Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2022:4619

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-11-2022
Datum publicatie
18-11-2022
Zaaknummer
16/222488-21 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mallorcazaak. Uitgaansgeweld door groep Nederlandse jongeren tegen twee andere groepen Nederlandse jongeren op het Spaanse eiland Mallorca. Veroordeling voor het medeplegen van poging doodslag en het telkens openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dit door hem gepleegde geweld lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad. Verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. Geen toepassing jeugdstrafrecht. Oplegging van een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, behandelverplichting en alcoholcontroles. Strafmotivering groepsgeweld. Beslissingen op vorderingen benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/222488-21 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 18 november 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 17 november 2021, 21 januari 2022, 4 februari 2022, 13 april 2022, 4 oktober 2022, 10 oktober 2022, 13 oktober 2022, 17 oktober 2022, 18 oktober 2022 en 4 november 2022.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officieren van justitie mr. A. Drogt, mr. M. Kamper en mr. B. Nitrauw (hierna gezamenlijk: de officier van justitie) en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. H. de Kroon, advocaat te Hilversum, naar voren hebben gebracht. Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen:

  • -

    mr. E.W. Bosch, advocaat te Honselersdijk, namens de nabestaanden van [slachtoffer 1] en tevens benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] ;

  • -

    mr. L.A.C. ter Steeg, advocaat te Amsterdam, namens de slachtoffers en benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] ;

  • -

    mr. B. Roodveldt, advocaat te Zaandam, namens de slachtoffers en benadeelde partijen [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] ;

  • -

    mr. P.M. Breukink, advocaat te Arnhem, namens het slachtoffer en benadeelde partij [slachtoffer 9] ;

  • -

    D. van Luijk, gezondheidszorgpsycholoog,

naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting van 13 april 2022 nader omschreven. De nader omschreven tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt erop neer dat verdachte:

feit 1

primair

op 14 juli 2021 te [plaats] in Spanje, met een of meer ander(en) heeft geprobeerd [slachtoffer 7] opzettelijk van het leven te beroven;

subsidiair

op 14 juli 2021 te [plaats] in Spanje, met een of meer ander(en) heeft geprobeerd [slachtoffer 7] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

feit 2

op 14 juli 2021 te [plaats] in Spanje, openlijk, ter hoogte van [café 1] en/of [restaurant] , met een of meer ander(en), openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 7] , terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar/enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad bij [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] ;

feit 3

op 14 juli 2021 te [plaats] in Spanje, ter hoogte van bar [bar] , met een of meer ander(en), openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar/enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad bij [slachtoffer 2] .

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde, maar zij heeft zich op het standpunt gesteld dat dat slechts bewezen kan worden verklaard dat dit openlijk geweld enig, en geen zwaar, lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad voor [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] . Ook heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft bewezenverklaring van de onder 3 ten laste gelegde openlijk geweldpleging jegens [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het openlijk geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 5] .

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank bespreekt de ten laste gelegde feiten in chronologische volgorde. Dit betekent dat eerst het geweld bij café [café 1] en de [restaurant] wordt besproken (de feiten 1 en 2), en daarna het geweld bij de bar [bar] (feit 3). Hierbij wordt Café [café 1] aangeduid als “ [café 1] ”, de [restaurant] als “ [restaurant] ” en de bar [bar] als “ [bar] ”.

Bewijsmiddelen 1 ten aanzien van:

Poging doodslag [slachtoffer 7] (feit 1 primair) en het openlijk geweld bij [restaurant] (feit 2)

[slachtoffer 7] heeft volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal van aangifte, op 21 juli 2021 aangifte gedaan bij de politie en heeft daarbij zakelijk weergegeven het volgende verklaard, voor zover relevant voor het bewijs:

In de nacht van 13 op 14 juli 2021 zijn wij naar [café 1] in [plaats] op Mallorca gegaan.2 Ik zag [slachtoffer 8] staan. Hij stond op ongeveer drie of vier meter van mij vandaan. Ik zag dat hij tegen zijn kin werd geslagen. Hij werd door meerdere personen tegen zijn gezicht geslagen. Ik zag dat hij direct hierop zijn armen voor zijn gezicht hield ter bescherming.3 Ik zag dat ongeveer vijf personen op mij af kwamen. Voor ik het wist werd ik van alle kanten geslagen. Ik weet niet eens waar ik allemaal werd geraakt. Ik heb mijzelf gelijk beschermd door mijn armen voor mijn gezicht te houden. Ik ben neergegaan. Ik denk dat ik even bewusteloos ben geweest. Wat ik mij vervolgens herinner is dat ik tegen mijn benen werd geschopt. Het lukte mij om op te staan en ik weet dat ik mij heb verweerd door ook iemand van de anderen te slaan, maar ik weet niet eens of ik deze persoon heb geraakt. Ik weet ook dat er met een stoel is gegooid. Ik ben vervolgens weer geslagen en weer onderuit gegaan. Vanaf dat moment kan ik mij niets meer herinneren. Op het moment dat ik bijkwam was de andere partij weg. Ook mijn neus deed pijn en ik had een opgezwollen enkel. Ik toon u een foto van mijn gezicht vlak nadat het was gebeurd.4 Ook kan ik vertellen dat ik nog enkele blauwe plekken heb op mijn beide armen.5

[slachtoffer 8] heeft volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal van aangifte, op 11 augustus 2021 aangifte gedaan bij de politie en heeft daarbij zakelijk weergegeven het volgende verklaard, voor zover relevant voor het bewijs:

In de nacht van 13 op 14 juli was ik in [café 1] aan de [locatie] in [plaats] Mallorca gegaan.6 Ik stond tussen [café 1] en [restaurant] , maar meer richting [restaurant] . Ik stond met [slachtoffer 7] . Ik zag dat er links een groep jongens aan kwam lopen in onze richting. Ik herkende hiertussen die [medeverdachte 1] weer. Zij kwamen vanaf de weg en liepen recht op ons af. Zij waren met ongeveer vier of zes jongens. Mijn aandacht ging vooral naar [medeverdachte 1] uit. Er liep een jongen tussen. Hij was een kop kleiner dan ik. Hij droeg zwart T-shirt met gele letters, had kort zwart opgeschoren haar. Hij leek een Marokkaanse of Turkse afkomst te hebben. Hij liep recht op mij af en ik zag en voelde dat met zijn hand of vuist mij in mijn gezicht sloeg. Ik voelde direct een stekende pijn in mijn neus. Ik liep vervolgens naar achter en voelde nog steeds dat ik klappen kreeg. Ik kon niet verder omdat er een stapel stoelen stond. Ik kwam er tegenaan. Ik voelde pijn aan de linkerkant van mijn hoofd, achter mijn oor. Ik zag niet wie dit deed. Ik had mijn ogen dicht en beschermde mijn gezicht door mijn armen voor mijn hoofd te houden. Terwijl dit gebeurde kon ik een kort moment tussen mijn armen door naar rechts kijken en zag [slachtoffer 7] . Ik zag hem staan en zag dat een jongen die mij sloeg naar [slachtoffer 7] liep en hem ook sloeg. Het volgende moment dat ik weer kon kijken naar [slachtoffer 7] , zag ik dat hij op de grond lag en zag ik een stoel in de richting van [slachtoffer 7] vliegen, terwijl hij dus op de grond lag. Daarna werd ik met rust gelaten.7

