Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2022:66

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14-01-2022
Datum publicatie
14-01-2022
Zaaknummer
16-114444-21; 16-229636-20 (TUL) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling poging doodslag, wapenbezit en beschadiging goederen. Verdachte heeft op de openbare weg met een vuurwapen in de richting van [slachtoffer] geschoten, die hem eerder had bedreigd en die hem nu aanviel op straat. Verdachte heeft door zijn gedragingen de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer] in het onder-/boven lichaam zou raken en daarmee [slachtoffer] dodelijk zou kunnen verwonden. De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer. Verdachte werd aangevallen en mocht zich daartegen verdedigen, echter de rechtbank is van oordeel dat het door de verdachte gekozen verdedigingsmiddel niet in redelijke verhouding staat tot de aard en ernst van de aanranding. De rechtbank verwerpt ook het beroep op noodweerexces. De rechtbank is gelet op de gedragingen van verdachte en zijn beweegredenen van oordeel dat verdachte met zijn handelen een zekere rationaliteit en doelgerichtheid aan de dag heeft gelegd, waardoor niet gezegd kan worden dat een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht doorslaggevend is geweest in zijn handelen. De rechtbank houdt in strafverminderende zin rekening met de eerder door [slachtoffer] geuite bedreigingen en de mishandeling van verdachte door [slachtoffer]. De rechtbank legt verdachte een gevangenisstraf op van 18 maanden, met aftrek, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Verdachte moet de schade aan de eigenaar van een door een kogel beschadigde reclamezuil vergoeden. Ook moet verdachte een eerder aan hem opgelegde voorwaardelijke taakstraf alsnog verrichten omdat hij in zijn proeftijd nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16-114444-21; 16-229636-20 (TUL) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 14 januari 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1976] te [geboorteplaats]

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:

[adres] te [woonplaats]

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 6 augustus 2021, 29 oktober 2021, 28 december 2021 en 14 januari 2022. De inhoudelijke behandeling van de zaak heeft op 28 december 2021 plaatsgevonden. Het onderzoek ter terechtzitting is op 14 januari 2022 gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. J.R.F. Esbir Wildeman en van de standpunten van verdachte en mr. B.J. Tieman, advocaat te Utrecht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting van 29 oktober 2021 aangepast en op de zitting van 28 december 2021 gewijzigd. De aangepaste en gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 op 27 april 2021 in Woerden geprobeerd heeft om [slachtoffer] opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, door met een vuurwapen meerdere kogels op en/of in de richting van en/of nabij die [slachtoffer] af te vuren, dan wel (subsidiair) geprobeerd heeft die [slachtoffer] en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door met een vuurwapen meerdere kogels op en/of in de richting van en/of nabij die [slachtoffer] af te vuren, dan wel (meer subsidiair) die [slachtoffer] heeft bedreigd;

feit 2 in de periode van 27 april 2021 tot en met 3 mei 2021 in Woerden een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad;

feit 3 op 27 april 2021 in Woerden een auto en een reclamebord heeft vernield.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen. Op basis van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen concludeert de officier van justitie dat verdachte met zijn tweede en derde schot gericht in de richting van [slachtoffer] heeft geschoten. Verdachte heeft door op korte afstand gericht te schieten in de richting (van het bovenlichaam) van de bewegende [slachtoffer] de aanmerkelijk kans aanvaard dat hij [slachtoffer] dodelijk zou verwonden. De officier van justitie acht de onder 1 primair ten laste gelegde voorbedachten rade niet wettig en overtuigend te bewijzen, verdachte dient daarvan vrijgesproken te worden.

De officier van justitie acht de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten op basis van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat op basis van het dossier niet vastgesteld kan worden dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld dan wel dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [slachtoffer] .

Voorbedachten rade

Uit de beelden en het dossier leidt de raadsman af dat verdachte, zoals verdachte heeft verklaard, de intentie had om [slachtoffer] niet te raken. De eerste twee schoten zijn duidelijk niet gericht. Indien verdachte [slachtoffer] , die zich op zeer korte afstand van verdachte bevond, had willen doden, dan had verdachte hem toen op meerdere momenten zeker kunnen raken.

Het derde schot moet volgens de raadsman worden opgevat als een schot om [slachtoffer] af te schrikken en weg te jagen, en niet als een poging om hem van het leven te beroven.

