Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:10409

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-06-2013
Datum publicatie
05-11-2013
Zaaknummer
15/840185-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis. Vijf maanden gevangenisstraf voor medeplegen van poging tot oplichting (feit 1) en opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift (feit 3). Verdachte heeft onder valse voorwendselen de Duitse staat bewogen tot het verstrekken van een visum en is met behulp van dit visum Nederland ingereisd. In Nederland heeft zij geprobeerd een verblijfsvergunning te krijgen door aan de IND een door haar en haar mededaders verzonnen asielrelaas te vertellen. De rechtbank heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging voor het onder feit 2 ten laste gelegde (het bezit van een reisdocument waarvan zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het vals of vervalst was) nu er geen sprake is van een onherroepelijke afwijzing van de asielaanvraag (artikel 31 Vluchtelingenverdrag).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/840185-12

Uitspraakdatum: 21 juni 2013

Tegenspraak

Promisvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 juni 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Oeganda),

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Kubbinga en van wat verdachte en haar raadsman, mr. R. Pot, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1:

zij in of omstreeks de periode van 16 juli 2012 tot en met 26 november 2012 te Ter Apel, gemeente Vlagtwedde, en/of Amsterdam Zuidoost en/of Diemen en/of Almere en/of elders in Nederland en/of Oeganda,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

de IND en/of de Nederlandse Staat te bewegen tot de afgifte van een beschikking tot het verlenen van een verblijfsvergunning/asiel voor bepaalde tijd (als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet), op naam van [verdachte], in elk geval van enig goed,

met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid met een of meer van haar mededader(s), althans alleen,

- vanuit Diemen naar Ter Apel is gegaan en/of

- ( vervolgens) een aanvraag heeft gedaan voor een verblijfsvergunning bepaalde tijd in Nederland/asielaanvraag in Nederland op naam van [verdachte],

- terwijl zij, verdachte, daarbij en/of tijdens de daarbij behorende gehoren heeft verzwegen in bezit te zijn (geweest) van een visum van Duitsland en/of

- heeft verzwegen dat verdachte op die visumbasis sinds 16 juli 2012 in Nederland verbleef en/of

- bij haar verblijfsvergunningaanvraag/asielaanvraag en/of de daarbij behorende gehoren in strijd met de waarheid heeft verteld dat zij op 10 oktober 2012 (rechtstreeks) uit Kenia kwam en/of op 11 oktober 2012 in Nederland was aangekomen en/of

- bij haar verblijfsvergunningaanvraag/asielaanvraag en/of de daarbij behorende gehoren in strijd met de waarheid heeft verklaard nooit een authentiek Oegandees paspoort in bezit te hebben gehad en/of nooit een visum voor Nederland te hebben aangevraagd en/of

- bij die gehoren behorende bij die aanvraag een door verdachte en/of verdachtes mededader(s) verzonnen en/of onwaar vluchtverhaal heeft verteld ((te weten: dat zij, verdachte, in Oeganda in juni 2012 in een kamer werd opgesloten en/of meerdere malen werd verkracht en/of door een verkrachting zwanger was geworden en/of haar ongeboren kindje als gevolg van een miskraam zou zijn verloren, en/of ten tijde van het gehoor wederom zwanger was van een verkrachter, althans een verhaal van gelijke aard en/of strekking)),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2:

zij op of omstreeks 16 juli 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in het bezit was van een reisdocument, te weten een nationaal paspoort van Oeganda (op naam gesteld van[te naam gestelde paspoort], geboren op [geboortedatum paspoort] en voorzien van het nummer [paspoortnummer]), waarvan zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument vals of vervalst was,immers is het paspoort voorzien van

- een goedgelijkende foto van verdachte maar niet van de werkelijke/echte naam van verdachte en/of

- een op valse gronden verkregen visum van Duistland;

Feit 3:

zij op of omstreeks 16 juli 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk voorhanden heeft gehad een vals(e) of vervalst(e) document, zijnde een uitnodiging van de universiteit van Kassel aan[te naam gestelde paspoort] - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, immers

- is dit document gericht aan[te naam gestelde paspoort], een door verdachte verzonnen naam en/of

- betreft het een uitnodiging voor de "Training of Trainers for Univerisity Development", terwijl verdachte niet werkelijk was ingeschreven voor deze training en/of niet de bedoeling had deze training te volgen en/of

- is dit document door verdachte gebruikt om een visum voor Duitsland te verkrijgen.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak. Gelet op recente jurisprudentie van de Hoge Raad stelt de rechtbank echter vast dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Verdachte is op enig moment Nederland ingereisd. Zij heeft verklaard dat zij daarbij gebruik heeft gemaakt van een nationaal paspoort van Oeganda op naam van[te naam gestelde paspoort], geboren op [geboortedatum paspoort]. Verdachte heeft vervolgens in Nederland asiel aangevraagd.

