Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:10745

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-09-2013
Datum publicatie
12-11-2013
Zaaknummer
HAA 13/3847 & 13/3878
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Ter zitting is duidelijk geworden dat medewerkers van verweerder diverse mogelijkheden kennen om aan vervangende huisvesting te komen. Verweerder heeft toegezegd dat verzoekster nog twee maanden met haar twee kinderen in de opvang mag blijven. In die periode moet zij naar huisvesting zoeken. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe voor de duur van twee maanden. Hierdoor is er geen spoedeisend belang meer bij een voorlopige voorziening betreffende de urgentieverklaring.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: HAA 13/3847 en 13/3878

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter ter zitting van 13 september 2013 in de zaken tussen

[verzoekster]

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde mr. H.M. de Roo

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2013 (primair besluit I) heeft verweerder het verzoek van verzoekster om ook na 17 september 2013 in het Algemeen Opvangcentrum Purmerend (AOP) te mogen blijven, afgewezen.

Verzoekster heeft tegen dit primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft voorts de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nr. 13/3847.

Bij besluit van 6 juni 2013 (primair besluit II) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om toekenning van een urgentieverklaring voor een woning in de gemeente Purmerend afgewezen.

Verzoekster heeft ook tegen dit primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft voorts de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nr. 13/3878.

Verweerder heeft bij besluit van 12 september 2013 het bezwaar inzake de urgentieverklaring ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft verzoekster beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nr. 13/3933.


De voorzieningenrechter heeft het verzoek met reg.nr. 13/3878 op grond van artikel 8:81, vijfde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelijkgesteld met een verzoek om voorlopige voorziening hangende de beroepsprocedure.

Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken plaatsgevonden op 13 september 2013. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden R.G. van der Eijk en C.E. van der Tuuk. Voorts waren ter zitting aanwezig: B.K. Mooren, C.J.A. de Haan-de Jong en T.J.W. Schreuder, allen werkzaam bij verweerders gemeente.


Beslissing

In de zaak met reg. nr. 13/3847


De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het primaire besluit van 4 september 2013 met ingang van 17 september 2013 voor de duur van twee maanden;
    - draagt verweerder op om verzoekster en haar twee kinderen gedurende deze periode opvang te bieden in het AOP;

  • -

    draagt verweerder op het door verzoekster betaalde griffierecht van € 44,-- aan haar te vergoeden;

- wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.

In de zaak met reg. nr. 13/3878

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

In beide zaken

1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

In de zaak met reg. nr. 13/3847

2.

Ter zitting heeft verzoekster toegelicht waarom zij naar [buitenland] is vertrokken en hoe het daar met haar is gegaan. Zij had daar aanvankelijk een parttime dienstverband met een aanvullende uitkering. Ter zitting heeft verzoekster een besluit overgelegd waaruit naar voren komt dat zij vanaf 20 april 2013 in [buitenland] geen recht meer had op een uitkering.

3.

Eind juni 2012 is verzoekster naar Nederland teruggekeerd. Zij heeft toen in Purmerend een (tijdelijke) huurwoning geaccepteerd. Ter zitting heeft zij uitgelegd waarom zij deze (dure) woning accepteerde. Vervolgens is verzoekster in Purmerend met haar twee kinderen in de opvang (het AOP) gekomen. Hiervoor heeft zij een hulpverlenings-overeenkomst begeleid wonen ondertekend. Dit houdt in dat verzoekster begeleiding krijgt bij het zoeken naar huisvesting.

4.

Ter zitting is naar voren gekomen dat verzoekster zich al in september 2012 als woningzoekende heeft ingeschreven bij [locatie]. Voorts hebben twee vertegenwoordigers van verweerder ter zitting ervan blijk gegeven dat zij kennis hebben van diverse mogelijkheden voor verzoekster om aan passende woonruimte te komen. Ter zitting is aan verweerder gevraagd deze kennis met verzoekster te delen. Verzoekster wil graag van het aanbod gebruik maken. Ter zitting is afgesproken dat verzoekster nog gedurende twee maanden de gelegenheid krijgt te zoeken naar huisvesting voor haar zelf en haar twee kinderen. Verweerder is bereid de opvang van verzoekster in het AOP met twee maanden te verlengen.

5.

Gelet op het voorgaande bestaat er aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen. Dit betekent dat het primaire besluit van 4 september 2013 wordt geschorst met ingang van 17 september 2013 voor de duur van twee maanden. De voorzieningenrechter draagt verweerder dan ook op om verzoekster en haar twee kinderen gedurende deze periode opvang te bieden in het AOP.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, omdat de voorgeschiedenis van verzoekster en haar huidige woon- en leefsituatie niet eerder dan ter zitting duidelijk zijn geworden. De voorzieningenrechter wijst het desbetreffende verzoek dan ook af.

7.

De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding verweerder te gelasten het door verzoekster betaalde griffierecht van € 44,-- aan haar te vergoeden.

In de zaak met reg. nr. 13/3878


8. Nu de voorzieningenrechter in de zaak met reg.nr. 13/3847 een voorlopige voorziening heeft getroffen, bestaat er geen spoedeisend belang meer bij de voorlopige voorziening die verzoekster heeft gevraagd in de zaak met reg. nr. 13/3878. De voorzieningenrechter wijst het desbetreffende verzoek dan ook af.

9.

Ook in deze zaak bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.M. van der Pol, griffier, op 13 september 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open