Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:10162

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-11-2013
Datum publicatie
28-01-2014
Zaaknummer
AWB-12_1337
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terecht omkering en verzwaring van de bewijslast met betrekking tot buitenlandse bankrekening en redelijke schatting van de inkomsten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/172
FutD 2014-0246
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12/1337

Uitspraakdatum: 1 november 2013

Uitspraak in het geding tussen

[X] , wonende te [Z], eiseres,

gemachtigde: mr. drs. S. Bharatsingh

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi, kantoor Utrecht, verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2005 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 30.778 en bij beschikking een bedrag van € 1.235 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 februari 2012 de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2013. Namens eiseres is daar de gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn verschenen W.H.A. Entrop en mr. C. Alma, tot bijstand vergezeld van J.G.A. de Ruijter.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Eiseres was in de in geding zijnde jaren gehuwd met [A] (hierna ook: de echtgenoot).

Overdracht van gegevens door de Belgische autoriteiten aan de Nederlandse autoriteiten

2.2.1.

Bij brief van 18 februari 2005 heeft de Belgische Bijzondere Belastinginspectie (hierna: BBI) in het kader van spontane uitwisseling van inlichtingen op grond van de EG-richtlijn van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen en heffingen op verzekeringspremies (77/799/EEG, hierna: de Richtlijn) gegevens verstrekt aan de FIOD ECD/Team Internationaal te Haarlem.

2.2.2.

De hiervoor bedoelde gegevens bestaan uit een nota (hierna: de Nota) en twaalf bijlagen, genummerd B.1, B.2, enzovoorts. Deze gegevens zijn verstrekt op grond van artikel 4 van de Richtlijn. In de Nota is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld (namen en plaatsen zijn door verweerder geanonimiseerd):

“IV VERSTREKTE INLICHTINGEN

De hierna volgende inlichtingen zijn gesteund op stukken die het Belgisch gerecht in beslag heeft genomen bij een huiszoeking bij een verdachte van andere misdrijven.

Het betreft gegevens van de Bank [NAAM 1].

De stukken, bestaande uit verscheidene lijsten op papier (bijlagen 1 tot en met 11) werden aangetroffen en in beslag genomen bij een huiszoeking in een garagebox te W(...) uitgevoerd in het kader van een onderzoek onder leiding van Onderzoeksrechter V(…). Deze garagebox werd op dat ogenblik gehuurd door de heer P(…) en door diens bende gebruikt als uitvalsbasis voor overvallen. Met een brief van 18 december 2001 heeft de procureur-generaal aan de belastingadministratie toelating verleend tot het nemen van inzage en afschrift van het dossier (bijlage 12).

Toelichting van de feiten zoals blijkt uit de verhoren.


De kopieën van de bankstukken werden door V(…) gekopieerd uit een de computerbestand van de heer M(…). M(…) had als helpdeskmedewerker bij de firma L(…) te W(…) de gegevens in bezit gekregen via zijn afdelingschef, de heer J(…). P(…) is een gewezen werknemer van de bank. L(…) is een toeleveringsbedrijf van kantoorbenodigdheden aan bedrijven. De originele bankgegevens stonden op “microtape” zoals V(…) het verwoordt. Door middel van een toestel van een Duitse zusterfirma van L (…) zijn de originele bankgegevens gelezen en op een diskette gezet en vervolgens afgedrukt. (…) Dergelijke tape [microtape] is leesbaar en omzetbaar met behulp van een computer. (…) Tenslotte heeft V(…) de afgedrukte lijsten gefotokopieerd -ten minste een gedeelte ervan- en deze kopieën bewaard in de gehuurde garagebox, waar zij door de politie werden aangetroffen.

Mogelijke motieven zoals blijkt uit de verhoren.

