Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:10747

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
12-11-2013
Zaaknummer
199507 / FA RK 13-205
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 289 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de eindbeschikking tevens een veroordeling in de proceskosten inhouden. De rechtbank is van oordeel dat de man in de proceskosten van deze procedure dient te worden veroordeeld, omdat hij de vrouw lichtvaardig in deze procedure heeft betrokken. De man heeft geen enkele relevante wijziging van omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de rechtbank gehouden zou zijn tot wijziging van de kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2014/26.7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Familie & Jeugd

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: C/15/199507 / FA RK 13-205

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 25 september 2013

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. H. Sluiter, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A. Alam-Khan, kantoorhoudende te Hoofddorp.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoek van de man betreffende vaststelling omgang, informatieplicht en wijziging van kinderalimentatie en de partneralimentatie van 11 januari 2013;

  • -

    het verweerschrift alsmede zelfstandig verzoek van de vrouw van 18 maart 2013;

  • -

    het verweerschrift tegen zelfstandig verzoek van de man van 15 april 2013;

  • -

    de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 13 augustus 2013.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 augustus 2013 in aanwezigheid van partijen, de man bijgestaan door mr. H. Sluiter en de man bijgestaan door mr. A. Alam-Khan.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Partijen zijn op 10 juni 1994 met elkaar gehuwd, welk huwelijk op 16 juli 2010 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 29 juni 2010.

2.2

Uit dit huwelijk zijn geboren de minderjarigen[minderjarigen]:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in de [geboorteplaats],

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in de [geboorteplaats].

2.3

Bij de hiervoor genoemde beschikking is bepaald dat het ouderschapsplan dat partijen hebben gesloten, deel uitmaakt van de beschikking en dat volgens dit convenant de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van [euro] 340 per maand per kind moet voldoen

en een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partnerbijdrage) van [euro] 500 per maand moet voldoen vanaf het moment dat de echtelijke woning is verkocht en geleverd.

2.4

De man heeft zijn verzoek met betrekking tot de zorg- en informatieregeling ingetrokken op 14 mei 2013.

3 Verzoek

3.1

De man heeft verzocht de beschikking te wijzigen in die zin, dat de kinderbijdrage wordt verminderd tot [euro] 213,10 per maand per kind met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift en dat de partnerbijdrage wordt bepaald op nihil met ingang van 1 maart 2013.

Hij stelt hiertoe dat de hierboven genoemde beschikking van aanvang af niet heeft beantwoord aan de wettelijke maatstaven doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter had immers eerder een lagere bijdrage vastgesteld. De man kan op deze wijze niet leven naar de status die bij zijn beroep hoort of een nieuw gezin starten in financiële zin. Daarbij is het van algemene bekendheid dat juist een tweede kind een lagere behoefte kent. Ten aanzien van de partnerbijdrage is de man van mening dat de vrouw zich had moeten inspannen om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Bij de bepaling van de hoogte van de partnerbijdrage dient te worden meegewogen het gedrag van de vrouw, die telkens de omgang dwarsboomt.

Ter zitting heeft de man aangevoerd dat er hij thans de schulden van zijn vriendin aflost, zodat dit ook vermindering van zijn draagkracht tot gevolg heeft.

4 Verweer en zelfstandig verzoek

4.1

De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij heeft bij wijze van zelfstandig verzoek verzocht om de kinderbijdrage te verhogen tot [euro] 600 per kind per maand.

5 Beoordeling

5.1

Ingevolge het eerste lid van het artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Ingevolge het vierde lid kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

5.2

Aan dit wettelijk kader is door de man niet voldaan. Een verwijzing naar een eerdere beschikking voorlopige voorzieningen valt niet onder het toetsingskader van zowel het eerste lid als het vierde lid van voornoemd artikel, nu de man na deze beschikking, bijgestaan door een advocaat, en vastgelegd in het door partijen ondertekende ouderschapsplan een kinderbijdrage is overeengekomen met de vrouw in de echtscheidingsprocedure. Dat er sprake is geweest van enige druk op de man is niet aannemelijk geworden, reeds omdat de man werd bijgestaan door een advocaat.

