Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2022:886

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-02-2022
Datum publicatie
09-03-2022
Zaaknummer
9275054 / MC EXPL 21-3803
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burengeschil in verband met het wegnemen van een taxushaag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Vonnis van 9 februari 2022

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 9275054 / MC EXPL 21-3803 van HHt/37278

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie, hierna ook te noemen: [eiser] ,
gemachtigde mr. M.T.M. Fluitman (van [.] ),

tegen

[gedaagde] , in zijn hoedanigheid van erfgenaam van [A], overleden op [overlijdensdatum] 2021,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie, hierna ook te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde mr. R.D.M. de Boer.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 3 juni 2021 met producties 1 tot en met 4;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 4;

  • -

    het tussenvonnis van 8 september 2021, waarin een mondelinge behandeling op 5 oktober 2021 is bepaald;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie met productie 1;

  • -

    de akte tot schorsing ex artikel 225 Rv wegens overlijden van [A] van 29 september 2021;

  • -

    de akte tot voortzetting ex artikel 227 lid 1 Rv van 3 november 2021, waarin is medegedeeld dat [gedaagde] de procedure zal voortzetten;

  • -

    de brief van deze rechtbank van 4 januari 2022, waarin een mondelinge behandeling op 10 januari 2022 is bepaald;

  • -

    de akte van [eiser] met producties 6 tot en met 11;

  • -

    de mondelinge behandeling op 10 januari 2022 en de zittingsaantekeningen die daarvan door de griffier zijn gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] woont aan de [straatnaam] [nummeraanduiding 1] in [plaatsnaam] en [A] (hierna: [A] ) woont aan de [straatnaam] [nummeraanduiding 2] . Sinds 1978 zijn [eiser] en [A] buren van elkaar.

2.2.

[eiser] en [A] hebben al langere tijd onenigheid over verschillende kwesties.

2.3.

[eiser] heeft in zijn achtertuin een rij van vijf Taxus Baccata langs de erfgrens staan. De Taxus Baccata vallen onder de heestersoorten. De hoogte van de vijf Taxus Baccata zijn vijf meter. De takken van de Taxus Baccata hingen over naar de tuin van [A] .

2.4.

In de eerste helft van augustus 2020 heeft [A] haar tuinman de opdracht gegeven om de overhangende takken van de rij van vijf Taxus Baccata te snoeien, waarbij van één Taxus Baccata alle takken (28 stuks) van de top tot de grond verticaal zijn afgezaagd. Hierdoor is er een ‘doorkijk’ in de rij van de vijf Taxus Baccata ontstaan.

2.5.

Bij brief van 9 maart 2021 heeft [eiser] op grond van onrechtmatige daad [A] aansprakelijk gesteld voor zijn schade. [eiser] heeft [A] verzocht zijn schade te vergoeden. De schade bestond uit het vervangen van 1 Taxus Baccata, zijnde het bedrag van € 3.042,15. Daarnaast wilde [eiser] dat [A] de kosten voor het inschakelen van het Kadaster om de erfgrens in te meten zou gaan vergoeden. [A] heeft niet op deze brief gereageerd.

2.6.

Op [overlijdensdatum] 2021 is [A] overleden.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. [A] ex artikel 5:44 lid 1 BW juncto 6:162 BW te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.042,15 inzake veroorzaakte schade aan de haag van [eiser] ;

II. [A] ex artikel 6:96 lid 2 sub b BW te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 485,00 inzake redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid;

III. [A] te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en voor het geval voldoening van de kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

IV. [A] te veroordelen in de nakosten ten belopen van € 124,00 zonder betekening van het vonnis, verhoogd met een bedrag van € 82,00 in geval van betekening van het vonnis, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, en voor het geval voldoening van de kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, de kosten te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoel in artikel 6:119 BW te rekenen vanaf de vijftiende dag tot de dag der algehele betaling.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering -kort samengevat- het volgende ten grondslag. [A] heeft jegens hem onrechtmatig gehandeld (artikel 6:162 BW). [A] is, zonder eerst [eiser] aangemaand te hebben en hem in de gelegenheid te hebben gesteld om zelf de overhangende takken te snoeien, overgegaan tot het snoeien van de rij van vijf Taxus Baccata. [A] is dan ook zonder rechtsvaardigingsgrond de rij van vijf Taxus Baccata gaan snoeien, waarbij één Taxus Baccata onherstelbaar is beschadigd. Door de rij van vijf Taxus Baccata te beschadigen heeft [A] inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [eiser] . [A] is dan ook gehouden om de schade van [eiser] te vergoeden. De schade van [eiser] bestaat uit de kosten voor het inhuren van een hovenier en het moeten aanplanten van een nieuwe Taxus Baccata en de gemaakte kosten bij het Kadaster voor het laten inmeten van de grens om de aansprakelijkheid van [A] vast te stellen.

