Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:10186

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-11-2013
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
AWB-12_2899
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2015:4754
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douanewaarde.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:68
Algemene wet bestuursrecht 8:29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
DouaneUpdate 2018-0175
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12/2899

Uitspraakdatum: 4 november 2013

Uitspraak van de meervoudige douanekamer in het geding tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres,

gemachtigde: mr. ing. B.J.B. Boersma,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Rotterdam-Rijnmond, verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Verweerder heeft met dagtekening 19 januari 2012 aan eiseres een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt voor € 49.530,79 aan douanerechten op industriële producten.

1.2.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 13 juni 2012 het bezwaar ongegrond verklaard en de utb gehandhaafd.

1.3.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting is aangevangen op 8 maart 2013. Namens eiseres is verschenen [A] , werkzaam bij eiseres, bijgestaan door de gemachtigde van eiseres. Namens verweerder zijn verschenen mr. D.J. Smit, J.A. van der Welle en mr. J.H. Wijnbelt. Ter zitting heeft verweerder nadere stukken overgelegd en op de voet van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verzocht om beperkte kennisname van deze stukken.

1.5.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:68 van de Awb het vooronderzoek heropend. Daarbij is bepaald dat de behandeling van het beroep zal worden aangehouden tot een beslissing op het zogenaamde 8:29-verzoek is genomen. Eiseres heeft bij brief van 11 april 2013 gereageerd op het 8:29-verzoek. Bij beslissing van 18 april 2013 heeft de rechtbank bepaald dat de beperking van de kennisneming ten aanzien van de door verweerder overgelegde stukken is gerechtvaardigd.

1.6.

Partijen hebben vóór de nadere zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstuurd naar de wederpartij.

1.7.

Het onderzoek is voortgezet ter zitting van 15 oktober 2013. Namens eiseres is verschenen [A] , werkzaam bij eiseres, bijgestaan door de gemachtigde van eiseres. Namens verweerder zijn verschenen mr. D.J. Smit, J.A. van der Welle en

mr. J.H. Wijnbelt. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres de rechtbank toestemming gegeven als bedoeld in het vijfde lid van artikel 8:29 van de Awb om mede op grondslag van de zogenaamde 8:29-stukken uitspraak te doen.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

In 2011 heeft het Landelijk Waardeteam (hierna: LWT) onderzoek gedaan naar de aangiften voor het brengen in het vrije verkeer die eiseres in de loop van 2009 en 2010 heeft gedaan voor textielproducten en schoeisel. 24 van de onderzochte aangiften heeft eiseres gedaan op eigen naam en voor eigen rekening. Bij brief van 23 september 2011 heeft verweerder een verzoek gedaan om nadere informatie als bedoeld in artikel 181bis van de Toepassingsverordening Communautair douanewetboek (hierna: TCDW). Naar aanleiding van deze brief heeft eiseres afschriften van tien Sales Contracts overgelegd en een afschrift van één Sales Confirmation.

2.2.

Op 25 oktober 2011 heeft verweerder eiseres op de hoogte gebracht van zijn voornemen om een utb op te leggen. Naar aanleiding van dit voornemen en het concept-controlerapport heeft op 6 december 2011 een gesprek plaatsgehad tussen (vertegenwoordigers van) eiseres en verweerder. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een controlerapport van 21 december 2011. In dit rapport is onder meer het volgende vermeld:

1 Reikwijdte van de controle

(…)

Het onderzoek is beperkt tot het volgende element van de aangiften:

- de juistheid van de douanewaarde in aangiften die betrekking hebben op de hoofdstukken 61, 62 en 64 uit het Geharmoniseerd Systeem (kleding en toebehoren [andere] van brei of haakwerk en schoeisel).

(…)

2.1.1

Directe vertegenwoordiging

[X] is opgetreden als aangever/vertegenwoordiger voor haar opdrachtgevers (importeurs) bij het doen van een groot deel van de aangiften. Tussen [X] en deze importeurs (genoemd onder punt 3.2 van dit rapport) zijn overeenkomsten inzake Directe Vertegenwoordiging (DV) getekend, op grond van artikel 5, Verordening (E.E.G.) nr. 2913/92 (hierna: CDW), waarbij de importeurs worden aangemerkt als aangever en [X] als vertegenwoordiger voor deze importeurs. Voor een deel van de aangiften heeft [X] aangifte gedaan op eigen naam en voor eigen rekening.