Voorwaardelijk opzet

Verdachte is een geoefend schutter. Bij het derde schot loopt [slachtoffer] in een rechte lijn weg van verdachte. Verdachte schiet als [slachtoffer] een aantal autolengtes van hem verwijderd is. Verdachte had daarbij in een rechte lijn vrij zicht op [slachtoffer] en had niet de pose die iemand heeft als hij mikt om te raken. Verdachte heeft gericht mis geschoten en had dus geen voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] .

De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder feit 1 meer subsidiair, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Feit 1

Door verbalisant [verbalisant 1] werd het volgende gerelateerd. Op 27 april 2021, omstreeks 16.30 uur, vond een schietincident plaats op het Tournoysveld in de buurt van de kruising met de Rembrandtlaan in Woerden. Voor dit schietincident heeft een verdachte zich gemeld: [verdachte] .

Door verbalisant [verbalisant 1] werden de camerabeelden van het schietincident bekeken en werd het volgende bevonden:2

- om 16.35 uur komt er een donkerkleurige auto, lijkend op een Mercedes, aanrijden vanaf het Tournoysveld in de richting van de Rembrandtlaan. Aan de bijrijderskant van de auto stapt [slachtoffer] uit;3
- zichtbaar is dat [slachtoffer] een derde persoon achter de boom fysiek aanvalt. Dit blijkt verdachte [verdachte] te zijn;4
- [slachtoffer] slaat [verdachte] ;
- tijdens het vechten pakt [verdachte] een vuurwapen. [verdachte] lijkt het vuurwapen te richten in de richting van de flat. Op de camerabeelden is op dat moment een knal te horen;5
- te zien dat [verdachte] zijn arm uitstrekt. Op het moment dat [verdachte] zijn arm uitstrekt, is er een knal te horen.
- [slachtoffer] loopt een rondje om te rode geparkeerde auto waar zij voor staan. [verdachte] volgt hem achter te auto langs. Uiteindelijk loopt [slachtoffer] met versnelde pas in de richting van de donkerkleurige Mercedes;6
- terwijl [slachtoffer] richting de Mercedes gaat, strekt [verdachte] zijn arm opnieuw uit. Het lijkt dat hij zijn arm uitstrekt in de richting van [slachtoffer] , die wegloopt in de richting van de Mercedes. Op dat moment is wederom een knal te horen.7

Door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] is naar aanleiding van het schietincident een beeldmeting en positiebepaling gedaan. Het onderzoek bevat bevindingen over posities, betrokken personen en schietlijnen met betrekking tot het derde door verdachte geloste schot.8

Positiebepaling schot 3

Direct na het derde schot is op de camerabeelden te zien dat het glas van de linker achterportier van de blauwe geparkeerde auto (Suzuki) barst en verstuift in westelijke richting. In de weergave is een visuele relatie gelegd tussen het derde schot en de aangetroffen in- en uitschoten in de reclamezuil. De paarse lijn geeft het

schottraject weer van het wapen (verdachte) via de aangetroffen in- en uitschoten in de reclamezuil en in de blauwe auto. De groene lijn geeft een direct schottraject weer van het wapen (verdachte) in de blauwe auto.9

Verdachte heeft verklaard dat hij op 27 april 2021 in Woerden met een pistool in de richting van [slachtoffer] heeft geschoten.10

Bewijsoverweging

Voorwaardelijk opzet

Verdachte heeft meerdere kogels afgevuurd met een .45 kaliber pistool, een zwaar kaliber. Een dergelijk pistool heeft een zware terugslag waardoor bij het schieten met één hand niet goed gericht kan worden en het risico bestaat dat de kogel, zijdelings en/of in de hoogte, afwijkt van de richting waarin gemikt wordt. Verdachte heeft daar zelf op de terechtzitting over verklaard dat met het pistool, gelet op het zware kaliber, met één hand niet gericht geschoten kan worden en dat, als hij goed had willen richten, hij het pistool met twee handen had moeten richten. Daarbij schoot verdachte op een bewegende persoon, de van hem weglopende [slachtoffer] , waarbij niet uitgesloten kan worden dat [slachtoffer] onverwacht naar links of rechts zou bewegen.

Verdachte hield het pistool in één hand en schoot vervolgens drie keer.

