Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:10138

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-04-2013
Datum publicatie
29-10-2013
Zaaknummer
419086 CV EXPL 12-4168
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0871

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Hoorn

Zaaknr/rolnr.: 419086 CV EXPL 12-4168

Uitspraakdatum: 29 april 2013

Vonnis in de zaak van:

[naam eisende partij],

wonende te [plaats],

eisende partij,

verder ook te noemen: [werknemer],

gemachtigde: mr. B.D. Roelink, advocaat te Hoofddorp,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SCHOLTENS BEHEERDIVISIE B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te 1687 CL Wognum, gemeente Medemblik, Geert Scholtenslaan 10,

gedaagde partij,

verder ook te noemen: Scholtens,

gemachtigde: mr. P.R. Hendriks, advocaat te Amsterdam.

Het procesverloop

Voor het procesverloop verwijst de kantonrechter naar de volgende stukken:

- de dagvaarding van 9 oktober 2012 met producties;

- een akte van 29 oktober 2012 met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- het tussenvonnis van de kantonrechter van 21 januari 2013;

- de met het oog op de terechtzitting overgelegde stukken.

- de aantekeningen van hetgeen is besproken tijdens de terechtzitting op 14 maart 2013;

Vervolgens is op vandaag uitspraak bepaald.

De feiten

1.

De kantonrechter neemt de volgende feiten als vaststaand aan, omdat deze door de ene partij zijn gesteld en door de andere partij niet of niet voldoende zijn betwist.

a. Scholtens is een vennootschap die onderdeel is van de Scholtens Groep. Van deze groep maken tevens deel uit Scholtens Projecten Divisie, Scholtens Solide Divisie en de beide bouwbedrijven Scholtens Bouw B.V. (Scholtens Wognum) en Scholtens Bouw De Meern B.V. (Scholtens De Meern).

b. [werknemer], geboren op [datum], is op 19 maart 2007 bij Scholtens in dienst getreden als Bouwkundige. [werknemer] was laatstelijk werkzaam in de functie vestigingsmanager bij Scholtens De Meern. Het loon van [werknemer] bedroeg laatstelijk € 6.000,00 bruto per 4 weken exclusief vakantietoeslag en andere emolumenten.

c. Op 21 juni 2012 heeft Scholtens het UWV Werkbedrijf verzocht om toestemming de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te mogen opzeggen. [werknemer] heeft daar inhoudelijk verweer tegen gevoerd. Bij beslissing van 23 augustus 2012 heeft UWV Werkbedrijf Scholtens toestemming gegeven de arbeidsovereenkomst met [werknemer] op te zeggen. Bij brief d.d. 29 augustus 2012 heeft Scholtens de arbeidsovereenkomst met [werknemer] opgezegd tegen 1 oktober 2012.

Het geschil

2.1 [werknemer] vordert, na eisvermindering ter comparitie, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

(i) voor recht te verklaren dat de door Scholtens gedane opzegging van het dienstverband kennelijk onredelijk is;

(ii) veroordeling van Scholtens tot betaling van een in goede justitie te bepalen schadevergoeding;

(iii) veroordeling van Scholtens om zonder korting of compensatie en onder afgifte van een deugdelijke salarisspecificatie aan [werknemer] uit te betalen het loon over de maand september, zijnde een bedrag van € 6.500,00 bruto vermeerderd met de overeengekomen vergoeding van € 530,00 netto over de laatste twee betalingsperioden;

(iv) te vermeerderen met de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen en wettelijke verhoging;

(v) kosten rechtens.

2.2 [werknemer] stelt hiertoe, zakelijk weergegeven, dat de opzegging van het dienstverband kennelijk onredelijk is. Primair omdat de door Scholtens opgegeven ontslagreden(en) vals of voorgewend zijn en subsidiair omdat de gevolgen van het ontslag voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Scholtens bij de opzegging.

