Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:10750

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-10-2013
Datum publicatie
12-11-2013
Zaaknummer
HAA 13/3900
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vaststaat dat verzoekster een woning in Turkije op haar naam heeft gehad. De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat verzoekster niet genoegzaam heeft aangetoond dat de eigendom van die woning is overgedragen. Verzoekster beschikt immers niet over een zogeheten ‘resmi senet’. Het voorgaande rechtvaardigt het vermoeden dat de waarde van de woning een bestanddeel vormt van het vermogen van verzoekster waarover zij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. De waarde van de woning ligt boven de vermogensvrijstellingsgrens. Gelet hierop is de bijstand terecht ingetrokken. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 13/3900

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 oktober 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], te [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. P.E. Stam),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verweerder

(gemachtigden: mr. Ph.H. Arnold en J. van der Wal).

Procesverloop

Bij besluit van 12 augustus 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering die verzoekster ontving in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) per 1 september 2013 beëindigd, omdat verzoekster beschikt over vermogen in het buitenland waarvan de waarde hoger is dan het voor verzoekster vrij te laten vermogen.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft voorts de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2013. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Voorts was verzoeksters zoon, [naam zoon], ter zitting aanwezig.

Overwegingen

1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.

In mei 2012 heeft verweerder een zogeheten pilot ingesteld. Doelgroep van de pilot waren de cliënten die een Wwb-uitkering hebben naar de norm alleenstaande, terwijl ze toch gehuwd zijn. Dit is ook bij verzoekster het geval. Zij heeft al geruime tijd een uitkering. Haar echtgenoot woont niet bij haar. Op 10 mei 2012 heeft verweerder het Internationaal Bureau Fraudebestrijding (IBF) gevraagd een onderzoek te doen in Turkije, omdat verzoeksters echtgenoot een halfjaar naar Turkije is geremigreerd en toen weer naar Nederland terugkeerde. Op 3 augustus 2012 is het onderzoek van het IBF afgerond. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat verzoekster in Turkije vermogen op haar naam heeft staan in de vorm van een huis in [plaats] met een waarde van € 50.000,--.

2.

Verweerder heeft verzoekster vervolgens uitgenodigd voor een gesprek. Dit vond plaats op 12 december 2012. In dit gesprek heeft verzoekster verklaard dat het huis in Turkije eigendom is van haar jongste zus: [naam zus]. Verzoekster heeft ook verklaard dat zij eind januari 2013 naar Turkije zal gaan. Zij zal de benodigde stukken verzamelen en haar zus vragen het huis op haar naam te zetten. Op 14 december 2012 heeft verweerder verzoekster een ruime hersteltermijn gegund voor het indienen van nadere stukken. Deze stukken moesten uiterlijk 1 maart 2013 bij verweerder binnen zijn. Op 22 maart 2013 ontvangt verweerder de nadere stukken. Vervolgens vindt er met verzoekster een gesprek plaats op 7 augustus 2013. Verweerder heeft hierna het primaire besluit genomen.

3.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster met objectiveerbare en verifieerbare gegevens moet aantonen dat overdracht van de eigendom van de onroerende zaak heeft plaatsgevonden. Dat er een eigendomsakte, een zogeheten ‘tapu senedi’, ligt, is onvoldoende om aan te nemen dat verzoekster redelijkerwijs niet (meer) over het vermogen in Turkije kan beschikken. Op dit stuk staat immers een verkoopprijs vermeld van 75.000 Turkse lira. Voormeld stuk kan volgens verweerder niet worden aangemerkt als een zogeheten ‘resmi senet’. Het is volgens verweerder nu nog niet relevant of de onroerende zaak in Turkije is geschonken of is verkocht aan verzoeksters zus. Het kan niet zo zijn dat verzoekster zichzelf in bijstandsbehoevende omstandigheden brengt. Verweerder gaat ervan uit dat verzoekster redelijkerwijs kan beschikken over een vermogen ter waarde van € 50.000,--. Omdat dit bedrag (aanzienlijk) hoger is dan het voor verzoekster vrij te laten vermogen, is er geen recht op bijstand en dus ook niet op leenbijstand.

4.