Voor een bewezenverklaring van vol opzet gericht op het overlijden van [slachtoffer] bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte - al dan niet in voorwaardelijke vorm - opzet had op de dood van [slachtoffer] , waarmee sprake zou zijn van een poging tot doodslag. Daarvoor dient te worden vastgesteld dat verdachte met zijn handelen zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de dood van [slachtoffer] als gevolg van zijn handelen zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

De rechtbank acht ten aanzien van het eerste en tweede schot niet bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer] had. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat uit de analyse van de schietlijnen van deze schoten geen schietrichting is te bepalen. Bij deze schoten één en twee kan namelijk geen directe relatie gelegd worden tussen wat op de beveiligingscamerabeelden te zien en te horen is en de aangetroffen in- en uitschotsporen.

Dit is echter anders ten aanzien van het derde schot. Vast staat namelijk dat verdachte hierbij in een onoverzichtelijke situatie met een zwaar kaliber wapen in één hand van dichtbij op [slachtoffer] heeft geschoten. Uit de analyse van de schietlijnen volgt dat verdachte dit derde schot in de looprichting van de van hem weglopende [slachtoffer] heeft gelost en dat de kogel op zeer korte afstand langs [slachtoffer] is gegaan. De kogel heeft achter [slachtoffer] een reclamebord en een autoraam beschadigd.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het afvuren van kogels met een vuurwapen, zeker op relatief korte afstand, op het (boven)lichaam tot de dood kan leiden. Het boven-/ onderlichaam bevatten vitale organen en belangrijke (slag)aders waardoor het afvuren van een kogel met een zwaar kaliber vuurwapen, zeker op relatief korte afstand, op het (boven)lichaam tot de dood kan leiden.

Verdachte heeft door zijn gedragingen dan ook de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij met zijn derde schot [slachtoffer] in het onder-/boven lichaam zou raken en daarmee [slachtoffer] dodelijk zou kunnen verwonden. Naar de uiterlijke verschijningsvorm bezien gaat het om gedragingen die geschikt waren om en gericht waren op het toebrengen van dodelijk letsel zodat het ook niet anders kan dan dat verdachte de kans op de dood bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is niet gebleken.

Gezien het voorgaande acht de rechtbank ten aanzien van het derde schot voorwaardelijk opzet aanwezig bij verdachte.

De rechtbank acht, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Partiële vrijspraak

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Het dossier bevat daartoe onvoldoende aanknopingspunten.

De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Feit 2 en feit 3

De feiten zijn wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten bekend. De verdediging heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden, gelet op artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 december 2021;

  • -

    een proces-verbaal van bevindingen van 4 mei 2021, met bijlagen, opgemaakt door de [verbalisant 4] , houdende de bevindingen van verbalisant, doorgenummerde pagina 13 en 14;

  • -

    een proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , met bijlagen, doorgenummerde pagina 121;

  • -

    een proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , met bijlagen, doorgenummerde pagina 125.

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben geen betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1
op 27 april 2021 te Woerden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen een kogel in de richting van en nabij die [slachtoffer] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
in de periode van 27 april 2021 tot en met 3 mei 2021 te Woerden
- een vuurwapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk Sig Sauer, model 1911, kaliber .45 Auto en
- vijf scherpe patronen van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten van het kaliber .45 Auto, merk Speer,
voorhanden heeft gehad.

3.
op 27 april 2021 te Woerden opzettelijk en wederrechtelijk - een reclamebord/zuil, toebehorende aan de winkeliersvereniging ‘Tournoysveld Woerden’ en
een auto (Suzuki gekentekend [kenteken] ), die geheel toebehoorde aan [aangever 1] , heeft beschadigd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Noodweer

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat er sprake was van een noodweersituatie waarin verdachte genoodzaakt was zich te verdedigen. Echter verdachte heeft zich verdedigd door met een vuurwapen gericht te schieten op [slachtoffer] , waardoor niet wordt voldaan aan het proportionaliteitsvereiste.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt en dat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, gestart door [slachtoffer] . Verdachte werd op straat onverwachts aangevallen en geslagen door [slachtoffer] . Verdachte was hierdoor gerechtigd zich te verdedigen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Van noodweer is sprake indien het begane feit was geboden voor de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De rechtbank moet beoordelen of de verdachte, toen hij zich met een vuurwapen verdedigde en schoot, heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. In het vereiste dat de gedraging is ‘geboden door de noodzakelijke verdediging’ worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. De eisen van subsidiariteit en proportionaliteit hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was. Hierbij is ook de situatie waar het handelen van verdachte plaatsvond van belang.

