Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2022:469

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-02-2022
Datum publicatie
08-03-2022
Zaaknummer
C/16/521154 / HA ZA 21-314
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Bodemzaak. Mondeling uitspraak. Is curator pro se (in privé) aansprakelijk omdat hij als curator een procedure heeft gestart tegen eiser? Geoordeeld wordt dat dit in dit geval niet zo is. Maclou-norm en invulling daarvan door maatstaf Duka/Achmea

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2022-0091
NJF 2022/186
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

proces-verbaal

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/521154 / HA ZA 21-314

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 10 februari 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat mr. A.W. van Leeuwen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat mr. G.J.P. Molkenboer.

Op 10 februari 2022 heeft mr. H.J. ter Meulen, rechter, bijgestaan door mr. B.H. van der Graaf een mondelinge behandeling gehouden in bovengenoemde zaak.

Deze mondelinge behandeling heeft online (door middels van Teams) plaatsgevonden.

Na uitroeping van de zaak verschijnen (online):

  • -

    de advocaat van [eiseres]

  • -

    [gedaagde] en haar advocaat.

1 Het procesverloop

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- de dagvaarding met daarbij de producties 1 tot en met 32

- de conclusie van antwoord.

1.2.

Daarna is een mondelinge behandeling bepaald.

1.3.

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling van 10 februari 2022 hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. Daarna hebben zij vragen van de rechter beantwoord en nog op elkaars standpunten kunnen reageren.

2 Waar gaat de zaak over?

2.1.

[gedaagde] is curator in het faillissement van [onderneming] B.V. en is in die hoedanigheid een procedure gestart tegen [eiseres] bij deze rechtbank. In die procedure heeft [gedaagde] q.q. gevorderd dat [eiseres] wordt veroordeeld om in hoofdsom € 716.525,50 aan de boedel te betalen. Daarbij is het standpunt ingenomen dat [eiseres] dit bedrag is verschuldigd op grond van een tussen [onderneming] en [eiseres] gesloten distributieovereenkomst. De rechtbank rechtbank heeft in haar eindvonnis van 23 mei 2018 de curator grotendeels in het gelijk gesteld en [eiseres] veroordeeld tot betaling van € 686.525,50. In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [eiseres] gelijk gegeven en de vonnissen van de rechtbank vernietigd. [gedaagde] q.q. is daarbij veroordeeld tot betaling van de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep van in totaal € 34.305.

2.2.

[eiseres] vordert in deze procedure dat [gedaagde] pro se (dus niet in hoedanigheid, maar in persoon) wordt veroordeeld tot betaling van voormeld bedrag aan proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente. [eiseres] voert daarvoor aan dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld door als curator de hiervoor genoemde procedure te starten en dat zij daarom de schade die [eiseres] daardoor lijdt moet vergoeden. Die schade bedraagt volgens [eiseres] € 34.305, het bedrag aan proceskosten dat onbetaald is gebleven en waarvoor de boedel geen verhaal biedt. .

2.3.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer tegen deze vordering.

3 Mondelinge uitspraak

Het oordeel

3.1.

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechter de volgende uitspraak gedaan. Deze uitspraak luidt zoals hierna wordt weergegeven.

3.2.

De vordering wordt afgewezen en [eiseres] wordt veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde] .

De motivering van het oordeel

3.3.

Ik zal nu uitleggen hoe ik tot dit oordeel ben gekomen.

3.4.

Het gaat in deze procedure enkel om de vraag of mevrouw [gedaagde] in privé aansprakelijk is, omdat zij als curator van [onderneming] een procedure is gestart tegen [eiseres] .

3.5.

Vooropgesteld wordt dat het hier gaat om de zorgplicht van de curator in geval van het starten van een juridische procedure. De curator is bij de uitoefening van die bevoegdheid – het instellen van een rechtsvordering – niet gebonden aan specifieke regels. Op grond van de Maclou-norm komt de curator daarom in beginsel een ruime mate van vrijheid toe bij de beslissing om wel of niet te gaan procederen. De lat voor het halen van die maatstaf ligt dus hoog.

3.6.

Anders dan [eiseres] betoogt, speelt bij de toetsing aan de Maclou-norm wel degelijk mee wat de Hoge Raad in het Duka/Achmea arrest (Hoge raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828) heeft overwogen over onrechtmatig procederen. Alleen wanneer aan die maatstaf is voldaan, is naar mijn oordeel sprake van onzorgvuldig handelen van de curator in de zin van de Maclou-norm en daarmee van persoonlijke aansprakelijkheid.

