Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:10089

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-10-2013
Datum publicatie
30-01-2014
Zaaknummer
AWB-12_4631
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2015:4293, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane. Sopropé. Afwijking aangiften. Geldigheid Verordening (EG) 398/2004.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-01-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 12/4631 en 12/4632

Uitspraakdatum: 31 oktober 2013

Uitspraak van de meervoudige kamer in de gedingen tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

gemachtigde: mr. J.A. Biermasz,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Nijmegen, verweerder.

1 Procesverloop

Verweerder heeft op 10 februari 2012 aan eiseres een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt voor € 121.152,50 aan antidumpingrechten (beroep 12/4631).

Verweerder heeft op 7 oktober 2011 aan eiseres een utb uitgereikt voor € 100.935,10 aan antidumpingrechten (beroep 12/4632).

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 31 augustus 2012 de utb’s gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Eiseres heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2013.

Namens eiseres is verschenen de gemachtigde, bijgestaan door [A]. Namens verweerder zijn verschenen mr. M.U.B. Willemsen en mr. B.C. Brouwer.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Op 13 oktober 2008 en 11 februari 2009 heeft eiseres in opdracht van de in Polen gevestigde onderneming [A BEDRIJF] (hierna: [A BEDRIJF]) telkens een aangifte ten invoer ingediend voor een zending silicium met een brutogewicht van respectievelijk 100.140 en 140.350 kilogram en een nettogewicht van respectievelijk 100.000 en 140.000 kilogram. De waarde van de zending was respectievelijk € 205.990 en € 247.250. De zendingen zijn aangegeven onder de goederencode 2804 69 00 90. Als land van oorsprong is telkens Taiwan aangegeven. Voor de zending die op 13 oktober 2008 is ingevoerd heeft de Taiwan Chamber of Commerce een certificaat van oorsprong afgegeven. Voor de zending die op 11 februari 2009 is ingevoerd heeft de Taiwan Kaohsiung Hsien Importers & Exporters Chamber of Commerce een certificaat van oorsprong afgegeven.

2.2.

[A BEDRIJF] heeft de zendingen gekocht van [B BEDRIJF] LTD. gevestigd te [PLAATS/LAND] (hierna: [B BEDRIJF]). Het koopcontract is volgens de vermelding getekend te Peking, Volksrepubliek China. De zendingen zijn verscheept vanuit Keelung en Taichung, Taiwan, naar Rotterdam. [B BEDRIJF] heeft de eerste zending gekocht van [C BEDRIJF] Corp. gevestigd te [PLAATS/LAND] (hierna: [C BEDRIJF]) en de tweede zending van [D BEDRIJF] Ltd. gevestigd te [PLAATS/LAND] (hierna: [D BEDRIJF]).

2.3.

[B BEDRIJF] heeft een contract gesloten met [C BEDRIJF] voor ‘logistics and export services of SI METAL’. [B BEDRIJF] moet certificaten van oorsprong aanvragen en het silicium schoonmaken en breken.

2.4.

Van 22 tot en met 27 mei 2011 heeft het antifraudebureau van de Europese Commissie (hierna: OLAF) een missie uitgevoerd naar Taiwan in verband met mogelijke oorsprongsfraude met silicium met aangegeven oorsprong Taiwan. Van de missie is een rapport opgemaakt (hierna: het OLAF-missierapport). De deelnemers aan de missie hebben gesproken met vertegenwoordigers van het Bureau of Foreign Trade (hierna: BOFT), het Department of Investigation (hierna: DOI) en het Directorate General of Customs (Department of Valuation). Een van de onderzochte bedrijven is [B BEDRIJF]. In het OLAF-missierapport wordt vermeld dat de onderzochte bedrijven, waaronder [C BEDRIJF] en [D BEDRIJF], silicium hebben geïmporteerd uit China, Belize, Mauritius en Hongkong en dat 95% van het metaal is geïmporteerd uit China. In het OLAF-missierapport is een paragraaf gewijd aan [C BEDRIJF], waarin staat vermeld dat het DOI een lijst heeft verstrekt met de gegevens van 19 zendingen, met de details van de invoer in en de uitvoer uit Taiwan. OLAF heeft het DOI verzocht om deze zendingen te koppelen aan de invoer in de Europese Unie door twee kolommen toe te voegen. Het BOFT en het DOI worden verzocht om nader onderzoek te plegen om te proberen een link vast te stellen tussen bepaalde invoerzendingen van silicium vanuit China naar Taiwan en de daarop volgende uitvoerzendingen vanuit Taiwan naar de Europese Unie. In het OLAF-missierapport wordt onder andere de volgende conclusie getrokken:

