Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:10855

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-11-2013
Datum publicatie
14-11-2013
Zaaknummer
15/741237-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank acht bewezen dat slachtoffer op de oprit van de A7 door een messteek om het leven is gekomen. De verklaring van verdachte dat er sprake is geweest van een worsteling met het mes in de auto, waarbij dat mes per ongeluk door een botsing, in de borst van slachtoffer terecht is gekomen, wordt als onaannemelijk door de rechtbank gepasseerd. Vrijspraak van moord. Het enkele feit dat verdachte kennelijk de beschikking had over een mes is voor de rechtbank onvoldoende om uit te gaan van een plan bij verdachte om slachtoffer te doden.

Wel veroordeling voor doodslag. Opzet op de dood van slachtoffer kan bewezen worden.

(Gedeeltelijke) Niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partijen (de nabestaanden), nu de wet niet voorziet in de mogelijkheid van vergoeding van immateriële schade die verdachte aan de benadeelde partijen heeft toegebracht.

Verdachte veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/741237-12

Uitspraakdatum: 14 november 2013

Tegenspraak

Vonnis (P)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 11 februari 2013, 22 april 2013, 18 juni 2013, 12 augustus 2013 en 1 november 2013in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Midden Holland te Haarlem.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. F.H.A. Schlingemann en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. K. Durdu, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 oktober 2012 te Wijdewormer, gemeente Wormerland, opzettelijk (en met voorbedachten rade)[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), met een mes, althans met een scherp voorwerp, voornoemde [slachtoffer] in de borststreek (ter hoogte van het hart) gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Inleiding

Op vrijdag 26 oktober 2012 omstreeks 23:20 uur komt er bij de Regionale meldkamer Zaanstreek-Waterland een melding binnen dat er op de Leeghwaterweg (N515) te Wijdewormer, gemeente Wormerland, ter hoogte van de afrit van de Rijksweg A7, een auto tegen een verkeershek was gereden. Eenmaal ter plaatse aangekomen treft de politie één persoon aan, liggend op de oprit van de Rijksweg A7, dit betreft slachtoffer[slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]). Hij bleek een steekwond ter hoogte van zijn hart te hebben. Kort hierna is [slachtoffer] in het ziekenhuis overleden.

4 Bewijs

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, in de zwaarste vorm, te weten moord.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft gepleit voor vrijspraak van het ten laste gelegde feit, nu er geen sprake is geweest van voorbedachte raad en verdachte niet het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om het slachtoffer dood te steken.

4.3.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 26 oktober 2012 tussen 22:30 uur en 23:00 uur is [slachtoffer] in de auto gestapt bij verdachte.2 Verdachte zou hem die avond een groot geldbedrag moeten betalen. Verdachte had dat geld niet. Op enig moment vindt er een aanrijding plaats op de afrit van de A7 waarbij de auto van verdachte met een snelheid van tussen de 15 en 20 kilometer per uur3 tegen een hek botst. Beide inzittenden, te weten verdachte en [slachtoffer], zijn uitgestapt.4

Die avond worden er door diverse getuigen twee personen waargenomen op de oprit van de rijksweg A7 richting Purmerend. De wegsituatie is als volgt:

5

Getuige [getuige 1] reed als bestuurder van een auto op de Leeghwaterweg op voornoemde datum rond 23:20 uur vanuit Zaandam richting de A7. Hij zag aan de linkerkant een andere auto staan. Die was tegen een hek aangereden en allebei de deuren stonden open maar er was niemand bij die auto. Vervolgens reed hij onder de A7 door.6 Toen [getuige 1] de bocht om reed, zag hij dat er twee mannen midden op de weg stonden. Zij stonden heel dicht bij elkaar. Ze stonden aan de rechterkant van de rijbaan net op de vluchtstrook.7 Aan de rechterzijde stond een Marokkaanse jongen.8 [getuige 1] noemt deze persoon ‘man 2’. Hij had kort zwart haar en was ongeveer 1.85 a1.90 centimeter lang.9 Aan de andere kant stond een Nederlandse jongen.10 Deze man leek rond de dertig jaar oud te zijn, was ongeveer 1.80 centimeter lang en had bruin haar tot op zijn schouders. [getuige 1] noemt hem ‘man 1’.11 Op het moment dat [getuige 1] de hoek om kwam stonden ze met hun gezichten tegenover elkaar. [getuige 1] weet heel zeker dat ze heel dicht bij elkaar stonden. Toen [getuige 1] eenmaal de hoek om draaide zag [getuige 1] dat de blanke man direct wegliep van de Marokkaanse jongen.12 [getuige 1] zag dat hij over de rijbaan liep en vervolgens over het gras in de richting van de Leeghwaterweg liep.13 Toen de blanke man voorbij [getuige 1] kwam liep hij nog, maar daarna zag [getuige 1] dat hij ging rennen.14 [getuige 1] zag de Marokkaanse man aan de rechterkant van de weg staan. Deze trok zijn shirt omhoog, toen [getuige 1] hem tegemoet reed.15 De Marokkaanse man bevond zich op ongeveer een meter naast de auto van de [getuige 1]. [getuige 1] zag zijn blote bast tot net onder zijn borst. Hij zag daar niets vreemds aan. Op het moment dat de eerste man wegliep, was de Marokkaanse man aan het waggelen. [getuige 1] zag dat de Marokkaanse man nog wel op de vluchtstrook liep, maar dat hij richting de rijbaan waggelde waar getuige reed. [getuige 1] is daarom uitgeweken naar links om zo om hem heen te rijden. Op het moment dat hij de Marokkaanse man voorbij reed, zag [getuige 1] hem in elkaar zakken.16