V(…) vermoedt dat M(…) en P(…) de bedoeling hadden de bank op te lichten door middel van deze stukken. V(…) verklaart dat M(…) hem en zijn dochter zou hebben bedreigd voor het geval “er iets uitkwam van deze stukken”. Het kopiëren en bewaren van de lijsten door V(…) evenals de beweerde bedreiging, kunnen ook wijzen op de intentie om de klanten van de bank aan de hand van de adreslijsten te lokaliseren met het oog op huisdiefstal.

Besluit

Dit alles betekent dat door de betrokkenen een hoge mate van geloofwaardigheid aan de stukken werd gehecht. Immers, de stukken zijn voor betrokkenen slechts nuttig onder een dubbele voorwaarde. Ten eerste moeten ze echt zijn in de zin van afkomstig van de bedrijfsadministratie van de bank. Ten tweede moeten ze accuraat zijn in de zin van overeenkomen met de werkelijkheid inzake enerzijds de namen en adressen van de rekeninghouders en anderzijds de rekeningstanden. Hieruit kan besloten worden dat de stukken zowel inzake herkomst als inhoud inderdaad een hoog gehalte aan waarachtigheid bevatten.

De stukken zijn door het Parket in beslag genomen ter gelegenheid van een huiszoeking, en bijgevolg op rechtmatige wijze verkregen. Vervolgens werd aan de administratie toelating van en inzage in en afschrift van de stukken verleend. Bijgevolg heeft de administratie de stukken verkregen op rechtmatige wijze. Bovendien betekent dit dat de oorsprong van de stukken ondubbelzinnig is.”(…)

2.2.3.

De bijlagen B.1, B.2 en B.6 bevatten gegevens (namen, valuta, data, nummers, en bedragen) over rekeningstanden per 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996 (de “rekeningstandenlijsten”). Bijlage B.9 betreft een adressenlijst. Bijlage B.12 betreft een brief van 18 december 2001 afkomstig van de procureur-generaal van het Hof van Beroep Waalse Kaai te Antwerpen gericht aan de Belgische belastingautoriteiten, waarin aan deze autoriteiten toestemming wordt verleend inzage en afschrift te nemen in het strafdossier. De overige bijlagen bevatten onder meer namen, nummers, data, getallen en/of percentages. Een aantal bijlagen heeft als aanhef “F. [NAAM 1] SA.” dan wel “[NAAM 1] Cliënts (amounts in mio LUF)” of bevatten het logo van de [NAAM 1]. Een deel van de gegevens in de bijlagen is weggelakt en - ook na de hiervoor genoemde beslissingen van de geheimhoudingskamer - weggelakt gebleven.

2.2.4.

Op basis van de gegevens die zijn verstrekt bij de brief van 18 februari 2005 is binnen de Belastingdienst het project Bank Zonder Naam (hierna: het Project) gestart. Doel van het Project was het op projectmatige wijze behandelen van de ontvangen gegevens door middel van het identificeren en sofiëren van de beschikbare renseignementen, teneinde de niet aangegeven inkomens- en vermogensbestanddelen (bankrekeningen) alsnog in de belastingheffing te betrekken.

Ten behoeve van het Project is het draaiboek Bank Zonder Naam (hierna: het Draaiboek) opgesteld. Het Draaiboek bevat onder meer informatie met betrekking tot de aanleiding van het Project, de organisatorische aspecten, de duur van het Project, de gegevens met betrekking tot de bankrekeningen, de fiscale en formeelrechtelijke aspecten van de heffing over buitenlands vermogen, de invordering en de praktische aandachtspunten. Het Draaiboek, versie 7 maart 2007, is openbaar gemaakt door middel van publicatie op de website van de Belastingdienst en het Ministerie van Financiën, met uitzondering van de namen en kantoorgegevens van individuele (belasting)ambtenaren.
Een versie van het Draaiboek waarin uitsluitend de namen van belastingambtenaren en hun telefoonnummers en e-mailadressen zijn geanonimiseerd, is bij het verweerschrift overgelegd.