Van de gebeurtenissen voor de [restaurant] bevinden zich camerabeelden in het procesdossier.8 De rechtbank neemt op deze beelden – voor zover relevant voor het bewijs – het volgende waar:

Op 1:44:18 staan [medeverdachte 2] en [slachtoffer 8] tegenover elkaar. Achter/naast [medeverdachte 2] staan [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] . [slachtoffer 7] staat naast [slachtoffer 8] ;

Op 1:44:22 geeft [medeverdachte 1] (vanachter [medeverdachte 2] ) [slachtoffer 8] een klap op zijn gezicht. [slachtoffer 8] wankelt naar achteren en beweegt zich vervolgens naar voren richting [medeverdachte 1] . [slachtoffer 8] wordt vervolgens tegen zijn hoofd/gezicht geslagen door [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] . [medeverdachte 4] beweegt ook in zijn richting. [slachtoffer 8] valt achteruit richting gestapelde stoelen. [slachtoffer 8] wordt vervolgens nog steeds geslagen door [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] . [verdachte] beweegt richting [slachtoffer 8] . [slachtoffer 7] slaat [verdachte] op zijn achterhoofd. [verdachte] valt naar achteren en trekt [slachtoffer 8] mee.

Op 1:44:27 valt [slachtoffer 8] op de grond.

Op 1:44:28 valt [slachtoffer 7] op de grond.

[verdachte] maakt vervolgens een schoppende beweging in de richting van de opstaande [slachtoffer 8] . [medeverdachte 2] slaat en [medeverdachte 3] schopt de op de grond liggende [slachtoffer 7] .

Op 1:44:31 komt [slachtoffer 7] overeind. Hij wordt dan geslagen door [medeverdachte 2] en er wordt naar hem geschopt door [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [verdachte] . [slachtoffer 7] valt weer op de grond en wordt dan geschopt door [medeverdachte 3] . [slachtoffer 7] krabbelt weer op en wordt dan geslagen door [medeverdachte 5] . Terwijl [slachtoffer 7] overeind blijft, wordt er gelijktijdig van drie verschillende kanten naar hem geslagen door [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] .

Op 1:44:33 loopt [medeverdachte 6] richting het gevecht.

Op 1:44:35 komt [medeverdachte 5] van opzij en geeft [slachtoffer 7] een harde klap in het gezicht. [slachtoffer 7] wankelt en wordt vervolgens van verschillende kanten geslagen door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 6] maakt een slaande beweging richting [slachtoffer 7] .

Op 1:44:37 valt [slachtoffer 7] achterover op de grond. Terwijl [slachtoffer 7] op de grond ligt maakt [medeverdachte 2] achtereenvolgens met zijn linkervoet een stampende en met zijn rechtervoet een schoppende beweging richting het hoofd van [slachtoffer 7] . Vervolgens geeft [verdachte] twee trappen tegen de benen van de op de grond liggende [slachtoffer 7] . Bij de eerste trap stampt hij met kracht tegen het onderbeen van [slachtoffer 7] .

Op 1:44:39 vliegt van rechts een stoel door het beeld. [medeverdachte 2] en [verdachte] worden door [medeverdachte 7] weggeleid van de op de grond liggende [slachtoffer 7] .

Verdachte is op 24 augustus 2021 volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte als verdachte gehoord en heeft daarbij zakelijk weergegeven het volgende verklaard, voor zover relevant voor het bewijs:

A: ik mengde mij ook in het gevecht.

V: wat doe jij zelf?

A: ik heb een paar klappen uitgedeeld.

V: met gebalde vuist?

A: ja.

V: hoe vaak heb je geslagen?

A: ik denk niet meer dan vijf keer.9

V: wij hebben beelden vanuit Spanje, een onderneming naast [café 1] . Wat heb jij in dat incident gedaan?

A: wat ik net vertelde: ik kwam naar buiten. Ik zag hen vechten. Ik sprong er een soort van bij en toen heb ik een paar klappen uitgedeeld.10

V: wat doe jij hier?

A: beetje duwen. Het leek alsof ik die jongen daar gooi op de grond, die nu aan het vallen is, staat die andere gast weer op.11

A: hier geef ik hem een trap, die jongen die op de grond lag.

V: kun je omschrijven wat je doet met je arm?

A: alsof ik een hoek wil uitdelen. Dit is die hoek, ik zag die ook op zijn gezicht aankomen.

V: wat doe jij hier?

A: ik lijk hem een trap te geven, die jongen die op de grond ligt.

V: hier kom jij aanlopen, zie jij wat jij hier doet?

A: ja.

V: jij zet echt jouw hele lichaam erin. Zie jij dat?

A: ja, ik zie het.

V: zie jij wat jij nog een keer doet?

A: ja, ik geef hem een trap.

V: diezelfde jongen die op de grond lag hè?

A: ja.12

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van:

Vrijspraak ten aanzien van [slachtoffer 10]

Door [slachtoffer 10] is aangifte gedaan van openlijk geweld voor [café 1] en [restaurant] , maar de rechtbank kan – net als de officier van justitie en de raadsvrouw – op basis van de inhoud van het procesdossier niet goed plaatsen wanneer, waar, hoe en door wie er geweld tegen haar is gebruikt. Verdachte zal dan ook van openlijk geweld tegen [slachtoffer 10] worden vrijgesproken nu niet kan worden vastgesteld dat hij daaraan een significatie of wezenlijke bijdrage heeft geleverd.

Splitsing geweld [café 1] en [restaurant]

Aan verdachte is het geweld bij [café 1] en [restaurant] ten laste gelegd als één feitelijk geheel. De rechtbank ziet dit anders en verwijst hierbij naar de verklaringen van [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] en [medeverdachte 5] .13 Ook wijst de rechtbank op de camerabeelden van de gebeurtenissen voor [restaurant] . Uit die beelden en de daarbij weergegeven tijdsaanduidingen volgt ook dat de confrontatie voor [restaurant] pas begint, geruime tijd nádat de groep van verdachten richting [café 1] loopt en ook enige tijd nádat [slachtoffer 9] , kennelijk gewond, uit de richting van [café 1] komt.14 Eerst heeft er (openlijk) geweld plaatsgevonden voor [café 1] , tegen [slachtoffer 6] en [slachtoffer 9] ; zij kregen klappen. Na deze klappen was dit geweld voorbij en liepen [slachtoffer 6] en [slachtoffer 9] weg.15 Korte tijd daarna ontstond er opnieuw geweld, dit keer voor [restaurant] , waar [slachtoffer 8] en [slachtoffer 7] door verdachte en medeverdachten, werden geslagen en geschopt. Het geweld heeft kortom plaatsgevonden op twee verschillende momenten, op twee verschillende plekken, met andere slachtoffers en deels met andere daders. Dit maakt dat er naar het oordeel van de rechtbank sprake is van twee afzonderlijke gebeurtenissen en dat zij voor iedere gebeurtenis ook afzonderlijk zal beoordelen of er sprake was van deelname aan openlijk geweld.