[getuige 1] heeft tijdens zijn eerste verhoor op een luchtfoto van de situatie ter plaatse door middel van kruisjes aangegeven waar de genoemde personen zich bevonden. Op deze foto is dit door de [getuige 1] aangegeven met twee kruisjes, daarbij vermeld ‘man 1’ en ‘man 2’. De weg die ‘man 1’ rennend af heeft gelegd is aangegeven met een pijl.17 [getuige 1] heeft op 24 november 2012 nogmaals aangewezen waar hij de twee personen heeft waargenomen. Dit is door verbalisanten ingetekend op een luchtfoto van de situatie.18 Te zien is dat [getuige 1] twee personen op de oprit van de A7 heeft waargenomen, welke dicht bij elkaar stonden.

De ene persoon stond links van de doorgetrokken streep en de andere persoon stond rechts van de doorgetrokken streep.19

Getuige[getuige 2] zat bij getuige [getuige 1] in de auto.20 Zij verklaart dat zij onder het viaduct doorreden richting de oprit van de A7 richting Purmerend. Net nadat zij de oprit waren opgereden zag zij rechts in de berm een jongen staan. Hij zwaaide met zijn armen. [getuige 2] kreeg het idee dat hij hun wilde laten stoppen. Volgens [getuige 2] betrof dit een Marokkaanse jongen. [getuige 2] noemt hem ‘jongen 1’.21 Toen ze ongeveer 100 meter verder waren zag zij in haar linkerooghoek wat. Zij zag een jongen. Hij was heen en weer aan het lopen en rende half. Hij viel een paar keer en stond dan weer op. [getuige 2] dacht dat het een Nederlandse jongen was. Daar bedoelt zij mee dat hij blank was. Zij dacht dat hij ongeveer 180 centimeter lang was. Hij had een kort baardje en halflang donker haar. Hij maakte een dronken indruk. [getuige 2] noemt hem tijdens haar verhoor ‘jongen 2’. [getuige 2] zag dat jongen 1 over de vluchtstrook rende. Het was bijna met vallen en opstaan. Ze zag dat hij stopte en zijn shirt omhoog trok. Zij zag geen bijzonderheden.22 Hij stond, ten opzichte van de auto waarin getuige zat, op de vluchtstrook tegen de rijbaan aan. Zij moesten met de auto uitwijken voor jongen 1. Ze reden verder door de oprit op. [getuige 2] heeft zich omgedraaid en zag toen dat jongen 1 midden op de weg lag. Op het moment dat jongen 1 op de grond lag, liep jongen 2 in de middenberm, hij keek steeds om zich heen 23 [getuige 2] heeft bij haar verhoor op een luchtfoto door middel van een sterretje de positie van jongen 2 getekend. Op dezelfde luchtfoto heeft getuige door middel van een kruisje de positie van jongen 1 getekend.24

Getuige [getuige 3] kwam op voornoemde datum omstreeks 23:20 uur uit de richting van Zaandam, vanaf de richting van de Zaanse Schans. Zij is aan het eind van de weg linksaf gegaan, naar de oprit van de A7 richting Purmerend. Na ongeveer tien meter zag [getuige 3] op de oprit twee manspersonen. Aan de linkerkant van de weg liep een man struikelend.25 Aan de rechterkant van de weg liep een man die getuige probeerde te laten stoppen door voor haar auto te springen. Deze persoon trok zijn shirt omhoog. [getuige 3] zag op zijn borst strepen van boven naar beneden. Getuige dacht dat het bloed was. De twee mannen maakten de indruk in paniek te zijn.26

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij na de botsing is uitgestapt en richting de oprit is gerend. Ook [slachtoffer] is uitgestapt en weggerend. Op enig moment is verdachte teruggerend naar de auto.27 Verdachte heeft verklaard dat hij hierbij is gevallen.28

[getuige 4], toentertijd de vriendin van verdachte, heeft verklaard dat ze die avond thuis aan het wachten was op verdachte. Om 23.30 was hij nog niet thuis en belde ze hem drie keer zonder dat hij opnam. Vlak daarna belde hij terug en was hij helemaal in paniek. Hij zei dat ze onmiddellijk de woning uit moest. Al bellend met verdachte heeft zij de woning verlaten. Onderweg vertelde verdachte haar over de telefoon dat hij bedreigd was met een mes en dat hij bang was dat dat mes in die andere persoon terecht was gekomen. Hij vertelde haar dat hij bedreigd werd omdat ze geld wilden. Hij zei dat [getuige 4] niet naar huis kon omdat zij daar niet zeker was van haar leven. 29

Ook de vader van verdachte werd in de nachtelijke uren van 26 oktober 2012 door verdachte in paniek gebeld. Hij hoorde hem toen letterlijk zeggen: “Ik heb gestoken. Ik ga nu [getuige 4] ophalen en ik ga naar een hotel”. Getuige heeft aan verdachte gevraagd wat hij nou precies zei. Toen hoorde hij verdachte zeggen dat hij iemand had gestoken.30