Identificatie van de op de fotokopieën vermelde rekeninghouders
2.3.1. Verweerder heeft na ontvangst van de Nota en de rekeningstandenlijsten de op de rekeningstandenlijsten vermelde informatie geverifieerd. Hiertoe zijn de volgende toetsen uitgevoerd.

Er heeft verificatie van de op rekeningstandenlijsten vermelde namen, rekeningnummers en rekeningsaldi plaatsgevonden aan de hand van gegevens welke door meewerkende rekeninghouders in eerdere projecten (het Rekeningenproject en het project Buitenlands Vermogen) zijn verstrekt aan de Belastingdienst.

Daarnaast zijn de gegevens op de rekeningstandenlijsten (tenaamstelling, rekeningnummer en rekeningsaldi) vergeleken met de gegevens die in het kader van het Project zijn verstrekt door meewerkende belastingplichtigen. Ook in strafrechtelijke onderzoeken verkregen gegevens van verdachten zijn vergeleken met de gegevens op de rekeningstandenlijsten.

Tevens heeft een chikwadraattoets plaatsgevonden.

Uit de informatie in de begeleidende Nota in combinatie met bijbehorende bijlagen, alsmede op grond van bovenstaande verificatie is door de Belastingdienst de conclusie getrokken dat er geen reden is te twijfelen aan de juistheid van de uitlatingen zoals gedaan in de Nota, en dat de daarbij verstrekte gegevens afkomstig zijn van de bank [NAAM 1] SA (hierna ook: [NAAM 1]).

2.3.2.

Op de rekeningstandenlijsten komen rekeninghouders voor met één achternaam met één of meer voorletters alsmede rekeninghouders met twee achternamen al dan niet met één of meer voorletters. In totaal gaat het om circa 2.500 renseignementen. De gegevens van de rekeninghouders zoals vermeld op de rekeningstandenlijsten zijn in het kader van het Project vergeleken met de gegevens in het geautomatiseerde systeem Beheer Van Relaties (hierna: BVR) van de Belastingdienst. Indien en voor zover uit de vergelijking met BVR slechts één persoon met exact dezelfde of, in andere bewoordingen, met de unieke combinatie meerdere voorletters-achternaam of combinatie (voorletters) achternaam-achternaam naar voren kwam, is deze persoon als rekeninghouder aangemerkt.

In een aantal gevallen heeft de identificatie (mede) plaatsgevonden aan de hand van de gegevens vermeld op de adressenlijsten.

2.3.3.

In een op 13 maart 2008 door [B] (opsporingsambtenaar van de FIOD-ECD) in het kader van het Project afgelegde ambtsedige verklaring met betrekking tot de geautomatiseerde identificatie is onder meer opgenomen:

Onderzoek tenaamstelling naar personen

Het cliëntenbestand [NAAM 1] is door de heer [C], EDP-auditor van het Centrum voor Product en Procesontwikkeling van de Belastingdienst (B/CPP) gematcht met de gegevens uit het systeem Beheer van Relaties (BVR). In dit systeem zijn alle natuurlijke- en rechtspersonen opgenomen die in Nederland wonen of zijn gevestigd en die bekend zijn bij de Belastingdienst, alsmede alle niet in Nederland wonende of gevestigde natuurlijke- of rechtspersonen met wie de Belastingdienst een relatie onderhoudt.

In het systeem worden ook gegevens bijgehouden over de relaties die er bestaan tussen de opgenomen natuurlijke en rechtspersonen, zoals ouder-kind of gehuwde relatie, of het zijn van aandeelhouder of bestuurder van een rechtspersoon.

In het BVR-systeem blijven historische gegevens bewaard. Het BVR-systeem wordt gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie en het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en met eigen gegevens van de Belastingdienst.

Het onderzoek naar de tenaamstellingen middels matching met het BVR heeft zich gericht op de identificatie van personen onder de hiervoor bij de punten 1, 2 en 3 genoemde op naam gestelde rekeningen.