Vrijspraak van het openlijk geweld bij [café 1] (partiële vrijspraak feit 2)

Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter zitting kan niet worden vastgesteld dat verdachte enige rol van betekenis heeft gespeeld bij het openlijk geweld voor [café 1] tegen [slachtoffer 6] en [slachtoffer 9] . Verdachte zal dan ook van dit gedeelte van het onder 3 tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Het openlijk geweld bij [restaurant] (feit 2)

De bewijsmiddelen leiden tot de volgende conclusies.

Verdachte heeft zich samen met medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] schuldig gemaakt aan openlijk geweld tegen [slachtoffer 8] en [slachtoffer 7] . Het geweld is begonnen met een klap van een medeverdachte aan [slachtoffer 8] , waarna het geweld zich voortzette tegen [slachtoffer 8] en vervolgens ook tegen [slachtoffer 7] . Beide slachtoffers zijn geslagen en/of gestompt, zijn geduwd en/of getrokken, zijn tegen de grond gewerkt en zijn geschopt. Ook is er met een stoel gegooid. Verdachte heeft aan dit in vereniging gepleegde geweld een significante en wezenlijke bijdrage geleverd. Hij is, terwijl [slachtoffer 8] door medeverdachten werd geslagen, naar [slachtoffer 8] toe bewogen, heeft hem mee naar achteren getrokken en heeft een schoppende beweging naar hem gemaakt terwijl hij op de grond lag. Ook heeft hij [slachtoffer 7] geslagen en geschopt.

Letsel [slachtoffer 7]

Verdachte heeft samen met anderen [slachtoffer 7] tegen het lichaam geslagen en geschopt. De rechtbank overweegt dat wanneer, zoals in dit geval, een slachtoffer door meerdere daders wordt geslagen en geschopt over het algemeen niet vast kan worden gesteld wélke schop en wélke klap welk letsel heeft veroorzaakt. Maar de rechtbank acht wel voldoende bewezen dat het door verdachte gepleegde geweld in ieder geval blauwe plekken op het lichaam van [slachtoffer 7] tot gevolg heeft gehad. Een blauwe plek is immers redelijkerwijs het gevolg van een klap of schop tegen het lichaam. Verdachte heeft bovendien [slachtoffer 7] terwijl hij op de grond lag hard op het onderbeen gestampt: de rechtbank is van oordeel dat die trap redelijkerwijs de opgezwollen enkel van [slachtoffer 7] tot gevolg heeft gehad. De rechtbank kwalificeert dit niet als zwaar letsel.

Poging doodslag [slachtoffer 7] (feit 1)

Uit de bij de bewijsmiddelen weergegeven waarnemingen van de volgt dat [slachtoffer 7] op enig moment op de grond belandt. Vanaf dat moment wordt hij – terwijl hij probeert op te staan – door verdachte en zijn medeverdachten bij voortduring en van verschillende kanten geslagen en geschopt. Hij lijkt een speelbal in het aanvankelijk door zes daders op hem uitgeoefende geweld. Er wordt daarbij onder andere door verdachte naar hem geschopt terwijl hij overeind probeert te komen. Nadat [slachtoffer 7] voor de tweede keer is opgekrabbeld en al vele malen is geschopt en geslagen krijgt hij een harde klap in zijn gezicht van medeverdachte [medeverdachte 5] . Terwijl hij wankelt, wordt hij van verschillende kanten tegen zijn hoofd geslagen door medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Als hij ten gevolge daarvan achterover op de grond valt wordt hij – terwijl hij weerloos op de grond ligt – door medeverdachte [medeverdachte 2] meermalen naar zijn hoofd geschopt. Daarna wordt hij door verdachte nog tweemaal tegen zijn benen geschopt. [slachtoffer 7] blijft buiten bewustzijn op de grond liggen.

De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande volgt dat tussen verdachte en de hiervoor genoemde medeverdachten sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, bestaande in een gezamenlijke uitvoering. Zij hebben immers ieder zowel gelijktijdig als afwisselend en bij voortduring geweldshandelingen gepleegd tegen [slachtoffer 7] . Verdachte heefteen grote bijdrage geleverd aan dit geweld; en hij is doorgegaan met schoppen en slaan, ook nadat [slachtoffer 7] verschillende keren op de grond was beland. Ook nadat [slachtoffer 7] voor de laatste maal op de grond was gevallen en er door medeverdachte [medeverdachte 2] naar zijn hoofd was geschopt, is verdachte – terwijl [slachtoffer 7] ogenschijnlijk buiten bewustzijn, maar in ieder geval weerloos, op de grond lag – doorgegaan met schoppen. Het geweld is pas gestopt toen verdachte door een groepsgenoot werd weggeleid.

De rechtbank overweegt verder dat het geweld tegen [slachtoffer 7] een aanmerkelijke kans op diens overlijden opleverde. Zoals hiervoor is vastgesteld, is er tegen [slachtoffer 7] gedurende enige tijd door meerdere personen bij voortduring fors geweld uitgeoefend. Dit geweld bleef doorgaan, ook terwijl hij meerdere keren op de grond belandde. De klappen en schoppen kwamen van alle kanten. Er is, ook terwijl hij op de grond lag, meerdere malen naar en tegen hem geschopt, ook naar zijn hoofd. [slachtoffer 7] is ten gevolge van dit geweld buiten bewustzijn geraakt. Het is dit geheel aan geweldshandelingen dat, gelet op de aard, duur en intensiteit ervan, maakt dat de kans op overlijden aanmerkelijk is.

De rechtbank overweegt ten slotte dat de gedragingen van verdachte – in het bijzonder het samen met zijn medeverdachten door blijven gaan met slaan en schoppen, ook nadat [slachtoffer 7] meermalen op de grond was beland – naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op een dodelijk gevolg gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op [slachtoffer 7] .

Bewijsmiddelen ten aanzien van:

Het openlijk geweld bij de [bar] (feit 3)

[slachtoffer 5] heeft volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal van aangifte op 27 juli 2021 aangifte gedaan bij de politie en heeft daarbij zakelijk weergegeven het volgende verklaard, voor zover relevant voor het bewijs:

Op 14 juli 2021 was ik samen met vier vrienden, te weten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] in Spanje in het plaatsje [plaats] . We zijn naar de [bar] gegaan.16

Rond 02:00 uur gingen we naar buiten omdat de kroeg dicht ging. Ik kan mij herinneren dat ik alleen met [slachtoffer 2] , die rechts naast mij liep, naar huis ben gegaan. Het volgende wat ik mij herinner is dat ik wakker werd in het gras. Ik heb niet bewust meegemaakt wat er met mij gebeurd is. Ik had erg veel pijn in mijn linker knie. Aan de binnenkant van mijn knie zat een blauwe plek. Ik had een schaafwond op mijn rechterheup. Ik had een pijnlijke en blauwe plek op mijn linker schouder. Ik had een bebloede schaafwond op de rechterkant van mijn voorhoofd. De binnenkant van mijn rechter oor was blauw. Achter mijn oor op mijn schedel had ik veel pijn en een zwelling en een beurs gevoel. Ik had diverse bulten op mijn hoofd. Ik had een pijnlijke en bebloede neus. Ik had op mijn linkerwang een schaafplek. Ik had een wondje in mijn linker bakkenbaard.17

[slachtoffer 2] heeft volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal van aangifte op 28 juli 2021 aangifte gedaan bij de politie en heeft daarbij zakelijk weergegeven het volgende verklaard, voor zover relevant voor het bewijs:

Wij zijn op 13 juli 2021 naar Mallorca gevlogen. Dit alles is in de nacht van 14 juli 2021 gebeurd. Ik ben met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 3] daarheen gegaan.18 Wij zijn toen naar een club gegaan. Uiteindelijk zijn wij naar buiten gegaan.