Evenmin vormt een wijziging van omstandigheden de stelling van de man omtrent zijn gevoel dat hij niet naar zijn status die bij zijn beroep hoort kan leven, dan wel met zijn vriendin geen nieuw gezin kan beginnen. De toelichting op artikel 1:401 BW geeft duidelijk weer dat het hier moet gaan om rechtens relevante omstandigheden.

Hieronder valt ook niet het volgens de man feit van algemene bekendheid dat het tweede kind een lagere behoefte heeft. Niet valt in te zien waarom dit een wijziging van omstandigheden is.

De pas ter zitting geponeerde stelling van de man dat hij samenwoont en dat hij de schulden van zijn vriendin aflost leidt niet tot een ander oordeel. Uitgangspunt bij berekening van kinderalimentatie is dat de norm voor een alleenstaande wordt toegepast en dat de woonlasten bij helfte wordt verdeeld als de draagplichtige samenwoont. Indien hiervan dient te worden afgeweken in de visie van de man, dan had het op zijn weg gelegen om te onderbouwen en te motiveren waarom zijn partner niet in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

Voorts staat bij berekening van de kinderalimentatie voorop dat met aflossing op schulden weliswaar rekening wordt gehouden, maar dan wel met de schulden van de draagplichtige zelf. Schulden van een derde gaan nimmer voor op de onderhoudsplicht die de man heeft ten opzichte van zijn kinderen. De rechtbank zal het verzoek tot vermindering van de kinderbijdrage van de man daarom afwijzen.

5.3

Ten aanzien van de partnerbijdrage is evenmin een wijziging van omstandigheden door de man aangevoerd. De enkele stelling dat de vrouw zich niet heeft ingespannen om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, is voldoende, gemotiveerd en onderbouwd, weerlegd door de vrouw. Het “gedrag” van de vrouw betreffende de omgangsregeling is onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd door de man. De uitspraak waarnaar de man verwijst ziet op een geheel andere situatie dan het onderhavige. De rechtbank zal het verzoek tot nihilstelling van de partnerbijdrage daarom eveneens afwijzen.

5.5

De vrouw heeft bij wijze van zelfstandig verzoek verzocht om kinderbijdrage te verhogen. Uitgangspunt bij het bepalen van de behoefte van kinderen zijn de gebruikelijke tabellen welke zijn gebaseerd op het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van de samenwoning. Indien de vrouw stelt dat de behoefte hoger is dan dit bedrag dient zij deze stelling nader te onderbouwen.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw geen bijzondere omstandigheden heeft gesteld die ertoe kunnen leiden dat de behoefte zoals die volgt uit de tabellen moet worden verhoogd. Het door haar in het geding gebrachte overzicht van de kosten van de kinderen is hiertoe onvoldoende, omdat daaruit niet blijkt van het bestaan van bijzondere kosten die een hogere behoefte van de kinderen rechtvaardigen. Het verzoek tot verhoging van de kinderbijdrage van de vrouw dient derhalve te worden afgewezen.

5.6

Op grond van artikel 289 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de eindbeschikking tevens een veroordeling in de proceskosten inhouden. De rechtbank is van oordeel dat de man in de proceskosten van deze procedure dient te worden veroordeeld, omdat hij de vrouw lichtvaardig in deze procedure heeft betrokken. De man heeft geen enkele relevante wijziging van omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de rechtbank gehouden zou zijn tot wijziging van de kinderalimentatie. De rechtbank begroot de kosten aan de zijde van de vrouw als volgt:

- griffierecht [euro] 74;

- salaris advocaat [euro] 904 (2 punten).

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1

wijst af het verzoek van de man tot vermindering van de kinderbijdrage.

6.2

wijst af het verzoek van de man tot nihilstelling van de partnerbijdrage.

6.3

wijst af het verzoek van de vrouw tot verhoging van de kinderalimentatie.

6.4

veroordeelt de man in de kosten van de procedure, aan de zijde van de vrouw begroot op [euro] 904 aan advocaatkosten (2 punten) en [euro] 75 aan griffierecht.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Lee, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2013.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.