De Hoge Raad heeft, onder meer in zijn arrest van 6 november 2012 (LJN BW9266), geoordeeld dat uit de strekking van artikel 31 Vluchtelingenverdrag voortvloeit dat het openbaar ministerie in de op artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) gebaseerde vervolging van een verdachte die vreemdeling is en zich tegen de beschuldiging verweert met een beroep op de bescherming die deze verdragsbepaling beoogt te bieden, slechts dan ontvankelijk is indien onverwijld en zonder nader onderzoek door de strafrechter kan worden vastgesteld dat de stelling van de vreemdeling dat hij een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag ongegrond is. De Hoge Raad heeft in dat verband overwogen dat de beslissing op een asielaanvraag, en dus ook het oordeel omtrent de aannemelijkheid van het aan de asielaanvraag ten grondslag liggende vluchtrelaas, is voorbehouden aan de Minister (van Veiligheid en Justitie, rb) en - na ingesteld beroep - aan de bestuursrechter en dat, mede met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken van de strafrechter en de bestuursrechter, de strafrechter zich in beginsel van een zelfstandig oordeel over het beroep van de vreemdeling op zijn vluchtelingenstatus moet onthouden. Daarbij heeft de Hoge Raad voorts benadrukt dat, mede gelet op de moeilijke bewijspositie die de vreemdeling heeft bij de onderbouwing van zijn beroep op de vluchtelingenstatus, de vreemdeling die wordt vervolgd ter zake van artikel 231 Sr ook een beroep op artikel 31 Vluchtelingenverdrag toekomt indien nog niet vaststaat dat hij aan alle voorwaarden voor erkenning als vluchteling voldoet.

Tegen deze achtergrond moet - zo heeft de Hoge Raad op 28 mei 2013 in een viertal arresten (LJN BY4247, BY 4310, BY8956 en BX4493) geoordeeld - met het oog op een voor de praktijk van de strafrechtspleging zo eenvoudig mogelijk te hanteren regel, thans worden aangenomen dat de vreemdeling niet behoort te worden vervolgd wegens het onmiskenbaar in het kader van zijn vlucht in het bezit hebben of aangewend hebben van vervalste documenten zolang, kort gezegd, op de door de vreemdeling gedane eerste asielaanvraag nog niet onherroepelijk is beslist. De rechtbank stelt vast dat dit, gelet op de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen d.d. 21 december 2012 en het hiertegen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak ingediende hoger beroepschrift, in de asielzaak van verdachte het geval is.

De rechtbank is van oordeel dat zij, gelet op voormelde jurisprudentie van de Hoge Raad, niet mag aannemen dat verdachte niet voldoet aan de voorwaarden voor het kunnen inroepen van de door artikel 31 Vluchtelingenverdrag geboden bescherming. Nu er geen sprake is van een onherroepelijke afwijzing van de door de verdachte gedane asielaanvraag, is bij een strafvervolging ter zake van het in artikel 231 Sr strafbaar gestelde misdrijf geen ruimte om te onderzoeken of aan de overige voorwaarden van artikel 31 Vluchtelingenverdrag is voldaan en kan derhalve niet worden aangenomen dat de stelling dat de verdachte een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag niet evident ongegrond is. Dat in het strafdossier stukken van de asielprocedure zitten, doet daar niet aan af. Het is immers niet aan de strafrechter zich een zelfstandig oordeel te vormen omtrent de aannemelijkheid van het aan de asielaanvraag ten grondslag liggende vluchtrelaas. Gelet op het vorenoverwogene zal de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de strafvervolging van het onder feit 2 ten laste gelegde.

De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie voor de overige ten laste gelegde feiten ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie wat betreft alle feiten ontvankelijk is en gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

3.2. Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen zijn.

3.3. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder feit 1 en feit 3 ten laste gelegde op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 december 2012 (zaaksdossier C.1, dossierpagina 023 e.v.);

het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [moeder partner] d.d. 28 november 2012 met bijlagen (persoonsdossier B.1, dossierpagina 043 e.v.);

het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [moeder partner] d.d. 29 november 2012 met bijlagen (persoonsdossier B.1, dossierpagina 070 e.v.);

het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [moeder partner] d.d. 11 december 2012 met bijlagen (persoonsdossier B.1, dossierpagina 118 e.v.);

het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [partner] d.d. 28 november 2012 met bijlagen (persoonsdossier B.2, dossierpagina 049 e.v.);

het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [partner] d.d. 29 november 2012 met bijlagen (persoonsdossier B.2, dossierpagina 070 e.v.);

het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [partner] d.d. 11 december 2012 (persoonsdossier B.2, dossierpagina 107 e.v.);

het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [tolk] d.d. 5 december 2012 met bijlagen (persoonsdossier B.3, dossierpagina 050 e.v.);

een schriftelijk bescheid, te weten een kopie van een paspoort van de republiek Oeganda op naam van[te naam gestelde paspoort], geboren op [geboortedatum paspoort] met het paspoortnummer [paspoortnummer] (persoonsdossier B4, dossierpagina 047 e.v.);

een schriftelijk bescheid, te weten een persoonlijke uitnodiging aan [te naam gestelde paspoort] van de Universiteit van Kassel d.d. 20 juni 2012 (persoonsdossier B4, dossierpagina 054-55).