Wat is dan het eerstvolgende dat je weet?

Dat ik in de steeg ben gevallen met zes mensen achter mij aan en dat ik mijn handen

voor mijn ogen heb gedaan. Ik weet dat er vijf mensen om mij heen waren en dat ik zo snel mogelijk op moest staan omdat ik anders problemen had.19

Hoe heette die club waar jullie geweest zijn?

De [bar] .

Wat is het eerstvolgende dat jij nog weet?

Dat ik val. In een steeg naast de club. Als je met je gezicht naar de club staat was

op een aantal meter die steeg. Die lag daar echt direct naast. Daar ben ik gevallen.

Waardoor viel je?

Doordat ze mij schopten. Ik weet dat zij mijn benen tegen elkaar wilden trappen en ik ben gevallen doordat ik sprong.

Wie zijn 'zij'?

Die groep. Mannen, jongens. Ik denk dat het er een stuk of vier tot zes waren.

Jij ging dus springen om te voorkomen dat ze jou onderuit schoppen. Je viel en je

weet niet dat het komt omdat jij je verstapte of dat ze jou raakte.

Ik heb last van mijn been dus ik denk dat ze mij wel één keer geraakt hebben. Ik weet niet meer op welk been ze mij geraakt hebben. Mijn knie lag open en ik voelde een plek waaraan je voelde dat ik geraakt was.

Waarom deed jij je handen voor je ogen?

Om mijn hoofd te beschermen zodat zij mij niet op mijn hoofd konden schoppen of slaan. Ik had zes plekken op mijn hoofd waardoor ik kon weten dat ze mij geraakt hebben. Als ik op de plekken drukte deed het pijn.20

Je had last van je hoofd, van je knie en een plek op je been?

Ik had ook plekken op mijn hoofd je zag alleen een licht plekje langs mijn oog. De rest deed zeer en zag je niet vooral.21

[slachtoffer 4] heeft volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal van aangifte op 29 juli 2021 aangifte gedaan bij de politie en heeft daarbij zakelijk weergegeven het volgende verklaard, voor zover relevant voor het bewijs:

Ik was op vakantie naar Mallorca samen met vier vrienden waaronder [slachtoffer 1] . De andere vrienden die erbij waren zijn [slachtoffer 3] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 2] .22 Wij zijn vervolgens naar de strip gelopen en bij een kroeg gaan zitten. Deze kroeg heette de [bar] . De kroegen gingen op 14 juli om 02.00 uur dicht. Wij gingen toen weg. Vervolgens liepen wij over de strip richting het noorden om naar de straat te gaan waar onze Airbnb zich bevond. Hier kwam een andere groep ons tegemoet lopen. Dit waren alleen maar jongens. Op het moment dat wij de groep passeren ging het heel snel. Vervolgens werden er klappen uitgedeeld. Dit gebeurde voor mij. Ik zag dat iemand van onze groep geslagen werd. Hierop ben ik weggerend, terug richting de bar [bar] . Terwijl ik wegrende voelde ik dat ik meerdere klappen kreeg.23 Ik voelde dat ik deze klappen kreeg en ik voelde pijn. Er bleven vervolgens nog even mensen achter mij aanrennen maar

die stopten na een tijdje. Ik ben toen tot stilstand gekomen, ongeveer voor de

[bar] .24


[slachtoffer 3] heeft volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal van aangifte op 29 juli 2021 aangifte gedaan bij de politie en heeft daarbij zakelijk weergegeven het volgende verklaard, voor zover relevant voor het bewijs:

Plaats delict: Mallorca.

Pleegdatum/tijd: 14 juli 2021.

Wij waren met zijn vijven, dat waren [slachtoffer 1] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 2] en ik.25 Wij zijn toen een café in gegaan, dat was de [bar] . Daar hebben wij gezeten tot het sluiten. Wij liepen toen een meter of 10 á 15 en wij komen die groep tegen. Ik had het gevoel dat er iets ging gebeuren, we stonden ook ineens stil. Ik zag alleen [slachtoffer 2] . Ik kreeg een klap op mijn neus. Ik raakte in paniek omdat ik voelde dat ik gelijk bloedde. Ik haalde mijn arm langs mijn neus en die zat ook gelijk onder het bloed. Ik dacht gelijk dat ik weg moest rennen. Er rende nog een jongen achter mij aan. Hij probeerde mij nog te tackelen, wat niet is gelukt. Ik ben doorgerend en hij is vrij snel gestopt. Ik dacht dat hij een wit shirt aan had en een spijkerbroekje. Volgens mij was het een wat langer wit shirt, dus niet standaard tot zijn middel. Hij was wel wat groter dan ik. Ik ben 1.84 meter.26

Verdachte is op 24 augustus 2021 volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte als verdachte gehoord en heeft daarbij zakelijk weergegeven het volgende verklaard, voor zover relevant voor het bewijs:

V: die jongen die op [medeverdachte 2] tuft, hoe zag die eruit?

A: grote gast, 1.90 m of 1.95 m, gezet, blauw met wit gestreept shirt aan. Beetje donker blond haar dacht ik.

V: en wat gebeurt er dan?

A: volgens mij gingen zij toen met elkaar matten en kwam ik er gelijk

achteraan, ik heb een klap uitgedeeld of een paar klappen aan die gast met dat gestreepte shirt.27

V: hoe veel keer was dat?
A: ik denk 3, 4 keer
A: en na een tijdje lag die jongen met dat gestreepte shirt op de grond, die stond weer op en toen heb ik hem nog 1 keer geprobeerd te slaan volgens mij.28

[getuige 1] is op 20 juli 2021 door de Spaanse politie als getuige gehoord. Haar verklaring is, voor zover relevant voor het bewijs, als volgt gerelateerd:

Dat de declarante ter hoogte van de [bar] iets zag wat leek op het begin van een gevecht midden op de openbare weg, aangezien een groep van ongeveer tíen of vijftien jongeren minimaal drie andere jongeren aan het achtervolgen en aanvallen was door middel van stompen en schoppen. De declarante zag dat een van de jongens die aangevallen werd op de grond viel nadat hij verschillende stompen had gekregen en dat, toen hij al op de grond lag, de geweldplegers, minimaal drie personen, hem tegen het hoofd schopten, waarop deze jongen bewusteloos op de grond bleef liggen ter hoogte van de bar " [bar] ".29 De declarante weet dat de daders en slachtoffers van Nederlandse afkomst waren omdat zij hen hoorde schreeuwen voor en tijdens het gevecht.30

