Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:10904

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-09-2013
Datum publicatie
14-11-2013
Zaaknummer
HAA 10/4511 t/m 10/4518, 10/4520
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2015:5187, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opzettelijke verzwijging van buitenlandse bankrekening rechtvaardigt boete van 50% nu belanghebbende geen openheid van zaken heeft gegeven. Geen recht op immateriële schadevergoeding nu uitsluitend boetes in geschil zijn en deze boetes reeds zijn verminderd in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2528
FutD 2013-2804
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 10/4511 tot en met 10/4518 en 10/4520

Uitspraakdatum: 26 september 2013

Uitspraak van de meervoudige kamer in de gedingen tussen

[X] , wonende te [Z], eiser,

gemachtigde: mr. drs. S. Bharatsingh,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi, kantoor Hilversum, verweerder.

1 Procesverloop

1.1.

Verweerder heeft op 17 oktober 2008 aan eiser voor het jaar 1997 een navorderingsaanslag vermogensbelasting opgelegd van € 464 en bij beschikking een bedrag van € 204 aan heffingsrente in rekening gebracht. Verweerder heeft tevens bij beschikking een boete van € 464 opgelegd.

1.2.

Verweerder heeft op 17 oktober 2008 aan eiser voor het jaar 1998 een navorderingsaanslag vermogensbelasting opgelegd van € 405 en bij beschikking een bedrag van € 167 aan heffingsrente in rekening gebracht. Verweerder heeft tevens bij beschikking een boete van € 405 opgelegd.

1.3.

Verweerder heeft op 17 oktober 2008 aan eiser voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag vermogensbelasting opgelegd van € 367 en bij beschikking een bedrag van € 139 aan heffingsrente in rekening gebracht. Verweerder heeft tevens bij beschikking een boete van € 367 opgelegd.

1.4.

Verweerder heeft op 24 september 2008 aan eiser voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd van € 454 en bij beschikking een bedrag van € 123 aan heffingsrente in rekening gebracht. Verweerder heeft tevens bij beschikking een boete van € 420 opgelegd.

1.5.

Verweerder heeft op 24 september 2008 aan eiser voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd van € 420 en bij beschikking een bedrag van € 100 aan heffingsrente in rekening gebracht. Verweerder heeft tevens bij beschikking een boete van
€ 420 opgelegd.

1.6.

Verweerder heeft op 24 september 2008 aan eiser voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd van € 420 en bij beschikking een bedrag van € 88 aan heffingsrente in rekening gebracht. Verweerder heeft tevens bij beschikking een boete van
€ 420 opgelegd.

1.7.

Verweerder heeft op 24 september 2008 aan eiser voor het jaar 2004 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd en bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Verweerder heeft tevens bij beschikking een boete opgelegd.

1.8.

Verweerder heeft op 24 september 2008 aan eiser voor het jaar 2005 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd en bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Verweerder heeft tevens bij beschikking een boete opgelegd.

1.9.

Verweerder heeft op 17 oktober 2008 aan eiser voor het jaar 2000 een navorderingsaanslag vermogensbelasting opgelegd van € 406 en bij beschikking een bedrag van € 128 aan heffingsrente in rekening gebracht. Verweerder heeft tevens bij beschikking een boete van € 406 opgelegd.

1.10.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 23 juli 2010 de navorderingsaanslagen en de beschikkingen gehandhaafd.

1.11.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de voornoemde uitspraken op bezwaar.

1.12.

Verweerder heeft de navorderingsaanslagen ib/pvv voor de jaren 2004 en 2005 en de daarmee samenhangende beschikkingen vernietigd (beroepen 10/4517 en 10/4518). Verweerder heeft op de overige zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend (beroepen 10/4511 tot en met 10/4516 en 10/4520).

1.13.

Eiser heeft op 25 november 2010 de beroepen 10/4517 en 10/4518 ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

1.14.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2013.

