Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:10520

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
12-11-2013
Zaaknummer
187067 / FA RK 11-3921
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ontkenning vaderschap.

De rechtbank stelt vast dat de moeder, terwijl zij, samen met haar partner de heer [naam partner] bij het VU medisch centrum een Ivf-behandeling onderging, is gehuwd met de man waardoor na de geboorte van het kind de man als de juridische vader op haar geboorteakte staat vermeld. Gelet met name op het feit dat de vrouw destijds is gesteriliseerd en een spontane zwangerschap daarom niet in de rede ligt, alsmede op de verklaring van de Ivf-arts drs. [naam arts] dat de heer [naam partner] de biologische vader van het kind is, is voldoende komen vast te staan dat de man niet de verwekker van het kind is. Het verzoek zal worden toegewezen, nu ook voor het overige niet is gebleken dat het verzoek onrechtmatig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie- en Jeugd

ontkenning vaderschap

zaak-/rekestnr.: 187067 / FA RK 11-3921

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 16 januari 2013

in de zaak van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen: de man,

advocaat: mr. V.W.J.M. Kuit, kantoorhoudende te Amsterdam,

--tegen--

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen: de moeder.

Het kind wordt vertegenwoordigd door [curator minderjarige], bijzondere curator.

Belanghebbende in deze zaak zijn:

- de heer [curator moeder], van budgetondersteuning Nederland, kantoorhoudende te Zaandam, curator van de moeder;

- de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, afdeling Jeugdbescherming, Locatie Haarlem, namens deze de William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, voogd van het kind.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagbepalingsbeschikking van 6 maart 2012 en de daarin vermelde stukken;

- de dagbepalingsbeschikking van 28 augustus 2012 en de daarin vermelde stukken;

- de brief, met bijlagen van mr. Kuit, van 29 augustus 2012;

- de brief van [curator minderjarige] van 10 september 2012;

- de brief van mr. Kuit van 20 september 2012;

- de brief van mr. Kuit van 17 oktober 2012;

- de brief van [curator minderjarige] van 22 november 2012.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 augustus 2012 in aanwezigheid van partijen, de man bijgestaan door mr. V. Kuit, de moeder en
[curator minderjarige], bijzondere curator.

De curator van de moeder heeft bij brief van 24 augustus 2012 meegedeeld niet ter zitting aanwezig te kunnen zijn.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Partijen zijn op 18 mei 2010 met elkaar gehuwd, welk huwelijk op 5 december 2011 is ontbonden door de inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 20 september 2011.

2.2

Uit het huwelijk van partijen is geboren het minderjarige kind:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

2.3

De moeder is bij beschikking van de rechtbank Haarlem, sector kanton, locatie Zaandam van 26 januari 2012, onder curatele gesteld wegens een geestelijke stoornis, met benoeming van [curator moeder] tot curator.

2.4

Bij beschikking van deze rechtbank van 29 juni 2012 is de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, afdeling Jeugdbescherming, Locatie Haarlem, namens deze de William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, voogd van het kind.

2.3

Bij beschikking van deze rechtbank van 31 januari 2012 is [curator minderjarige] tot bijzondere curator over het kind benoemd.

3 Verzoek

3.1

Het verzoek van de man strekt tot ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap van het kind.

3.2

De man heeft verzoek gebaseerd op de stelling dat hij niet de biologische vader van het kind is.

De man voert daartoe aan dat partijen na een korte vriendschappelijke relatie met elkaar zijn getrouwd, maar dat er tussen hen geen sprake is geweest van een seksuele relatie. De man stelt voorts dat de moeder deze feiten ook gesteld heeft bij de echtscheidingsprocedure en dat het gezag over het kind bij echtscheiding aan de moeder is toegekend.

4 Verweer

De moeder erkent de door de man gestelde feiten als juist. Volgens haar hebben de man en zij slechts enkele dagen met elkaar samengewoond. De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij tijdens voor het huwelijk met de man al een relatie had met de heer [partner], en dat zij tijdens haar huwelijk met de man zwanger is geraakt van het semen van de heer [partner] na een Ivf-behandeling in het VU Medisch Centrum. Zij heeft de bewijsstukken waaruit een en ander kan worden afgeleid niet meegenomen naar de zitting.

5 Beoordeling

5.1

Door de omstandigheid dat de man de Pakistaanse nationaliteit bezit en de moeder de Nederlandse en de Surinaamse bezit, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter, zodat eerst de vraag beantwoord dient te worden of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt.

Deze vraag kan op grond van het bepaalde in artikel 3 aanhef en onder a. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevestigend worden beantwoord, nu uit de overgelegde stukken is gebleken dat man zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

5.2

Vervolgens komt de vraag aan de orde welk recht van toepassing is op het verzoek.