[getuige 2] is op 20 augustus 2021 volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige als getuige gehoord en heeft daarbij zakelijk weergegeven het volgende verklaard, voor zover relevant voor het bewijs:

Op de boulevard zag ik [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 7] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] neus aan neus staan met een andere groep jongens. lk had deze groep nog niet eerder gezien maar later bleek dit de groep van de overleden jongen te zijn. lk zag dat [medeverdachte 2] door jongens uit mijn groep, werd tegengehouden. lk zag dat [medeverdachte 2] loskwam en richting de andere jongens rende. Toen ging de vechtpartij los. Het ging zo snel allemaal. Voor mijn gevoel knipte ik met mijn ogen en lagen er twee jongens op de grond.31

[getuige 3] is op 16 juli 2021 door de Spaanse politie als getuige gehoord. Zijn verklaring is, voor zover relevant voor het bewijs, als volgt gerelateerd:

Dat aan hem een video wordt getoond en dat bij de jongens die te zien zijn de volgende namen horen32: man 1 [medeverdachte 2] , man 2: [medeverdachte 4] , man 3: [medeverdachte 3] , man 4: [verdachte] , man 5: [medeverdachte 1] , man 6: [medeverdachte 5] , man 7: [medeverdachte 6] . 33 Dat de groep doorloopt zonder bij een gelegenheid naar binnen te gaan, totdat het tweede gevecht begint. Dat dat tweede gevecht begint omdat een jongen in de mond van zijn vriend [medeverdachte 2] spuugt, waardoor deze laatste met hem begint te vechten, waarna andere jongens zich erbij voegen; dit zijn de zeven jongens zoals beschreven bij het voorgaande gevecht, plus nog een vriend van hem die [medeverdachte 8] heet.34

[getuige 4] is op 27 september 2021 volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige als getuige gehoord en heeft daarbij zakelijk weergegeven het volgende verklaard, voor zover relevant voor het bewijs:

V: Wat heb jij allemaal gezien de nacht van 13 op 14 juli 2021?
A: Rond 02:00 uur liepen wij op de boulevard. Ik zag een jongen een klap geven en zag dat die andere jongen knocked out zou gaan. Aan de klap hoorde je dat al dat er iemand gaat vallen. Het was een doffe klap. Ik zag die jongen plat achterover vallen. Ik zag toen andere personen daar naartoe rennen en zag dat er trapbewegingen tegen zijn hoofd werden gemaakt. Stuk of drie. Ik weet ook niet of ze raak waren. Ik zag vervolgens die jongens wegrenden de straat in. Ik zag toen die jongen die op straat lag, in een plas bloed liggen. Hier stonden toen al allemaal mensen omheen.35

[getuige 5] is op 12 augustus 2021 volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige als getuige gehoord en heeft daarbij zakelijk weergegeven het volgende verklaard, voor zover relevant voor het bewijs:

Ik zag dat [slachtoffer 1] een klap kreeg die op zijn borst terecht kwam. Daarna gaf diezelfde jongen [slachtoffer 1] nog een klap. lk zag dat die jongen [slachtoffer 1] raakte met zijn vuist in het gezicht ter hoogte van zijn neus. Ik zag dat [slachtoffer 1] gelijk achterover viel en met zijn achterhoofd op de straat terecht kwam. [slachtoffer 1] stond op de stoeprand en viel daar vanaf. Hij stond met zijn gezicht richting de [bar] en viel achterover in de richting van het strand. Hij is daarna niet meer opgestaan. Er liepen nog drie jongens bij de jongen die [slachtoffer 1] sloeg. Zij liepen tegelijk met zijn vieren weg.36

Bewijsoverwegingen feit 3

Het openlijk geweld bij de [bar] (feit 3)

De rechtbank overweegt ten aanzien van een bewezenverklaring voor feit 3 in het bijzonder als volgt.

Nadat in de nacht van 14 juli 2021 al fors geweld was gepleegd tegen meerdere personen voor [café 1] (door medeverdachten) en voor [restaurant] (door verdachte en medeverdachten), gingen verdachte en de medeverdachten over de boulevard in de richting Café [café 2] /de [bar] . Nadat de openstaande rekening in Café [café 2] was betaald, kwam het tot een confrontatie tussen de groep van verdachte en een groep mannen, te weten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] (ook: de groep uit [woonplaats] ). De groep van verdachte stond tegenover de groep uit [woonplaats] . Nadat medeverdachte [medeverdachte 2] een eerste klap uitdeelde, ontstond er een massale vechtpartij waarbij door de verschillende personen uit de groep verschillende vormen van geweld werd uitgeoefend tegen de personen van de groep uit [woonplaats] . Bij het begin van dit geweld waren aanwezig verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 4] (ook: de groep van verdachte).

In korte opeenvolgende tijd volgde vanuit de groep van verdachte onder meer het volgende geweld. [slachtoffer 3] kreeg een klap op zijn gezicht, en er werd geprobeerd hem te tackelen. [slachtoffer 1] is op zijn hoofd geslagen en op de grond gevallen. Daarna is hij tegen zijn hoofd geschopt. [slachtoffer 4] is tijdens het wegrennen geslagen. [slachtoffer 5] is tegen de grond gewerkt. Daarna is tegen en in de richting van zijn hoofd geschopt. [slachtoffer 2] is geschopt, geslagen en geduwd, onder meer door verdachte. Uit onder meer de verklaring van [getuige 6] blijkt dat de groep uit [woonplaats] deze geweldsuitbarsting niet veel deed, en vooral de klappen kreeg.37 [slachtoffer 5] is als gevolg van het geweld buiten bewustzijn geraakt.38 [slachtoffer 1] is als gevolg van het geweld overleden.39

Verdachte was vanaf het begin aanwezig bij het geweld tegen de groep uit [woonplaats] . Hij heeft zelf in ieder geval ook geweldshandelingen gepleegd tegen [slachtoffer 2] . Dit levert naar het oordeel van de rechtbank een voldoende significante bijdrage op aan de openlijke geweldpleging, niet alleen tegen [slachtoffer 2] maar tegen de hele groep uit [woonplaats] . Immers, hetgeen voor Bar [bar] toen en daar is voorgevallen dient te worden aangemerkt als één, massale aanval op een groep personen, door gezamenlijk gepleegd (openlijk) geweld waarbij de ene geweldpleger zich gesterkt voelt door de andere geweldplegers en er dus gemakkelijk escalatie optreedt.