2.3 Ter ondersteuning van zijn primaire stelling, voert [werknemer] aan dat Scholtens bij het UWV Werkbedrijf heeft aangevoerd dat er een economisch/organisatorische noodzaak voor opzegging is, bestaande uit door Scholtens noodzakelijk geachte wijzigingen in de organisatie van haar dochteronderneming Scholtens De Meern. Daarbij heeft Scholtens ten onrechte de aanvraag gefocust op de situatie bij Scholtens De Meern omdat veel door [werknemer] geacquireerd werk ten behoeve van Scholtens De Meern door beslissingen van de concerndirectie werd overgeheveld naar Scholtens Bouw Wognum. Bovendien heeft Scholtens het UWV Werkbedrijf een rad voor ogen gedraaid door een onjuiste voorstelling van zaken te geven. Zo zou het aantal fte binnen Scholtens De Meern zijn afgenomen tot 5, hetgeen het UWV Werkbedrijf heeft overgenomen en kennelijk redengevend voor de toestemming heeft gevonden. Het werkelijke aantal fte binnen Scholtens De Meern bedraagt echter 28 met een uitloop naar 38. Bovendien heeft Scholtens aan het UWV Werkbedrijf een zwaarder verlies voor Scholtens De Meern voorgespiegeld dan waarvan sprake was. De prognoses voor 2012 en daarna zijn rooskleurig. Inmiddels blijkt ook uit advertenties dat Scholtens De Meern op zoek is naar uitbreiding van haar personeelsbestand.

2.4 Subsidiair voert [werknemer] aan dat de aan het ontslag verbonden gevolgen voor [werknemer] te zwaar zijn in vergelijking met het belang van Scholtens bij beëindiging van het dienstverband. Scholtens is een solide familiebedrijf dat ondanks de economische crisis in staat is gebleken winst te genereren. Tot op heden heeft [werknemer] geen (volwaardige) andere baan gevonden. Hij is thans teruggevallen op een WW-uitkering die aanzienlijk lager ligt dan zijn laatstverdiende loon, circa € 2.000,00 netto. Bovendien lijdt [werknemer] aanzienlijke pensioenschade. In tegenstelling tot het bieden van een toereikende of billijke financiële compensatie, heeft Scholtens [werknemer] nog een trap nagegeven door hem aan te kondigen dat bij voortgezet gebruik van zijn bedrijfsauto gedurende de opzegtermijn, een boete zal worden opgelegd van € 30,00 per dag. Die auto was echter een belangrijk instrument om naar een andere functie te solliciteren. Ook de mobiele telefoon werd zonder enig voorafgaand overleg afgesloten. Scholtens heeft nagelaten een getuigschrift te verstrekken en heeft Scholtens [werknemer] niet ontheven van het concurrentiebeding.

2.5 Bij brief d.d. 5 september 2012 heeft Scholtens aan [werknemer] meegedeeld dat hij per dag dat hij de auto later dan 3 september 2012 inlevert, een boete van netto € 30,00 per dag verbeurt. Scholtens heeft ook een boete opgelegd en die verrekend met het loon dat aan [werknemer] moet worden uitbetaald.

3.1 Scholtens heeft verweer gevoerd. Daartoe stelt Scholtens – samengevat – dat van een kennelijk onredelijk ontslag geen sprake is. Medio juni 2012 zag de directie van Scholtens Groep zich vanwege bedrijfseconomische redenen genoodzaakt een organisatorische wijziging door te voeren. Deze hield, kort gezegd, in dat door een afname van het (kantoor)personeel bij Scholtens De Meern en daarmee een afname van het aantal taken en verantwoordelijkheden van de Vestigingsmanager, die functie zou vervallen, omdat deze feitelijk overbodig was geworden. Omdat dit een unieke functie was, was [werknemer] degene die boventallig werd verklaard. Van een valse of voorgewende reden is dan ook geen sprake. Scholtens heeft het UWV Werkbedrijf ook niet onjuist of onvolledig ingelicht.