Namens eiser is verschenen de gemachtigde. Namens verweerder is verschenen mr. H.R. Gras.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Op 8 februari 2008 heeft verweerder aan eiser en zijn echtgenote per brief een verzoek om informatie gezonden. In de brief staat vermeld dat uit onderzoek van de Belastingdienst is gebleken dat eiser en zijn echtgenote gerechtigd zijn (geweest) tot vermogensbestanddelen in het buitenland. Aan eiser en zijn echtgenote is verzocht om het bijgevoegde formulier ‘Opgaaf Buitenlands vermogen’ in te vullen en binnen tien werkdagen terug te sturen. In de brief zijn eiser en zijn echtgenote gewezen op de verplichting om de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken en op de gevolgen die intreden indien eiser en zijn echtgenote niet aan deze verplichting voldoen.

2.2.

Bij brief van 14 februari 2008 heeft de gemachtigde namens eiser en zijn echtgenote op het onder 2.1 bedoelde verzoek gereageerd. In de brief heeft de gemachtigde meegedeeld dat hij nog niet in de gelegenheid is om inhoudelijk op het verzoek te reageren en verweerder verzocht om de bescheiden te overleggen waarop het vermoeden is gebaseerd dat eiser en zijn echtgenote vermogensbestanddelen in het buitenland bezitten die zij niet in hun aangiften ib/pvv hebben vermeld. Tot slot heeft de gemachtigde aangekondigd niet eerder dan einde week 10 op het verzoek te kunnen reageren.

2.3.

Bij brief van 18 februari 2008 heeft verweerder op de onder 2.2 bedoelde brief gereageerd. Verweerder heeft in de brief ten eerste verzocht om een machtiging, ten tweede herhaald dat eiser en zijn echtgenote de vragen moeten beantwoorden omdat het om een simpele vragenbrief gaat die zonder uitgebreide fiscale voorbereiding kan worden ingevuld en ten derde meegedeeld dat hij aan het verzoek om bescheiden geen gehoor zal geven. Verweerder heeft opnieuw gewezen op de gevolgen indien de gevraagde gegevens niet worden verstrekt.

2.4.

Bij brief van 25 februari 2008 heeft de gemachtigde de gevraagde machtiging verstrekt.

2.5.

Bij brief van 3 maart 2008 heeft verweerder de gemachtigde een herinnering gestuurd en aangedrongen op beantwoording van de vragen op het formulier binnen vijf werkdagen. Eiser en zijn gemachtigde hebben niet op deze brief gereageerd.

2.6.

Op 2 april 2008 heeft de FIOD-ECD een verzoek om wederzijdse bijstand gezonden aan het Bundeszentralamt für Steuern in Bonn, Duitsland. Het verzoek betreft eiser en zijn echtgenote. Als betrokken rechtspersoon in Duitsland is genoemd [A BEDRIJF] te [A PLAATS] (en [B BEDRIJF]). Onder het kopje ‘Inhalt des Ersuchens’ staat vermeld:

“Die niederländische Steuerbehörde hat bezüglich des Herrn [X] und der Frau [A], [ADRES] Auskünfte über den Besitz eines Bankkontos, mit der Nummer [A NUMMER], bei der [A BEDRIJF] erhalten. Das Konto wurde im Oktober 1982 eröffnet.

Herr und Frau [X] haben erklärt, ihnen seien kein Bankkonto bei der [A BEDRIJF] bekannt. In der Einkommens-/Vermögenssteuererklärung wird kein Vermögen im Ausland angegeben.”

2.7.

Bij brief van 14 juli 2008 heeft de FIOD-ECD het antwoord van de Duitse autoriteiten naar verweerder doorgezonden (een brief van 8 juli 2008). Bij de brief is een brief van [A BEDRIJF] van 13 mei 2008 gevoegd. Uit laatstgenoemde brief kan worden afgeleid dat eiser en zijn echtgenote bij [A BEDRIJF] met ingang van 12 oktober 1982 over diverse bankrekeningen beschikten. Bij de brief zijn diverse bijlagen gevoegd over de aangehouden bankrekeningen, waaronder overzichten voor de jaren 1998 tot en met 2003. Voor de eerdere jaren zijn de gegevens volgens [A BEDRIJF] niet meer beschikbaar.