“On the basis of the findings in Taiwan so far it is concluded that the Taiwanese companies under investigation imported silicon from the PR China into Taiwan and re-exported Chinese silicon to the EU. However, the details provided so far by the Taiwanese authorities are not yet sufficient to establish a clear link between the imported and re-exported silicon.”

In het OLAF-missierapport is voorts vastgelegd dat het BOFT een verklaring zal afleggen over de oorsprong van de zendingen van het silicium waarvoor de Chamber of Commerce een certificaat van oorsprong heeft afgegeven aan de bij het onderzoek betrokken bedrijven en dat het DOI een database zal aanleveren met daarin de gegevens van de desbetreffende zendingen alsmede een link tussen de diverse invoer- en uitvoerzendingen.

2.5.

Tot de gedingstukken behoort een ongedateerd verslag van OLAF over de voorlopige bevindingen van het BOFT. Dit verslag is samen met het voornemen van 14 september 2011 naar eiseres gezonden. In het verslag is een paragraaf gewijd aan [C BEDRIJF], waarin staat dat 31 zendingen van dit bedrijf bij OLAF zijn aangemeld. In vier gevallen dient de exporteur nadere gegevens te verstrekken. Voor de overige 27 gevallen [rb: waaronder de onderhavige zending] is het BOFT tot de conclusie gekomen dat de oorsprongsregels niet correct zijn toegepast en dat de desbetreffende zendingen worden geacht de oorsprong China te hebben.

2.6.

Bij e-mail van 8 juli 2011 heeft een medewerker van OLAF aanvullende documenten naar de betrokken lidstaten gestuurd. Als bijlagen zijn het servicecontract tussen [B BEDRIJF] en [C BEDRIJF], een overzicht en diverse facturen van [C BEDRIJF] aan [B BEDRIJF] voor silicium bijgevoegd. In een aparte factuur brengt [C BEDRIJF] een vergoeding van US$ 93.5 per MT in rekening met als omschrijving ‘Service Charge for Transship’. Op een bijgevoegd schema staan gegevens die bij de factuur van [C BEDRIJF] aan [B BEDRIJF] met het nummer [NUMMER] horen. In het schema staat als land van oorsprong “CN’’ vermeld.

2.7.

De directeur van het DOI heeft op 10 augustus 2011 een brief naar OLAF gestuurd met een aantal bijlagen. De gegevens van de zending van [D BEDRIJF] zijn opgenomen in regel 2 van het bijgevoegde schema.

In de kolom met oorsprong staat vermeld:

“PR CHINA”

In de kolommen met opmerkingen staat vermeld:

“The Goods are exported to Romania after being imported from Mainland China. Their first 6 codes of the HS CODE are different. It is under verification whether this complies with the provision of substantial transformation under Article 7 of the Regulations Governing Certificates of Origin and Certificates of Processing.”

2.8.