Verbalisanten zagen op 26 oktober 2012 omstreeks 23:25 uur een man, die zij herkenden als [slachtoffer] bij de Rijksweg A7 ter hoogte van hectometerpaal 7.4 midden op de oprit liggen. Er werd door hen geen hartslag waargenomen bij het slachtoffer. Zij zagen dat de kleding van het slachtoffer doordrenkt was met bloed, danwel een op bloed lijkende substantie.31 Verbalisant zag een wond ter hoogte van de hartstreek.32 Ook zag hij dat er een gat zat in het t-shirt van het slachtoffer, ter hoogte van de wond.33 [slachtoffer] overlijdt op 27 oktober 2012 om 00:59 uur.34

Na onderzoek bleek dat bij het slachtoffer linksboven aan de borst op circa 140 centimeter van de voetzolen en circa 8 centimeter van het midden, een scherprandige perforatie van

3 x 0,5 centimeter met het aspect van een steekverwonding zat. In relatie met de steekverwonding zoals hiervoor beschreven was er een steekkanaal te herleiden aan het gestrekte lichaam vrijwel recht van voor naar achter en iets voetwaarts tot in het hart (ter plaatse van de gehechte wond). De lengte van het steekkanaal was niet goed vast te stellen wegens de verrichte handelingen maar bedroeg tenminste enkele centimeters. In het steekkanaal waren de borstwand, de derde rib links en het hart in de beide hartkamers geperforeerd.35 De conclusie luidt dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van een steekverwonding.36

In de Volkswagen Golf, welke auto op naam staat van verdachte, werd onder de passagiersstoel een mes aangetroffen met een totale lengte van ongeveer 34 centimeter. Op het lemmet van dit mes werd bloed aangetroffen.37 Dit bleek bloed van het slachtoffer te zijn.38

Voorts heeft sporenonderzoek uitgewezen dat er over een afstand van circa 189 meter, gemeten vanaf de plaats van de aanrijding van de auto van verdachte met het hek, geen bloeddruppels zijn aangetroffen op het wegdek. Er zijn bloedspatten en bloedvegen van het bloed van [slachtoffer]39 aangetroffen op de oprit van de A7 op respectievelijk 189 meter en 190 meter vanaf de plaats van de aanrijding. De bebloede telefoon van het slachtoffer is aangetroffen op circa 210 meter vanaf de plaats van de aanrijding. Het slachtoffer zelf is aangetroffen op circa 261 meter gemeten vanaf de plaats van de aanrijding.40

Volgens patholoog Maes van het Nederlands Forensisch instituut is het onwaarschijnlijk dat [slachtoffer] na een dergelijke verwonding aan zijn hart nog 300 meter zelfstandig lopend heeft afgelegd.41 Cardioloog prof.dr. De Mol heeft gerapporteerd dat het hem onwaarschijnlijk lijkt dat het slachtoffer met deze verwonding nog ten minste 260 meter lopend en rennend heeft afgelegd, hoewel niet uitgesloten. Een loopafstand van 72 meter is mogelijk en wel met een grotere mate van waarschijnlijkheid.42

Het Nederlands Forensisch instituut heeft vragen in verband met de sectie van [slachtoffer] beantwoord. Bevindingen wijzen uit dat het steekkanaal voornamelijk verliep van voor naar achter en verder gering van links naar rechts en enigszins van boven naar onder. Door het steekkanaal werden huid en spieren van de borstkas geperforeerd, werd de 3e rib aan diens zijkant aangesneden en werden het hartoppervlak en de hartspier gedeeltelijk geperforeerd.43 Het effect van het bloedverlies was dusdanig dat aan de hand van het aspect van de lijkvlekken en inwendige organen en slijmvliezen de patholoog bij sectie kon stellen dat er fors bloedverlies is opgetreden.44 Voornoemd bloedverlies kan opgetreden zijn ter plaatse van het oplopen van het letsel of over het gehele traject dat het slachtoffer mogelijk heeft afgelegd na oplopen van het letsel.45

Het volgende kon, aldus het NFI, worden gesteld:

  • -

    de krachtsinwerking (door het naar voren bewegen ten tijde van de botsing) zoals beschreven in het technisch onderzoek naar de botsing bevindt zich hoogstwaarschijnlijk niet in de hiervoor benodigde grootteorde,

  • -

    de krachtsinwerking (door ‘terugveren’ na optreden van de krachtsinwerking door de botsing) zoals beschreven in het technisch onderzoek naar de botsing bevindt zich niet in de hiervoor benodigde grootteorde.

Bovenstaande (kracht, wijze, hoek en richting geweldsinwerking en hoeveelheid verloren bloed) kan gebruikt worden om de verklaringen danwel scenario’s te toetsen, waarbij in het onderzoek uitgegaan is van de volgende drie scenario’s:

  • -

    Scenario 1: ten tijde van de botsing heeft [slachtoffer] zichzelf in de borst gestoken dan wel [slachtoffer] hield het mes vast en door krachtsinwerkingen door de botsing is het mes in het lichaam van [slachtoffer] gekomen.

  • -

    Scenario 2: verdachte heeft [slachtoffer] in de borst gestoken terwijl beide aanwezig waren in het voertuig.

  • -

    Scenario 3: verdachte heeft [slachtoffer] in de borst gestoken terwijl beide niet (meer) aanwezig waren in het voertuig, doch verder op een oprit.