2.8.

Bij brief van 31 juli 2008 heeft verweerder aan de gemachtigde een kennisgeving navorderingsaanslagen ib/pvv en vermogensbelasting over de periode 1996 tot en met 2005 gezonden. Een deel van de voorgenomen navorderingsaanslagen is gebaseerd op schattingen en gemiddelden, omdat [A BEDRIJF] voor de jaren 1996 en 1997 niet meer over de relevante gegevens beschikte en eiser geen verklaring heeft gegeven over de besteding of overboeking van de van deze bankrekeningen opgenomen gelden. Tevens heeft verweerder aangekondigd dat hij boetes van 100% zal opleggen wegens (voorwaardelijke) opzet met strafverzwarende omstandigheden. Bij de brief zijn diverse bijlagen en berekeningen gevoegd. Verweerder heeft de gemachtigde in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na dagtekening van de brief de gronden van de navorderingsaanslagen en boetes te betwisten. Eiser en zijn gemachtigde hebben niet op deze brief gereageerd.

2.9.

Bij brief van 10 september 2008 heeft verweerder bevestigd dat hij de aangekondigde navorderingsaanslagen en boetes zal opleggen.

2.10.

Bij het bezwaarschrift van 20 oktober 2008 heeft de gemachtigde aangevoerd dat bij de berekening van de navorderingsaanslagen geen rekening is gehouden met bewaarloon en met buitenlandse bronheffing. Voor de jaren 1997 tot en met 2003 gaat eiser volgens de gemachtigde akkoord met de aangebrachte correcties. Voor de jaren 2004 en 2005 gaat eiser niet akkoord, omdat de bankrekeningen in 2003 zouden zijn opgeheven. Voor de boetes doet de gemachtigde een beroep op de regeling voor belastingplichtigen die openheid van zaken geven. Tevens verwijst de gemachtigde naar de prejudiciële vragen die zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de verlengde navorderingstermijn. Voor de vermogensbelasting doet de gemachtigde een beroep op de oudedagsvrijstelling. Voorts verzoekt de gemachtigde om vermindering van de grondslag in box 3 voor de jaren 2001 tot en met 2003 met de heffingsrente en de boete. Bij het bezwaarschrift is een overzicht bijgesloten van [A BEDRIJF] van 14 maart 2008 met gegevens van de bankrekeningen tot en met 2003.

2.11.

Bij brief van 18 december 2008 heeft verweerder aan de gemachtigde om aanvullende gegevens verzocht, zoals bewijs dat eiser bewaarloon heeft betaald, dat bronheffing is ingehouden en dat de bankrekeningen zijn opgeheven. Voorts heeft verweerder aangedrongen op antwoord op de vragenbrief van 8 februari 2008 om duidelijkheid te krijgen over de besteding van het saldo dat aanwezig was op de bankrekeningen.

2.12.

Bij brief van 19 december 2008 heeft verweerder aan eiser om nadere gegevens verzocht over door hem en/of zijn echtgenote aangehouden buitenlandse bankrekeningen.

2.13.

Bij brief van 14 januari 2009 heeft de gemachtigde aan verweerder enkele overzichten van [A BEDRIJF] gezonden waaruit bewaarloon voor de jaren 1998 en 1999 blijkt en verzocht om een standpunt over de vraag of de boete in box 3 als schuld kan worden opgenomen. Voorts heeft de echtgenote van eiser de ‘Opgaaf Buitenlands vermogen’ ingevuld. Dit formulier is als bijlage bij de brief gevoegd. Op het formulier heeft de echtgenote van eiser vermeld dat zij gerechtigd is geweest tot een of meerdere buitenlandse bankrekeningen en dat deze bankrekeningen zijn aangehouden bij de [A BEDRIJF] in Duitsland. Voorts heeft de echtgenote van eiser een rekeningnummer ingevuld en geschat dat de bankrekening tussen 1980 en 1988 is geopend.