Op 5 december 2011 heeft het Douane Informatiecentrum een addendum op het OLAF-missierapport ontvangen van OLAF. In het addendum is een paragraaf gewijd aan [D BEDRIJF], waarin een verslag staat van een gesprek met mevrouw [B], inkoopspecialist bij [D BEDRIJF]. Mevrouw [B] heeft tegenover het DOI verklaard dat het bedrijf het silicium in 2009 en 2010 kocht in China en een deel daarvan naar Europa exporteerde. Het bedrijf was door een exporteur in China (of Hongkong) belast met de invoer- en uitvoeraangiften en met het verkrijgen van verklaringen van oorsprong voor het silicium. De daadwerkelijke identiteit van de exporteur kon het bedrijf niet vaststellen. Soms moest het metaal geplet en op grootte gesorteerd worden. Mevrouw [B] kon niet vertellen wat de bestemming van de diverse zendingen was. Door toedoen van een van de verkopers heeft [D BEDRIJF] fouten gemaakt en straf gekregen van het BOFT voor het gebruik van valse certificaten van oorsprong. De gegevens van de zending van [D BEDRIJF] zijn opgenomen in regel 2 van het bijgevoegde schema, annex 2.5. In de kolom met opmerkingen staat vermeld: ‘INVESTIGATION NOT YET COMPETED’.

In het addendum is ook een paragraaf gewijd aan [C BEDRIJF], waarin de voorlopige bevindingen zijn neergelegd die in het ongedateerde verslag waren opgenomen. In het addendum staat daarnaast onder meer het volgende vermeld over [C BEDRIJF]:

“Based on the name of the vessel, the number of the voyage and the quantity of the invoiced silicon mentioned in the invoices, OLAF was able to link the consignments with consignments imported into Poland, the Netherlands and Slovenia. To safeguard the ADD at risk these results were already communicated to those Member States by e-mail on 08.07.2011 (…)”

In het addendum wordt de conclusie getrokken dat alle zendingen van silicium die sinds januari 2008 tot heden door de onderzochte bedrijven zijn geëxporteerd, worden geacht de Chinese oorsprong te hebben en derhalve onderworpen zijn aan antidumpingrechten. Deze conclusie trekt OLAF ook voor de zendingen waarvoor het onderzoek nog niet is afgerond.

3 Geschil

Primair is in geschil of het beginsel van het recht van verdediging is geschonden. Subsidiair is in geschil of verweerder over voldoende bewijs beschikt om van de aangiften te mogen afwijken. Meer subsidiair is in geschil of Verordening (EG) 398/2004 geldig is. Nog meer subsidiair is in geschil of boeking achteraf achterwege had moeten blijven omdat de voorwaarden van artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW zijn vervuld. Tevens is in geschil of eiseres recht heeft op vergoeding van de werkelijke proceskosten voor de bezwaar- en de beroepsfase.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.1.

Primair is in geschil of het beginsel van het recht van verdediging is geschonden. Dit standpunt wordt uitsluitend aangevoerd voor de utb die op 7 oktober 2011 aan eiseres is uitgereikt.

4.1.2.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat het beginsel van het recht van verdediging is geschonden, omdat uit de bij het voornemen gevoegde bijlagen niet blijkt dat de aangegeven oorsprong niet juist is en bovendien bij het voornemen niet alle beschikbare informatie is gevoegd. De utb van 7 oktober 2011 is prematuur opgelegd. Eiseres heeft haar standpunten dus niet naar behoren kenbaar kunnen maken en [A BEDRIJF] niet om opheldering kunnen vragen over alle van belang zijnde stukken.

4.1.3.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het recht van verdediging niet is geschonden. Aan eiseres is een brief met het voornemen gezonden en eiseres is in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. De utb is opgelegd op basis van de meegezonden bijlagen (gegevens van de Taiwanese autoriteiten die op 3 augustus 2011 zijn ontvangen) en niet op basis van het OLAF-missierapport. Alle relevante gegevens zijn verstrekt.

4.2.1.

De rechtbank stelt voorop dat eiseres twee te onderscheiden zaken door elkaar haalt. Allereerst dient te worden onderzocht of eiseres naar behoren in de gelegenheid is gesteld om haar standpunten kenbaar te maken voordat verweerder het bezwarende besluit (de utb) heeft genomen. Vervolgens dient te worden beoordeeld of verweerder, op wie de bewijslast rust, over voldoende bewijs beschikt dat de aangegeven oorsprong niet juist is. Dit laatste geschilpunt stelt eiseres als subsidiair standpunt aan de orde en dient apart te worden beoordeeld.