(…)

3 Bevindingen

3.1

Aangegeven douanewaarde

Geconstateerd is dat de douanewaarde in de controleperiode voor alle zendingen vastgesteld is met gebruikmaking van de transactiewaardemethode bedoeld in artikel 29 CDW, juncto artikel 147 Verordening (E.E.G.) nr. 2454/93 (hierna: TVo). Als basis voor de aangegeven douanewaarde dienen de facturen tussen de expediteurs/leveranciers en importeurs.

(…)

4 Vaststelling douanewaarde

4.1

Methode vaststellen douanewaarde

Tijdens de controle is geconstateerd dat de douanewaarde voor alle zendingen in de controleperiode is vastgesteld is met gebruikmaking van de transactiewaardemethode als bedoeld in artikel 29 CDW, juncto artikel 147 TVo. Als basis voor de aangegeven douanewaarde dienen de facturen tussen de leveranciers en importeurs. Bij controle op de prijzen van de goederen, aan de hand van de overgelegde facturen, is geconstateerd dat de stuksprijs alsmede de prijs per kilogram netto gewicht van de vermelde goederen (extreem) laag is.

Het is niet aannemelijk dat de stuksprijs van de goederen tegen de in de facturen vermelde waarden zijn verkocht, omdat:

-ondanks de lage stuksprijzen veelal de leveringsvoorwaarde CIF of DDU is gebruikt. Dit impliceert dat de stuksprijzen ook de vrachtkosten en verzekeringskosten omvatten. De “kale” stuksprijs is dan nog lager;

-statistische gegevens omtrent de gemiddelde (inkoop)prijzen van de goederen veel hoger zijn.

Om deze redenen heeft de Douane gegronde twijfel, als bedoeld in artikel 181bis TVo, over de aangegeven douanewaarden. Op grond van artikel 178, lid 4 TVo is de aangever aansprakelijk voor:

-de juistheid en volledigheid van de in de aangifte verstrekte gegevens;

-de echtheid van de tot staving van die gegevens overgelegde stukken;

-het verstrekken van alle bijkomende inlichtingen of documenten die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de douanewaarde van de goederen.

De bij de aangiften behorende facturen, die in de invoerdossiers van [X] zijn aangetroffen, zijn op juistheid gecontroleerd. Gebleken is dat de stuksprijs van de textiel en de schoeisel (extreem) laag is.

De Douane heeft aanvullende informatie opgevraagd bij de aangever en/of importeur overeenkomstig artikel 178, lid 4 TVo. De hierna ontvangen aanvullende informatie heeft de gegronde twijfel niet weggenomen. Omdat gegevens omtrent een eventuele (andere) bruikbare transactie, zoals bedoeld in artikel 29 CDW ontbreken, wordt de douanewaarde voor de goederen vervolgens bepaald aan de hand van één van de overige methoden genoemd in artikel 30 of 31 CDW, toe te passen in een verplichte volgorde.

(…)

Nu andere methoden niet bruikbaar bleken, dient de douanewaarde te worden vastgesteld met de methode van redelijke middelen, zoals genoemd in artikel 31 CDW, waarbij de methode van soortelijke goederen (artikel 30, lid 2, letter b, CDW) soepel wordt toegepast.

De douanewaarde is conform artikel 31, lid 1 CDW vastgesteld op basis van gemiddelde waarden die in de Gemeenschap bekend zijn van soortgelijke goederen die in het vrije verkeer van de Gemeenschap zijn gebracht. Hiertoe is gebruik gemaakt van een referentielijst met richtwaarden, per goederencode en per land van oorsprong.

4.2

Referentielijst

De referentielijst is samengesteld uit zes bronnen: gegevens uit het Nederlandse Sagitta Invoersysteem (DSI) 2008/2009, uit DSI 2010, uit de vergelijkbare Duitse Invoerdatabank (aangeduid als Zora) 2009, Zora 2010, uit CBS gegevens 2009 en uit CBS gegevens 2010. De waarden uit deze bronnen betreffen zogenaamde CIF-waarden grens Gemeenschap of statistische waarden bij invoer.

Teneinde inhoud te geven aan het begrip “redelijke” is voor de vaststelling van de douanewaarde altijd uitgegaan van de laagste van de zes mogelijke waarden.

De aangiften, waarvan de aangegeven douanewaarde hoger is dan de laagste waarde van de zes genoemde bronnen, zijn niet in de correctie(s) betrokken.

(…)”

2.3.

Tot de stukken van het geding behoort een stuk getiteld “Bijlage III Brief ODB 2008”. Dit is een brief van de Douane Rotterdam, kantoor Laan op Zuid aan Deelnemers overleg Douane/Bedrijfsleven van 12 augustus 2008 waarin wordt gewaarschuwd voor invoeren van textiel/schoeisel uit China met een extreem lage douanewaarde.