3.3.

[A] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[A] vordert -samengevat- bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

I. Het verwijderen en verwijderd houden van de vijf Taxus Baccata binnen 50 centimeter langs de erfgrens met het perceel [straatnaam] [nummeraanduiding 1] en [nummeraanduiding 2] , binnen veertien dagen na de datum van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per overtreding per dag dat de overtreding voortduurt;

Subsidiair:

A. Het snoeien van beplanting en de vijf heesters langs de erfgrens van perceel [straatnaam] [nummeraanduiding 1] en [nummeraanduiding 2] tot een hoogte van twee meter, althans in goede justitie te bepalen hoogte, binnen veertien dagen na de datum van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per overtreding per dag dat de overtreding voortduurt;

Het verwijderen en verwijderd houden van de overhangende takken van de vijf heesters langs de erfgrens van perceel [straatnaam] [nummeraanduiding 1] en [nummeraanduiding 2] , binnen veertien dagen na de datum van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per overtreding per dag dat de overtreding voortduurt;

vermeerderd met rente en kosten.

3.6.

[A] legt aan haar vordering -kort samengevat- het volgende ten grondslag. De beplanting en de vijf heesters zijn onrechtmatig geplaatst, omdat zij in strijd met de bepalingen van artikel 5:42 lid 2 BW zijn geplaatst. De beplanting en de vijf heesters zijn namelijk op minder dan 50 centimeters van de erfgrens geplaatst. Voor zover er geoordeeld wordt dat de vijf heesters op meer dan 50 centimeter zijn geplaatst, leveren de vijf heesters onrechtmatige hinder op ex artikel 5:37 BW. De vijf heesters staan aan de zuidkant van de tuin van [A] , waardoor die gedurende de zonnigste gedeelten van de dag het dag- en zonlicht blokkeren. Daarnaast wordt het uitzicht vanuit het zijraam aanmerkelijk geblokkeerd. De tussen naburen geldende zorgvuldigheid brengt met zich mee dat de eigenaar van hoogopschietende heesters, zoals die van [eiser] , in een reguliere woonomgeving op dusdanige hoogte gehouden moeten worden, zodat de nabuur geen hinder ondervindt. [eiser] doet dat duidelijk niet. Daarom vordert [A] dat de vijf heesters verwijderd moeten worden, althans gesnoeid moeten worden tot een hoogte als die van de erfafscheiding, namelijk twee meter.

3.7.

[eiser] voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

[gedaagde] is procespartij geworden

4.1.

[gedaagde] heeft na het overlijden van [A] schorsing van de procedure ingeroepen overeenkomstig artikel 225 Rv. Ingevolge artikel 227 Rv heeft [gedaagde] de mogelijkheid om het geding te hervatten. [gedaagde] heeft bij akte van 3 november 2021 de rechtbank bericht de procedure voort te willen zetten. De procedure zal daarom worden voortgezet tussen [eiser] enerzijds en [gedaagde] in zijn hoedanigheid als erfgenaam van [A] anderzijds. Het vonnis wordt om die reden gewezen op naam van [gedaagde] in zijn hoedanigheid van erfgenaam van [A] en niet op naam van [A] , die in deze procedure immers niet langer partij meer is.

in conventie

Onrechtmatig handelen door [A] / [gedaagde] ?

4.2.

[eiser] baseert zijn vordering tot schadevergoeding op artikel 6:162 BW. Voor aansprakelijkheid ex artikel 6:162 BW moet voldaan zijn aan een vijftal vereisten: onrechtmatige daad, toerekenbaarheid van de daad aan de dader, schade, causaal verband tussen daad en schade en relativiteit.

4.3.

Als uitgangspunt geldt dat degene die opzettelijk of verwijtbaar, een aan een ander toebehorende zaak beschadigt, daarmee inbreuk maakt op diens eigendom. Een dergelijke inbreuk op het recht van de eigenaar levert in beginsel een onrechtmatige daad op in de zin van artikel 6:162 BW.

4.4.