4.2.2.

In het kader van het respecteren van het recht van verdediging dient verweerder eiseres in zijn voornemen mee te delen welk besluit hij wil nemen en op welke gronden dit besluit rust en eiseres vervolgens naar behoren de gelegenheid bieden om daarop te reageren. De rechtbank leidt uit de gedingstukken af dat verweerder het recht van verdediging van eiseres heeft gerespecteerd. In de brief van 14 september 2011 heeft verweerder eiseres op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een utb uit te reiken en tevens de gronden meegedeeld waarop dit voornemen rust. Tevens heeft verweerder bij het voornemen een aantal bijlagen gevoegd. Verweerder heeft eiseres de gelegenheid geboden om op het voornemen, de gronden en de bijlagen te reageren en eiseres heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat deze utb is opgelegd op basis van de bijgevoegde bijlagen, en dat hij op dat moment niet over andere stukken beschikte. Het OLAF-missierapport was voor verweerder onvoldoende basis om een utb op te leggen. Daarom is dit stuk toen niet bijgevoegd, aldus verweerder.

4.2.3.

Of verweerder de utb op goede gronden heeft uitgereikt, is een andere kwestie, die in het kader van het subsidiaire standpunt van eiseres dient te worden beoordeeld. In dit verband geldt als algemeen uitgangspunt dat iedere partij (dus ook verweerder) in iedere fase van het geding nieuwe standpunten mag innemen en nieuw bewijs mag inbrengen, tenzij de goede procesorde zich hiertegen verzet.

4.2.4.

Dat eiseres in haar recht van verdediging is geschaad doordat zij geen opheldering heeft kunnen vragen bij haar opdrachtgever, [A BEDRIJF], mist feitelijke grondslag. Eiseres heeft verweerder op 28 september 2011 een brief gezonden afkomstig van [A BEDRIJF], waarin [A BEDRIJF] in de Engelse taal haar standpunt over het voornemen bekendmaakt. In het bezwaarschrift van 13 oktober 2011 tegen de utb die op 7 oktober 2011 is uitgereikt, geeft eiseres aan dat zij samen met [A BEDRIJF] een nieuw gemotiveerd standpunt voorbereidt. Dat het contact met [A BEDRIJF] als gevolg van het faillissement van laatstgenoemde in het voorjaar van 2012 is verbroken, kan eiseres verweerder niet tegenwerpen. Voor zover eiseres betoogt dat zij in haar belangen is geschaad omdat zij [A BEDRIJF] niet om opheldering heeft kunnen vragen over de bijlagen bij de brief van verweerder van 3 augustus 2012, heeft te gelden dat deze bijlagen vooral de leverancier [C BEDRIJF] betreffen en de verkoop door laatstgenoemde aan [B BEDRIJF]. De rechtbank ziet niet in dat [A BEDRIJF] over deze leverancier en deze verkoop enige opheldering had kunnen verschaffen.

4.2.5.

De conclusie luidt dat het recht van verdediging van eiseres niet is geschonden. Het primaire standpunt van eiseres dient te worden verworpen.

4.3.1.

Subsidiair is in geschil of verweerder over voldoende bewijs beschikt om van de aangiften te mogen afwijken.

4.3.2.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat het bewijs niet is geleverd. Eiseres wijst op de bescheiden bij de zendingen, waaruit blijkt dat de oorsprong van het silicium Taiwan is. Uit het addendum bij het OLAF-missierapport leidt eiseres af dat de utb’s prematuur zijn opgelegd. Nader onderzoek in Taiwan was nodig naar de desbetreffende zendingen. Het was niet mogelijk om een duidelijk verband te leggen tussen de invoerzendingen van silicium in Taiwan vanuit China en de uitvoerzendingen van silicium vanuit Taiwan naar de Europese Unie. OLAF heeft de Taiwanese autoriteiten huiswerk opgegeven en dit huiswerk is volgens eiseres niet goed gemaakt. De enkele bewering van de Taiwanese autoriteiten dat de oorsprong niet Taiwan is, is voor eiseres onvoldoende bewijs. Het concrete bewijs op het niveau van de individuele zendingen ontbreekt of is onvoldoende. De Taiwanese autoriteiten zijn er niet in geslaagd om lijsten te verstrekken waaruit het verband op het niveau van de individuele zendingen blijkt. De verklaring van mevrouw [B] van [D BEDRIJF] is geen bewijs. Deze is te algemeen van aard en zegt niets over de individuele zendingen. Mevrouw [B] heeft op bepaalde vragen geen antwoord kunnen geven. Van belang is wel dat [D BEDRIJF] niet alleen naar de Europese Unie exporteerde.

