatie
14-11-2013
Zaaknummer
HAA 12/4213 t/m 12/4215, 12/4217 t/m 12/4223
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Immateriële schadevergoeding. Geen processueel belang bij beroep indien in bezwaarfase niet is verzocht om schadevergoeding nu voor het in behandeling nemen van een afzonderlijk verzoek om schadevergoeding door de belastingrechter geen grond bestaat. Geen recht op immateriële schadevergoeding ondanks tijdsverloop van ruim acht jaar, gelet op de complexiteit en omvang van de zaken alsmede gelet op de procesopstelling van belanghebbende (instemming met aanhouding).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2545
FutD 2013-2801
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 12/4213 tot en met 12/4215 en 12/4217 tot en met 12/4223

Uitspraakdatum: 26 september 2013

Uitspraak van de meervoudige kamer in de gedingen tussen

[X] , wonende te [Z], eiser,

gemachtigde: mr. drs. S. Bharatsingh,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Amsterdam, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de gedingen

1.1.1.

Verweerder heeft aan eiser over het jaar 1991 een navorderingsaanslag vermogensbelasting (hierna: vb) opgelegd, berekend naar een belastbaar vermogen van ƒ 458.000. In de navorderingsaanslag is een verhoging begrepen van ƒ 3.664 (100% van het nagevorderde bedrag), waarvan geen kwijtschelding is verleend. Gelijktijdig is bij beschikking een bedrag van ƒ 1.716 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.2.

Verweerder heeft aan eiser over het jaar 1990 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 95.695. In de navorderingsaanslag is een verhoging begrepen van ƒ 13.536 (100% van het nagevorderde bedrag), waarvan geen kwijtschelding is verleend. Gelijktijdig is bij beschikking een bedrag van ƒ 6.355 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.3.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2001 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.269 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 14.735. Gelijktijdig is bij beschikkingen een boete van € 4.420 opgelegd en is een bedrag van € 422 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.4.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2002 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.261 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 14.735. Gelijktijdig is bij beschikkingen een boete van € 4.420 opgelegd en is een bedrag van € 276 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.5.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2003 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.399 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.082. Gelijktijdig is bij beschikkingen een boete van € 4.524 opgelegd en is een bedrag van € 556 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.6.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2004 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 55.927 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.714. Gelijktijdig is bij beschikkingen een boete van € 4.714 opgelegd en is een bedrag van € 414 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.7.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2005 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.732 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 16.256. Gelijktijdig is bij beschikkingen een boete van € 4.876 opgelegd en is een bedrag van € 682 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.8.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2006 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 57.857 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 16.760. Gelijktijdig is bij beschikkingen een boete van € 5.028 opgelegd en is een bedrag van € 612 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.9.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2007 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar onder meer een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 60.927. Gelijktijdig is bij beschikkingen een boete van € 448 opgelegd en is een bedrag van € 61 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.10.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2008 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 60.412 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 17.290. Gelijktijdig is bij beschikkingen een boete van € 5.187 opgelegd en is een bedrag van € 488 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.1.

Bij uitspraak op bezwaar van 27 juli 2012 heeft verweerder de navorderingsaanslag vb 1991 (inclusief de daarbij behorende verhoging en heffingsrentebeschikking) vernietigd.

1.2.2.

Bij uitspraak op bezwaar van 27 juli 2012 heeft verweerder de navorderingsaanslag ib/pvv 1990 (inclusief de daarbij behorende verhoging en heffingsrentebeschikking) vernietigd.

1.2.3.

Bij uitspraak op bezwaar van 27 juli 2012 heeft verweerder de aanslag ib/pvv 2001 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.269 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 811, de daarbij behorende heffingsrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd en de boetebeschikking verminderd tot € 145.

1.2.4.

Bij uitspraak op bezwaar van 27 juli 2012 heeft verweerder de aanslag ib/pvv 2002 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.261 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 717, de daarbij behorende heffingsrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd en de boetebeschikking verminderd tot € 129.