De uiteindelijke uitslag van het onderzoek, is dat het minder waarschijnlijk is de hiervoor genoemde bevindingen van het onderzoek aan te treffen indien scenario 1 (scenario van verdachte – volgens de rb.) is opgetreden dan indien scenario 3 (scenario officier van justitie – volgens de rb.) is opgetreden.46

4.4.

Bewijsoverwegingen

Verklaring van getuige [getuige 1]

De verdediging heeft (kort samengevat) betoogd dat de belastende verklaringen van[getuige 1] inconsistent en dus onvoldoende betrouwbaar zijn en dat deze verklaringen daarom niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Tijdens de eerste verklaring van [getuige 1] op 28 oktober 2012, twee dagen na de pleegdatum, heeft hij een heldere en eenduidige verklaring afgelegd waarbij hij op een luchtfoto van de plaats delict twee kruisjes heeft genoteerd, die de twee personen die hij heeft waargenomen moesten voorstellen. Tijdens het intekenen van een plattegrond van de plaats delict op 24 november 2012, legt [getuige 1] wederom een consistente en eenduidige verklaring af. Bovendien komt hetgeen [getuige 1] tijdens deze verklaring heeft ingetekend op de plattegrond, in grote lijnen overeen met wat getuige reeds bij zijn eerste verklaring heeft aangegeven en getekend. In een derde verklaring, afgelegd op 8 december 2012, bevestigt [getuige 1] hetgeen hij heeft verteld in zijn eerste (en tweede) verklaring. Ook hier legt [getuige 1] een heldere en eenduidige verklaring af. Ook zijn verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris op 21 mei 2013 acht de rechtbank voldoende consistent. Daarbij komt dat de verklaringen van [getuige 1] grotendeels worden ondersteund door verklaringen van andere getuigen.

Gelet hierop en nu de rechtbank ook anderszins geen reden ziet om aan de juistheid van de verklaringen van [getuige 1] te twijfelen, acht de rechtbank deze verklaringen betrouwbaar, geloofwaardig en bruikbaar voor het bewijs.

Scenario van verdachte

Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] hem in de auto bedreigde met een mes. Dat leidde tot een worsteling tussen [slachtoffer] en hem in de auto.Verdachte reed naar eigen zeggen op dat moment zo’n 60 kilometer per uur en is met die snelheid tegen een hek gebotst, hetgeen een forse klap teweeg bracht. Volgens verdachte moet tijdens die botsing dat mes, dat hij nooit zelf in handen heeft gehad, in de borst van [slachtoffer] terecht zijn gekomen. [slachtoffer] is daarna de auto uitgegaan en is kennelijk vervolgens nog in staat geweest zo’n 260 meter te lopen, aldus verdachte.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Uit het technisch onderzoek blijkt dat - anders dan verdachte heeft verklaard  de auto van verdachte met een snelheid van tussen de 15 en 20 kilometer per uur tegen het hek is gebotst. Daar komt bij dat het NFI het minder waarschijnlijk acht dat de bevindingen van het onderzoek, die zien op de kracht van de steek en het bloedverlies, passen bij het scenario zoals geschetst door verdachte. Deskundigen achten het bovendien onwaarschijnlijk dat het slachtoffer met deze steekwond nog circa 260 meter lopend dan wel rennend heeft kunnen afleggen. Voorts moet uit de verklaring van de getuige [getuige 1] worden afgeleid dat verdachte, anders dan verdachte heeft verklaard, zich samen met [slachtoffer] op de oprit van de A7 richting Purmerend heeft bevonden, waar [slachtoffer] later gewond is aangetroffen. Verdachte heeft daar volgens de getuige vlakbij het slachtoffer gestaan en is vervolgens van hem weggelopen. Direct daarna heeft het slachtoffer geprobeerd auto’s te stoppen en hij heeft daarbij zijn shirt omhoog gehouden. De eerste getuigen hebben niets opvallends aan zijn borstkas gezien. Een volgende getuige, te weten [getuige 3], heeft naar alle waarschijnlijkheid wel bloed op de borstkas van het slachtoffer gezien. [getuige 3] heeft immers verklaard dat zij aan kwam rijden en twee mannen op de oprit zag lopen, de een links en de ander rechts van de oprit. Uit deze beschrijving volgt dat deze waarneming heeft plaatsgevonden, kort na de waarneming van de getuige [getuige 1]. Eén van de mannen probeerde haar auto te laten stoppen. Deze man trok zijn shirt omhoog, waarbij de getuige strepen op zijn borst zag, waarvan zij dacht dat het bloed was.

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer] met een mes in zijn borststreek heeft gestoken op de oprit van de A7 richting Purmerend, waarna het slachtoffer bloed is gaan verliezen en - nadat hij nog kort in staat is geweest te lopen en heeft getracht auto’s aan te houden  in elkaar is gezakt op diezelfde oprit. De verklaring van verdachte dat er sprake is geweest van een worsteling met het mes in de auto, waarbij dat mes per ongeluk in de borst van [slachtoffer] terecht is gekomen, wordt als onaannemelijk door de rechtbank gepasseerd.

Opzet

De verdediging heeft voorts betoogd dat verdachte niet het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer]. Door het mes waarmee verdachte bedreigd werd door [slachtoffer] van zich af te weren, heeft verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] niet bewust aanvaard, aldus de verdediging.