4.3.3.

Verweerder verwijst naar de bijlagen 11 en 13 bij de brieven waarin telkens het voornemen tot boeking achteraf is opgenomen. Uit deze bijlagen blijkt dat de onderhavige zendingen silicium vanuit China in Taiwan zijn ingevoerd en vervolgens, al dan niet na een ontoereikende bewerking (zoals reinigen, pletten en verpakken) te hebben ondergaan, vanuit Taiwan in Nederland zijn ingevoerd. De gegevens in deze bijlagen zijn dezelfde als die in de onderhavige aangiften en de containernummers zijn ook identiek. De zendingen zijn door de respectievelijke leveranciers [D BEDRIJF] en [C BEDRIJF] verkocht aan de exporteur, [B BEDRIJF], en vervolgens doorverkocht aan de opdrachtgever van eiseres.

4.4.1.

De rechtbank stelt voorop dat niet van belang is of het naar Taiwanees recht mogelijk is om certificaten van oorsprong in te trekken of ongeldig te verklaren. Het gaat immers niet om preferentiële oorsprong, maar om niet-preferentiële oorsprong. Aan de hand van het beschikbare bewijsmateriaal zal moeten worden beoordeeld of verweerder gelijk heeft dat de oorsprong van het silicium China is.

4.4.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het van hem te verlangen bewijs voor beide zendingen heeft geleverd.

4.4.3.

Voor de zending van [C BEDRIJF] heeft de rechtbank de volgende bewijsmiddelen in aanmerking genomen. Uit het door de Taiwanese autoriteiten opgestelde schema voor de leverancier [C BEDRIJF] volgt dat de Taiwanese autoriteiten erin zijn geslaagd om een link te leggen tussen een bepaalde invoer in Taiwan vanuit China van silicium en de daarop volgende uitvoer van dezelfde partij silicium vanuit Taiwan naar Nederland. Gelet op de details die in het schema zijn opgenomen, betreft deze link de zending waarvoor eiseres op 13 oktober 2008 een aangifte ten invoer heeft gedaan. De rechtbank heeft, anders dan eiseres, geen reden om aan de juistheid van dit schema te twijfelen. De factuur van [C BEDRIJF] aan [B BEDRIJF] voor de doorvoer van het silicium (‘service charge for transship’), de bevindingen in het OLAF-missierapport, de voorlopige bevindingen van het BOFT over de oorsprong van de onderzochte zendingen afkomstig van [C BEDRIJF] en de bevindingen in het addendum ondersteunen de juistheid van het schema.

4.4.4.