1.2.5.

Bij uitspraak op bezwaar van 27 juli 2012 heeft verweerder de aanslag ib/pvv 2003 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.425 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 727, de daarbij behorende heffingsrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd en de boetebeschikking verminderd tot € 130.

1.2.6.

Bij uitspraak op bezwaar van 27 juli 2012 heeft verweerder de aanslag ib/pvv 2004 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 55.927 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 739, de daarbij behorende heffingsrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd en de boetebeschikking verminderd tot € 132.

1.2.7.

Bij uitspraak op bezwaar van 27 juli 2012 heeft verweerder de aanslag ib/pvv 2005 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.732 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 383, de daarbij behorende heffingsrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd en de boetebeschikking verminderd tot € 73.

1.2.8.

Bij uitspraak op bezwaar van 27 juli 2012 heeft verweerder de aanslag ib/pvv 2006 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 57.857 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 24, de heffingsrentebeschikking vernietigd en de boetebeschikking verminderd tot € 4.

1.2.9.

Bij uitspraak op bezwaar van 27 juli 2012 heeft verweerder de aanslag ib/pvv 2007 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 60.927 en de heffingsrentebeschikking en de boetebeschikking verminderd tot nihil.

1.2.10.

Bij uitspraak op bezwaar van 27 juli 2012 heeft verweerder de aanslag ib/pvv 2008 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 60.412 en de heffingsrentebeschikking en de boetebeschikking verminderd tot nihil.

1.3.

Eiser heeft tegen voornoemde uitspraken beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2013. Namens eiser is daar de gemachtigde voornoemd verschenen. Namens verweerder zijn B. Swart en V.P. Wakkerman verschenen.

1.5.

Het beroep van eiser tegen de navorderingsaanslag vb 1991 heeft de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 12/4213. Het beroep van eiser tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 1990 heeft de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 12/4214. Het beroep van eiser tegen de aanslag ib/pvv 2001 heeft de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 12/4215. Het beroep van eiser tegen de aanslag ib/pvv 2002 heeft de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 12/4217. Het beroep van eiser tegen de aanslag ib/pvv 2003 heeft de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 12/4218. Het beroep van eiser tegen de aanslag ib/pvv 2004 heeft de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 12/4219. Het beroep van eiser tegen de aanslag ib/pvv 2005 heeft de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 12/4220. Het beroep van eiser tegen de aanslag ib/pvv 2006 heeft de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 12/4221. Het beroep van eiser tegen de aanslag ib/pvv 2007 heeft de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 12/4222. Het beroep van eiser tegen de aanslag ib/pvv 2008 heeft de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 12/4223.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

In 1994 hebben (ex-)medewerkers van de Kredietbank Luxemburg in Luxemburg documenten en microfiches van deze bank ontvreemd.

2.2.

Op 27 oktober 2000 zijn de gegevens die betrekking hebben op de microfiches door de Belgische autoriteiten op basis van richtlijn 77/799/EEG in het kader van een spontane uitwisseling van inlichtingen aan het (Nederlandse) Ministerie van Financiën verstrekt.

2.3.

Op de microfiches stonden gegevens van twee rekeningen met nummer 123052 op naam van eiser en zijn toenmalige echtgenote. Per 31 januari 1994 stonden op de rekeningen twee saldi met een totaal bedrag van ƒ 231.571.

2.4.1.

Op 9 juli 2002 heeft verweerder eiser verzocht informatie te verschaffen over een in het buitenland aangehouden bankrekening. Eiser is daarbij verzocht een daartoe bijgevoegde verklaring in te vullen en deze te retourneren. Naar aanleiding daarvan is tussen eiser en verweerder diverse malen gecorrespondeerd.

2.4.2.

Eiser heeft de gevraagde informatie niet verstrekt. Verweerder heeft daarop ter behoud van rechten de navorderingsaanslagen vb 1991 en ib/pvv 1990 vastgesteld naar een geschat bedrag.

