Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:10410

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-11-2013
Datum publicatie
05-11-2013
Zaaknummer
AWB 13/193
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Daargelaten dat het kunstwerk dat tijdens de televisie-uitzendingen is getoond niet geheel overeenkomt met het kunstwerk dat is vergund, acht de rechtbank, anders dan verweerder, niet van belang of eiser zich ten tijde van de bouwaanvraag bewust was of had moeten zijn van de connotatie die Studio Job aan het kunstwerk heeft verbonden, aangezien deze connotatie geen gegeven betreft waarvan eiser verplicht was opgaaf te doen bij de bouwaanvraag. De rechtbank stelt vast dat ten tijde als hier in geding er geen wettelijke regel was die daartoe strekte. Het destijds geldende en in dit geval van toepassing zijnde Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning ziet niet op zodanige gegevens. Voorts kan ook anderszins niet worden geconcludeerd tot het bestaan van een dergelijke verplichting. Van (verlening van de bouwvergunning als gevolg van) een onjuiste dan wel onvolledige opgave ter zake van de connotatie van het bouwwerk is reeds hierom geen sprake. Dit zelfde geldt voor wat betreft de erfdienstbaarheid. Gelet hierop is er geen sprake van een intrekkingsgrond als bedoeld in artikel 5.19, eerste lid, onder a van de Wabo. Verweerder was derhalve niet bevoegd de vergunning in te trekken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 13/193

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 november 2013 in de zaak tussen

[eiser], te[woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. E.M. van Bommel),

en

het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort , verweerder

(gemachtigden: T. van der Kleij en J. Pach).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [derde partij 1], [derde partij 2], [derde partij 3], [derde partij 4] en [derde partij 5], te [woonplaats]

(gemachtigde: mr. K. Aissaoui)

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de op 11 juni 2010 aan eiser verleende bouwvergunning voor het plaatsen van een kunstwerk op het perceel [perceel], ingetrokken.

Bij besluit van 22 november 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op de intrekkingsgrond als bedoeld in artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en voor het overige ongegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit in stand gelaten.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden alsmede door B.J. Göransson, wethouder. Van de derde-partijen zijn verschenen [derde partij 1], [derde partij 3] en [derde partij 4], bijgestaan door hun gemachtigde.

Overwegingen

1.

De ingetrokken bouwvergunning heeft betrekking op een in opdracht van eiser door Studio Job ontworpen kunstwerk in de vorm van een poort. Aanvankelijk bestond het ontwerp uit twee bronzen, gekleurde kolommen, rokende schoorstenen verbeeldend, verbonden door een waaierboog en twee gesloten deuren. Omdat dit ontwerp bezwaren ontmoette in verband met het onderbreken van een zichtlijn is de bouwaanvraag op 25 februari 2010 aangepast en zijn de gesloten deuren vervangen door twee hekken van gevlochten draad. Vervolgens is de bouwvergunning voor het kunstwerk verleend op 11 juni 2010, met toepassing van het destijds geldende artikel 3.23 van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro). De ontheffing ex artikel 3.23 van de Wro zag op de bouwhoogte van het kunstwerk van 4.00 meter.

2.

Op 6 en 7 december 2011 waren de twee kunstenaars van Studio Job te gast in het programma “De wereld draait door” om over hun werk in het algemeen te praten. Tijdens die uitzendingen werd onder andere een afbeelding getoond van het onderwerpelijke kunstwerk met twee toegevoegde elementen die geen deel uitmaken van het vergunde ontwerp: (1) een bel met de Latijnse inscriptie “Suum cuique” hangend aan een boog en (2) een afzonderlijk hekwerk. Naar aanleiding van de commotie die na deze uitzendingen was ontstaan, hebben de burgemeester en de vakwethouder de desbetreffende locatie bezocht en hebben zij met eiser gesproken. In een persbericht van 23 december 2011 heeft het college kenbaar gemaakt dat het kunstwerk, zoals vergund, niet aanstootgevend is en niet leidt tot verstoring van de openbare orde. Het is zeker een object dat, zoals kunst wel vaker doet, voor meerdere interpretaties vatbaar is, aldus het persbericht.

In een open brief gepubliceerd in december 2011 heeft Studio Job nadere uitleg gegeven over onder andere het bewuste kunstwerk. Aangegeven is dat de getoonde werken controversieel zijn vanwege hun verwijzing en iconografie. Zij verwijzen onder andere naar de Holocaust-periode.

3.