Voor de zending van [D BEDRIJF] heeft de rechtbank de volgende bewijsmiddelen in aanmerking genomen. Uit het door de Taiwanese autoriteiten opgestelde schema voor de leverancier [D BEDRIJF] volgt dat de Taiwanese autoriteiten erin zijn geslaagd om een link te leggen tussen een bepaalde invoer in Taiwan vanuit China van silicium en de daarop volgende uitvoer van dezelfde partij silicium vanuit Taiwan naar Nederland. Gelet op de details die in het schema zijn opgenomen, betreft deze link de zending waarvoor eiseres op 11 februari 2009 een aangifte ten invoer heeft gedaan. In de overige gedingstukken, zoals het OLAF-missierapport, de bevindingen van het BOFT over de oorsprong van de zendingen afkomstig van [D BEDRIJF] en het addendum, kan steun worden gevonden voor de conclusies in het schema. De enige reden voor twijfel is het verschil tussen de gebruikte goederencode (6-cijferniveau) in Taiwan bij de invoer uit China en de uitvoer naar Nederland. De rechtbank heeft, anders dan eiseres, geen reden om aan de juistheid van dit schema te twijfelen. De rechtbank stelt vast dat bij de invoer in Nederland dezelfde goederencode is gebruikt als bij de invoer in Taiwan. Aangezien de gedingstukken geen enkele aanwijzing bevatten dat in Taiwan een voldoende bewerking heeft plaatsgevonden, is de logische conclusie dat het verschil tussen de gebruikte goederencodes op een vergissing berust en dat hieraan geen betekenis dient te worden gehecht. In dit verband heeft de rechtbank meegewogen dat het voor Taiwan, gelet op de gespannen relatie met de Volksrepubliek China, niet gemakkelijk moet zijn geweest om het onderzoek uit te voeren en vervolgens de voor de Volksrepubliek China ongunstige resultaten aan OLAF door te geven.

4.4.5.

De rechtbank verwerpt het subsidiaire standpunt van eiseres.

4.5.1.

Meer subsidiair is in geschil of Verordening (EG) 398/2004 geldig is.

4.5.2.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat aan Verordening (EG) 398/2004 materiële en formele gebreken kleven, zodat deze niet in stand kan blijven. Bij de selectie van het referentieland is de voorgeschreven redelijkheid niet in acht genomen. De belangenorganisatie [E BEDRIJF], de klager, heeft voorgesteld om Noorwegen als referentieland te nemen. Dit voorstel heeft de Commissie overgenomen, ondanks een klacht van een Chinese producent/exporteur, die had voorgesteld om Brazilië of Zuid-Afrika te gebruiken. Het laatstbedoelde voorstel is min of meer weggewuifd. Eiseres wijst er in dit verband op dat de twee meewerkende Noorse producenten/exporteurs lid zijn van [E BEDRIJF]. De klager ([E BEDRIJF]) en (de producenten/exporteurs in) het referentieland zijn dus verbonden. Er is sprake van belangenverstrengeling. Bovendien is Noorwegen een Europees, en dus geen derde, land. Een derde land heeft de voorkeur.

4.5.3.

Verweerder neemt het standpunt in dat Verordening (EG) 398/2004 geldig is, omdat zij in het Publicatieblad (L 66 van 4 maart 2004) is bekend gemaakt. Verweerder is als douaneautoriteit aan deze verordening gebonden.

4.6.1.

De rechtbank stelt voorop dat Noorwegen geen lid is van de Europese Unie en dat het dus voor de uitlegging en toepassing van de wetgeving rond antidumping moet worden beschouwd als een derde land. Dat Noorwegen lid is van de EER doet hier niet aan af.

4.6.2.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres onvoldoende heeft aangevoerd om haar zware beschuldiging – namelijk dat de Europese Commissie zich kritiekloos voor het karretje van Noorwegen en/of [E BEDRIJF] heeft laten spannen – op zijn minst aannemelijk te maken. De overwegingen die in Verordening (EG) 398/2004 aan de keuze voor Noorwegen als referentieland en het afwijzen van Brazilië en Zuid-Afrika als zodanig zijn gewijd, komen de rechtbank aannemelijk en redelijk voor. Dat Zuid-Afrika (destijds) over slechts één producent beschikte, is gelet op het doel van het gebruik van een referentieland voldoende reden om dit land af te wijzen. Het moet immers gaan om een derde land met een markteconomie waarmee in voldoende mate vergelijking mogelijk is. Dat Brazilië destijds kampte met een aanzienlijke devaluatie van de nationale munt komt ook als een redelijke grond voor om dit land af te wijzen. Aanzienlijke valutafluctuaties kunnen immers marktverstorend werken en bemoeilijken een vergelijking met prijzen in andere landen. Bovendien staat in de overwegingen van Verordening (EG) 398/2004 dat in Brazilië en Zuid-Afrika geen producent kon worden gevonden die aan het onderzoek wilde meewerken. Dat deze redenen geen steek zouden houden of onwaar zouden zijn heeft eiseres weliswaar beweerd, maar niet onderbouwd. De argumenten die in de overwegingen van Verordening (EG) 398/2004 vóór de keuze van Noorwegen zijn genoemd, zijn bovendien overtuigend en passend. De Europese Commissie kon derhalve in alle redelijkheid Noorwegen als referentieland kiezen en Zuid-Afrika en Brazilië afwijzen.