Vaststaat dat de tuinman van [A] in de eerste helft van augustus 2020 in opdracht van [A] , zonder toestemming van [eiser] , de overhangende takken van de rij van vijf Taxus Baccata heeft gesnoeid, waarbij van één Taxus Baccata alle takken (28 stuks) van de top tot de grond verticaal zijn afgezaagd. Dat het snoeien van de rij Taxus Baccata vakkundig zou zijn gebeurd, zoals [A] heeft gesteld, is de kantonrechter niet gebleken, gelet op de ‘doorkijk’ die als gevolg van het snoeien is ontstaan in de rij van vijf Taxus Baccata. Door zonder toestemming van [eiser] te snoeien wordt inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [eiser] . Omdat hiervoor geen rechtvaardigingsgrond aanwezig was -niet is gebleken dat [A] [eiser] meerdere malen (mondeling) heeft gesommeerd tot het snoeien en/of verwijderen van de overhangende takken en dat [eiser] dit heeft geweigerd- en het handelen aan [A] is toe te rekenen en ook aan de overige vereisten van artikel 6:162 BW is voldaan, is er sprake van een onrechtmatig handelen door [A] dat in beginsel leidt tot een vergoedingsplicht.

De omvang van de schade: kosten voor het aanplanten en vervangen van een Taxus Baccata

4.5.

Nu vaststaat dat [A] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, is de vraag wat de omvang van de geleden schade van [eiser] is.

4.6.

Uitgangspunt is dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd als de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven (Hoge Raad 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998). De redelijkheid kan meebrengen dat als zich door de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid wordt gebaseerd weliswaar een feitelijke wijziging heeft voorgedaan maar geen waardevermindering en de benadeelde geen redelijk belang heeft bij feitelijk herstel van de oude toestand, hem ter zake geen vergoeding toekomt (Hoge Raad 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9830).

4.7.

In een geval van zaaksbeschadiging -zoals zich dat hier voordoet- geldt het volgende: gaat het om beschadiging van een zaak waarvan herstel mogelijk en economisch verantwoord is, dat wil zeggen dat de kosten van herstel de waarde van de zaak voor verlies of beschadiging niet overtreffen, dan pleegt de schade te worden gesteld op de redelijke -naar objectieve maatstaven berekende- kosten van herstel, ook al vindt herstel feitelijk niet of tegen geringere kosten plaats. Wanneer herstel niet mogelijk of verantwoord is dan moet de aansprakelijke de waarde van de zaak in het economisch verkeer (de ‘marktwaarde’) ten tijde van het verlies vergoeden, zodat de benadeelde in staat is om zich een vergelijkbare zaak te verwerven (o.a. Hoge Raad 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:208). Het beoordelingstijdstip voor de begroting van de schade is steeds het moment van de beschadiging, zij het dat onder omstandigheden gebeurtenissen van later datum kunnen meebrengen dat van de getroffen eigenaar in redelijkheid kan worden verlangd dat hij zijn aanspraak beperkt.

4.8.

[eiser] vordert een bedrag van € 3.042,15 aan schadevergoeding. Daartoe heeft [eiser] gesteld dat door het onrechtmatig handelen van [A] één Taxus Baccata onherstelbaar is beschadigd, nu de takken tot aan de stam zijn afgezaagd. De Taxus Baccata moet daarom vervangen worden. De schade bestaat dan ook uit de kosten voor de vervanging en weer aanplanten van een nieuwe Taxus Baccata, die in een door [eiser] aangevraagde en in het geding gebrachte offerte van [onderneming] zijn begroot op het gevorderde bedrag.

4.9.

Ter onderbouwing van zijn schadevordering dat de Taxus Baccata vervangen moet worden, omdat die onherstelbaar is beschadigd, heeft [eiser] verwezen naar de recente foto van de Taxus Baccata. Daarop is te zien dat de Taxus Baccata allesbehalve vitaal is en zij ook geen tekenen van herstel vertoont. De takken van de beschadigde Taxus Baccata zijn bovendien sinds het snoeien/afzagen in augustus 2020 niet meer aangegroeid. Verder heeft [eiser] gesteld dat hij belang heeft om de beschadigde Taxus Baccata te vervangen door een zelfde exemplaar van vijf meter, omdat er nu een ‘doorkijk’ in de rij van vijf Taxus Baccata is. Men kan nu zo zijn tuin inkijken waardoor zijn privacy wordt aangetast. Ter zitting heeft [eiser] nog aangevoerd dat een kleinere Taxus Baccata niet wenselijk is, omdat het nog jaren zal duren voordat de (nieuwe en kleinere) Taxus Baccata weer dezelfde hoogte heeft als de andere Taxus Baccata en de ‘doorkijk’ weer dicht is. Er is dan ook noodzaak om de Taxus Baccata te vervangen door een exemplaar van vijf meter hoog, aldus [eiser] .

