Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:10246

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
31-10-2013
Zaaknummer
15/800666-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; bewezenverklaring medeplegen van witwassen te luchthaven Schiphol; straftoemeting.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het witwassen van grote geldbedragen. Verdachte heeft hiertoe op de luchthaven Schiphol samen met haar twee medereizigsters een totaalbedrag van 290.000, waarvan zij wist dat dit van misdrijf afkomstig was, ter overbrenging naar Costa Rica voor de mededader van wie dat geld afkomstig was, contant voorhanden gehad met het kennelijk doel dit aan het zicht van de autoriteiten te onttrekken. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van de autoriteiten te onttrekken en daaraan vervolgens een schijnbaar legale herkomst te verschaffen, wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast.

Bovendien bevordert het handelen van verdachte en haar mededaders het plegen van delicten omdat, zonder de mogelijkheid van het onttrekken van geld dat van misdrijf afkomstig is aan het zicht van de autoriteiten, het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800666-13

Uitspraakdatum: 10 september 2013

Tegenspraak

Vonnis (P)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 augustus 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Slowakije),

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J.J. Maarleveld en van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. K. Lans, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 30 mei 2013, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten (een of) meerdere geldbedrag(en) (te weten 100.285 euro en/of 120.795 euro en/of 70.220 euro), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten voornoemd(e) geldbedrag(en), gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 30 mei 2013 december 2010 bevond verdachte zich samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, van waar zij per vliegtuig zouden vertrekken naar Panama met als eindbestemming Costa Rica. Tijdens de douanecontrole werd aan [medeverdachte 1] meegedeeld, dat wanneer met een contant geldbedrag van meer dan € 10.000 wordt gereisd, daarvan aangifte moet worden gedaan bij de Douane. Zij vertelde ongevraagd dat zij veel geld bij zich had en op de vraag hoeveel geld zij bij zich had, antwoordde zij dat het om 50.000 euro ging.

In de ruimbagage op naam van [medeverdachte 1] werd een contant geldbedrag aangetroffen verhuld in spelletjes en in een chocoladereep. [medeverdachte 1] verklaarde dat haar moeder, verdachte, ook met contant geld reisde. In de ruimbagage van verdachte werd eveneens een contant geldbedrag aangetroffen verhuld in spelletjes en in een chocoladereep. Verdachte verklaarde desgevraagd dat zij niet precies wist hoeveel geld zij in haar ruimbagage had zitten, maar dat het ongeveer 100.000 euro was en dat zij het geld van haar schoonzoon [medeverdachte 3] had gekregen. In de ruimbagage van [medeverdachte 2], die verklaarde samen met haar schoonzus, [medeverdachte 1], en verdachte, de moeder van haar schoonzus, te reizen, werd eveneens een contant geldbedrag aangetroffen, verborgen in spelletjes en een chocoladereep. [medeverdachte 2] verklaarde dat haar broer het ticket voor haar en haar medereizigers had geregeld en dat zij op vakantie gingen naar het huis van haar broer in Costa Rica.

In totaal werd in de ruimbagage van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en verdachte een bedrag van 290.000 euro aangetroffen2, waarvan 100.000 euro bij verdachte, 3 70.000 euro bij [medeverdachte 1]4 en 120.000 euro bij [medeverdachte 2].5

3.3. Bewijsoverweging

Verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn aldus ieder met een groot contant geldbedrag aangehouden op de luchthaven Schiphol. Bij alle drie was dit geld verstopt in spellendozen en een reep chocola. Zij hebben niet uit zichzelf aangegeven bij de douane dat zij dit geld bij zich hadden.

Het fysiek vervoeren van grote bedragen in contanten is niet gebruikelijk en brengt een veiligheidsrisico mee. Daarenboven was het door de verdachten vervoerde geld op heimelijke wijze verborgen in spelletjesdozen en repen chocola.

Een aanzienlijk aantal biljetten (200) van het bij elk van de hiervoor genoemde drie verdachten in de ruimbagage aangetroffen geld, betreft coupures van 500 euro. Het is een feit van algemene bekendheid dat coupures van 500 euro veelal in het criminele circuit plegen te worden gebruikt. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat de luchthaven Schiphol wordt gebruikt voor in-, uit- of doorvoer van voorwerpen middellijk of onmiddellijk afkomstig uit misdrijf.

Vorenstaande redengevende feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden van witwassen.

Gelet op dit vermoeden mag van verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld, die concreet en verifieerbaar moet zijn en die niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Datzelfde geldt voor de medeverdachten.