Illegaal wapen

Verdachte heeft met het oog op een mogelijke aanval door [slachtoffer] een paar weken voorafgaande aan de confrontatie een vuurwapen aangeschaft en bij zich gedragen. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat verdachte uit voorzorg een illegaal wapen bij zich droeg, gelet op de jurisprudentie (HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, ro. 3.3. en 3.7.1. en HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1550), niet in de weg staat aan een beroep op noodweer(exces).

De rechtbank stelt op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting is besproken vast dat verdachte op 27 april 2021 op straat onverwachts door [slachtoffer] werd aangevallen en met de blote handen/vuisten meermalen werd geslagen. Het handelen van [slachtoffer] kan aangemerkt worden als een ogenblikkelijke wederrechtelijk aanranding van verdachte waartegen verdachte genoodzaakt was zich te verdedigen.

Wel is de rechtbank van oordeel dat het door de verdachte gekozen verdedigingsmiddel niet in redelijke verhouding staat tot de aard en ernst van de aanranding. Van de verdachte had in redelijkheid mogen worden gevergd dat hij zich op een minder ingrijpende (fysieke) wijze tegen de hierboven beschreven aanranding zou hebben verdedigd. In plaats daarvan heeft hij er voor gekozen om met een geladen vuurwapen in de (loop)richting van [slachtoffer] te schieten, waarmee hij ver buiten de grenzen van een noodzakelijke verdediging is getreden.

De rechtbank verwerpt daarom het beroep op noodweer. Het bewezen verklaarde is derhalve, nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid daarvan uitsluit, strafbaar.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair poging tot doodslag;

feit 2 handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

feit 3 opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Noodweerexces

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat er geen sprake is geweest van noodweerexces omdat de hevige gemoedsbeweging bij verdachte niet is veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding van verdachte op 27 april 2021. Verdachte had zich namelijk bewapend vanwege een bestaande emotie richting [slachtoffer] voortkomend uit een eerder en ouder conflict met [slachtoffer] .

Nu de hevige gemoedsbeweging niet zijn oorsprong vindt in de aanranding maar is terug te voeren op een eerder bestaande emotie richting [slachtoffer] , wordt niet voldaan aan het gevolgvereiste.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft subsidiair een beroep op noodweerexces gedaan. Indien de rechtbank oordeelt dat er sprake zou zijn van een overschrijding van de grens van proportionaliteit, dan valt dit te verklaren vanuit de gevoelens van angst die verdachte voor [slachtoffer] had. Verdachte werd al langere tijd bedreigd door [slachtoffer] , een zware crimineel, en was bang voor [slachtoffer] . De politie was hiervan op de hoogte maar had niet ingegrepen. Verdachte had zich daarom uit angst bewapend. Verdachte werd vervolgens op 27 april 2021 op straat onverwachts aangevallen en geslagen door [slachtoffer] , wat bij verdachte een hevige gemoedsbeweging teweeg heeft gebracht.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Noodweerexces kan in beeld komen bij een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging, dus wanneer aan alle eisen van noodweer is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn, indien deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging.

De rechtbank overweegt dat het gebeuren op Koningsdag niet los kan worden gezien van de gebeurtenissen en gedragingen van verdachte voorafgaande aan het incident. Verdachte heeft verklaard dat hij een vuurwapen heeft aangeschaft vanwege bedreigingen die [slachtoffer] , tegen hem, verdachte, geuite bedreigingen. Verdachte heeft hierover wel de politie ingelicht, maar heeft geen aangifte gedaan. De aard en ernst van de door verdachte gestelde bedreigingen is niet nader onderzocht. De keuze van verdachte om vervolgens het recht in eigen hand te nemen door een wapen aan te schaffen, bij zich te dragen, zich niet tot de politie te wenden, maar het risico te nemen dat het bij een confrontatie tot een gewapend treffen komt, is naar het oordeel van de rechtbank een verkeerde, maar wel rationele keuze van de verdachte geweest.

Verdachte heeft verder verklaard dat hij, terwijl hij door [slachtoffer] werd aangevallen, zijn wapen heeft getrokken, mede omdat hij tijdens het gevecht met [slachtoffer] zag dat de chauffeur van de auto waar [slachtoffer] uit was gestapt, zijn gordel losmaakte en met zijn jas bezig was. Vervolgens heeft verdachte meerdere keren geschoten. Verdachte heeft verklaard dat hij gedurende de kortstondige worsteling in staat was om bewust mis te schieten en [slachtoffer] niet te raken.