Anders dan door de verdediging is betoogd, valt het openlijk geweld voor de [bar] juridisch niet uiteen in meerdere kleine vechtpartijen tegen afzonderlijke personen, waarbij per verdachte moet worden beoordeeld tegen wie hij (openlijk) geweld heeft gepleegd. Dit gaat niet alleen in tegen de feitelijke situatie zoals die heeft plaatsgevonden – te weten één massale vechtpartij van de groep van verdachte tegen de groep uit [woonplaats] – maar ook tegen de inhoud en ratio van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), te weten het strafbaar stellen van openlijk en in verenigde krachten gepleegd (groeps)geweld tegen personen, waarbij niet iedere pleger zelf geweld moet hebben gepleegd tegen ieder slachtoffer. Voor een bewezenverklaring van het “in vereniging” plegen van geweld moet – zoals eerder is overwogen – niet meer komen vast te staan dan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan dat openlijke geweld.

Gelet op voorgenoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte welbewust heeft deelgenomen aan het openlijk geweld zoals is tenlastegelegd als feit 3, en daaraan bovendien een significante bijdrage heeft geleverd, zodat hij als pleger daarvan dient te worden aangemerkt.

(Zwaar) lichamelijk letsel tot gevolg

Aan verdachte is voorts tenlastegelegd dat zijn bijdrage aan het openlijk geweld (zwaar) lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, namelijk blauwe plekken op het hoofd, de benen, althans het lichaam van [slachtoffer 2] . De rechtbank overweegt dat wanneer, zoals in dit geval, een slachtoffer door meerdere daders wordt geslagen en geschopt over het algemeen niet vast kan worden gesteld wélke schop en wélke klap welk letsel heeft veroorzaakt. Maar de rechtbank acht wel voldoende bewezen dat het door verdachte gepleegde geweld in ieder geval blauwe plekken op het hoofd en lichaam van [slachtoffer 2] tot gevolg heeft gehad. Een blauwe plek is immers redelijkerwijs het gevolg van een klap tegen het hoofd en lichaam. Dit letsel kwalificeert niet als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Sr.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1 primair

op 14 juli 2021 te [plaats] in Spanje, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 7] opzettelijk van het leven te beroven,

- voornoemde [slachtoffer 7] meermalen, (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam, heeft geslagen en/of gestompt en

- voornoemde [slachtoffer 7] meermalen, (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam, heeft getrapt en/of geschopt (terwijl voornoemde [slachtoffer 7] op de grond lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2

op 14 juli 2021 te [plaats] in Spanje, openlijk, te weten op de [locatie] ter hoogte van [restaurant] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [slachtoffer 8] en [slachtoffer 7] door voornoemde [slachtoffer 8] en [slachtoffer 7] te duwen en te trekken en naar de grond toe te brengen en met de vuist te stompen en te slaan en te schoppen en/of te trappen op en/of in de richting van en/of tegen het hoofd en het (boven)lichaam en met een stoel te gooien in de richting van voornoemde slachtoffers en andere personen, terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, te weten een opgezwollen enkel en blauwe plekken op het lichaam oog bij [slachtoffer 7] ;

feit 3

op 14 juli 2021 te [plaats] in Spanje, openlijk, te weten ter hoogte van bar [bar] , op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] door voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] te duwen en/of naar de grond toe te brengen en/of (met de vuist te stompen en/of te slaan en/of te schoppen en/of te trappen op en/of in de richting van en/of tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, te weten (blauwe) plekken op het hoofd en de benen, bij [slachtoffer 2] .

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair

medeplegen van poging tot doodslag;

feit 2 en feit 3

telkens, het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dit door hem gepleegde geweld lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van achttien maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als (bijzondere) voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, het volgen van een ambulante behandeling (indien geïndiceerd een agressieregulatie- en leefstijltraining) en het meewerken aan middelencontrole.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 9] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] voor de duur van vijf jaren.

De officier van justitie heeft gevorderd de vrijheidsbeperkende maatregel en het uit te oefenen toezicht (door de politie) dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht zich aan te sluiten het advies van de psycholoog om het bewezenverklaarde enigszins verminderd toe te rekenen aan verdachte. Ook heeft zij verzocht de psycholoog te volgen waar zij heeft aangegeven een lichte voorkeur voor toepassing van het jeugdstrafrecht te hebben en aldus het jeugdstrafrecht toe te passen. Zij heeft verzocht in strafmatigende zin in aanmerking te nemen dat er vanuit de groep slachtoffers van het geweld bij [café 1] en [restaurant] sprake is geweest van een eigen bijdrage aan het geweld. Concluderend heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht in het geval van strafoplegging te volstaan met een gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, aan te vullen met een voorwaardelijke gevangenisstraf van door de rechtbank te bepalen duur. Voorts zou de rechtbank verdachte eventueel een taakstraf kunnen opleggen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Meer in het bijzonder geldt het volgende.

De aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich in de nacht van 14 juli 2021 op Mallorca schuldig gemaakt aan meerdere ernstige geweldsfeiten. Hij heeft zich zowel bij [restaurant] als bij de [bar] schuldig gemaakt aan openlijk geweld. Bij [restaurant] heeft hij met anderen geweld gebruikt tegen [slachtoffer 8] en [slachtoffer 7] , waardoor [slachtoffer 7] gewond is geraakt. Dat geweld tegen [slachtoffer 7] was zelfs zo hevig en intens dat [slachtoffer 7] daaraan had kunnen overlijden. Bij de [bar] maakte verdachte vervolgens deel uit van een groep die zwaar geweld heeft gepleegd tegen vijf slachtoffers: [slachtoffer 5] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . Alle vijf deze slachtoffers hebben verwondingen opgelopen en [slachtoffer 1] is door de opgelopen verwondingen overleden. Dat het hier om ernstige feiten gaat met zeer ernstige gevolgen, behoeft geen betoog.

Uit de beelden van het geweld voor [restaurant] blijkt dat verdachte zich daar zeer agressief heeft gedragen. Hij heeft naar [slachtoffer 8] geschopt toen deze op de grond lag en heeft [slachtoffer 7] geslagen en geschopt, ook toen deze op de grond was beland en weer op wilde krabbelen. [slachtoffer 7] was een speelbal van het op hem door verdachte en zijn medeverdachten uitgeoefende geweld en is uiteindelijk buiten bewustzijn op de grond achtergebleven.

Alleen de feiten voor [restaurant] rechtvaardigen, gelet op de ernst ervan, al een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Dat [slachtoffer 8] en [slachtoffer 7] zelf schuld zouden hebben aan het geweld, zoals door de raadsvouw is betoogd, wordt verworpen. Dat [slachtoffer 8] eerder in [café 1] een klap aan een vriend van verdachte had uitgedeeld, betekent niet dat hij zelf schuld heeft aan een enige tijd later door een groep tegen hem uitgeoefend geweld. En [slachtoffer 7] heeft verdachte weliswaar tijdens het geweld een klap gegeven, maar dit was terwijl [slachtoffer 8] door meerdere personen, waaronder verdachte, al werd aangevallen. De stelling dat, als bij het geweld bij de [bar] [slachtoffer 1] niet zou zijn overleden, het geweld bij [restaurant] niet zou zijn vervolgd, gaat geheel voorbij aan de ernst van de feiten bij [restaurant] .