[medeverdachte 1] wist dat het om geld zou gaan dat zij, [medeverdachte 1] en [verdachte], naar Costa Rica zouden brengen in opdracht van [medeverdachte 3] en dat [medeverdachte 3] had verteld dat het in kleine doosjes verstopt zat.6 Zij heeft – uiteindelijk – verklaard dat zij 70.000 euro bij zich had.7

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat haar broer [medeverdachte 3] haar had gevraagd naar Costa Rica te gaan om [medeverdachte 1] en verdachte te begeleiden. Zij kreeg een dag voor vertrek haar ticket.8 Haar broer [medeverdachte 3] had speelgoeddozen in haar koffer gestopt.9

[medeverdachte 1] had aan verdachte verteld dat zij geld bij zich hadden. Op aanraden van [medeverdachte 1] had verdachte twee slotjes gekocht om de koffer goed te kunnen afsluiten.10

Verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd. Eerst heeft zij verklaard dat het geld door haar dochter [medeverdachte 1], echtgenote van [medeverdachte 3], is opgenomen en dat zij dacht dat [medeverdachte 1] het in de koffer had gestopt.11

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat haar dochter werd gebeld door [medeverdachte 3] met het verzoek om naar Nederland te gaan en door te reizen naar Costa Rica. Zij zouden geld mee moeten nemen om aldaar huur te betalen. De tickets werden voor hen betaald door [medeverdachte 3]. Verdachte stelde hier geen nadere vragen over. Verdachte heeft evenmin gevraagd om hoeveel geld het ging. Verdachte heeft eerst verklaard dat zij en [medeverdachte 1] op 30 mei 2013 rechtstreeks vanuit Amsterdam naar Schiphol zijn gegaan.12 Later heeft zij verklaard dat zij en [medeverdachte 1] vanuit Amsterdam naar de woning van [medeverdachte 2] in Amstelveen te zijn geweest, alwaar ook [medeverdachte 3] verbleef.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij, [medeverdachte 1], en verdachte, hadden afgesproken om niet de waarheid te vertellen tegen de politie.13

Op vragen naar de herkomst van het geld heeft [medeverdachte 3] niet willen verklaren. Hij heeft geen nadere gegevens willen verstrekken van zijn accountant of ondernemers met wie hij zaken doet. Van een legale herkomst van dat geld is aan de hand van de omtrent verdachte [medeverdachte 3] bekende financiële gegevens niet gebleken.

In de woning van [medeverdachte 2], alwaar ook [medeverdachte 3] verbleef, werden sealapparaten, tape en verpakkingen aangetroffen, die passen op het verpakkingsmateriaal van het aangetroffen geld in de ruimbagage.14

Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 3] op 31 augustus 2010 door de rechtbank in eerste aanleg te Dendermonde (België) is veroordeeld voor – kort gezegd – het medeplegen van de smokkel van 282 kilo cocaïne op 26 oktober 2009 in Beveren, België (bijlage nr. DV4-014). Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij wist dat [medeverdachte 3] gedetineerd is geweest.

Gelet op de hoogte van de in de koffers aangetroffen geldbedragen, waaronder een groot aantal coupures van 500 euro en de heimelijke wijze waarop het door elk van de drie vrouwen werd vervoerd, in combinatie met de eerdere veroordeling van [medeverdachte 3] wegens grootschalige en internationale handel in harddrugs en nu uit het onderzoek niet is gebleken van een legale herkomst van dat geld en nu een concrete en verifieerbare verklaring over de herkomst van het geld van ieder van de verdachten ontbreekt, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het bij verdachte en de met haar samen reizende medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], in de door hen meegevoerde koffers aangetroffen geld onder de gegeven omstandigheden van enig misdrijf afkomstig is.

Dit brengt de rechtbank bij de vraag of verdachte ook wist (al dan niet in voorwaardelijke zin) dat de door verdachte en haar medeverdachten vervoerde geldbedragen afkomstig waren van een misdrijf. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Verdachte heeft op verzoek van de medeverdachte [medeverdachte 3] geld vervoerd naar het buitenland zonder nadere vragen te stellen over het doel van de reis, de hoogte van het geldbedrag en de herkomst van het geldbedrag. Dit verzoek bereikte haar daags voor het transport, de reis werd voor haar vergoed en ze zou samen reizen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], terwijl ze met laatstgenoemde niet – vanwege de taalbarrière – kon communiceren. Ook hierover heeft verdachte nimmer vragen gesteld. Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor haar handelen (dan wel nalaten te handelen). De rechtbank is van oordeel dat verdachte, onder deze omstandigheden en in de wetenschap dat de initiatiefnemer voor het bewuste geldtransport gedetineerd is geweest, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij en haar mededaders geld hebben witgewassen. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in ieder geval in voorwaardelijke zin wetenschap hiervan had. Ook was er sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met haar medeverdachten, zodat medeplegen van witwassen bewezen zal worden verklaard.