Verzoekster erkent dat de hiervoor bedoelde woning in maart 2009 op haar naam is gezet. Op 5 maart 2013 is de woning op naam van de jongste zus van verzoekster gezet. Ter zitting heeft verzoekster gewezen op een zogeheten ‘Stappenplan voor het verwerven van onroerend goed in Turkije’ (hierna: stappenplan). Uit dit stappenplan blijkt dat een ‘resmi senet’ een intern stuk is van het kadaster dat niet wordt verstrekt aan derden. Verzoekster kan een dergelijk stuk dus niet verkrijgen. Uit de ‘tapu senedi’ blijkt echter dat de eigendom is overgegaan. Dit betekent dat verzoekster niet meer kan beschikken over de onroerende zaak. Het verkoopbedrag dat is opgenomen in deze akte is daarin uitsluitend vermeld om belastingtechnische redenen. In feite is sprake van een schenking. Voor zover het zo zou zijn dat de eigendom van de onroerende zaak niet is overgedragen, beroept verzoekster zich op artikel 48, tweede lid, sub a Wwb. In dat geval zou zij in aanmerking dienen te komen voor leenbijstand. Verzoekster verwijst in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank in de zaak met reg. nr. 12/271. Als verweerder overgaat tot terugvordering, zal verzoekster wel in aanmerking komen voor bijstand.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

6.

De voorzieningenrechter wijst allereerst op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 30 november 2010 (LJN: BO6528). In deze uitspraak refereert de Raad aan een eerdere uitspraak waarin hij is ingegaan op de wijze waarop in Turkije de eigendom van een onroerende zaak overgaat op een ander. De Raad heeft ter zake advies ingewonnen bij het Internationaal Juridisch Instituut te ’s-Gravenhage. In dit verband overweegt de Raad onder meer als volgt:
“Voor een rechtsgeldige overdracht is vereist dat partijen van de tussen hen overeengekomen verkoop tegenover de bewaarder van het onroerendgoedregister een authentieke akte, de ‘resmi senet’ opmaken. Op deze akte worden tegelijkertijd de foto’s van partijen geplaatst met daarboven hun handtekening. De akte wordt vervolgens in het onroerendgoedregister geregistreerd, welke registratie constitutief is voor de overdracht. Het niet-naleven van vormvoorschriften bij de verkoop van onroerend goed leidt tot nietigheid van rechtswege.”

7.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat verzoekster niet beschikt over een ‘resmi senet’. Ter zitting heeft verzoekster onder meer aangevoerd dat uit het door haar overgelegde stappenplan blijkt dat een ‘resmi senet’ uitsluitend bestemd is voor de interne administratie van het kadaster en niet aan derden wordt verstrekt. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat verzoekster niet als ‘derde’ kan worden aangemerkt. De onroerende zaak stond immers vanaf maart 2009 op haar naam. Verzoekster heeft weliswaar een ‘tapu senedi’ overgelegd, maar deze kan niet gelijkgesteld worden met een ‘resmi senet’.

8.

Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat verzoekster niet genoegzaam heeft aangetoond dat de eigendom van de betreffende woning in Turkije per 5 maart 2013 op een rechtsgeldige wijze is overgedragen aan de zus van verzoekster. Daaruit vloeit naar het oordeel van de voorzieningenrechter voort dat vooralsnog moet worden aangenomen dat de betreffende woning nog op naam van verzoekster staat. Dit gegeven rechtvaardigt volgens vaste jurisprudentie van de CRvB het vermoeden dat de waarde van die woning een bestanddeel vormt van het vermogen van verzoekster waarover zij beschikt, dan wel redelijkerwijs kan beschikken. Nu de waarde van de woning is getaxeerd op een bedrag dat ruim boven de vermogensvrijstellingsgrens van de Wwb ligt, heeft verweerder zich naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat verzoekster per 1 september 2013 niet langer recht heeft op bijstand. De desbetreffende uitkering is dan ook op goede gronden beëindigd.

9.

Verzoekster heeft zich voorts beroepen op het bepaalde in artikel 48, tweede lid, onder a, Wwb. Hierin is geregeld dat leenbijstand kan worden verleend, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster niet voor leenbijstand in aanmerking komt, omdat zij over de (gestelde) eigendomsoverdracht van de woning geen duidelijkheid heeft verschaft. Niet duidelijk is of zij op korte termijn over voldoende middelen zal kunnen beschikken. De voorzieningenrechter acht dit stanpunt houdbaar. Verzoekster heeft nog verwezen naar de uitspraak van de rechtbank in de zaak met reg. nr. 12/271. In die zaak heeft verweerder leenbijstand toegekend, terwijl er tevens sprake was van een onroerende zaak in het buitenland die op naam stond van betrokkene. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster zich niet met succes op deze uitspraak kan beroepen. In die zaak ging het immers om een overschrijding van de vermogensgrens van € 8.247,75. In het geval van verzoekster komt die overschrijding uit op een bedrag dat aanzienlijk hoger is.

10.

Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat niet op voorhand kan worden gezegd dat het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit van 12 augustus 2013 een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening dan ook af. Hetgeen verzoekster overigens heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking.

11.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.M. van der Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
14 oktober 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.