De heer [C] verklaarde tegenover mij dat de identificatie, zakelijk weergegeven als volgt gegaan is.

Voorbereiding

 Als bron voor het cliëntenbestand [NAAM 1] zijn drie bronbestanden gebruikt, te weten de gedigitaliseerde van de Belgische autoriteiten ontvangen rekeningstanden per de data 21-12-1994, 05-09-1996 en 28-11-1996.

 Vanuit deze bronbestanden is een bestand gemaakt dat de essentiële gegevens bevat, te weten per regel een tenaamstelling, een rekeningnummer en de saldi per soort.

 Om de volledige koppeling (is het terug kunnen zoeken naar het originele brongegeven) tussen de van de Belgische autoriteiten ontvangen papieren bescheiden en de nu beschikbare digitale versie is aan elke regel een digitaal identificatienummer toegekend

 Dit digitale identificatienummer is samen met de tenaamstelling weggeschreven naar een nieuw bestand.

 Tenaamstellingen met slechts een enkele naam zonder verdere vermelding van letters zijn uit het bestand gehaald.

 De hiervoor onder punt 4 aangegeven tenaamstellingen zijn uit het bestand gehaald.

 De hiervoor onder punt 5 aangegeven tenaamstellingen zijn uit het bestand gehaald.

 De toevoegingen “A/O”, “-“, “,”,”/” en een spatie, alsmede de toevoegingen “B” en “LH” en andere in de tenaamstelling van de rekening, zijn ten behoeve van het matchen uit de tenaamstelling gehaald.

 Aangezien het nu overgebleven bestand de gegevens bevat van 3 bronbestanden, waarin veel van de te naamgestelde rekeningen op alle 3 de data voorkomen is het bestand op naamsniveau ontdaan van dubbele en drievoudige vermeldingen.

 In verband met de mogelijke verschillende schrijfwijzen tussen het Nederlands en de talen die gebruikt worden in Luxemburg zijn namen als [NAAM 2] en [NAAM 3] voorlopig uit de herkende posten gelaten. Deze posten zijn wel opgeleverd maar voor verdere herkenning door middel van menselijke interventie voorgedragen

 In de toegevoegde letters bij de tenaamstelling van de rekening komt in enkele gevallen de lettercombinatie TH voor. In Nederland is dit een gebruikelijke schrijfwijze is voor [NAAM 5]. De officiele voorletter voor deze persoon is slechts de T. In de gevallen waar het duidelijk was dat met TH [NAAM 5] bedoeld werd, is TH vervangen door T. Het zelfde geldt voor de naam [NAAM 6], daarbij is CHR vervangen door C. Deze posten zijn wel opgeleverd maar voor verdere herkenning door middel van menselijke interventie voorgedragen

 Het bestand is gesplitst in 2 aparte bestanden te weten die met enkele namen, als hiervoor bij de bij punt 1 beschreven rekeningen en een bestand met dubbele namen als hiervoor bij de punten 2 en 3 beschreven.

 Het bestand met dubbele namen is ontdaan van gebruikelijke voorvoegsels als v. vd, ter e.d.. Dit is gedaan om matching op de combinatie van achternamen in BVR mogelijk te maken. Als voorbeeld hiervan kan het volgende dienen. Op de naamscombinatie Van den Berg - De Dijk, kan worden gezocht door te matchen met de naamscombinaties Berg-Dijk en Dijk-Berg.

•:..•.:

:..,:....

Matchen

Bestand enkele namen.

 Het vanuit de bronbestanden gemaakte bestand, bestaande uit naam en letters, is gematcht met BVR op de vraag hoe vaak een naam, in combinatie met de voorletters in de volgorde zoals genoemd in de bronbestanden, voorkomt. Komt de combinatie in BVR maar 1 keer voor, dan is deze persoon als uniek in het BVR aangemerkt, en in combinatie met het (BSN) sofinummer, opgeleverd ter verdere behandeling.