De beantwoording van deze vraag dient te geschieden aan de hand van het bepaalde in artikel 93 van Boek 10 BW.

5.3

Of familierechtelijke betrekkingen als bedoeld in art. 92 van Boek 10 BW in een gerechtelijke procedure tot gegrondverklaring van een ontkenning kunnen worden tenietgedaan, wordt bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de moeder en de man of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar de moeder en de man elk hun gewone verblijfplaats of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind.

5.4

De rechtbank is van oordeel dat nu vaststaat dat de moeder en de man geen gemeenschappelijke nationaliteit bezitten, maar wel hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, het Nederlandse recht van toepassing is op het verzoek.

5.5

Het verzoek van de man is binnen de termijn van artikel 1:200 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek ingediend.

5.6

De bijzondere curator stelt zowel in haar advies van 17 april 2012 als ter zitting dat het in het belang van het kind is dat haar juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid. Zij is van mening dat een DNA-onderzoek nodig is. Wanneer alle stukken met betrekking tot de Ivf-behandeling worden overgelegd en uit deze stukken kan worden afgeleid dat een andere man de verwekker van het kind is, zou een DNA-onderzoek wellicht niet meer nodig zijn.

5.7

De rechtbank stelt daarop, met instemming van alle betrokkenen, de advocaat van de man in de gelegenheid om nadere medische stukken in het geding te brengen.

Uit de door de advocaat van verzoeker nadien overgelegde stukken van de Ivf-behandeling, welke stukken de moeder aan deze advocaat heeft verstrekt, is gebleken dat:

- de huisarts van de moeder op 13 oktober 2009 een verwijzing heeft geschreven in verband met het verzoek van de moeder haar sterilisatie ongedaan te maken;

- de moeder op 3 november 2009 een afspraak had bij de polikliniek voortplantingsgeneeskunde van het VU medisch centrum (hierna: het VU);

- uit de ongedateerde brief uit 2010 van de afdeling verloskunde en gynaecologie van het VU blijkt dat de moeder en haar partner geschikt zijn bevonden om mee te doen aan een onderzoek naar het optimaliseren van de stimulatie van follikelgroei tijdens een IVF/ICSI behandeling;

- uit een ongedateerde brief van de afdeling verloskunde en gynaecologie van het IVF- centrum van het VU de moeder en haar partner op 5 mei 2010 om 9.00 werden verwacht op het spreekuur van deze afdeling;

- de moeder en de heer [partner] op 29 juni 2010 een toestemmingsformulier hebben getekend van het VU. Uit deze verklaring blijkt dat zij geheel vrijwillig instemmen met deelname aan de studie: “Het stofwisselingsprofiel van embryo’s als selectiemethode voor een IVF of ICSI behandeling”;

- de afdeling verloskunde en gynaecologie van het VU bij brief van 5 juli 2010 aan de moeder meedeelt dat er meer embryo’s zijn ontstaan dan er zijn teruggeplaatst en dat er op 3 juli 2010 6 embryo’s, verdeeld over drie rietje(s) zijn ingevroren;

- het VU de moeder ieder jaar een rekening stuurt voor de kosten van het bewaren van de embryo’s; de moeder heeft ter zitting verklaard dat de heer [partner] de rekening van 21 augustus 2012 heeft betaald;

- als bijlage bij de brief van drs. [ivf-arts], Ivf-arts van het VU medisch

centrum van 12 oktober 2012 waarin wordt bevestigd dat de heer [partner] de biologische vader van het kind is, een door de heer[partner] ondertekende verklaring “afgifte semen voor behandeling van mevrouw” is overgelegd.

5.8

De bijzondere curator stelt in haar brief van 22 november 2012 dat op basis van de door de advocaat van de vader overgelegde stukken kan worden uitgesloten dat de man de biologische vader van het kind is en dat een DNA-onderzoek niet meer nodig is.

5.9

De rechtbank stelt vast dat de moeder, terwijl zij, samen met haar partner de heer [partner] bij het VU medisch centrum een Ivf-behandeling onderging, is gehuwd met de man waardoor na de geboorte van het kind de man als de juridische vader op haar geboorteakte staat vermeld. Gelet met name op het feit dat de vrouw destijds is gesteriliseerd en een spontane zwangerschap daarom niet in de rede ligt, alsmede op de verklaring van de Ivf-arts [ivf-arts] dat de heer [partner] de biologische vader van het kind is, is voldoende komen vast te staan dat de man niet de verwekker van het kind is. Het verzoek zal worden toegewezen, nu ook voor het overige niet is gebleken dat het verzoek onrechtmatig is.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1

Verklaart gegrond de ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap met betrekking tot het kind:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

6.2

Draagt de griffier – op grond van artikel 1:20e lid 1 BW - op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking -en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld- een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Otter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van M.P. Joukes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2013.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een procureur hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.