Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2022:855

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-03-2022
Datum publicatie
08-03-2022
Zaaknummer
UTR 22/252
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter oordeelt dat de opgelegde last onder dwangsom in zijn huidige vorm niet in stand kan blijven, omdat de hoogte van de opgelegde dwangsom onevenredig hoog is in verhouding tot de aard van de overtreding. De last onder dwangsom wordt daarom geschorst voor de duur van de bezwaarprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2022/93
OGR-Updates.nl 2022-0048
Omgevingsvergunning in de praktijk 2022/8634
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 22/252

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 maart 2022 in de zaak tussen

Orgaworld Nederland B.V., uit Amersfoort, verzoekster,

(gemachtigden: mr. S. Sluiter en mr. E. Talal)

en

het college van Gedeputeerde Staten van Flevoland, verweerder,

(gemachtigde: mr. R. Lutje Schipholt).

Inleiding

1.1

Verzoekster is een GFT-verwerkingsbedrijf in de omgeving van Lelystad. Zij heeft hiervoor een omgevingsvergunning, die voor het laatst gewijzigd is op 28 oktober 2014. Op grond van voorschrift 3.1.3 van deze omgevingsvergunning mag verzoekster maximaal

409.106 OUE/uur aan geur uitstoten. Naar aanleiding van klachten van omwonenden over geuroverlast heeft verweerder verschillende milieucontroles gedaan. Hierbij is vastgesteld dat de geuremissie van verzoekster de norm uit de omgevingsvergunning overschrijdt. Verweerder heeft daarom op 6 juni 2019 een last onder dwangsom van € 5.000,- opgelegd per geconstateerde overtreding tot een maximum van € 10.000,-. Deze last is inmiddels volgelopen.

1.2

In 2021 heeft verweerder twee nieuwe milieucontroles uitgevoerd, waarbij is vastgesteld dat de geuremissie nog steeds de toegestane norm overschrijdt. Verweerder heeft daarom op 29 september 2021 (het primaire besluit) een nieuwe last onder dwangsom opgelegd van € 250.000,- per geconstateerde overtreding tot een maximum van € 500.000,-. De last houdt in dat verzoekster de overtreding van voorschrift 3.1.3 van de omgevingsvergunning 2014 vóór 1 februari 2022 moet beëindigen.

1.3

Verzoekster is het niet eens met de opgelegde last onder dwangsom. In de eerste plaats stelt verzoekster dat zij niet vóór 1 februari 2022 aan de last kan voldoen. Ook vindt zij dat de opgelegde dwangsom onevenredig hoog is. Verzoekster heeft daarom bij verweerder bezwaar gemaakt en bij de rechtbank een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

1.4

De voorzieningenrechter heeft op 28 januari 2022 een ordemaatregel getroffen, omdat verweerder niet bereid was om de begunstigingstermijn op te schorten en het niet mogelijk was om het verzoek vóór het verlopen van de begunstigingstermijn op een zitting te behandelen. Met deze ordemaatregel heeft de voorzieningenrechter de last onder dwangsom geschorst tot de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening.

1.5

Het verzoek is behandeld op de zitting van 18 februari 2022. Namens verzoekster zijn [A] en [B] verschenen, bijgestaan door de gemachtigden van verzoekster. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling van het verzoek

Heeft verzoekster spoedeisend belang bij een beslissing van de voorzieningenrechter?

2. De voorzieningenrechter vindt dat verzoekster spoedeisend belang heeft bij een beslissing van de voorzieningenrechter. De begunstigingstermijn om aan de last onder dwangsom te voldoen is namelijk al verlopen, terwijl er nog geen beslissing op bezwaar is genomen. Verzoekster heeft daarom belang bij een beslissing van de voorzieningenrechter op haar verzoek.

Wat beoordeelt de voorzieningenrechter?

3. Gelet op de genomen ordemaatregel van 28 januari 2022 zal de voorzieningenrechter in deze uitspraak beoordelen of er aanleiding bestaat om de getroffen ordemaatregel te verlengen of niet.