Bestand dubbele namen

 Het vanuit de bronbestanden gemaakte bestand, bestaande uit een dubbele naam en in sommige gevallen voorzien van letters, is gematcht met het BVR op de vraag hoe vaak de combinatie van namen in het BVR, aan elkaar gekoppeld via een bestaande huwelijksrelatie, voorkomt. Komt de combinatie van namen in willekeurige volgorde maar 1 keer voor dan zijn deze beide personen als uniek in het BVR aangemerkt en, in combinatie met het (BSN)sofinummer, opgeleverd ter verdere behandeling.”

Identificatie

2.4.1.

Op de rekeningstandenlijsten zijn onder meer de volgende gegevens vermeld.

Lijst B.1:

“Date: 9/05/96 (…)

RACINE  *  NAME     *CCY*   CURRENT ACCOUNTS *  DEPOSITS  *
[NUMMER 2] [X]   NLG   201.63      .00

BONDS * SHARES / OPTIONS  *  INV. FUNDS  * TOTAL **00. .00   104,640.66   104,842.29 P”

Lijst B.2:

“Date: 11/28/96 (…)

RACINE  *  NAME     *CCY*   CURRENT ACCOUNTS *  DEPOSITS  *
[NUMMER 2]  [X]   NLG   201.63     .00
BONDS * SHARES / OPTIONS  *  INV. FUNDS  * TOTAL **
.00 .00 103,929.481 104,131.11 P”

Lijst B.6

“25 [NUMMER 2] [X]   [NUMMER 1] NLG 45995,29 239,87 45755,42 0 0 0P 18364”

2.4.2.

Tijdens het proces van identificatie bleek dat de combinatie van de achternaam van eiseres ([X]) en haar echtgenoot (([A]) slechts éénmaal in het BVR voorkomt. Het betreft dan ook een unieke naam-naamcombinatie.

Naar aanleiding van bovenstaande gegevens zijn eiseres en haar echtgenoot als rekeninghouder geïdentificeerd.

Contacten vóór het opleggen van de aanslag
2.5.1. Verweerder heeft aan de echtgenoot met dagtekening 7 maart 2007 een vragenbrief gestuurd waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“De Belastingdienst is een onderzoek gestart naar Nederlandse ingezetenen die in het buitenland één of meerdere bankrekening(en) aanhouden, dan wel aan hebben gehouden, waarbij het vermoeden bestaat dat in de aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting geen opgaaf is gedaan van saldi en opbrengsten daarvan.

Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat u houder bent (geweest) van in het buitenland aangehouden bankrekeningen. De gegevens van deze bankrekening(en) kunnen van belang zijn voor uw belastingheffing. Daarom verzoek ik u mij de gegevens en inlichtingen te verstrekken, die in de bijlage bij deze brief worden gevraagd.

Ik wijs u erop dat u op grond van artikel 47, lid 1, letter a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verplicht bent de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn. Indien u niet of niet volledig aan deze verplichtingen voldoet is op grond van artikel 25, lid 6, letter b en artikel 27e, letter b AWR omkering van de bewijslast van toepassing. In dat geval moet u in een latere procedure overtuigend aantonen dat, en in hoeverre, een hierop betrekking hebbende (navorderings)aanslag onjuist is. (…)”

De bijlagen bevatten de formulieren “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)”, waarin de echtgenoot wordt gevraagd om aan te geven van welke in het buitenland aangehouden bankrekeningen hij rekeninghouder is geweest, onder vermelding van onder andere rekeningnummer, naam van de bank, saldo en jaar van opening van de rekening.

2.5.2.

Verweerder heeft de echtgenoot met dagtekening 20 maart 2007 en 27 maart 2007 herinneringen gestuurd waarbij hij alsnog in de gelegenheid is gesteld om de gevraagde informatie te verstrekken.

2.5.3.