Maar, terwijl te verwachten zou zijn dat verdachte van dit geweld bij [restaurant] en het resultaat ervan geschrokken zou zijn, gaat hij enige tijd later bij de [bar] opnieuw over tot geweld. Hij heeft van het begin af aan meegedaan met een geweldsuitbarsting tegen voor hem onbekende slachtoffers. Dat geweld had al meteen tot resultaat dat [slachtoffer 1] buiten bewustzijn op de grond achterbleef en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] gewond wisten te ontkomen. Niettemin ging het geweld door tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 5] . Op de beelden is te zien dat de hele groep zich dan tegen hen beiden richt. [slachtoffer 5] wordt naar de grond gewerkt en tegen zijn hoofd geschopt, waarna hij bewusteloos blijft liggen. Ook wordt met meerdere personen, waaronder verdachte, geprobeerd [slachtoffer 2] ten val te brengen en ook naar hem wordt geslagen en geschopt. De vraag komt op wat er met hem zou zijn gebeurd als hij zich niet ternauwernood staande had weten te houden.

Aan de ernst en strafwaardigheid van het openlijk geweld bij de [bar] draagt nog bij dat verdachte kort daarvoor ook al betrokken was bij ernstig openlijk geweld bij de [restaurant] . Dat geweld eindigde met een slachtoffer dat bewusteloos op de grond achterbleef en nog door verdachte werd nagetrapt. Niettemin is hij kort daarna – wetende hoe het eerdere geweld was afgelopen – samen met die medeverdachten opnieuw een gevecht begonnen. Hij kon weten hoe dit af zou kunnen lopen en had, in plaats van mee te doen, zich hiervan moeten distantiëren.

Aan verdachte is de dood van [slachtoffer 1] niet tenlastegelegd. Maar de rechtbank is van oordeel dat verdachte in vereniging geweld heeft gepleegd tegen alle vijf de slachtoffers, ook tegen [slachtoffer 1] . Dat [slachtoffer 1] is overleden, levert voor verdachte niet een strafverzwarende omstandigheid in de zin van de wet op, maar draagt wel bij aan de ernst van het feit en de gevolgen daarvan en heeft daarmee invloed op de hoogte van de op te leggen straf.

De rechtbank hecht er aan het volgende op te merken. Er is in de media en ook ter zitting gesproken over ‘het geheim van Mallorca’. Daarbij is de vraag opgeworpen of betrokkenen meer weten over de dood van [slachtoffer 1] dan zij vertellen. Wat daar van zij, niet vastgesteld kan worden dat dit voor verdachte geldt. Alleen al daarom speelt dit geen rol bij de strafoplegging. Bij de op te leggen straf is alleen bepalend wat ten laste van verdachte bewezen is verklaard.

De vraag rijst waarom verdachte en zijn medeverdachten tot dit geweld zijn overgegaan. Er zijn door hen woorden als “verhaal halen”, “uitpraten” “verdedigen” en “vrienden helpen” gebruikt. Maar waartegen nu verdedigd moest worden en wie er nu geholpen moest worden, blijkt niet. En “verhaal halen” en “uitpraten” lijken, zoals wel vaker in de rechtszaal, synoniemen voor vechten.

De slotsom blijft dat sprake is geweest van zonder werkelijke aanleiding gepleegd, zinloos en excessief uitgaansgeweld. Met in dit geval fatale gevolgen.

Mensen moeten veilig uit kunnen gaan en daarna ook weer veilig thuis kunnen komen. Dat geldt ook – en misschien wel in het bijzonder – voor jongeren.

In de media en ook door de officier van justitie is een beeld geschetst van een groep jongens die ‘op oorlogspad’ was. Het mag zo zijn dat dit allemaal niet het vooropgezette plan was van verdachte en zijn medeverdachten was, maar wat wel gezegd mag worden is dit: het is de angst van veel jongeren – en waarschijnlijk ook van hun ouders – dat ze op een uitgaansavond een groep als die van verdachte en zijn medeverdachten tegenkomen.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 5 oktober 2022 betreffende verdachte. Daaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van 13 januari 2022 van D. van Luijk, gezondheidszorgpsycholoog, waaruit blijkt dat bij verdachte sprake is van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met narcistische trekken, hetgeen zich uit in een verhoogde krenkbaarheid en problemen in het hanteren van zijn agressie. Ook tijdens het tenlastegelegde was daarvan sprake. Indien de ten laste gelegde feiten bewezen worden verklaard lijkt er sprake te zijn van een geringe doorwerking van de problematiek in het gedrag van verdachte. Vanuit zijn bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met narcistische trekken reageert verdachte sneller dan gemiddeld agressief op provocaties. Dit kan versterkt worden onder invloed van middelengebruik. Verdachte voelt zich snel uitgedaagd en is gevoelig voor autoriteiten. Verdachte was de bewuste avond onder invloed van alcohol, maar was – vanuit eerder politiecontact – bekend met de ontremmende werking hiervan op hem. Tevens had verdachte voldoende zicht op de toelaatbaarheid van zijn handelen. Op basis van het bovenstaande wordt geadviseerd om verdachte het bewezenverklaarde enigszins verminderd toe te rekenen. De kans op recidive van strafbare feiten in algemene zin op korte termijn, wordt, zonder interventie, als laag tot matig geschat. Verdachte is de afgelopen twee jaar eerder met politie in aanraking gekomen. Hij heeft moeite om voldoende verantwoordelijk te nemen voor zijn gedrag en neigt tot externaliseren en bagatelliseren. Er is geen duidelijk beeld ontstaan rondom de intensiteit van zijn middelengebruik, wel zijn er zorgen over, gezien het feit dat dit bij twee politiecontacten aan de orde is geweest. Nu verdachte niet gemotiveerd is voor behandeling en de genoemde zorgen niet deelt, kan dit een negatieve invloed hebben op de kans op recidive. Er zijn bijzonderheden in verdachtes ontwikkeling die bij een bewezenverklaring om aandacht vragen, zoals zijn emotieregulatievaardigheden, zijn alcoholgebruik en persoonlijkheidsontwikkeling. Hierbij kan worden gedacht aan een agressieregulatie- en een leefstijltraining als interventies. Door verdachte enige tijd binnen een juridisch kader te volgen in zijn ontwikkeling kunnen de huidige zorgen worden geobjectiveerd of worden geminimaliseerd. Indien er meer interventies nodig blijken, kan dit binnen het juridische kader aan de hand van gestelde voorwaarden worden vormgegeven. De psycholoog adviseert deze interventies vorm te geven in het kader van bijzondere voorwaarden bij een deels voorwaardelijke straf. Vanuit de jeugdreclassering kan toezicht worden gehouden bij de uitvoering en het verloop hiervan.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 11 september 2022, opgemaakt door mevrouw F. van der Groep, reclasseringswerker. Daaruit volgt dat de reclassering verdachtes psychosociaal functioneren, met name de emotie-/agressieregulatie, als een risico verhogende factor ziet. Daarbij weegt zij mee dat verdachte diverse malen de controle is verloren – met en ook zonder alcoholgebruik. Voorts geeft zij aan dat er vraagtekens kunnen worden geplaatst bij verdachtes houding, gelet op zijn handelen in contact met leeftijdsgenoten, waarbij hij het gebruik van geweld niet schuwt. De reclassering heeft het beeld dat dit vooral wijst op vaardigheidstekorten in contacten met anderen op deze onderdelen. De reclassering ziet de thuissituatie, met name de ouders en zus, het beschikken over huisvesting, inkomen, dagbesteding naast de inschatting dat verdachte in staat en bereid is om van de huidige ervaring, begeleiding en interventies te kunnen leren als (mogelijke) beschermende factoren. De reclassering sluit zich aan bij de bevindingen van de psycholoog dat het volgen van vaardigheidstrainingen op het gebied van agressiebeheersing en leefstijl geïndiceerd is. Verdachte heeft zich aan de afspraken met de reclassering in het kader van de schorsingsvoorwaarden gehouden. Het was tijdens de meldplichtgesprekken echter moeilijk om tot verdieping van de gespreksthema’s te komen. Nu er sprake is van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling moet volgens de reclassering aan bovengenoemde vaardigheden gewerkt worden door middel van behandeling bij een forensische behandelinstelling. Verdachte is zich ervan bewust dat hij het nodige te leren heeft op het gebied van zelfreflectie en staat open voor begeleiding door een hulpverleningsinstantie. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met als volgende bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, het ondergaan van ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke forensische zorgverlener, een contactverbod met de slachtoffers en het meewerken aan middelencontrole.