2.5.

Eiser heeft aangifte ib/pvv voor de jaren 2001 tot en met 2008 gedaan. Verweerder heeft naar aanleiding van de aangiftes op 8 november 2004 (2001 en 2002), op 27 oktober 2006 (2003 en 2004), op 10 juli 2008 (2005 en 2006) en op 15 december 2010 (2007 en 2008) een voornemen tot afwijking van de aangifte en kennisgeving boete (als bedoeld in artikel 67k van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, hierna: AWR, tekst 2008 en eerder) verzonden. Bij brieven van 31 december 2004 (2001 en 2002), van 20 december 2006 (2003 en 2004), van 22 december 2008 (2005 en 2006) en van 31 december 2010 (2007 en 2008) heeft verweerder aan eiser een mededeling (als bedoeld in artikel 67g van de AWR) verzonden.

2.6.1.

Op 6 januari 2003 heeft eiser pro forma bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen vb 1991 en ib/pvv 1990 en heeft hij verzocht om uitstel voor de motivering van het bezwaar. Bij brief van 29 januari 2003 heeft eiser ingestemd met het voorstel van verweerder d.d. 28 januari 2003 om het bezwaar aan te houden totdat onherroepelijk uitspraak zou zijn gedaan in soortgelijke procedures.

2.6.2.

Op 2 februari 2005 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de aanslagen ib/pvv 2001 en 2002. Op 9 februari 2007 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de aanslagen ib/pvv 2003 en 2004. Op 22 januari 2009 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de aanslagen ib/pvv 2005 en 2006. Op 2 februari 2011 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de aanslag ib/pvv 2007 en op 8 juni 2011 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de aanslag ib/pvv 2008. In deze bezwaarschriften heeft eiser eveneens verzocht uitstel van motivering te verlenen en zich akkoord verklaard met aanhouding van het bezwaar totdat onherroepelijk zou zijn beslist op de in 2.6.1 genoemde soortgelijke procedures alsmede in de procedures van eiser bij het Gerechtshof te Amsterdam (met o.a. kenmerk BK-04/02830).

2.7.

Op 8 maart 2012 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij onder meer naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2012, nrs. 10/05100 en 11/01420 (de procedures over de aan eiser opgelegde navorderingsaanslagen ib/pvv 1991-2000 en vb 1992-2000) het aanhouden van de bezwaren niet langer noodzakelijk acht. Verweerder heeft eiser daarop verzocht de bezwaren te motiveren en rekeningafschriften met betrekking tot de jaren 2006 tot en met 2008 te verstrekken.

2.8.1.

Vervolgens hebben eiser en verweerder mondeling overleg gehad waarin is besloten dat verweerder zal uitgaan van een door eiser opgesteld saldo-overzicht (bijlage 75 bij het verweerschrift) dat de gemachtigde in december 2007 in het kader van een procedure voor andere jaren aan het gerechtshof heeft toegestuurd. Voorts heeft verweerder op 28 maart 2012 op verzoek van eiser een vaststellingsovereenkomst opgemaakt in het kader van een compromis met betrekking tot de nog lopende bezwaarschriften.

2.8.2.

Verweerder heeft op 16 mei 2012 op verzoek van eiser een gewijzigde vaststellingsovereenkomst opgemaakt voor alle in geschil zijnde belastingjaren. Op 15 juni 2012 heeft verweerder opnieuw op verzoek van eiser een gewijzigde vaststellingsovereenkomst opgemaakt.

2.8.3.

Op 5 juli 2012 heeft eiser meegedeeld de vaststellingsovereenkomst niet te zullen ondertekenen.

2.9.

Bij brief van 19 juli 2012 heeft verweerder aan eiser meegedeeld de navorderingsaanslagen vb 1991 en ib/pvv 1990 te zullen vernietigen en voor de aanslagen ib/pvv 2001-2008 uit te zullen gaan van de eerder gemaakte berekeningen (die als bijlage bij de concept-vaststellingsovereenkomst van 15 juni 2012 waren gevoegd).