3.2 Het beroep van [werknemer] op het gevolgencriterium faalt. Niet is gebleken dat [werknemer] zich daadwerkelijk heeft ingespannen een nieuwe dienstbetrekking te vinden. [werknemer] moet gelet op zijn leeftijd en ervaring in staat worden geacht op korte termijn een nieuwe dienstbetrekking te kunnen vinden. Bovendien heeft Scholtens hem reeds op 6 juli 2012 een lijst met beschikbare vacatures doorgestuurd. Op 18 juli 2012 heeft Scholtens [werknemer] een beëindigingvoorstel gedaan met een, gelet op de financiële situatie van Scholtens redelijke financiële voorziening. [werknemer] heeft dat echter van de hand gewezen. Dat Scholtens in het kader van de opzegging heeft benadeeld is onjuist. Scholtens heeft € 510,00 op het nettoloon ingehouden omdat [werknemer] de bij hem in gebruik zijnde bedrijfsauto te laat heeft ingeleverd. Hij reed deze alleen voor zakelijke doeleinden. Omdat [werknemer] per 29 augustus 2012 was vrijgesteld van zijn werkzaamheden, had hij de auto vanaf die dag niet meer nodig. Scholtens heeft [werknemer] verzocht de bedrijfsauto op 3 september 2012 in te leveren, maar dat heeft [werknemer] geweigerd. Daarop heeft Scholtens [werknemer] in gebreke gesteld en hem gewezen op zijn verplichting in de arbeidsovereenkomst om eigendommen van de werkgever bij beëindiging van het dienstverband of zoveel eerder de werkgever wenst aan de werkgever ter beschikking te stellen. Scholtens heeft aan [werknemer] bericht dat zij de kosten die door het niet terugbrengen ontstaan (doordat Scholtens de auto niet aan een andere medewerker ter beschikking kan stellen) aan [werknemer] in rekening zal brengen. Scholtens heeft daarbij meegedeeld dat zij € 30,00 netto zal inhouden voor iedere dag dat [werknemer] de auto later dan 3 september 2012 zou inleveren. Uiteindelijk heeft [werknemer] de auto op 21 september 2012, derhalve 17 dagen te laat ingeleverd. Scholtens heeft daarom € 510,00 netto ingehouden. Omdat [werknemer] de mobiele telefoon van Scholtens alleen zakelijk gebruikte, heeft Scholtens deze op 13 september 2012 afgesloten. Scholtens heeft, anders dan [werknemer] stelt, weldegelijk een getuigschrift aan [werknemer] verstrekt. Dat [werknemer] is gebonden aan een concurrentiebeding, is onjuist. Zo al sprake zou zijn van een kennelijk onredelijke opzegging, heeft [werknemer] de schade onvoldoende onderbouwd.

3.3 De loonvordering moet worden afgewezen. Scholtens heeft het loon voldaan. Zij heeft slechts (terecht) een bedrag van € 510,00 netto verrekend wegens het te laat terugbrengen van de bedrijfsauto door [werknemer].

4.

Bij de beoordeling zal zo nodig nog nader op de standpunten van partijen worden ingegaan.

De beoordeling

Voorgewende of valse reden.

5.1 [werknemer] heeft aangevoerd dat Scholtens doelbewust valse althans onvolledige informatie heeft verstrekt aan het UWV Werkbedrijf. Als gevolg van het verstrekken van deze valse althans onvolledige informatie heeft het UWV Werkbedrijf onterecht geoordeeld dat er bedrijfseconomische redenen voor het ontslag zijn, dat de functie van [werknemer] daardoor moet vervallen en dat er geen passend werk binnen Scholtens of Scholtens De Meern beschikbaar is, zo voert hij aan. De kantonrechter is hierover van oordeel dat Scholtens het UWV Werkbedrijf voldoende heeft geïnformeerd en het UWV Werkbedrijf daarbij niet op het verkeerde been heeft gezet. Immers, door de economische crisis neemt het bedrijfsresultaat van Scholtens De Meern af. Scholtens heeft ervoor gekozen uit het oogpunt van efficiency en kostenvermindering een reorganisatie bij Scholtens De Meern door te voeren, waardoor de functie Vestigingsmanager is komen te vervallen. [werknemer] was als enige werkzaam in die functie, dat die functie uitwisselbaar was met een andere functie of dat [werknemer] binnen Scholtens, Scholtens De Meern of elders in de Scholtens Groep herplaatsbaar was, is niet gebleken. Niet valt in te zien dat Scholtens op dit punt onjuist of onvolledig heeft geïnformeerd.