Verweerder heeft het formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” retour ontvangen met de volgende - op 4 april 2007 gedateerde - toelichting:

“In opdracht van onze cliënt dhr. [A], doen wij u hierbij de gevraagde informatie toekomen. Mocht er nog iets ontbreken dan horen wij dat graag van u.

Met vriendelijke groeten,

[getekend [D]]”

Het formulier is niet gedagtekend noch voorzien van een handtekening van de echtgenoot. Als bijlagen bij het formulier zijn afschriften gevoegd van de Franse bank [NAAM 4], vestiging [NAAM 4], uit de jaren 2003 tot en met 2007.

2.5.4.

In reactie hierop heeft verweerder [D] als gemachtigde van de echtgenoot bij brief van 18 juni 2007 - kort gezegd - medegedeeld dat uit zijn gegevens blijkt dat de rekening bij [NAAM 4] niet de enige bankrekening in het buitenland is en dat hij tot op heden niets heeft ontvangen met betrekking tot deze andere bankrekening(en). Verweerder heeft daaraan de conclusie verbonden dat niet is voldaan aan de verplichtingen van artikel 47 en volgende van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Verweerder heeft er in dat verband op gewezen dat dit gevolgen kan hebben voor de verdeling van de bewijslast.

2.5.5.

Eiseres heeft op 24 april 2008 aangifte gedaan voor het jaar 2005. Hierbij is een rendementsgrondslag aangegeven van € 698.159 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 27.926.

2.5.5.

Verweerder heeft eiseres bij brief van 24 oktober 2008 op de hoogte gesteld van het voornemen om bij aanslagoplegging af te wijken van de ingediende aangifte ib/pvv 2005. Daarbij is medegedeeld dat het aangegeven bedrag waarover het voordeel uit sparen en beleggen wordt berekend wordt gecorrigeerd met € 71.303 en dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen wordt vastgesteld op € 30.778.

2.5.6.

De aanslag ib/pvv 2005 is overeenkomstig de brief van 24 oktober 2008 opgelegd met dagtekening 11 november 2008 naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 30.778 en een bedrag aan belasting van € 9.233.

Bezwaar en beroep

2.6.1.

Eiseres heeft op 16 december 2008 bezwaar gemaakt tegen de aanslag ib/pvv 2005.

2.6.2.

Bij brief van 16 februari 2010 heeft verweerder aan eiseres verzocht het bezwaarschrift binnen vier weken te motiveren, waarna het bezwaarschrift op 10 maart 2010 van gronden is voorzien.

2.6.3.

Op 16 februari 2010, 7 oktober 2010 en 26 september 2011 verzoekt verweerder aan de gemachtigde van eiseres om aan te geven of zij wenst te worden gehoord.

2.6.4.

Verweerder heeft met dagtekening 27 februari 2012 uitspraak op bezwaar gedaan.

2.6.5.

Het pro forma beroepschrift is ingediend op 15 maart 2012. Eiseres heeft verzocht om uitstel voor de motivering van het beroep tot 15 april 2012. Het beroepschrift is vervolgens gemotiveerd bij brief van 4 april 2012, door de rechtbank ontvangen op 5 april 2012.

Procedures echtgenoot

2.7.

Naar aanleiding van het Project zijn door verweerder eveneens (navorderings)aanslagen (met correcties en verhogingen of boetes) ib/pvv en vermogensbelasting aan de echtgenoot opgelegd, onder meer over de jaren 1995 tot en met 2004 (ib/pvv) en 1996 tot en met 2000 (vermogensbelasting). Deze (navorderings)aanslagen zijn in beroep bij de rechtbank behandeld onder de nummers 09/516, 11/6014 tot en met 11/6016, 12/814 tot en met 12/817 en 12/819 tot en met 12/825. In deze procedure zijn geheimhoudingsbeslissingen door de geheimhoudingskamer van de rechtbank genomen op 19 december 2011 en 23 september 2011 en heeft de rechtbank uitspraak gedaan op 25 september 2012.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd.