Nu de rechtbank uitgaat van een geheel ander scenario dan waar de verdediging vanuit gaat en dus niet aannemelijk acht dat verdachte zichzelf in de auto tegen het mes moest beschermen, wordt het verweer op dit punt verworpen. De rechtbank acht opzet op de dood van [slachtoffer] bewezen. Gezien het letsel – er was een steekkanaal te herleiden vrijwel recht van voor naar achter en iets voorwaarts tot in het hart – heeft verdachte vrijwel recht in het hart van [slachtoffer] gestoken.

Het met een krachtige beweging steken met een mes in de borstkas van het slachtoffer is een gedraging die reeds naar haar uiterlijke verschijningsvorm en naar algemene ervaringsregelen kan worden aangemerkt als gericht op de dood van het slachtoffer.

4.5.

Vrijspraak

Met de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting valt af te leiden dat verdachte met voorbedachte raad

[slachtoffer] van het leven heeft beroofd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit [slachtoffer] te doden en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Verdachte moet minst genomen de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap hebben gegeven.

Een dergelijk kalm beraad is niet komen vast te staan. De rechtbank acht het veeleer aannemelijk dat verdachte heeft gehandeld in een gemoedsopwelling. Uit het dossier blijkt dat verdachte zich die avond bevond in een staat van extreme stress. [slachtoffer] had de druk op verdachte, om het verschuldigde bedrag die avond te voldoen, in hoge mate opgevoerd. Bovendien had verdachte kort voor het incident cocaïne en alcohol genuttigd, hetgeen zijn gemoedstoestand nog verder heeft beïnvloed. Zelfs indien er van uit moet worden gegaan dat het verdachte was die het mes bij zich had gestoken, is dat onvoldoende om te kunnen spreken van een vooropgezet plan. Niet is vast komen te staan dat verdachte diezelfde avond het mes heeft meegenomen, noch is duidelijk geworden met welk doel verdachte het mes bij zich had. Ook zijn er geen getuigen die hebben gezien op welke wijze en in welke staat verdachte en het slachtoffer de auto hebben verlaten. Ook het feit dat verdachte eerder op de avond bij een zakenpartner van zijn vader heeft gevraagd naar een pistool, acht de rechtbank onvoldoende om daaruit af te leiden dat sprake is van een vooropgezet plan om [slachtoffer] te doden. De omstandigheden waaronder dit verzoek om een pistool plaatsvond wijzen veeleer in de richting van pure paniek.

De rechtbank acht derhalve niet bewezen dat bij verdachte sprake is geweest van voorbedachte raad. Mitsdien kan de tenlastegelegde moord niet bewezen worden, maar wordt vastgesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag.

4.6.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 26 oktober 2012 te Wijdewormer, gemeente Wormerland, opzettelijk[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, met een mes, voornoemde [slachtoffer] in de borststreek ter hoogte van het hart gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

De raadsman heeft namens verdachte een beroep gedaan op noodweer zodat verdachte zou moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte in de auto door [slachtoffer] werd bedreigd met een mes. Verdachte kon niet zonder gevaar uit de auto springen of deze stopzetten. Hierdoor was het noodzakelijk voor verdachte om zichzelf te verdedigen door een worsteling aan te gaan met [slachtoffer] en het mes af te weren en van zich af te duwen.

De rechtbank is, nu zij uitgaat van een ander scenario dan waar de raadsman zich op baseert, van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel een dreigend gevaar daarvoor. Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen blijkt dat de rechtbank er vanuit gaat dat het steken door verdachte niet in de auto heeft plaatsgevonden maar op de oprit van de A7. Niet is aannemelijk geworden dat er op enig moment op de oprit een zo dreigende situatie voor verdachte is ontstaan die het noodzakelijk heeft gemaakt voor verdachte om [slachtoffer] met een mes te steken. De rechtbank verwerpt dientengevolge het beroep op noodweer.

Het bewezenverklaarde levert op:

doodslag.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Gezien het feit dat er in het onderhavig geval geen sprake was van een noodweersituatie, is de rechtbank van oordeel dat ook het beroep op noodweerexces dient te worden verworpen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sanctie

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaar met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

7.2.

. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 29 oktober 2013 en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft [slachtoffer] opzettelijk van het leven beroofd. Op de oprit van de A7 heeft verdachte één keer recht in het hart van [slachtoffer] gestoken, waarna [slachtoffer] is overleden. Verdachte heeft het slachtoffer hiermee het meest fundamentele recht waarover de mens beschikt ontnomen: het recht op leven.

Door de dood van [slachtoffer] en de wijze waarop dat is gebeurd, heeft verdachte de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed toegebracht. Dit blijkt temeer uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen van [benadeelde partij 1], de zus van het slachtoffer, [benadeelde partij 2], de vader van het slachtoffer en [benadeelde partij 3], de moeder van het slachtoffer. Uit voornoemde emotionele verklaringen blijkt hoezeer de nabestaanden van het slachtoffer rouwen om het verlies van hun zoon en broer. Naast de ingrijpende gevolgen voor de nabestaanden, brengt een dergelijk feit angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid in de samenleving teweeg. Dit alles neemt de rechtbank verdachte bijzonder kwalijk.

De ernst van het gepleegde feit rechtvaardigt een langdurige gevangenisstraf.