3 Geschil en standpunten van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil de douanewaarde van de goederen.

3.2.

Eiseres heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 181bis van de TCDW omdat niet of onvoldoende is gemotiveerd op grond waarvan verweerder meent dat aan de voorwaarden voor toepassing van deze bepaling is voldaan. Daardoor hanteert verweerder ten onrechte en op onjuiste gronden een andere waardemethode. Voorts verzuimt verweerder, volgens eiseres, te motiveren op grond waarvan blijkt dat de gehanteerde douanewaarde te laag is. De handelwijze waarbij verweerder op grond van referentielijsten vaststelt dat een, volgens verweerder, te lage prijs is gehanteerd, is in strijd met wet- en regelgeving.

Daar komt bij dat verweerder de navordering heeft gebaseerd op arbitrair gekozen grondslagen, hetgeen volgens eiseres onrechtmatig is.

Bovendien heeft eiseres geen inzicht in de opbouw van de statistische gegevens op grond waarvan verweerder heeft geoordeeld dat sprake is van gegronde twijfel aan de aangegeven douanewaarde en de door verweerder bij de navordering gehanteerde douanewaarde.

Ten slotte heeft eiseres aangevoerd dat in strijd met artikel 8:42 van de Awb verweerder heeft nagelaten alle stukken die zien op de beroepszaak in het geding te brengen. Bovendien vormt het niet overleggen van alle stukken een inbreuk op de rechten van verdediging zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de utb.

3.3.

Verweerder heeft aangevoerd dat geen sprake is van strijd met artikel 181bis van de TCDW. In het controlerapport is gemotiveerd waarom de douanewaarde te laag wordt geoordeeld. Het hanteren van referentielijsten om aan te geven waarom een aangegeven douanewaarde te laag wordt bevonden is niet in strijd met de wet- en regelgeving. De op referentielijsten gebaseerde navordering is niet arbitrair. Er is redelijk gehandeld omdat is uitgegaan van de laagste van de zes mogelijke waarden die afkomstig zijn van het Nederlandse Sagittasysteem alsmede de Duitse douanestatistiek en het CBS. Eiseres is terecht als schuldenaar aangesproken omdat de aangiften zijn gedaan door eiseres op eigen naam en voor eigen rekening.

Verweerder verwijst naar de beslissing van de geheimhoudingskamer van de rechtbank. Er is geen strijd met artikel 47 van het Handvest.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

Op de zaak betrekking hebbende stukken

4.1.1.

Voor de beantwoording van de door eiseres opgeworpen vraag of verweerder artikel 8:42 van de Awb heeft geschonden door bij het overleggen van een aantal stukken een beroep te doen op artikel 8:29 van de Awb, neemt de rechtbank tot uitgangspunt het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2008, nr. 43.448, ECLI: NL:HR:2008:BA3823. Daarin is geoordeeld dat alle stukken die bij de besluitvorming van de inspecteur een rol hebben gespeeld aan de belanghebbende en aan de rechter dienen te worden overgelegd, voor zover te dien aanzien niet, althans niet met succes, een beroep wordt gedaan op gewichtige redenen die zich tegen zodanige overlegging verzetten als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb.

De rechtbank stelt vast dat verweerder met succes een beroep heeft gedaan op het bepaalde van artikel 8:29 van de Awb. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 8:42 van de Awb. Deze grief van eiseres slaagt niet.

4.1.2.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder geen inbreuk heeft gemaakt op de rechten van de verdediging van eiseres door bij het overleggen van een aantal stukken een beroep te doen op artikel 8:29 van de Awb. Dit recht is niet absoluut. Er is ruimte om in verband met een hoger belang bepaalde stukken niet vrij te geven aan een belanghebbende. Deze werkwijze is in artikel 8:29 van de Awb vastgelegd en met waarborgen omkleed zodat pas na een rechterlijke toetsing beperkte inzage van stukken is gerechtvaardigd.

Eiseres verwijst ter ondersteuning van haar standpunt naar de uitspraak van de Hoge Raad van 12 juli 2013, nr. 12/02876, ECLI: NL:HR:2013:20. In die procedure beschikte noch de inspecteur, noch de rechtbank, noch het gerechtshof over de onderliggende stukken, die de grondslag vormden van een rapport op basis waarvan de inspecteur had nagevorderd. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake. De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft inzage gehad in de stukken waarvoor verweerder een beroep op artikel 8:29 van de Awb heeft gedaan en heeft een beslissing genomen over de gewichtigheid van de door verweerder aangevoerde redenen. Aangezien eiseres toestemming heeft gegeven aan de meervoudige kamer van de rechtbank die de zaak behandelt om ook kennis te nemen van deze stukken, hoeft eiseres niet bevreesd te zijn dat haar recht van verdediging wordt geschaad. De desbetreffende stukken zijn dus (zelfs twee maal) onderworpen aan een rechterlijke toetsing, wat in de door eiseres aangehaalde procedure niet het geval was. Gelet hierop slaagt de grief van eiseres niet.