Op grond van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat verdachte - terwijl hij in gevecht was - zeer opmerkzaam was. Zo nam hij handelingen van de chauffeur in de verderop staande auto waar en Verder was hij bewust bezig om niet raak te schieten. De rechtbank is gelet op de gedragingen van verdachte en zijn beweegredenen hiervoor van oordeel dat verdachte met zijn handelen een zekere rationaliteit en doelgerichtheid aan de dag heeft gelegd, waardoor niet gezegd kan worden dat een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht doorslaggevend is geweest in zijn handelen

De rechtbank acht het aannemelijk dat de gemoedsbeweging van verdachte niet van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging van de verdachte.

De rechtbank verwerpt daarom eveneens het beroep op noodweerexces. Verdachte is derhalve, nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die zijn strafbaarheid uitsluit, strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht, indien de rechtbank tot een strafoplegging komt, verdachte een straf op te leggen die gelijk is aan de tijd die hij in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft met een pistool op klaarlichte dag meerdere schoten op de openbare weg gelost en met zijn derde schot in de looprichting van de van hem weglopende [slachtoffer] geschoten. Voorts heeft verdachte met dit laatste schot een reclamezuil en personenauto geraakt en beschadigd.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij geen enkele rekening heeft gehouden met de veiligheid van omstanders en passanten en het risico heeft genomen dat hij één of meer van hen – direct of indirect - zou kunnen raken.

Het ongeoorloofde bezit van een vuurwapen met bijbehorende munitie brengt onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen met zich, vanwege de kans op het gebruik daarvan met alle mogelijk onomkeerbare gevolgen van dien. Dit geldt te meer nu de verdachte zich (overdag) met het geladen vuurwapen bevond op de openbare weg in de bebouwde kom, nabij een winkelcentrum. Vuurwapenbezit en het gebruik er van draagt sterk bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving, zeker gelet op de huidige maatschappelijk problematiek op het gebied van vuurwapengebruik en het toenemend aantal schietincidenten in Nederland. Tegen het ongecontroleerde bezit van vuurwapens moet daarom streng worden opgetreden. De laatste jaren worden daarom steeds hogere straffen opgelegd voor dit soort feiten.

Gelet op het vorenstaande kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt.

Persoonlijke omstandigheden

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie van 30 juni 2021 betreffende verdachte van waaruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten en ten tijde van het onderhavige feit in een proeftijd liep.

Strafoplegging

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van de rechtspraak (LOVS) gaan voor het voorhanden hebben van een pistool in een openbare ruimte uit van een gevangenisstraf van 8 maanden.

De omstandigheid dat een vuurwapen geladen is, geldt als een strafvermeerderende factor.

Voor een poging doodslag en vernieling geeft het LOVS geen oriëntatiepunten.

De rechtbank houdt in strafverminderende zin rekening met het feit dat verdachte voorafgaande aan de confrontatie gedurende kennelijk enige tijd bedreigd werd door [slachtoffer] , een persoon die een strafblad heeft op het gebied van zware geweldsmisdrijven, en het feit dat verdachte bij de confrontatie op 27 april 2021 werd mishandeld door [slachtoffer] en ziet daarin aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van de eis van de officier van justitie.

De rechtbank merkt daarbij op dat [slachtoffer] , hoewel op grond van het dossier vaststaat dat hij de persoon was die verdachte heeft aangevallen en op wie verdachte vervolgens heeft geschoten, geen verklaring heeft afgelegd en enkel heeft aangegeven dat er niks speelt en dat hij nergens slachtoffer van is.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank zal hiervan 6 maanden voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaren.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Voorlopige hechtenis

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank bij eindvonnis de schorsing van de voorlopige hechtenis opheft.

De raadsman heeft verzocht om de schorsing van de voorlopige hechtenis niet op te heffen en verdachte een eventueel hoger beroep in zijn strafzaak in vrijheid af te laten wachten.