De omstandigheid dat de rechtbank – anders dan de officier van justitie – tot vrijspraak van moord komt, brengt met zich dat fors zal worden afgeweken van de hoogte van de gevangenisstraf die door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de reclassering van 11 maart 2013, alsmede de Pro Justitia rapportage opgemaakt door Drs. R. Brandsma, (Neuro)Psycholoog/Gezondsheidszorgpsycholoog BIG, d.d. 2 januari 2013. Nu verdachte niet heeft willen meewerken aan het psychologisch onderzoek, zal de rechtbank dit rapport verder buiten beschouwing laten.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat onder meer gekeken naar straffen die ten aanzien van dit soort strafbare feiten in min of meer vergelijkbare gevallen plegen te worden opgelegd.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte en de specifieke omstandigheden van het geval heeft de rechtbank het volgende meegewogen;

Verdachte was al geruime tijd verslaafd aan cocaïne en had daarvoor veel geld nodig. Hij bevond zich dientengevolge in een (financieel) afhankelijke positie ten opzichte van het slachtoffer, [slachtoffer]. Verdachte had zich diep in de schulden gestoken bij [slachtoffer], schulden die verdachte probeerde af te lossen met het geld dat hij van zijn vader kreeg. Deze bedragen liepen, zo blijkt uit de verklaringen van verdachte en zijn vader, hoog op. Uit het onderzoek van bankgegevens blijkt dat verdachte in enkele maanden meer dan € 100.000,- van zijn vader heeft overgemaakt gekregen en opgenomen. Verdachte kwam vervolgens onder druk te staan, welke druk opliep naarmate 26 oktober 2012 naderde. Dat was de dag waarop verdachte een groot schuldbedrag moest betalen aan het slachtoffer, wat onder meer blijkt uit een schriftelijke betalingsovereenkomst die later in de woning van [slachtoffer] is gevonden en de verklaring van [slachtoffer] tegenover zijn vriendin dat “het de 26e allemaal goed zou komen met het geld”. Alhoewel de rechtbank van oordeel is dat verdachte deze benarde situatie waarin hij terecht was gekomen geheel aan zichzelf te wijten heeft gehad, zijn dit wel omstandigheden die de rechtbank bij de strafoplegging in het voordeel van verdachte meeweegt. Het dossier geeft blijk van grote bedragen en torenhoge rentes die daarover betaald moesten worden door verdachte aan [slachtoffer]. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte zich op 26 oktober 2012, de dag waarop verdachte zo’n € 75.000 moest betalen aan [slachtoffer] terwijl verdachte geen geld meer kreeg van zijn vader, ten einde raad heeft gevoeld. De druk werd nog opgevoerd doordat getuige [getuige 5] die dag van [slachtoffer] de opdracht kreeg met verdachte mee te gaan naar Breda om het geld bij de vader van verdachte op te halen en de 56 gemiste oproepen die verdachte alleen al die ochtend van [slachtoffer] had ontvangen.

De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte op 26 oktober 2012 volledig in paniek is geweest omdat hij zich realiseerde een dergelijk groot bedrag niet te kunnen terugbetalen aan [slachtoffer].

8 Vorderingen van de benadeelde partijen

Via hun gemachtigde raadsman mr. R. Korver, hebben [benadeelde partij 2] (de vader van het slachtoffer), [benadeelde partij 3] (de moeder van het slachtoffer) en [benadeelde partij 1] (de zus van het slachtoffer) vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van hun vorderingen. Zij vorderen alle drie een bedrag van € 4.875,- als vergoeding van de immateriële schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht. De moeder en zus van het slachtoffer vorderen daarnaast nog een forfaitair bedrag van € 100,- als materiële kosten (reis- en telefoonkosten). De moeder van het slachtoffer vordert ook een bedrag van € 106,38 voor door haar gemaakte ziektekosten in verband met gezondheidsproblemen als gevolg van het overlijden van haar zoon. De zus van het slachtoffer vordert ten slotte een bedrag van € 384,- als begrafeniskosten.

De benadeelde partijen hebben ter zitting hun vordering doen toelichten door mr. Korver, aan de hand van schriftelijke pleitnotities die hij aan verdachte en aan de rechtbank heeft overgelegd. Hij heeft namens de benadeelde partijen bovendien ter zitting de vorderingen vermeerderd door te vorderen de toe te wijzen bedragen te verhogen met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2012.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen geheel toewijsbaar zijn. De officier van justitie heeft gevorderd hieraan de schadevergoedingsmaatregel te koppelen.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.3.

Oordeel rechtbank

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich lenen voor behandeling in deze strafzaak.

In de strafrechtelijke procedure is voorzien in het instellen van een civielrechtelijke vordering. Deze uitzonderlijke rechtsingang heeft echter een beperkt bereik: een vordering kan alleen worden ingesteld door slachtoffers van strafbare feiten. Het moet bovendien gaan om schade die een rechtstreeks gevolg is van het strafbare feit.

In de Memorie van Toelichting is bij de invoering van deze bepaling (artikel 51a Sv.) het volgende opgemerkt:

“Volgens dit artikel kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich terzake van zijn vordering voegen in het strafproces (…). Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. In het algemeen beschermen strafbepalingen niet het belang van rechtsopvolgers, zodat doorgaans alleen het slachtoffer zelf zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces”.