Gevolgen

5.2 Vervolgens dient te worden beoordeeld of toepassing moet worden gegeven aan het bepaalde in artikel 7:681 lid 2 onder b Burgerlijk Wetboek (BW), te weten dat de gevolgen van de beëindiging voor [werknemer], mede in aanmerking genomen de voor hem getroffen voorzieningen en gelet op de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, ernstiger zijn dan de voortzetting van het dienstverband voor de werkgever. Daarbij dienen alle omstandigheden zoals deze zich niet later dan op het tijdstip van ingang van het ontslag voordeden in aanmerking te worden genomen. Nadien intredende omstandigheden kunnen slechts in aanmerking worden genomen voor zover zij aanwijzingen opleveren voor wat niet later dan op voormeld tijdstip kon worden verwacht. De enkele omstandigheid dat de werknemer zonder toekenning van een vergoeding is ontslagen, levert in het algemeen geen grond op voor toewijzing van een vordering als bedoeld in artikel 7: 681 lid 1 BW. In een dergelijk geval moet voor het aannemen van kennelijke onredelijkheid sprake zijn van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de nadelige gevolgen van de beëindiging geheel of ten dele voor rekening van de werkgever dienen te komen.

5.3 Voldoende aannemelijk is dat Scholtens belang heeft bij de opzegging. Aangenomen kan worden dat de crisis in de bouwwereld ook zijn weerslag heeft op Scholtens. Doordat de bedrijfsresultaten van Scholtens en de Scholtens Groep onder druk staan, heeft Scholtens ervoor gekozen om, onder meer, te snijden in de personeelskosten. Dat Scholtens er daarbij voor heeft gekozen de functie vestigingsmanager bij Scholtens De Meern te laten vervallen, is niet onbegrijpelijk of onredelijk. Hetgeen [werknemer] daartegen heeft aangevoerd, maakt dat, zo zijn stellingen al juist zijn, niet anders. Aan de zijde van [werknemer] komt bijzonder gewicht toe aan het feit dat Scholtens door de beëindiging van het dienstverband een aanzienlijke inkomensteruggang heeft. [werknemer] heeft onbetwist gesteld dat hij een jaarinkomen afgerond van € 91.000,00 bruto genoot, exclusief pensioenexedent. Gedurende de tijd dat hij aanspraak kan maken op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, zal [werknemer] worden teruggeworpen op een inkomen van, op jaarbasis, iets meer dan € 50.000,00. Daar komt bij dat te verwachten is dat [werknemer] niet op korte termijn een nieuwe baan zal vinden. [werknemer] heeft aangevoerd dat hij naar volgens de door het Hugo Sinzheimer Instituut (HSI) in gebruik gegeven - en van algemene bekendheid zijnde - website ”hoelangwerkloos.nl” naar verwachting 431 dagen werkloos zal zijn en dat de kans dat hij uitstroomt naar een andere baan op de arbeidsmarkt moet worden ingeschat op 67 procent. Scholtens heeft hiertegen in zijn algemeenheid aangevoerd dat het gaat om een schatting, maar de juistheid van die schatting verder niet betwist. De kantonrechter neemt daarom de schatting van [werknemer] over de werkloosheidsduur over. Gelet op, in het bijzonder, de inkomensterugval door de werkloosheid van [werknemer] en de verwachte duur van de werkloosheid is de kantonrechter van oordeel dat de gevolgen van de opzegging voor [werknemer] te ernstig zijn in vergelijking met de belangen van Scholtens bij de opzegging. Dat [werknemer] ervan heeft afgezien in te stemmen met het aanbod van Scholtens om de arbeidsovereenkomst te beëindigen per 1 oktober 2012 met toekenning van een vergoeding van (netto) € 7.200,00 doet daaraan niet af. Die voorziening was te mager en het valt [werknemer] niet aan te rekenen dat hij eerst de beslissing van het UWV Werkbedrijf heeft willen afwachten. De kantonrechter komt daarom tot de conclusie dat de opzegging kennelijk onredelijk is.

Schadevergoeding.

5.4 De volgende vraag luidt of een schadevergoeding moet worden toegekend. Uitgangspunt bij de beoordeling van de vordering tot vergoeding van schade ten gevolge van kennelijk onredelijke opzegging die veroorzaakt wordt door een onevenredigheid in de belangen van beide partijen, in het nadeel van [werknemer], is dat deze vorm van niet-goed-werkgeverschap van een minder zwaar kaliber is dan wanneer de opzegging zou zijn geschied vanwege een valse of voorgewende reden. In het laatste geval zal uitgangspunt kunnen zijn de beoordeling van schade ten gevolge van het verlies van de baan. Bij een onevenredigheid daarentegen is het uitgangspunt de lengte van de naar verwachting bestaande werkloosheid die is ontstaan na de opzegging.
[werknemer] heeft aangevoerd dat hij naar verwachting 431 dagen werkloos zal zijn. Scholtens heeft dat, zoals hiervoor reeds vastgesteld, onvoldoende betwist. Gebaseerd op zijn loon, de verwachte duur van werkloosheid en het verwachte inkomen gedurende zijn werkloosheid, stelt [werknemer] dat zijn schade € 74.109,00 zal bedragen. Daarbij heeft hij tevens rekening gehouden met schade wegens het wegvallen van de pensioenexedent (welke post Scholtens niet heeft betwist) en met inkomen dat [werknemer] genereert in een tijdelijk parttime dienstverband. Scholtens heeft de juistheid van deze uitgangspunten niet dan wel onvoldoende betwist.