Het uitgangspunt is dat iedereen zijn berechting in vrijheid moet kunnen afwachten, tenzij er argumenten zijn die voorlopige hechtenis noodzaken. Het spreekt voor zich dat een verdachte een belang heeft om ook de uitkomst van een (eventueel) hoger beroep in vrijheid af te wachten. Dit belang wordt anders gewogen na een veroordeling. Het is namelijk niet zo dat een verdachte ook hangende het hoger beroep vanuit hetzelfde uitgangspunt zijn berechting in vrijheid mag afwachten, gelet op artikel 5 lid 1, aanhef en onder a van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Hierin is immers bepaald dat ná veroordeling, vrijheidsbeneming is gerechtvaardigd, ook hangende hoger beroep. Deze veroordeling hoeft dus niet onherroepelijk te zijn. Deze redenering kan naar analogie ook worden toegepast op zaken in eerste aanleg waarin het bevel tot voorlopige hechtenis is geschorst en de verdachte vervolgens tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt veroordeeld die langer is dan de duur van het reeds ondergane voorarrest.

In dit geval ziet de rechtbank echter in de persoon van de verdachte betreffende omstandigheden, die de raadsman heeft aangevoerd, aanleiding om van bovenstaand uitgangspunt af te wijken en de schorsing van de voorlopige hechtenis niet op te heffen.

9 BENADEELDE PARTIJ

Winkeliersvereniging Tournoysveld Woerden heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 740,00. Dit bedrag bestaat uit materiële schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen met daarbij de wettelijke rente.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdachte heeft zich bereid verklaard deze schade te betalen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de vordering, gelet op de aard, ernst en omstandigheden van het feit en de in de vordering gegeven toelichting, voldoende onderbouwd.

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 3 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 740,00 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 27 april 2021 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

De rechtbank zal in het belang van voornoemde benadeelde partij als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opleggen, omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die het bewezen geachte feit heeft toegebracht.

10 VORDERING TENUITVOERLEGGING

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de gehele tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van 4 maart 2021 door de politierechter opgelegde voorwaardelijk taakstraf van 30 uren.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij vonnis van de politierechter van deze rechtbank van 4 maart 2021 (parketnummer 16-229636-20) is verdachte een taakstraf van 30 uren voorwaardelijk opgelegd. Verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Om die reden zal deze straf alsnog ten uitvoer gelegd worden.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    36f, 45, 57, 63, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    26 en 55 van de Wet wapens en munitie;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte voor het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 bewezenverklaarde strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partij (feit 3)

- wijst de vordering van Winkeliersvereniging Tournoysveld Woerden toe tot een bedrag van € 740,00, bestaande uit materiële schade;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan Winkeliersvereniging Tournoysveld Woerden van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2021 tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van Winkeliersvereniging Tournoysveld Woerden aan de Staat € 740,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2021 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 14 dagen gijzeling, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16-229636-20

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door de politierechter in deze rechtbank bij vonnis van 4 maart 2021 opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 30 uren;

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 15 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Konings, voorzitter, mrs. H.A. Gerritse en

N.M.H. van Ek, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 januari 2022.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1
hij op of omstreeks 27 april 2021 te Woerden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, met een vuurwapen meerdere kogels op en/of in de richting van en/of nabij die [slachtoffer] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 289 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 april 2021 te Woerden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een vuurwapen meerdere kogels op en/of in de richting van en/of nabij die [slachtoffer] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 april 2021 te Woerden, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door op korte afstand van die [slachtoffer]

- een vuurwapen ter hand te nemen en/of

- ( vervolgens) met (voornoemd) vuurwapen meermalen, althans eenmaal, in de richting van en/of nabij die [slachtoffer] te schieten;

(artikel 285 Wetboek van Strafrecht)

2.
hij of één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 april 2021 tot en met 3 mei 2021 te Woerden
- een vuurwapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk Sig Sauer, model 1911, kaliber .45 Auto en/of
- vijf scherpe patronen van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten van het kaliber .45 Auto, merk Speer,
voorhanden heeft gehad;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )

3.
hij op of omstreeks 27 april 2021 te Woerden opzettelijk en wederrechtelijk

- een reclamebord/zuil, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan de winkeliersvereniging ‘Tournoysveld Woerden’, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) en/of
- een auto (Suzuki gekentekend [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n)
heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
(art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal voorgeleiding, raadkamer-1, raadkamer-2 en einddossier in het onderzoek 09Cactus2, onderzoeksnummer MD5R021021, opgemaakt door de districtsrecherche West-Utrecht, doorgenummerd pagina 1 tot en met 197. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 89.

3 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 91.

4 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 92.

5 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 93.

6 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 94.

7 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 95.

8 Proces-verbaal beeldmeting en positiebepaling, met bijlagen, pagina 167-168.

9 Proces-verbaal beeldmeting en positiebepaling, met bijlagen, pagina 166.

10 Verklaring verdachte [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting van 28 december 2021.