In de latere parlementaire behandeling is, voor het geval het slachtoffer door het strafbare feit was overleden, de kring van voegingsgerechtigden uitgebreid tot de directe nabestaanden en degenen die met het slachtoffer in gezinsverband samenwoonden mits het slachtoffer geheel of grotendeels in hun levensonderhoud voorzag. De minister van justitie overwoog daarbij:

“Hoewel de overtreden strafbepaling wellicht niet primair hun belangen beoogt te beschermen, maakt het delict daar wel inbreuk op. Het leven van de echtgeno(o)t(e) en de minderjarige kinderen van het overleden slachtoffer kan drastisch worden gewijzigd door het delict”.

Daarbij gaat het om schade, zoals deze is geregeld in art. 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW): de schade wegens derving van levensonderhoud. In deze zaak voorzag het slachtoffer echter niet in het levensonderhoud van zijn ouders of zijn zus, zodat dit geen grond voor ontvankelijkheid kan opleveren.

De wet is ten aanzien van slachtoffers in 2011 gewijzigd in verband met de gedachte dat de positie van het slachtoffer diende te worden versterkt. Dat leidde onder meer tot meer rechten op informatie en dergelijke, maar niet tot een wijziging van degenen die bevoegd zijn om een civiele vordering te kunnen indienen in het strafproces. Nog steeds bleef de eis dat sprake moest zijn van rechtstreekse schade, zoals hiervoor omschreven.

De hiervoor omschreven kring van voegingsgerechtigden is ook later niet gewijzigd. Wel is op 1 september 2012 de kring van spreekgerechtigden uitgebreid, zodat bijvoorbeeld in deze zaak de drie voormelde nabestaanden het woord konden voeren. De groep van personen die als benadeelde partij kunnen worden aangemerkt, is daarbij echter niet verruimd.

Op 15 november 2012 is de EU-Richtlijn tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten van slachtoffers van strafbare feiten in werking getreden (2012/29/EU). Daarin is in artikel 2 lid 1 sub a onder ii bepaald dat de Nederlandse wetgever ervoor moet zorgen dat in de wet ook als “slachtoffer” moeten worden beschouwd familieleden van een persoon wiens overlijden rechtstreeks is veroorzaakt door een strafbaar feit en die schade hebben geleden als gevolg van het overlijden van die persoon. Die Richtlijn dient uiterlijk 16 november 2015 te zijn geïmplementeerd in het Nederlandse recht. Vaststaat dat dat op dit moment (nog) niet het geval is. Deze Richtlijn heeft daarom nu geen rechtstreekse werking en de nabestaanden kunnen er dus ook nog geen beroep op doen.

Het voorgaande brengt mee dat ouders en zus in de onderhavige strafrechtelijke procedure niet kunnen worden ontvangen in hun vorderingen, voor zover deze zien op door henzelf geleden immateriële schade; de wet biedt daarvoor geen mogelijkheid. Daarmee is niet beslist dat de verdachte niet aansprakelijk zou kunnen zijn voor de door de ouders en zus gestelde schade. Het is echter aan de burgerlijke rechter om die aansprakelijkheid vast te stellen.

De rechtbank kan zich voorstellen dat dit voor de ouders en de zus van het slachtoffer – die onherstelbaar leed is aangedaan – een moeilijk te aanvaarden oordeel is. De rechtbank dient echter recht te spreken op grond van de wet, in dit geval het Wetboek van Strafvordering.

De gemachtigde van de benadeelde partijen, mr. R. Korver, heeft ter onderbouwing van de vordering tot immateriële schade nog een beroep gedaan op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven.

Ten onrechte heeft hij daarbij gesteld dat de rechtbank en het gerechtshof in Amsterdam een vordering op die grondslag aan de ouders hebben toegewezen in de strafzaak tegen Robert M. Toewijzing van schadevergoeding had daar immers betrekking op schade die door de misbruikte kinderen zelf was geleden en niet door de ouders.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande uitsluitend de materiële vordering tot schadevergoeding van mevrouw [benadeelde partij 1] ontvankelijk en toewijsbaar voorzover deze betrekking heeft op de gestelde en onderbouwde begrafeniskosten van € 384,- die niet vergoed zijn. Deze kosten vinden immers hun grondslag in artikel 6: 108 lid 2 BW. Die kosten komen volgens art. 51f lid 2 Sv. wel voor vergoeding in het strafproces in aanmerking.

Voor het overige zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard.

Als (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte heeft gemaakt. Deze kosten worden door de rechtbank begroot op nihil.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor een deel van de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht aan de benadeelde partij mevrouw [benadeelde partij 1]. De maatregel wordt opgelegd voor het toegewezen bedrag van € 384,-, verhoogd met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2012.

De toepassing van de daarbij op te leggen hechtenis, bij gebreke van voldoening van het verschuldigde bedrag, heft de opgelegde verplichting niet op.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte impliciet primair ten laste is gelegd en spreekt hem vrij van de ten laste gelegde voorbedachte raad.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 4.6 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaar.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geleden schade tot een bedrag van € 384,00 (zegge: driehonderdvierentachtig euro), bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 oktober 2012 der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 1], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 384,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door zeven (7) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. L.J. Saarloos, voorzitter,

mr. C.A. Boom en mr. G.A.M. van Dijk, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.E. van den Bergh,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 november 2013.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 november 2013 en proces-verbaal van verhoor van 27 oktober 2012 inhoudende de verklaring van getuige [getuige 5], Getuigendossier, pagina G46 en G47

3 Proces-verbaal van bevindingen van 16 april 2013 (los bijgevoegd) en de daarbij behorende bijlage, te weten een proces-verbaal van bevindingen van 8 april 2013

4 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 november 2013

5 De eigen waarneming van de rechtbank ter zitting van 1 november 2013 van deze foto die deel uitmaakt van het Getuigendossier, pagina G313

6 Proces-verbaal van verhoor van 28 oktober 2012 en 8 december 2012 inhoudende de verklaringen van getuige [getuige 1], Getuigendossier, pagina G127 e.v.. In de noten 8 tot en met 18 wordt telkens verwezen naar de verklaringen van [getuige 1], te vinden in de map Getuigendossier.