3.4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 30 mei 2013, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, voorwerpen, te weten geldbedragen van 100.000, 120.000 en 70.000 euro voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van witwassen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de straffen

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht (8) maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Voorts heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring gevorderd van de onder verdachte in beslag genomen geldbedragen, zijnde een bedrag van 285 euro en 525 US dollar.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

6.3. Hoofdstraf

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het witwassen van grote geldbedragen. Verdachte heeft hiertoe op de luchthaven Schiphol samen met haar twee medereizigsters een totaalbedrag van 290.000, waarvan zij wist dat dit van misdrijf afkomstig was, ter overbrenging naar Costa Rica voor de mededader van wie dat geld afkomstig was, contant voorhanden gehad met het kennelijk doel dit aan het zicht van de autoriteiten te onttrekken. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van de autoriteiten te onttrekken en daaraan vervolgens een schijnbaar legale herkomst te verschaffen, wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast.

Bovendien bevordert het handelen van verdachte en haar mededaders het plegen van delicten omdat, zonder de mogelijkheid van het onttrekken van geld dat van misdrijf afkomstig is aan het zicht van de autoriteiten, het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn.

De ernst van het feit rechtvaardigt in beginsel slechts oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank zal echter in strafmatigende zin bij de straftoemeting meewegen dat verdachte een ondergeschikte rol heeft gespeeld ten aanzien van het bewezen verklaarde feit. Het initiatief voor deze reis is niet van verdachte uitgegaan en het heeft er alle schijn van dat verdachte door haar eigen dochter bij dit transport is betrokken. Verdachte spreekt geen Nederlands en kon zodoende niet rechtstreeks communiceren met de anderen. Voor zover bekend, is verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking geweest.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal daarbij bepalen dat na te noemen gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

6.4. Bijkomende straf

verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedragen, te weten 285 euro en 525 US dollar, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit met behulp van die geldbedragen die aan verdachte toebehoren en die kennelijk als reisgeld dienden, is begaan of voorbereid.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van HONDERDTWINTIG (120) DAGEN, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot TWEEENNEGENTIG (92) DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

(1) Geld Euro, 3 coupures a 5 euro;

(2) Geld Euro, 1 coupure a 10 euro;

(3) Geld Euro, 3 coupures a 20 euro;

(4) Geld Euro, 4 coupures a 50 euro;

(8) Geld buitenlands, 1 coupure a 5 US dollar;

(9) Geld buitenlands, 11 coupures a 20 US dollar;

(10) Geld buitenlands, 6 coupures a 50 US dollar.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.L. Grosheide, voorzitter,

mr. R.E.A. Toeter en mr. M.B. de Boer,

in tegenwoordigheid van de griffier C.A. de Koning,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 september 2013.

Mr. Toeter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal aanleiding onderzoek en feitencomplex d.d. 23 juli 2013 (dossierparagraaf 2.1.)

3 Proces-verbaal aanleiding onderzoek en feitencomplex d.d. 23 juli 2013 (dossierparagraaf 3.2.3.)

4 Proces-verbaal aanleiding onderzoek en feitencomplex d.d. 23 juli 2013 (dossierparagraaf 3.3.3.)

5 Proces-verbaal aanleiding onderzoek en feitencomplex d.d. 23 juli 2013 (dossierparagraaf 3.4.3.)

6 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] d.d. 4 juni 2013 (bijlage nr V2-02)

7 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] d.d. 30 mei 2013 (bijlage nr V2-01)

8 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 2] d.d. 11 juni 2013 (bijlage V3-02)

9 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 2] d.d. 5 juni 2013 (bijlage V3-01)

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d.1 juni 2013 (bijlage V1-01)

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d.1 juni 2013 (bijlage V1-01)

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d.1 juni 2013 (bijlage V1-01)

13 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] d.d. 30 mei 2013 (bijlage nr. VERD2-002)

14 Proces-verbaal aanleiding onderzoek en feitencomplex d.d. 23 juli 2013 (dossierparagraaf 4.11) en het aanvullend proces-verbaal sporenonderzoek (bijlage nr. AH-011)