4. De voorzieningenrechter beoordeelt of het nodig is om de last onder dwangsom te schorsen totdat verweerder een beslissing op het bezwaar van verzoekster heeft genomen. Voor het treffen van zo’n voorlopige voorziening in de fase van bezwaar is in beginsel alleen aanleiding als de opgelegde last zodanig gebrekkig is dat deze in de heroverweging die verweerder moet maken naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand kan blijven. De voorzieningenrechter geeft daarom eerst een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van de last onder dwangsom. Op basis daarvan zal zij vervolgens beoordelen of het belang van verzoekster zwaarder moet wegen dan het belang van verweerder. Hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het besluit, hoe minder ruimte er is voor de belangen van verzoekster.

5. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure niet.

Is het besluit rechtmatig?

6. Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een overtreding. Dat de geuremissie bij de laatste controles de maximale norm overschreed staat niet ter discussie. Dit betekent ook dat verweerder bevoegd is om handhavend op te treden en dat verweerder dit in beginsel ook zal moeten doen. Volgens verzoekster zijn er redenen om (op dit moment) van handhaving af te zien. Zij kan niet binnen de begunstigingstermijn aan de last voldoen en de dwangsom is onevenredig hoog.

De begunstigingstermijn

7. Verzoekster voert aan dat verweerder de begunstigingstermijn niet op 1 februari 2022 had mogen laten eindigen, omdat die begunstigingstermijn te kort is om de overtreding te kunnen beëindigen. Verzoekster stelt namelijk dat zij alleen aan de norm kan voldoen nadat er een luchtwasser (zure wasser) geplaatst én in gebruik genomen is. Voordat deze luchtwasser is gerealiseerd, is volledige stillegging van het bedrijf de enige mogelijkheid om aan de norm te voldoen, aldus verzoekster. Verzoekster verwijst ook naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, die zich op het standpunt stelt dat de motivering van verweerder om voor 1 februari 2022 te kiezen tekort schiet. Die motivering houdt in dat de overlast voor omwonenden nu al geruime tijd bestaat en dat verweerder de omwonenden wil vrijwaren van overlast in het voorjaar en de zomer van 2022. Nu het voorjaar pas op 20 maart begint had de termijn niet op 1 februari gesteld hoeven te worden, aldus verzoekster.

8. De voorzieningenrechter is het niet met verzoekster eens. De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder de begunstigingstermijn in redelijkheid op 1 februari 2022 heeft kunnen stellen. Daarbij is van belang dat het hier gaat om een overtreding van een voorschrift van een omgevingsvergunning uit 2014, waar verzoekster altijd al kennis van heeft gehad en waaraan zij altijd heeft moeten voldoen. Ook loopt het handhavingstraject tegen de overschrijding van deze norm al sinds 2019, waarbij er al eerder een last onder dwangsom voor deze zelfde overtreding is opgelegd. De voorzieningenrechter vindt het ook niet aannemelijk dat volledige stillegging van het bedrijf de enige (andere) mogelijkheid is om aan de last te voldoen. Zo heeft verzoekster op de zitting toegelicht dat zij inmiddels maatregelen heeft genomen om de geuremissie terug te dringen. Deze maatregelen zien met name op het verlagen van de productie/verwerking van GFT-afval. Verzoekster heeft in dit kader ook zelf geurmetingen verricht, waaruit blijkt dat zij aan de norm kan voldoen. Gelet hierop is de begunstigingstermijn niet korter dan noodzakelijk om de overtreding te kunnen opheffen. Verzoekster koppelt het kunnen voldoen aan de geurnorm weliswaar aan de realisatie van de luchtwasser, maar de voorzieningenrechter is het met verweerder eens dat verzoekster ook daarvóór al aan de norm moet (en kan) voldoen. Dat verzoekster in de loop der tijd sinds de verlening van de vergunning in 2014 meer GFT is gaan verwerken en daardoor niet aan de geurnorm voldoet ligt in haar risicosfeer. Dat het voorjaar pas na 1 februari begint acht de voorzieningenrechter in dit verband niet doorslaggevend, aangezien – zoals ter zitting is toegelicht – verweerder al vóór het begin van het voorjaar middels metingen wilde vaststellen of aan de last werd voldaan. De voorzieningenrechter ziet op dit punt dus geen onrechtmatigheid in de opgelegde last onder dwangsom.