7 Pagina G128 en pagina G133

8 Pagina G134

9 Pagina G129

10 Pagina G134

11 Pagina G128

12 Pagina G134

13 Pagina G128

14 Pagina G134

15 Pagina G128

16 Pagina G129

17 Pagina G131 en de daarbij behorende bijlage, pagina G132

18 Proces-verbaal Intekenen getuigen van 10 december 2012, Getuigendossier, pagina G310 en pagina G323 en G324

19 Proces-verbaal Intekenen getuigen van 10 december 2012, Getuigendossier, pagina G323

20 Proces-verbaal van verhoor van 28 oktober 2012 inhoudende de verklaring van getuige [getuige 1], Getuigendossier, pagina G126

21 Proces-verbaal van 27 oktober 2012 inhoudende de verklaring van getuige[getuige 2], Getuigendossier, pagina G19

22 Proces-verbaal van 27 oktober 2012 inhoudende de verklaring van getuige[getuige 2], Getuigendossier, pagina G20

23 Proces-verbaal van 27 oktober 2012 inhoudende de verklaring van getuige[getuige 2], Getuigendossier, pagina G21

24 Bijlage behoren bij proces-verbaal van 27 oktober 2012 inhoudende de verklaring van getuige[getuige 2], Getuigendossier, pagina G23

25 Proces-verbaal van verhoor van 30 oktober 2012 inhoudende de verklaring van getuige [getuige 3], Getuigendossier, pagina G40

26 Proces-verbaal van verhoor van 30 oktober 2012 inhoudende de verklaring van getuige [getuige 3], Getuigendossier, pagina G41

27 Proces-verbaal van verhoor van 4 november 2012 inhoudende de verklaring van verdachte, Persoonsdossier, pagina B23

28 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 november 2013

29 Proces-verbaal van verhoor van 7 november 2012 inhoudende de verklaring van getuige[getuige 4], Getuigendossier, pagina G193 en G194

30 Proces-verbaal van verhoor van 7 december 2012 inhoudende de verklaring van getuige [getuige 6], Getuigendossier, pagina G304

31 Proces-verbaal van bevindingen van 27 oktober 2012, Bevindingendossier, pagina E21

32 Proces-verbaal van bevindingen van 27 oktober 2012, Bevindingendossier, pagina E21-E22

33 Proces-verbaal van bevindingen van 27 oktober 2012, Bevindingendossier, pagina E22

34 Schriftelijk bescheid, te weten het ‘Verslag betreffende een niet natuurlijke dood’, W. Barend, d.d. 27 oktober 2012, Bevindingendossier, pagina E41

35 Een rapport van het NFI d.d. 28 december 2012 betreffende Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, Forensisch dossier, pagina 129

36 Een rapport van het NFI d.d. 27 oktober 2012 betreffende de voorlopige bevindingen sectie, Forensisch dossier, pagina 70 en een rapport van het NFI d.d. 28 december 2012 betreffende Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, Forensisch dossier, pagina 131

37 Proces-verbaal van sporenonderzoek van 25 december 2012, Forensisch onderzoek, pagina 79

38 Proces-verbaal van sporenonderzoek van 25 december 2012, Forensisch onderzoek, pagina 79, proces-verbaal van bevindingen van 14 januari 2013, Forensisch onderzoek, pagina 99 en een rapport van het NFI d.d. 7 november 2012 betreffende Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een steekincident met dodelijke afloop in Wijdewormer op 26 oktober 2012, Forensisch dossier, pagina 160

39 Een rapport van het NFI d.d. 7 november 2012 betreffende Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een steekincident met dodelijke afloop in Wijdewormer op 26 oktober 2012, Forensisch dossier, pagina 160 en proces-verbaal van sporenonderzoek van 25 november 2012 pagina’s 16-26

40 Proces-verbaal van relaas van 31 januari 2013, Forensisch dossier, pagina 10 en proces-verbaal van sporenonderzoek van 25 november 2012 pagina’s 16-26, inclusief de daarbij behorende bijlagen

41 Proces-verbaal Toelichting patholoog Dr. A. Maes van 13 november 2012, Forensisch dossier, pagina 102 met de daarbij behorende bijlage op pagina 103

42 Een schriftelijk bescheid, te weten het schriftelijke antwoord Prof.dr. B.A.J.M. de Mol, Hoofd afdeling Cardio-thoracale Chirurgie, van 28 december 2012, Forensisch Onderzoek, pagina 208

43 Deskundigenrapport van het NFI d.d. 1 augustus 2013, los bijgevoegd, pagina 11

44 Deskundigenrapport van het NFI d.d. 1 augustus 2013, los bijgevoegd, pagina 14

45 Deskundigenrapport van het NFI d.d. 1 augustus 2013, los bijgevoegd, pagina 10

46 Deskundigenrapport van het NFI d.d. 1 augustus 2013, los bijgevoegd, pagina 15