4.10.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [A] / [gedaagde] onvoldoende het standpunt van [eiser] weersproken. Het enkel stellen dat herstel van de Taxus Baccata nog wel mogelijk is en dat er sprake zou zijn van slechts tijdelijk functieverlies, is, zonder verdere onderbouwing, daartoe onvoldoende. De kantonrechter gaat dan ook uit van de juistheid van hetgeen [eiser] naar voren heeft gebracht, dat de Taxus Baccata onherstelbaar beschadigd is en vervangen moet worden.

4.11.

[A] / [gedaagde] heeft verder de hoogte van de door [eiser] gevorderde schadevergoeding onvoldoende betwist. [A] / [gedaagde] stelt dienaangaande slechts dat [eiser] niet heeft onderbouwd dat de aanschaf en beplanting van de huidige heester/Taxus Baccata € 3.042,15 heeft gekost. Dit uitgangspunt van [A] / [gedaagde] is onjuist. Zoals hiervoor onder 4.7. is overwogen, moet de aansprakelijke in het geval waarbij herstel niet mogelijk is de waarde van de zaak in het economisch verkeer (de ‘marktwaarde’) ten tijde van het verlies vergoeden, zodat de benadeelde in staat is om zich een vergelijkbare zaak te verwerven. Het gaat dus niet om de waarde (kosten) ten tijde van de aanschaf, maar de waarde ten van het verlies om weer een vergelijkbaar zaak te verwerven. [eiser] heeft met de offerte van [onderneming] onderbouwd wat de kosten zijn om de beschadigde Taxus Baccata te vervangen. Verder is niet gebleken dat het in de offerte genoemde bedrag van € 3.042,15 een onredelijk bedrag is voor de vervanging en aanplanting van een Taxus Baccata van vijf meter, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van de hoogte van het genoemde bedrag in de offerte, waarop [eiser] zijn vordering heeft gebaseerd. De gevorderde schadevergoeding van [eiser] ter zake de vervanging en aanplanting van één Taxus Baccata van € 3.042,15 zal dan ook worden toegewezen.

De omvang van de schade: de kosten ter vaststelling van de erfgrens door het Kadaster

4.12.

[eiser] heeft de kosten voor het laten inmeten van de erfgrens door het Kadaster om de aansprakelijkheid van [A] vast te stellen van € 485,00 gevorderd. [eiser] heeft zijn vordering gebaseerd op artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Deze vordering zal worden afgewezen om de volgende reden. De kosten, die gebaseerd zijn op de gronden genoemd in artikel 6:96 lid 2 BW, komen alleen voor vergoeding in aanmerking als die redelijkerwijs noodzakelijk waren en de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn. Niet gesteld of is gebleken dat de gevorderde kosten noodzakelijk waren voor de vaststelling van de aansprakelijkheid van [A] / [gedaagde] . Vaststaat dat de Taxus Baccata op het erf van [eiser] stond. Er was geen twistpunt over de erfgrens. De noodzaak om de erfgrens vast te stellen ontbreekt dan ook in deze. Dat de erfgrens wellicht een discussiepunt zou kunnen worden gedurende de procedure en [eiser] daarop vooruitlopend daarom de erfgrens (opnieuw) heeft laten inmeten door het Kadaster, is zijn keuze geweest en komt dan ook voor rekening van [eiser] . Die gemaakte kosten kunnen dan ook niet afgewenteld worden op [A] / [gedaagde] .

De proceskosten

4.13.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 108,22

- griffierecht € 240,00

- salaris gemachtigde € 436,00 (2 punten x tarief € 218,00)

Totaal € 784,22

De wettelijke rente over de proceskosten zullen als hierna vermeld worden toegewezen.

De nakosten en de wettelijke rente daarover zullen als hierna vermeld worden toegewezen.

in reconventie

Primair: verwijdering van de vijf Taxus Baccata op grond van artikel 5:42 lid 2 BW

4.14.