Aan het primaire besluit, voor zover dat in stand is gelaten in het bestreden besluit, heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser heeft nagelaten verweerder bij de aanvraag te informeren over het feit dat het kunstwerk refereert aan de Holocaust, dan wel aan concentratiekampen. Deze connotatie heeft aanleiding gegeven tot veel maatschappelijke onrust. Verweerder stelt zich alsnog op het standpunt dat deze informatie beslissend zou zijn geweest voor de beslissing op de bouwaanvraag; als deze informatie ten tijde van de aanvraag bij verweerder bekend was geweest was dit aanleiding geweest de vergunning te weigeren. Voorts heeft verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser heeft nagelaten bij de aanvraag te melden dat sprake is van een privaatrechtelijke belemmering die in de weg staat aan het verlenen van de bouwvergunning, nu het perceel in geding belast is met een erfdienstbaarheid ten gunste van aanliggende erven, inhoudende dat het niet zal worden bebouwd.

4.

Ingevolge artikel 5.19, eerste lid, onder a, van de Wabo kan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning of ontheffing te verlenen, de vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken, indien de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend.

5.

Eiser voert aan dat er geen sprake is van een intrekkingsgrond als bedoeld in artikel 5.19 van de Wabo. Hij bestrijdt dat sprake is van onjuiste of onvolledige opgave van zijn kant zowel met betrekking tot de gestelde connotatie van het kunstwerk als met betrekking tot de erfdienstbaarheid.

6.

Ten aanzien van de gestelde connotatie voert eiser aan dat een betekenis aan het kunstwerk wordt toegedicht die het niet heeft, althans niet bedoeld is te hebben. Deze connotatie is bovendien pas ontstaan nadat de bouwvergunning was verleend en al een aanvang was gemaakt met de werkzaamheden voor plaatsing van het kunstwerk. Bovendien bevatte de bouwaanvraag een exacte weergave van het kunstwerk, zodat niet kan worden gesteld dat verweerder niet op de hoogte is geweest van de vorm. Door omwonenden is tegen de bouwvergunning voorts geen bezwaar gemaakt.
Eiser verwijst naar eerder werk van Studio Job - zoals te zien in “The Book of Job”, een overzichtswerk van de ontwerpers - waarin veelvuldig gebruik wordt gemaakt van vergelijkbare beelden. Deze beelden verwijzen naar industriële iconografie. Eiser was al bekend met dit werk van Studio Job. Voor hem bestond er geen aanleiding een relatie te leggen met de Holocaust, dan wel concentratiekampen.

7.

Daargelaten dat het kunstwerk dat tijdens de televisie-uitzendingen is getoond niet geheel overeenkomt met het kunstwerk dat is vergund, acht de rechtbank, anders dan verweerder, niet van belang of eiser zich ten tijde van de bouwaanvraag bewust was of had moeten zijn van de connotatie die Studio Job aan het kunstwerk heeft verbonden, aangezien deze connotatie geen gegeven betreft waarvan eiser verplicht was opgaaf te doen bij de bouwaanvraag. De rechtbank stelt vast dat ten tijde als hier in geding er geen wettelijke regel was die daartoe strekte. Het destijds geldende en in dit geval van toepassing zijnde Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning ziet niet op zodanige gegevens. Voorts kan ook anderszins niet worden geconcludeerd tot het bestaan van een dergelijke verplichting. Van (verlening van de bouwvergunning als gevolg van) een onjuiste dan wel onvolledige opgave ter zake van de connotatie van het bouwwerk is reeds hierom geen sprake.

8.

Dit zelfde geldt voor wat betreft de erfdienstbaarheid. Ook hier kan niet worden geconcludeerd tot het bestaan van een wettelijke verplichting tot opgave van dit gegeven, dan wel tot een verplichting daartoe op andere grondslag. Het bestreden besluit kan ook reeds om deze reden in zoverre geen stand houden. Aan een bespreking van de overige beroepsgronden ter zake van de erfdienstbaarheid - betreffende onder meer het al dan niet evidente karakter van de privaatrechtelijke belemmering – komt de rechtbank daarom niet meer toe.

9.

De rechtbank stelt resumerend vast dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat sprake is het verstrekken van onvolledige of onjuiste informatie van de zijde van eiser. Gelet hierop is er geen sprake van een intrekkingsgrond als bedoeld in artikel 5.19, eerste lid, onder a van de Wabo. Verweerder was derhalve niet bevoegd de vergunning in te trekken. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

11.

De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 3 juli 2012 te herroepen.

12.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

13.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 944,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, voorzitter, mr. I.M. Ludwig en mr.drs. L. Beijen, leden, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra - van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2013.

griffier voorzitter

afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.