Hoogte van de dwangsom

9. De voorzieningenrechter is het wel met verzoekster eens dat de hoogte van de opgelegde dwangsom onevenredig hoog is. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat de hoogte van een dwangsom in verhouding moet staan tot de aard van de overtreding en dat er van de dwangsom een zodanige prikkel moet uitgaan, dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.1 Verweerder motiveert de hoogte van de dwangsom door deze te koppelen aan de kosten voor de investering in de luchtwasser, omdat verzoekster daarmee aan de geurnorm kan voldoen. De voorzieningenrechter kan die toelichting echter niet volgen, omdat verweerder juist heeft aangegeven dat verzoekster ook zonder de luchtwasser aan de norm moet voldoen. Bovendien heeft verzoekster toegelicht dat de luchtwasser al besteld is, waarmee zij ook geen prikkel meer nodig zou hebben om die investering (nog) te doen.

10. De voorzieningenrechter vindt verder van belang dat verzoekster heeft toegelicht dat zij inmiddels maatregelen heeft genomen, die ertoe hebben geleid dat verzoekster volgens haar eigen metingen aan de norm voldoet. De last onder dwangsom is echter zo geformuleerd dat verzoekster bij één, mogelijk geringe, overschrijding van de norm direct € 250.000,- verbeurt, terwijl dat slechts van één meetmoment in twee maanden tijd afhangt. Indien er op dat moment een overtreding wordt geconstateerd, verbeurt verzoekster direct een dwangsom, en is er voor haar ook geen enkele prikkel meer om zich gedurende de overige termijn van die twee maanden aan de norm te houden. Onder deze omstandigheden oordeelt de voorzieningenrechter dat het meer voor de hand had gelegen om een lagere dwangsom met eventueel meerdere meetmomenten op te leggen. Daarmee kan verweerder over een langere periode meerdere keren controleren of er inderdaad aan de norm wordt voldaan en zal er voor verzoekster ook een constantere prikkel zijn om zich voortdurend aan de norm te houden. Het bezwaar van verzoekster heeft op dit punt dus kans van slagen.

Conclusie

Het voorlopig rechtmatigheidsoordeel

11. De voorzieningenrechter is op dit moment van oordeel dat de last onder dwangsom niet in stand kan blijven. Dit betekent dat het bezwaar van verzoekster kans van slagen heeft.

De belangenafweging

12. Omdat de voorzieningenrechter oordeelt dat de last onder dwangsom in deze huidige vorm niet in stand kan blijven, moet meer gewicht worden toegekend aan het belang van verzoekster dan aan het belang van verweerder. Verzoekster heeft er namelijk belang bij dat zij in afwachting van de beslissing op bezwaar geen dwangsom verbeurt, terwijl verweerder al aangegeven heeft op korte termijn een beslissing op bezwaar te zullen kunnen nemen.

De last onder dwangsom wordt geschorst

13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en verlengt de ordemaatregel door te bepalen dat de last onder dwangsom wordt geschorst tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Griffierecht en proceskosten

14. Omdat het verzoek wordt toegewezen, bepaalt de voorzieningenrechter dat het college aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van € 360,- vergoedt.

15. Verzoekster heeft ook verzocht om vergoeding van haar proceskosten. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De voorzieningenrechter stelt dit bedrag vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

 verlengt de ordemaatregel van 28 januari 2022 en schorst de last onder dwangsom van 29 september 2021 tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360,- aan verzoekster te vergoeden;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.518,‑.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.J. Naus, griffier. De beslissing is uitgesproken op 4 maart 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

De griffier is verhinderd te tekenen

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:328.