Gegronde twijfel

4.2.1.

Eiseres is van mening dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd op grond waarvan hij gegronde twijfel heeft dat de aangegeven waarde niet overeenkomt met de te betalen of betaalde prijs.

4.2.2.

Ingevolge artikel 181bis, eerste lid, van de TCDW behoeven de douaneautoriteiten de douanewaarde van ingevoerde goederen niet op basis van de methode van transactiewaarde vast te stellen indien zij overeenkomstig de in lid 2 omschreven procedure, wegens gegronde twijfel, niet ervan overtuigd zijn dat de aangegeven waarde met de in artikel 29 van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW) omschreven totale betaalde of te betalen prijs overeenkomt.

4.2.3.

Ingevolge artikel 181bis, tweede lid, van de TCDW kunnen de douaneautoriteiten, wanneer bij hen de in lid 1 bedoelde twijfel bestaat overeenkomstig artikel 178, vierde lid, om aanvullende informatie vragen. Indien deze twijfel blijft bestaan, stellen de douaneautoriteiten, alvorens een definitieve beslissing te nemen, de betrokkene, desgevraagd schriftelijk, in kennis van de redenen voor die twijfel en bieden zij hem een redelijke gelegenheid daarop te antwoorden. De definitieve beslissing en de redenen daarvoor worden de betrokkene schriftelijk medegedeeld.

4.2.4.

De rechtbank stelt vast dat verweerder eiseres bij brief van 23 september 2011 heeft medegedeeld dat er bij hem gegronde twijfel bestaat of de aangegeven waarden in de onderhavige aangiftes overeenkomen met de werkelijk betaalde of te betalen prijs. Daarbij is verwezen naar de resultaten van de controle na invoer vanaf 17 december 2010. Er is medegedeeld dat niet aannemelijk is dat de goederen tegen de in de facturen vermelde stuksprijzen zijn verkocht omdat volgens statistische gegevens de gemiddelde inkoopprijzen van dergelijke goederen veel hoger zijn en in de vermelde stuksprijzen ook nog de vrachtkosten zijn begrepen. Eiseres is in de gelegenheid gesteld informatie te verstrekken.

4.2.5.

Aldus heeft verweerder in overeenstemming met het bepaalde in artikel 181bis van de TCDW eiseres op de hoogte gebracht van de redenen op grond waarvan hij gegronde twijfel heeft over de juistheid van de aangegeven douanewaarden.

4.2.6.

Uit hetgeen is neergelegd in het controlerapport in samenhang bezien met de statistische gegevens blijkt dat de in de aangiften opgegeven douanewaarden zeer laag zijn. De prijs van de goederen ligt onder de grondstofprijs. Daar komt bij dat in de door eiseres opgegeven douanewaarden vrachtkosten en verzekeringskosten zijn begrepen. Tevens zijn de voor de ingevoerde goederen in rekening gebrachte bedragen contant betaald. Deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien leiden tot de conclusie dat verweerder gerede twijfel mocht hebben aan de juistheid van de opgegeven douanewaarden. De rechtbank merkt daarbij op dat zij de door verweerder met toepassing van artikel 8:29 van de Awb overgelegde stukken heeft bestudeerd en steekproefsgewijs heeft gecontroleerd. De rechtbank komt tot het oordeel dat de stukken de conclusie in het controlerapport, dat de stuksprijs alsmede de prijs per kilogram netto gewicht van de goederen (extreem) laag is, kunnen dragen.

Omdat eiseres, hoewel daartoe ruimschoots in de gelegenheid gesteld, geen verklaring heeft kunnen geven voor de lage douanewaarden behoefde verweerder, wegens gegronde twijfel, de douanewaarden van de ingevoerde goederen niet vast te stellen op de transactiewaarden. De stelling van eiseres dat goederen wegens promotieacties of als gevolg van dumping zeer wel tegen lage prijzen kunnen worden aangeboden is onvoldoende om de gegronde twijfel weg te nemen. Eiseres heeft niets overgelegd ter onderbouwing van deze algemene stelling.

4.2.7.