3.7.

De maatstaf van het Duka/Achmea arrest komt kort gezegd op het volgende neer. Om te kunnen spreken van ‘onrechtmatig procederen’ of ‘misbruik van procesrecht’, moet het gaan om een evident ongegronde vordering. Daarvan is pas sprake indien blijkt dat [gedaagde] haar vordering heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Belangrijke toevoeging van de Hoge Raad is nog dat deze maatstaf terughoudend moet worden toegepast, vanwege het recht op toegang tot de rechter op grond van artikel 6 EVRM.

3.8.

Aan die maatstaf is hier niet voldaan. Uit wat mevrouw [gedaagde] hier vandaag heeft gezegd, en ook uit haar stellingen in de beide eerdere procedures, blijkt dat zij op grond van de Haviltex-norm is uitgegaan van een andere uitleg van de distributieovereenkomst dan [eiseres] . [eiseres] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat dit standpunt bij voorbaat geen enkele kans van slagen had en dat de curator dat ook moest begrijpen op het moment dat zij de vordering instelde. Daarbij gaat het om feiten en omstandigheden waaruit met een hoge mate van zekerheid volgt dat geen enkele andere uitleg dan een letterlijke interpretatie van de bepaling uit de distributieovereenkomst, hier mogelijk was. [eiseres] baseert haar standpunt voor een belangrijk deel op het latere arrest van het hof. Dat het hof heeft aangeknoopt bij een letterlijke uitleg van de overeenkomst en [gedaagde] ongelijk heeft gegeven, is echter simpelweg onvoldoende. Het enkele feit dat een curator een in hoedanigheid gevoerde procedure verliest, betekent namelijk niet dat hij of zij dan ook persoonlijk aansprakelijk is voor de proceskosten.

3.9.

In dit geval komt daar nog bij dat de rechtbank in eerste aanleg een andere opvatting was toegedaan, en de vordering van de curator grotendeels heeft toegewezen. Ik volg [eiseres] niet in de stelling dat dit zou komen, omdat de rechtbank onvoldoende of onjuist geïnformeerd is over de feiten. Ik heb mr. Van Leeuwen ook vandaag weer horen zeggen dat [eiseres] in de conclusie van antwoord in eerste aanleg de rechter heeft gewezen op de door haar gehuldigde letterlijke uitleg van de bepaling in de distributieovereenkomst. Dat de rechter hiervan op de hoogte was, blijk ook uit de overwegingen in de vonnissen. De rechtbank was bij haar beoordeling dus wel degelijk op de hoogte van dit argument van [eiseres] , maar heeft dat argument onvoldoende bevonden. Dat wijst er wat mij betreft al op dat hier geen sprake was van een evident ongegronde vordering.

3.10.

Ten slotte leidt de omstandigheid dat er geen financiële dekking was voor de proceskostenveroordeling, niet tot een andere conclusie. Ook dan geldt onverkort de maatstaf zoals de Hoge Raad heeft geformuleerd in het Duka/Achmea-arrest. Een andere opvatting zou te zeer in strijd komen met het in artikel 6 EVRM geborgde recht op een effectieve toegang tot de rechter.

3.11.

Omdat [eiseres] in het ongelijk gesteld wordt, moet zij de proceskosten van [gedaagde] vergoeden. De proceskosten bedragen € 2.078, waarvan € 952 aan griffierecht en € 1.126 (2 x tarief € 563) aan salaris advocaat.

3.12.

[eiseres] kan natuurlijk in hoger beroep tegen deze uitspraak. De appeltermijn begint vanaf vandaag te lopen, dus niet wanneer [eiseres] het proces-verbaal van deze mondelinge uitspraak ontvangt. Dat proces-verbaal ontvangen partijen uiterlijk binnen twee weken na vandaag.

De beslissing

De rechtbank:

3.13.

wijst de vorderingen af

3.14.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde] , tot op heden begroot op
€ 2.078 waarvan € 952 aan griffierecht en € 1.126 (2 punten x tarief € 563) aan salaris advocaat

3.15.

verklaart het vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze mondelinge uitspraak is gedaan door mr. H.J. ter Meulen, rechter, en in het openbaar uitgesproken in de aanwezigheid van mr. B.H, van der Graaf, de griffier, waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.