3 Geschil

In geschil is of eiser recht heeft op immateriëleschadevergoeding. Voorts is de boete met betrekking tot het jaar 2005 in geschil.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Verweerder heeft met betrekking tot het jaar 2005 bij uitspraak op bezwaar van 27 juli 2012 de boetebeschikking verminderd tot € 73. Met verweerder en eiser is de rechtbank van oordeel dat deze boete te hoog is vastgesteld en dient te worden verminderd tot € 57. Reeds hierom dient het beroep gegrond te worden verklaard.

4.2.

Ter zitting heeft eiser verklaard dat, indien de boete voor het jaar 2005 verminderd wordt tot € 57, de (navorderings)aanslagen, de boetebeschikkingen en de heffingsrentebeschikkingen niet in geschil zijn. Nu de boete voor het jaar 2005 wordt verminderd tot € 57, leidt de rechtbank uit de verklaringen van eiser ter zitting van 15 augustus 2013 af dat eiser zich thans kan verenigen met de hoogte van de onder 1.2.3 tot en met 1.2.10 genoemde aanslagen, boetebeschikkingen en heffingsrentebeschikkingen. Voorts leidt de rechtbank uit eisers verklaring af dat hij zich kan verenigen met de onder 1.2.1 en 1.2.2 genoemde uitspraken op bezwaar waarbij de navorderingsaanslagen ib/pvv 1990 en vb 1991 (alsmede de daarbij behorende verhogingen en heffingsrentebeschikkingen) zijn vernietigd. Eiser heeft zijn beroepen evenwel niet ingetrokken omdat hij per aanslag een immateriëleschadevergoeding wenst te ontvangen van € 500 voor elk halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden.

4.3.

Met betrekking tot de navorderingsaanslagen ib/pvv 1990 en vb 1991 overweegt de rechtbank als volgt. Nu verweerder de navorderingsaanslagen (inclusief verhoging en heffingsrentebeschikking) bij uitspraak op bezwaar heeft vernietigd, heeft eiser geen belang meer bij het beroep tegen de navorderingsaanslagen omdat hij niet in een gunstigere positie kan komen te verkeren dan waarin hij thans verkeert (vgl. HR 3 december 2010, nr. 09/04397, ECLI:NL:HR:2012:BO5988). In de uitspraken op bezwaar van 27 juli 2012 is over het recht op schadevergoeding geen beslissing gegeven nu eiser daar tijdens de bezwaarfase niet om heeft gevraagd. Gelet op een en ander is thans in beroep geen sprake (meer) van een geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan. Voorts kan niet worden gezegd dat eiser met het oog op de gevraagde schadevergoeding belang heeft bij een oordeel van de rechtbank over de gegrondheid van de beroepen. Eisers verzoek om immateriëleschadevergoeding vormt daarom onvoldoende grond voor het vaststellen van een processueel belang voor deze aanslagen. Voor het in behandeling nemen door de belastingrechter van een afzonderlijk verzoek om schadevergoeding bestaat geen wettelijke grondslag. De beroepen tegen de navorderingsaanslagen ib/pvv 1990 (inclusief verhoging en heffingsrentebeschikking) en vb 1991 (inclusief verhoging en heffingsrentebeschikking) dienen dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.4.

In het hiernavolgende beperkt het geschil zich derhalve tot de vraag of eiser recht heeft op immateriëleschadevergoeding ten aanzien van de aanslagen ib/pvv 2001 tot en met 2008 in verband met de spanning en frustratie die hij heeft ervaren vanwege de procesduur.

4.5.

Op 10 juni 2011 heeft de Hoge Raad beslist dat het rechtszekerheidsbeginsel, dat aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) mede ten grondslag ligt, ertoe noopt dat ook zuivere belastinggeschillen (zonder boete) binnen een redelijke termijn worden beslecht en dat in voorkomend geval overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, dient te leiden tot vergoeding van immateriële schade (nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BO5080 en BO5087). Voor de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in HR 22 april 2005, nr. 37.984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Dit betekent dat als uitgangspunt geldt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. Die termijn vangt op grond van de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011 in beginsel aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een bedrag van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

4.6.1.