3.4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1:

zij in de periode van 16 juli 2012 tot en met 26 november 2012 te Ter Apel, gemeente Vlagtwedde, en Amsterdam Zuidoost en Diemen en Almere en elders in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels,

de Nederlandse Staat te bewegen tot de afgifte van een beschikking tot het verlenen van een verblijfsvergunning/asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet op naam van [verdachte], ,

met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid,

- vanuit Diemen naar Ter Apel is gegaan en

- vervolgens een aanvraag heeft gedaan voor een verblijfsvergunning asiel in Nederland op naam van [verdachte],

- terwijl zij, verdachte, daarbij en/of tijdens de daarbij behorende gehoren heeft verzwegen in bezit te zijn (geweest) van een visum van Duitsland en

- heeft verzwegen dat verdachte op die visumbasis sinds 16 juli 2012 in Nederland verbleef en

- bij haar asielaanvraag en/of de daarbij behorende gehoren in strijd met de waarheid heeft verteld dat zij op 10 oktober 2012 rechtstreeks uit Kenia kwam en op 11 oktober 2012 in Nederland was aangekomen en

- bij haar asielaanvraag en/of de daarbij behorende gehoren in strijd met de waarheid heeft verklaard nooit een authentiek Oegandees paspoort in bezit te hebben gehad en nooit een visum voor Nederland te hebben aangevraagd en

- bij die gehoren behorende bij die aanvraag een door verdachte en verdachtes mededader(s) verzonnen en onwaar vluchtverhaal heeft verteld te weten: dat zij, verdachte, in Oeganda in juni 2012 in een kamer werd opgesloten en meerdere malen werd verkracht en door een verkrachting zwanger was geworden en haar ongeboren kindje als gevolg van een miskraam zou zijn verloren, en ten tijde van het gehoor wederom zwanger was van een verkrachter,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 3:

zij op 16 juli 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk voorhanden heeft gehad een vals document, zijnde een uitnodiging van de universiteit van Kassel aan[te naam gestelde paspoort] - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl zij wist dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst,

immers

- is dit document gericht aan[te naam gestelde paspoort], een door verdachte verzonnen naam en

- betreft het een uitnodiging voor de "Training of Trainers for University Development", terwijl verdachte niet werkelijk was ingeschreven voor deze training en niet de bedoeling had deze training te volgen en

- is dit document door verdachte gebruikt om een visum voor Duitsland te verkrijgen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van poging tot oplichting;

Ten aanzien van feit 3:

opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2 Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte die inmiddels bevallen is van een kind, verzocht om oplegging van een zo laag mogelijke straf.

6.3. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een vals geschrift voorhanden gehad dat zij eerder had gebruikt om toegang tot de Europese Unie te verkrijgen en zich voorts schuldig gemaakt aan het medeplegen van poging tot oplichting. Zij heeft met vorenbedoeld geschrift onder valse voorwendselen de Duitse staat bewogen tot het verstrekken van een visum aan een door verdachte gefingeerde persoon met de naam[te naam gestelde paspoort]. Zij is vervolgens met behulp van dit visum Nederland ingereisd en heeft geprobeerd om met een door haar en haar mededaders verzonnen asielrelaas een verblijfsvergunning in Nederland te verkrijgen. Door een dergelijke handelwijze wordt niet alleen het overheidsbeleid inzake de bestrijding van illegaal verblijf in en illegale toegang tot Nederland en andere lidstaten van de Europese Unie doorkruist, maar wordt ook bijgedragen aan het in stand houden van een illegaal circuit, waardoor het maatschappelijk verkeer wordt of kan worden gefrustreerd en gecorrumpeerd, terwijl het beeld en de positie van de echte asielzoeker daardoor kan worden geschaad.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. Nu de rechtbank het openbaar ministerie in de vervolging voor feit 2 niet-ontvankelijk zal verklaren, komt zij tot een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 45, 47, 57, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging voor het onder 2 ten laste gelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder feit 1 en feit 3 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (zegge: vijf) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.J. van Keken, voorzitter,

mr. M. Hoendervoogt en mr. R.E.A. Toeter, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier J.A. Huismans,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 juni 2013.