4.6.3.

Uit de overwegingen van Verordening (EG) 398/2004 kan voorts worden afgeleid dat voldoende rekening is gehouden met verschillen waarvan werd aangetoond dat ze van invloed waren op de prijzen en de vergelijkbaarheid van deze prijzen om tot een billijke vergelijking te komen.

4.6.4.

Dat [E BEDRIJF] uitsluitend voor haar eigen belangen zou zijn opgekomen, maakt het voorgaande niet anders. Antidumpingheffing is immers het instrument bij uitstek om gerichte handelspolitieke maatregelen te nemen tegen landen die goederen op de markt van de Europese Unie dumpen. Een onderzoek naar vermeende dumping wordt ingeleid indien een onderbouwde klacht wordt ingediend door de binnen de Europese Unie gevestigde bedrijfstak, die zegt schade te ondervinden als gevolg van dumping.

4.6.5.

De rechtbank verwerpt het meer subsidiaire standpunt van eiseres.

4.7.1.

Nog meer subsidiair is in geschil of boeking achteraf achterwege moet blijven.

4.7.2.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat aan alle voorwaarden van artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW is voldaan. Eiseres heeft terecht vertrouwd op de certificaten van oorsprong die de Taiwan Chamber of Commerce heeft afgegeven. Indien deze certificaten toch niet juist zouden blijken, vormt dit een vergissing die eiseres redelijkerwijs niet kon ontdekken. Uit het OLAF-missierapport blijkt bovendien dat een eenmaal afgegeven certificaat niet kan worden ingetrokken. Deze certificaten blijven dus geldig.

4.7.3.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een vergissing van een douaneautoriteit. De Taiwan Chamber of Commerce is geen douaneautoriteit. De afgifte van de certificaten van oorsprong kan dus niet als een vergissing van de bevoegde autoriteiten worden aangemerkt. Het gaat bovendien om niet-preferentiële oorsprong. De Taiwanese autoriteiten hebben niet gehandeld op grond van een systeem van administratieve samenwerking. Artikel 220, tweede lid, sub b, tweede en derde alinea, van het CDW missen toepassing.

4.8.1.

De rechtbank stelt voorop dat de tweede en derde alinea van artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW toepassing missen omdat geen sprake is van preferentiële oorsprong.

4.8.2.

De rechtbank is van oordeel dat de certificaten van oorsprong die eiseres bij de aangiften heeft overgelegd geen bewijs kunnen leveren ten aanzien van de oorsprong van de ingevoerde goederen in de zin van artikel 24 van het CDW. Deze door de Taiwanese autoriteiten naar Taiwanees recht afgegeven certificaten van oorsprong zijn niet afgegeven in het kader van een systeem van administratieve samenwerking tussen de Europese Unie en Taiwan. De Taiwanese autoriteiten kunnen daarom niet als bevoegde douaneautoriteiten worden aangemerkt, zodat niet van een vergissing van de bevoegde douaneautoriteiten kan worden gesproken.

4.8.3.

Omdat geen sprake is van een vergissing van de bevoegde autoriteiten faalt het beroep op artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW. De overige voorwaarden hoeven geen bespreking.

4.8.4.

De rechtbank verwerpt het nog meer subsidiaire standpunt van eiseres.

4.9.

Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. A.E. Keulemans en
mr. M.C.A. Onderwater, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Plesman-Jalink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.