3.2.

Verweerder baseert de correctie van het voordeel uit sparen en beleggen in de aanslag op zijn stelling dat eiseres (tezamen met haar echtgenoot) bij [NAAM 1] tegoeden heeft aangehouden waarvan geen aangifte is gedaan. Voor de standpunten van partijen wordt verder verwezen naar de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Met partijen is ter zitting van 24 september 2013 afgestemd dat de dossiers in de onder 2.7 bedoelde zaken integraal geacht worden te zijn ingelast in het onderhavige dossier. Dit brengt onder meer mee dat alle door partijen in voornoemde zaken aangebrachte stellingen en standpunten (in de stukken en ter zittingen) als herhaald worden beschouwd en alle in die zaken door partijen overgelegde stukken als ingelast. Tevens zijn de in 2.7 genoemde geheimhoudingsbeslissingen en de uitspraak van 25 september 2012 ingelast in het onderhavige dossier. Ter zitting heeft de gemachtigde de stellingen en standpunten voor zover die zien op navorderingsaanslagen en boetes alsmede heffingsrente voor de onderhavige zaak ingetrokken, nu het een primitieve aanslag betreft en daarbij geen boete is opgelegd.

4.2.

De rechtbank ziet geen aanleiding om ten aanzien van eiseres tot een ander oordeel te komen dan zoals verwoord in onderdeel 4.1 tot en met 4.5 ten aanzien van de echtgenoot in de uitspraak van 25 september 2012 en verwijst daarnaar dan ook kortheidshalve. Dit brengt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat verweerder heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat eiseres (mede)houder was van de in de renseignementen vermelde [NAAM 1]-rekening met nummer [NUMMER 2].

4.3.1.

Verweerder neemt het standpunt in dat niet is voldaan aan de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 47 van de AWR en dat eiseres evenmin de vereiste aangiften heeft gedaan. Op de voet van artikel 25, derde lid, aanhef, onderdeel b, en slot, van de AWR, heeft verweerder bij uitspraken op bezwaar de aanslagen met omkering en verzwaring van de bewijslast gehandhaafd.

4.3.2.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen, moet het er voor worden gehouden dat eiseres in de onderhavige jaren (mede)houder was van de in de renseignementen vermelde [NAAM 1]-rekening met nummer [NUMMER 2]. Als onvoldoende weersproken is komen vast te staan dat de saldi en inkomsten van die rekening niet in de aangiften van eiseres (dan wel haar echtgenoot) zijn aangegeven. Gelet op de hoogte van de saldi van de [NAAM 1]-rekening, zoals vermeld in de renseignementen, acht de rechtbank het aannemelijk dat het bedrag aan belasting dat daardoor niet zou worden geheven relatief en absoluut omvangrijk is en dat eiseres dat wist of zich daarvan bewust moet zijn geweest. Aldus heeft eiseres niet de vereiste aangifte gedaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat ingevolge het bepaalde in artikel 27e van de AWR de bewijslast dient te worden omgekeerd. De rechtbank is aldus gehouden de beroepen, ingevolge artikel 27e, aanhef, onderdeel b, en slot, van de AWR, ongegrond te verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is, waarbij het op de weg van eiseres ligt om overtuigend aan te tonen dat de uitspraak op bezwaar niet in stand kan blijven.

4.3.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aangetoond dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. De enkele stelling dat [NAAM 1] schriftelijk is benaderd teneinde bevestigd te krijgen dat de echtgenoot dan wel eiseres nimmer rekeninghouder zijn geweest en dat een reactie van [NAAM 1] is uitgebleven, is daartoe, in het licht van hetgeen verweerder heeft aangevoerd, onvoldoende.