In het onderhavige geval is de termijn aangevangen met de ontvangst door verweerder op 2 februari 2005 van het bezwaarschrift tegen de oudste aanslagen, de aanslagen ib/pvv 2001 en 2002 (gedagtekend 31 december 2004). De uitspraak van de rechtbank is gedagtekend op 26 september 2013 zodat het totale tijdsverloop 8 jaar en 8 maanden bedraagt.

4.6.2.

Het bezwaarschrift tegen de aanslagen ib/pvv 2003 en 2004 (met dagtekening 29 december 2006) is ontvangen op 9 februari 2007. De uitspraak van de rechtbank is gedagtekend op 26 september 2013 zodat het totale tijdsverloop 6 jaar en 8 maanden bedraagt.

4.6.3.

Het bezwaarschrift tegen de aanslagen ib/pvv 2005 en 2006 (met dagtekening 22 december 2008) is ontvangen op 22 januari 2009. De uitspraak van de rechtbank is gedagtekend op 26 september 2013 zodat het totale tijdsverloop 4 jaar en 9 maanden bedraagt.

4.6.4.

Het bezwaarschrift tegen de aanslag ib/pvv 2007 (met dagtekening 31 december 2010) is ontvangen op 2 februari 2011. De uitspraak van de rechtbank is gedagtekend op 26 september 2013 zodat het totale tijdsverloop 2 jaar en 8 maanden bedraagt.

4.6.5.

Het bezwaarschrift tegen de aanslag ib/pvv 2008 (met dagtekening 3 mei 2001) is ontvangen op 8 juni 2011. De uitspraak van de rechtbank is gedagtekend op 26 september 2013 zodat het totale tijdsverloop 2 jaar en 4 maanden bedraagt.

4.6.6.

Het betreft hier een zowel feitelijk als juridisch dermate complexe en omvangrijke zaak dat er zich naar het oordeel van de rechtbank bijzondere omstandigheden voordoen die afwijking van de regel (2 jaars-termijn) rechtvaardigen. Naar het oordeel van de rechtbank is het redelijk om reeds daarom de twee-jaarstermijn te verlengen met een halfjaar. Dit houdt in dat met betrekking tot de aanslag ib/pvv 2008 de redelijke termijn niet is overschreden.

4.6.7.

Daarnaast ziet de rechtbank in de procesopstelling van eiser reden om voor aanvang van de redelijke termijn niet zonder meer uit te gaan van het moment dat eiser bezwaar heeft gemaakt tegen de opgelegde aanslagen. In het bezwaarschrift van 31 december 2004 (gericht tegen de aanslagen ib/pvv 2001 en 2002), dat op 2 februari 2005 door verweerder is ontvangen, heeft eiser immers verzocht om uitstel van de motivering en ingestemd met aanhouding van het bezwaar totdat onherroepelijk uitspraak zou zijn gedaan in de Nauta Dutilh-procedures en de procedure van eiser die bij het Gerechtshof te Amsterdam liep (gericht tegen de navorderingsaanslagen ib/pvv 1991 tot en met 2000 en de navorderingsaanslagen vb 1992 tot en met 2000). In de latere bezwaarschriften van 8 februari 2007 (gericht tegen de aanslagen ib/pvv 2003 en 2004), 22 januari 2009 (gericht tegen de aanslagen ib/pvv 2005 en 2006), 2 februari 2011 (gericht tegen de aanslag ib/pvv 2007) en 8 juni 2011 (gericht tegen de aanslag ib/pvv 2008) heeft eiser deze instemming met aanhouding herhaald en wederom verzocht om uitstel van de motivering.

4.6.8.