2.14.

Bij brief van 4 februari 2009 heeft verweerder aan de gemachtigde meegedeeld dat de omkering van de bewijslast van toepassing is. Voorts heeft verweerder aangedrongen op beantwoording van de al verzonden vragenbrieven. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt volgens verweerder dat het saldo van slechts een van de aangehouden bankrekeningen is uitbetaald. Verweerder acht de beantwoording van de vragenbrieven door eiser ook op dit punt essentieel. Tot slot heeft verweerder een (afwijzend) standpunt ingenomen over de opname van de boete in box 3. Verweerder heeft de gemachtigde verzocht om voor 25 februari 2009 te reageren.

2.15.

Bij brief van 20 augustus 2009 heeft verweerder aan de gemachtigde een voornemen tot uitspraak op bezwaar gezonden. Verweerder heeft aangekondigd rekening te zullen houden met het bewaarloon en de ingehouden bronheffing, maar alle overige gronden en het verzoek om proceskostenvergoeding te zullen afwijzen. Verweerder heeft de gemachtigde de gelegenheid geboden om een afspraak te maken om te worden gehoord.

2.16.

Bij brief van 24 juni 2010 heeft verweerder aangekondigd dat uitspraak op bezwaar zal worden gedaan conform de brief van 20 augustus 2009.

3 Geschil

Voor de beroepen 10/4511 tot en met 10/4516 en 10/4520 is in geschil of de boetes tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is van strafverzwarende omstandigheden, of de boetes dienen te worden verminderd omdat eiser volledige openheid van zaken heeft gegeven en of de redelijke termijn is overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn dient volgens eiser te leiden tot vermindering van de boetes en tot toekenning van een immateriëleschadevergoeding. Voor de beroepen 10/4517 en 10/4518 is uitsluitend de proceskostenvergoeding in geschil.

4 Beoordeling van het geschil

De beroepen 10/4511 tot en met 10/4516 en 10/4520

4.1.

De rechtbank stelt, gelet op de verklaring van de gemachtigde ter zitting, vast dat uitsluitend de boetes in geschil zijn en niet de navorderingsaanslagen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de overige beschikkingen ambtshalve te verminderen.

4.2.

Eiser stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van strafverzwarende omstandigheden, zodat de boetes in ieder geval dienen te worden verminderd tot 50% van de nagevorderde belasting. Daarbij heeft eiser ter zitting verwezen naar de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 5 juli 2012 in een zaak van de broer van belanghebbende, kenmerk 06/00464 en 06/00465, ECLI:NL:GHAMS:2012:LJN: BX1532. Indien wel sprake is van strafverzwarende omstandigheden, dienen deze buiten beschouwing te worden gelaten omdat in de aankondigingsbrief van 31 juli 2008 geen melding is gemaakt van dergelijke omstandigheden, aldus eiser.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van listigheid. Eiser heeft buitenlandse bankrekeningen aangehouden en aan de [A BEDRIJF] blijkens de aanduiding “KEIN VERSAND” opgegeven dat hij geen bankafschriften toegezonden wilde hebben. Eiser heeft de inkomsten uit deze bankrekeningen op listige wijze buiten het bereik van de Nederlandse Belastingdienst willen houden, aldus verweerder.

4.3.1.

De rechtbank acht verweerder erin geslaagd te bewijzen dat eiser de gerechtigdheid tot de buitenlandse bankrekeningen bewust heeft verzwegen. Het gaat om meerdere bankrekeningen, aangehouden bij één bank, terwijl uit de beschikbare gegevens kan worden afgeleid dat de bankrekeningen daadwerkelijk werden gebruikt en beheerd. Eiser wist dat de bankrekeningen bestonden en dat hij gerechtigd was tot het daaruit voortvloeiende inkomen of vermogen. Eiser heeft de bankrekeningen niet in zijn aangiften ib/pvv opgenomen. De rechtbank acht onder deze omstandigheden bewezen dat het aan opzet van eiser is te wijten dat de aanslagen tot te lage bedragen zijn vastgesteld.