4.4.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank toe aan de vraag of sprake is van een redelijke schatting door verweerder. De rechtbank is van oordeel dat ook voor het jaar 2005 sprake is van een redelijke schatting, en verwijst voor de motivering daarvan naar de overwegingen 4.10.2, 4.10.3 en 4.10.5 in de uitspraak van 25 september 2012.

4.5.

Eiseres doet voorts een beroep op het gelijkheidsbeginsel en stelt dat zij door verweerder ongelijk wordt behandeld ten opzichte van andere belastingplichtigen die zich in een exact vergelijkbare casus en fiscale rechtspositie bevinden. Zij onderbouwt deze stelling met een brief van 31 oktober 2011 van de Belastingdienst waarin de Belastingdienst in een andere zaak waarin dezelfde gemachtigde optreedt, laat weten dat in de zaak van een derde belastingplichtige nadere bestudering van het dossier tot de conclusie heeft geleid dat slechts de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en 1996 in geschil zijn.

Een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan alleen slagen als sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen op grond van begunstigend beleid of een oogmerk tot begunstiging dan wel wanneer in een meerderheid van de met de betrokken belastingplichtige vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt reeds omdat eiseres op geen enkele manier aannemelijk heeft gemaakt dat haar zaak vergelijkbaar is met die van de in de brief van 31 oktober 2011 genoemde personen.

4.6.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Immateriële schadevergoeding

4.7.

Eiseres heeft verzocht om toekenning van vergoeding van immateriële schade. Aan dat verzoek legt zij met een beroep op de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BO5080 en BO5087 en van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, ten grondslag dat een redelijke termijn voor de beslechting van het belastinggeschil in de onderhavige zaken is overschreden. Op 16 december 2008 heeft verweerder het bezwaarschrift tegen de onderhavige aanslag ontvangen. Op 27 februari 2012 heeft verweerder uitspraak gedaan op het bezwaarschrift. De rechtbank beslist heden op het beroep tegen die uitspraak op bezwaar. Het totale tijdsverloop tussen de ontvangst door verweerder van het bezwaarschrift en de uitspraak van de rechtbank bedraagt meer dan 4 jaar en 10 maanden. Daarbij merkt de rechtbank op dat de stelling van eiseres dat voor aanvang van de termijn moet worden gekeken naar het tijdstip waarop het eerste bezwaarschrift van de echtgenoot is ingediend, niet wordt gevolgd. Het bezwaarschrift van de echtgenoot had geen betrekking op de onderhavige zaak en het verloop van het bezwaar en beroep in de onderhavige zaak is niet synchroon met de zaken van de echtgenoot verlopen, zodat er voor de onderhavige zaak geen enkele reden is om van een ander aanvangstijdstip dan 16 december 2008 uit te gaan.

4.8.

Gelet op het vorenstaande is niet uitgesloten dat een redelijke termijn voor beslechting van het belastingschil (mede in beroep) is overschreden. De rechtbank zal met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het onderzoek heropenen om de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie c.q. de Raad voor de rechtspraak als zijn mandataris) in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen en zich uit te laten over het verzoek. Na (het verstrijken van de termijn voor) de uitlating zal eiseres in de gelegenheid worden gesteld binnen een termijn van twee weken daarop te reageren. Tenzij de rechtbank voor een nadere behandeling ter zitting aanleiding ziet, zal de rechtbank het onderzoek daarna sluiten en op het verzoek beslissen.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    heropent het onderzoek ter voorbereiding op een nadere uitspraak over het verzoek om (immateriële) schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Awb;

  • -

    stelt de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) in gelegenheid zich binnen zes weken na de verzending van de kopie van deze uitspraak door de griffier als hierna te bepalen uit te laten over het hiervoor bedoelde verzoek om schadevergoeding;

  • -

    gelast de griffier een kopie van deze uitspraak te verzenden aan de Raad voor de rechtspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. de Jong, voorzitter, mr. J.P.A. Boersma en mr. A.A. Fase, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.T. van Arnhem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 november 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.