Op 14 november 2006 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in de door Nauta Dutilh aangespannen procedure over onder meer de onrechtmatigheid van de microfiches (HR 14 november 2006, nr. 02324/5, ECLI:NL:HR:2006:AX7471). Verder heeft de Hoge Raad op 26 februari 2010 uitspraak gedaan in de door Nauta Dutilh aangespannen procedure over de verlengde navorderingstermijn (HR 26 februari 2010, nr. 43670bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9120).

4.6.9.

Op de beroepen met betrekking tot de navorderingsaanslagen ib/pvv 1991 tot en met 2000 heeft het Gerechtshof Amsterdam op 14 oktober 2010 uitspraak gedaan en op de beroepen met betrekking tot de navorderingsaanslagen vb 1992 tot en met 2000 heeft het Gerechtshof Amsterdam op 10 februari 2011 uitspraak gedaan. Eiser is tegen de uitspraken van het Gerechtshof Amsterdam in cassatie gegaan. Op 27 januari 2012 heeft de Hoge Raad arrest gewezen op de cassatieberoepen van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank dient het tijdsverloop tot het arrest van 27 januari 2012 dan ook voor rekening van eiser te blijven gelet op zijn instemming met aanhouding en het belang dat dit arrest had voor de afdoening van de thans in geding zijnde aanslagen.

4.6.10.

Bovendien heeft eiser aan verweerder drie maal verzocht om een vaststellingsovereenkomst op te maken. De tijdsduur die met het opmaken van die overeenkomsten gemoeid is, dient eveneens aan eiser te worden toegerekend. Dat is in ieder geval vanaf 28 maart 2012 (de aanbieding van de eerste vaststellingsovereenkomst) tot 5 juli 2012 (de brief van eiser waarin hij te kennen geeft de vaststellingsovereenkomst niet te willen ondertekenen). Dat is een periode van iets meer dan drie maanden.

4.6.11.

Gelet op het voorgaande dient het tijdsverloop tot 27 januari 2012 voor rekening van eiser te blijven. Vervolgens komt een tijdsverloop van iets meer dan drie maanden voor rekening van eiser en dient de termijn verder verlengd te worden met zes maanden vanwege de complexiteit. De conclusie is dan dat de redelijke termijn in geen van de onderhavige procedures is overschreden, dat de verzoeken om immateriëleschadevergoeding dienen te worden afgewezen en dat de beroepen tegen de aanslagen ib/pvv 2001 tot en met 2008 ongegrond dienen te worden verklaard.

4.7.

Eiser heeft ter zitting nog verwezen naar de projectmatige aanpak van verweerder met betrekking tot de zogenoemde KB-luxzaken en de mededeling van verweerder dat dergelijke zaken zullen worden aangehouden. In verband daarmee heeft eiser onder meer brieven van verweerder overgelegd uit 2003, 2006 en 2008. Naar het oordeel van de rechtbank is de projectmatige aanpak van verweerder noch diens standpunt over de aanhouding van KB-Luxzaken hier van belang nu eiser zelf verzocht heeft om uitstel van de motivering en heeft ingestemd met aanhouding van de bezwaarprocedures.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet gelet op het in 4.1 overwogene aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 944 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en wegingsfactor 1).

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep inzake de boetebeschikking voor het jaar 2005 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar van 27 juli 2012 voor zover het deze boete betreft;

  • -

    vermindert de boetebeschikking voor het jaar 2005 tot € 57;

  • -

    bevestigt de uitspraak op bezwaar betreffende de aan eiser opgelegde aanslag ib/pvv 2005 voor het overige;

  • -

    verklaart de beroepen inzake de navorderingsaanslagen ib/pvv 1990 en vb 1991 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart de beroepen inzake de navorderingsaanslagen ib/pvv 2001 tot en met 2008 ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om immateriëleschadevergoeding af;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in beroep van € 944;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 42 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, voorzitter, mr. J.P.A. Boersma en mr. A. van Dongen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.T. van Arnhem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 september 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.