4.3.2.

Gelet op de overige door verweerder aangevoerde omstandigheden ziet de rechtbank in dezen geen aanleiding voor een ander oordeel dan verwoord in overweging 4.3.11 van de genoemde uitspraak van Gerechtshof Amsterdam en daarom dienen de boetes beperkt te worden tot 50% van de nagevorderde belasting.

4.4.

In het kader van het Rekeningenproject heeft de Belastingdienst een vaste gedragslijn gevolgd waar het gaat om de hoogte van de boetes. Deze belopen in beginsel 100%, maar worden verminderd tot 50% ingeval een KB-Luxrekeninghouder vóór het opleggen van de navorderingsaanslag alsnog volledige openheid van zaken geeft met betrekking tot de verzwegen (inkomsten uit) tegoeden en tot 75% indien de KB-Luxrekeninghouder deze volledige openheid in de bezwaarfase geeft. Tussen partijen is niet in geschil dat deze gedragslijn ook op de onderhavige situatie dient te worden toegepast.

4.5.

Eiser stelt zich, naar de rechtbank begrijpt, op het standpunt dat uit de vaste gedragslijn een verdere halvering van de boetes voortvloeit. Verweerder verwerpt dit standpunt. De Belastingdienst heeft de informatie zelf opgevraagd in Duitsland. Eiser heeft de vragenbrieven niet beantwoord en geen volledige openheid van zaken gegeven.

4.6.

De rechtbank kan het standpunt van eiser niet volgen. Uit de in de uitspraak opgenomen feiten blijkt dat eiser geen volledige openheid van zaken heeft gegeven over de door hem aangehouden buitenlandse bankrekeningen. De Belastingdienst heeft de relevante gegevens opgevraagd via de Richtlijn voor wederzijdse bijstand. Eiser heeft deze gegevens niet verstrekt, hoewel verweerder hem daartoe ruimschoots in de gelegenheid heeft gesteld en gedurende de aanslag- en bezwaarfase telkens op beantwoording van de aan eiser gestelde vragen heeft aangedrongen. Eiser heeft de vragenbrieven niet inhoudelijk beantwoord. Dat eiser de juistheid van de in Duitsland opgevraagde gegevens tijdens de bezwaarfase heeft bevestigd, staat niet gelijk aan het geven van volledige openheid van zaken. Eiser heeft gewacht tot verweerder de gegevens uit Duitsland zou krijgen en hiermee de kans voorbij laten gaan om zelf volledige openheid van zaken te geven. De grondslag van de in geschil zijnde navorderingsaanslagen is tijdens de bezwaarfase niet verminderd. Dat eiser op een later moment het bewijs heeft geleverd dat de bankrekeningen in 2003 zijn opgeheven, maakt voor de resterende boetes niet uit. De rechtbank ziet daarom op dit punt geen aanleiding voor een verdere vermindering van de opgelegde boetes.

4.7.

Eiser beroept zich voorts op undue delay. De redelijke termijn van artikel 6 EVRM is volgens eiser overschreden. Verweerder erkent dat de bezwaarfase te lang heeft geduurd.

4.8.

In beginsel is sprake van overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 van het EVRM indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak heeft gedaan (zie HR 22 april 2005, nr. 37 984, LJN: AO9006, BNB 2005/337). Deze termijn vangt aan op het moment dat jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd.

4.9.

De redelijke termijn is naar het oordeel van de rechtbank aangevangen met de brief van 31 juli 2008 waarin verweerder eiser op de hoogte heeft gesteld van zijn voornemen om boetes te zullen opleggen. Deze termijn is geëindigd met de uitspraak van de rechtbank. De totale behandelingsduur bedraagt dus ruim 5 jaar. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat er geen bijzondere omstandigheden zijn of vertragingen die voor rekening van eiser dienen te komen. Tijdens de beroepsfase zijn evenmin dergelijke omstandigheden gebleken, zodat de redelijke termijn is overschreden met ruim 3 jaar. Hoewel aan eiser enige vertraging kan worden verweten (zo heeft de gemachtigde twee keer om uitstel van de mondelinge behandeling verzocht en is van de zijde van eiser niet gereageerd op vragen van verweerder), zal de rechtbank hieraan gelet op de totale duur van de overschrijding geen concrete gevolgen verbinden. De rechtbank ziet aanleiding de boetes te matigen met 20% (vergelijk de uitspraken van Gerechtshof Amsterdam, waaronder ook overweging 4.4.5 in de onder 4.2 genoemde uitspraak van 5 juli 2012).