5.5 Toerekening

In het kader van de door de kantonrechter te beoordelen toerekening van de schade is door Scholtens aangevoerd dat deze niet aan haar is toe te rekenen omdat er van onredelijkheid van het ontslag geen sprake is. Dat verweer faalt, zoals hiervoor is gebleken. Kennelijk bedoelt Scholtens te stellen dat de schade niet aan haar is toe te rekenen omdat zij door haar bedrijfseconomische omstandigheden min of meer werd gedwongen maatregelen te nemen, onder meer door het laten vervallen van de functie van [werknemer]. Verder heeft Scholtens gewezen op haar slechte liquiditeitspositie. Daarin kan de kantonrechter Scholtens wel volgen, zij het dat de schade van [werknemer] nog wel voor een deel aan Scholtens toe te rekenen is. Gelet op de kostenbesparing die Scholtens door het ontslag van [werknemer] realiseert alsmede gelet op de leeftijd van [werknemer] en de duur van het dienstverband zal de kantonrechter de helft van de schade aan Scholtens toerekenen. Toewijsbaar is aldus een bedrag van € 37.054,50 bruto wegens schadevergoeding. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag is eveneens toewijsbaar

5.6 Tegen het gevorderde loon heeft Scholtens aangevoerd dat het loon tot einde dienstverband alsmede de onkostenvergoeding aan [werknemer] zijn uitbetaald, zij het dat ze daarop in mindering heeft gebracht een bedrag van € 510,00 netto omdat [werknemer] de door Scholtens ter beschikking gestelde auto te laat aan Scholtens heeft geretourneerd. [werknemer] heeft onvoldoende weersproken dat dit het geval is. Derhalve ligt slechts ter beoordeling voor of Scholtens bevoegd was een bedrag van € 510,00 netto op het loon in te houden. Die bevoegdheid is niet gebleken. Scholtens heeft onvoldoende onderbouwd op welke grond zij bevoegd was dit te doen. Dat zij bevoegd was tot het opleggen van een boete (waarnaar in de salarisspecificatie wordt verwezen), is gesteld noch gebleken. Dat Scholtens door het te late inleveren van de auto schade heeft geleden, heeft Scholtens onvoldoende onderbouwd. Scholtens zal daarom alsnog een bedrag van € 510,00 netto aan [werknemer] moeten voldoen, te vermeerderen met wettelijke rente daarover. Ook de gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over dit bedrag zal worden toegewezen. De kantonrechter vindt het, gelet op alle omstandigheden billijk de verhoging te matigen tot 25 procent (€ 127,50). De kantonrechter ziet geen aanleiding Scholtens te veroordelen hiervoor alsnog een gewijzigde salarisspecificatie over te leggen. Zo voor de uitbetaling van dit bedrag een nieuwe specificatie nodig is, gaat de kantonrechter ervan uit dat Scholtens die vrijwillig verstrekt. Net als in het verleden.

5.7 Scholtens dient als de overwegend in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten te worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

Veroordeelt Scholtens om aan [werknemer] tegen kwijting te betalen een bedrag van € 37.054,50 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van betaling.

Veroordeelt Scholtens om aan [werknemer] tegen kwijting te betalen een bedrag van € 637,50 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 510,00 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van betaling.

Veroordeelt Scholtens in de proceskosten, die tot heden voor [werknemer] worden vastgesteld op een bedrag van € 808,24 (€ 101,24 aan dagvaardingskosten, € 207,00 aan griffierecht en een bedrag van € 500,00 voor salaris van de gemachtigde van [werknemer]).

Verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 29 april 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier

De kantonrechter