In dit verband speelt mee dat verweerder gemotiveerd heeft gesteld dat het vermoeden bestaat dat de Chinese leveranciers behoren tot een groep van ongeveer 100 Chinezen die de gehele Europese Unie bereizen om dergelijke contracten te sluiten om vervolgens met de Noorderzon te vertrekken. Volgens verweerder sluiten deze leveranciers valse contracten af voor textiel bestemd voor de Europese Unie om hiermee in ieder geval een douanevoordeel te behalen. Deze leveranciers zijn niet te traceren en beginnen steeds opnieuw. De rechtbank stelt vast dat de door eiseres overgelegde contracten, hoewel met verschillende leveranciers gesloten, gelijkluidend zijn, inclusief taal- en spelfouten. Uit de contracten kan niet worden afgeleid dat zij betrekking hebben op inferieure goederen of op speciale acties. Het argument van eiseres dat de contracten op elkaar lijken omdat de afnemer, haar Hongaarse opdrachtgever, steeds dezelfde is, is zonder nadere toelichting niet aannemelijk. Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat er gegronde redenen zijn om te veronderstellen dat de onderhavige contracten vals zijn en zijn opgesteld met het doel om douanerechten te ontduiken door het vermelden van extreem lage prijzen. Eiseres heeft niets aangevoerd om het vermoeden van verweerder te ontzenuwen.

4.2.8.

De conclusie luidt dat verweerder de aangegeven transactiewaarde terecht heeft verworpen en dat de grief van eiseres niet slaagt.

Het vaststellen van de douanewaarde op basis van redelijke middelen

4.3.1.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat eiseres ter zitting heeft aangegeven dat indien de rechtbank tot het oordeel komt dat artikel 29 van het CDW niet kan worden toegepast, artikel 31 van het CDW moet worden toegepast. De methoden van artikel 30 kunnen volgens eiseres niet worden toegepast. De rechtbank ziet geen reden om hierover anders te oordelen.

4.3.2.

Eiseres meent dat verweerder niet met gebruikmaking van redelijke middelen de douanewaarde heeft vastgesteld. Eiseres meent dat verweerder op basis van arbitraire gegevens de douanewaarde heeft vastgesteld. Verweerder had kunnen uitgaan van openbare statistische gegevens zoals die van het CBS. Op deze wijze zou het vaststellen van de douanewaarden transparant zijn geweest. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij redelijke middelen heeft gebruikt. Van de waarden van soortgelijke goederen uit de zes geraadpleegde bronnen heeft verweerder steeds de laagste gebruikt.

4.3.3.

De rechtbank heeft de door verweerder met toepassing van artikel 8:29 van de Awb overgelegde stukken bestudeerd en steekproefsgewijs gecontroleerd. Dit onderzoek voert de rechtbank tot het oordeel dat verweerder met redelijke middelen de hoogte van de douanewaarden heeft vastgesteld. Daartoe is redengevend dat verweerder heeft geput uit een groot aantal databases, waardoor een goed inzicht ontstaat in de prijzen van de goederen. Voorts is verweerder bij de vaststelling van de douanewaarde steeds uitgegaan van de laagste van de mogelijke waarden.

4.3.4.

Indien verweerder, zoals eiseres stelt, had moeten uitgaan van alleen de gegevens van het CBS, zou dit hebben geleid tot een beperkter inzicht in de prijzen die doorgaans worden betaald voor dergelijke goederen. Omdat verweerder ook gegevens van het CBS bij de vaststelling van de douanewaarden heeft gebruikt en steeds is uitgegaan van de laagste waarde, kan niet worden gezegd dat door uit te gaan van meer gegevensbestanden eiseres in een slechtere positie is komen te verkeren. Omdat verweerder steeds is uitgegaan van de laagste prijzen van de bestanden kan niet worden gezegd dat verweerder niet met gebruikmaking van redelijke middelen de douanewaarde heeft vastgesteld. Dat verweerder de gegevens van de grootste aangevers niet in het onderzoek heeft betrokken heeft eiseres evenmin geschaad. De rechtbank acht met verweerder aannemelijk dat deze aangevers zich niet in het laagste segment van de markt bevinden, maar in het midden of het hogere segment. Indien de door deze aangevers aangeleverde gegevens waren gebruikt, waren de gemiddelde waarden eerder hoger uitgevallen dan lager. Ook dit argument van eiseres doet niet af aan de redelijkheid van de door verweerder gebruikte middelen.

4.4.

Gelet op al het voorgaande heeft verweerder de utb terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd. Het beroep is daarom ongegrond.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet bij deze uitkomst van de procedure geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. M.H.L.C. Bijvoet en mr. M.C.A. Onderwater, rechters, in tegenwoordigheid van E. Hoekman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 november 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.