[A] / [gedaagde] heeft verwijdering van de vijf Taxus Baccata gevorderd, omdat die in strijd met de bepalingen van artikel 5:42 lid 2 BW zijn geplaatst. De vijf Taxus Baccata zijn namelijk geplant op minder dan 50 centimeter van de erfgrens, aldus [A] / [gedaagde] . [eiser] heeft dit standpunt van [gedaagde] gemotiveerd betwist. [eiser] heeft daartoe gesteld dat de plaats, waar de vijf Taxus Baccata zich bevinden, niet in strijd is met het bepaalde in artikel 5:42 lid 2 BW. In artikel 4.5.7. van de APV [plaatsnaam] is de in artikel 5:42 lid 2 BW bepaalde grens voor heesters -waar de vijf Taxus Baccata onder vallen- van 50 centimeter van de erfgrens teruggebracht tot nihil. Dit betekent dat de plaatsing van de vijf Taxus Baccata, die op minder dan 50 centimeter van de erfgrens staan, niet onrechtmatig is. [A] / [gedaagde] heeft dit niet weersproken. Het voorgaande brengt met zich mee dat aan de verwijdering van de vijf Taxus Baccata de wettelijke grondslag is komen te vervallen. De vordering tot verwijdering zal om die reden dan ook worden afgewezen.

Subsidiair: het snoeien van de beplanting en de vijf Taxus Baccata langs de erfgrens en het verwijderen en verwijderd houden van de overhangende takken van de vijf Taxus Baccata langs de erfgrens op grond van artikel 5:37 BW

4.15.

[A] / [gedaagde] heeft het snoeien van de beplanting en de vijf Taxus Baccata langs de erfgrens en het verwijderen en verwijderd houden van de overhangende takken van de vijf Taxus Baccata langs de erfgrens gevorderd, omdat het voorgaande onrechtmatige hinder als bedoeld in artikel 5:37 BW oplevert. De vijf Taxus Baccata houden het dag- en zonlicht tegen. Daarnaast wordt het uitzicht vanuit het zijraam aanmerkelijk geblokkeerd, aldus [A] / [gedaagde] . [eiser] heeft de vorderingen gemotiveerd betwist. [eiser] stelt in de eerste plaats dat de vorderingen zijn verjaard. Daarnaast is er geen sprake van onrechtmatige hinder, nu dit ook niet is onderbouwd door [A] / [gedaagde] , aldus [eiser] .

4.16.

Partijen twisten in de eerste plaats over de vraag of de vorderingen van [A] / [gedaagde] verjaard is. [A] / [gedaagde] zegt dat de vijf Taxus Baccata de afgelopen drie jaren zijn geplant en [eiser] zegt dat de vijf Taxus Baccata er al 45 jaar staan gelet op de grootte van die vijf Taxus Baccata. De kantonrechter laat de beantwoording van deze vraag in het midden, omdat hij van oordeel is dat er geen sprake is van onrechtmatige hinder en overweegt daartoe als volgt.

4.17.

Artikel 5:37 BW bepaalt dat het de eigenaar van een erf niet is toegestaan onrechtmatige hinder aan eigenaren van andere erven toe te brengen. Daaruit volgt dat niet elke vorm van hinder onrechtmatig is. De beoordeling of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, is afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de omvang van de daardoor toegebrachte schade in verband met de overige omstandigheden van het geval. Gelet op de hoofdregel van artikel 150 Rv lag het op de weg van [A] / [gedaagde] om haar/zijn standpunt op dit punt nader te onderbouwen. Dit heeft [A] / [gedaagde] niet gedaan. [A] / [gedaagde] heeft er mee volstaan door een aantal foto’s over te leggen en op te merken dat er dag- en zonlicht wordt tegengehouden en het uitzicht uit de zijraam aanmerkelijk wordt ontnomen. Dat is onvoldoende. Daaruit volgt naar het oordeel van de kantonrechter nog niet in welke mate, duur en ernst het dag- en zonlicht wordt tegengehouden. De vorderingen zullen als onvoldoende onderbouwd daarom worden afgewezen.

De proceskosten

4.18.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 218,00 aan salaris gemachtigde (2 punten × factor 0,5 × tarief € 218,00).

5 De beslissing

De kantonrechter

In conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 3.042,15;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 784,22, waarin begrepen € 436,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 109,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de voldoening;

in reconventie:

5.4.

wijst de vorderingen af;

5.5.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 218,00 aan salaris gemachtigde;

in conventie en reconventie:

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2022.