4.10.

Eiser verzoekt voorts in verband met overschrijding van de redelijke termijn om een immateriëleschadevergoeding. In het onderhavige geval is de termijn voor berechting in beroep aangevangen met de ontvangst door verweerder van het bezwaarschrift van 20 oktober 2008. Op het moment dat de rechtbank uitspraak doet is de redelijke termijn met bijna drie jaar overschreden, aldus eiser.

4.11.

Indien het geschil betrekking heeft op meerdere beschikkingen, waaronder een boetebeschikking, rijst de vraag of de omstandigheid dat de boetebeschikking wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt verminderd, een afdoende remedie is voor overschrijding van de redelijke termijn indien het geschil mede een belastingaanslag betreft. De Hoge Raad overwoog in dit verband in het arrest van 10 juni 2011, nr. 09/05113, LJN: BO5087, onder meer gepubliceerd in BNB 2011/234, dat indien een procedure betrekking heeft op zowel een belastingaanslag als een daarmee samenhangende boete, immateriëleschadevergoeding en boetevermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn naast elkaar worden toegepast. Indien een procedure slechts betrekking heeft op een boetebeschikking, gelijk de onderhavige beroepen, is er evenwel geen grond voor toekenning van schadevergoeding op de (analoge) grondslag van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) naast boetematiging wegens overschrijding van diezelfde termijn (vgl. ABRvS 4 mei 2010, nr. 200906243/1/V6, LJN: BM3243). De rechtbank heeft de boetes wegens overschrijding van de redelijke termijn met 20% gematigd en ziet geen aanleiding om daarnaast een vergoeding wegens immateriële schade toe te kennen. De rechtbank wijst het verzoek om immateriëleschadevergoeding af.

De beroepen 10/4517 en 10/4518

4.12.

In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan eiser is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a van de Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.

4.13.

De rechtbank stelt vast dat de beroepen 10/4517 en 10/4518 zijn ingetrokken omdat verweerder volledig tegemoet is gekomen aan eiser en eiser tegelijk met de intrekking van de beroepen heeft verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.

4.14.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen recht op proceskostenvergoeding toekomt aangezien – kort gezegd – bij hem geen sprake is van verwijtbaarheid.

4.15.

Gelet op de samenhang tussen alle onderhavige beroepen zal de rechtbank de proceskostenveroordeling in zijn totaliteit beoordelen onder punt 5 van de uitspraak.

5 Proceskosten

Eiser heeft verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten voor de bezwaar- en de beroepsfase wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden kosten, die eiser in verband met de behandeling van het bezwaarschrift redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van eiser voor zover de bestreden besluiten worden herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Nu de rechtbank van oordeel is dat verweerder de boetes naar te hoge bedragen heeft opgelegd is er aanleiding om eiser een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de bezwaarfase.

Nu de rechtbank de beroepen gegrond acht, geldt hetzelfde voor de beroepsfase.

Het toe te kennen bedrag komt op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand uit op € 1.743 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 218, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van
€ 472 en een factor 1,5 wegens samenhang).

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen met de nummers 10/4511 tot en met 10/4516 en 10/4520 gegrond;

  • -

    vernietigt de met de gegrond verklaarde beroepen samenhangende uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de boete;

  • -

    vermindert de resterende boetes tot 40%;

  • -

    wijst het verzoek om immateriëleschadevergoeding af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.743;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. J.P.A. Boersma en
mr. A.A. Fase, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.T. van Arnhem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 september 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.