Verminderde toerekeningsvatbaarheid

De rechtbank is met de psycholoog van oordeel dat verdachtes problematiek ook ten tijde van de tenlastegelegde feiten aan de orde was en dat dit de gedragskeuzes van verdachte op dat moment heeft beïnvloed. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit voor alle bewezen verklaarde feiten. De rechtbank concludeert daarom dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte wordt toegerekend, en zal daarmee rekening houden bij de op te leggen straf.

Het volwassenenstrafrecht

Verdachte was ten tijde van het plegen van de strafbare feiten achttien jaar oud, zodat in beginsel het volwassenenstrafrecht van toepassing is. Op grond van artikel 77c Sr

is het mogelijk om bij jongvolwassenen tussen de 16 en 23 jaar af te wijken van die hoofdregel en toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht. De persoonlijkheid van een verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan moeten daarvoor dan aanleiding geven.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze uitzondering is ingevoerd om toepassing van het sanctiestelsel voor jeugdigen bij jongvolwassenen te bevorderen, wanneer dit, gelet op de ontwikkelingsfase van de jongvolwassene, de meest effectieve manier is om het gedrag in gunstige zin te beïnvloeden. Het doel daarbij is om zo ook de adolescent te stimuleren een verantwoorde rol in de samenleving op zich te nemen. Er wordt daarbij voornamelijk gedacht aan jongvolwassen verdachten van ernstige misdrijven, die als veelpleger te boek staan en die bijzonder kwetsbaar zijn. In die gevallen is er mogelijk sprake van een (forse) vrijheidsbenemende straf, waarbij de tenuitvoerlegging onder het jeugdrecht afwijkt van het volwassenenstrafrecht. Een belangrijk verschil daarbij is dat binnen een justitiële jeugdinrichting (JJI) een pedagogische aanpak mogelijk is. Ook kan er in de hiervoor genoemde gevallen eerder sprake zijn van oplegging van een maatregel met behandeling, waarvoor het jeugdrecht andere mogelijkheden biedt dan het volwassenenstrafrecht.

Dit is het uitgangspunt zoals dat op dit moment geldt en door de rechtbank zal worden gehanteerd. Met betrekking tot de door de raadsvrouw benoemde discussies ten aanzien van een mogelijke wijziging hiervan, overweegt de rechtbank dat deze ontwikkeling niet zo eenduidig en pertinent is dat zij daarin reden ziet een ander uitgangspunt te hanteren.

De rechtbank ziet geen aanleiding om in de zaak van verdachte het jeugdstrafrecht toe te passen. De indruk van verdachte zoals die ter zitting naar voren is gekomen en zoals die ook uit de rapportages blijkt, is die van een jongvolwassene die thuis woont, maar ook een zelfstandig leven leidt met studie en een baan als ZZP-er. Verder blijkt uit de psychologische rapportage dat verdachte een gemiddelde intelligentie heeft en dat er sprake is van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, waarvoor behandeling wordt geadviseerd. Deze behandeling kan zowel binnen het jeugd- als het volwassenenstrafrecht worden vormgegeven. De insteek van de behandeling zal echter wel verschillen, in die zin dat er binnen het jeugdstrafrecht sprake is van een pedagogische insteek. De deskundige heeft ter zitting aangegeven om die reden een lichte voorkeur te hebben voor het jeugdstrafrecht. Zij schat in dat het, vanwege de autoriteitsgevoeligheid van verdachte, voorstelbaar is dat een dergelijke pedagogische aanpak (zowel bij behandeling als detentie) beter aanslaat bij verdachte. De rechtbank begrijpt deze afweging, maar vindt dit punt – afgezet tegen de andere factoren – onvoldoende zwaarwegend om af te wijken van het uitgangspunt dat het volwassenenstrafrecht van toepassing is. Het verzoek van de verdediging om het jeugdstrafrecht toe te passen zal daarom worden afgewezen.

De straf

De rechtbank acht op grond van het voorgaande in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden passend en geboden. Gelet echter op de omstandigheid dat de rechtbank verdachte verminderd toerekeningsvatbaar acht en gelet op de adviezen met betrekking tot behandeling van verdachte, acht de rechtbank het geraden om een deel van die 30 maanden voorwaardelijk op te leggen, met daaraan verbonden de door de psycholoog en reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met uitzonder van het contactverbod. Alles overwegende is de rechtbank daarom van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is en zal zij deze straf aan verdachte opleggen. Deze straf gaat aanzienlijk uit boven wat door de officier van justitie is gevorderd. Dit omdat de rechtbank de gevorderde straf onvoldoende recht vindt doen aan de ernst en de mate van het opeenvolgende (openlijk) geweld bij [restaurant] en de [bar] en de gevolgen daarvan.

De rechtbank is zich ervan bewust dat deze straf ingrijpend is en mogelijk het leven van verdachte en zijn familie zal ontwrichten. Zijn studie komt in het gedrang en de gevolgen voor zijn toekomst zullen groot zijn. Verdachte is een nog jonge man met een grotendeels blanco strafblad, die in één nacht ernstig de fout in is gegaan. Maar de rechtbank moet ook rekening houden met de ernstige gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. En met de ernstige inbreuk die zijn handelen heeft gemaakt op het gevoel van veiligheid in de samenleving. Het signaal naar verdachte en ook naar anderen moet zijn: dit soort zinloos en extreem groepsgeweld wordt zwaar bestraft.

De raadsvrouw heeft gewezen op de door verdachte ondergane publicitaire commotie. Inderdaad kan worden vastgesteld dat de gebeurtenissen van 14 juli 2021 op Mallorca veel aandacht hebben gekregen. Dit is echter, gelet op de omstandigheden rond deze zaak en in de huidige tijd van social media, haast onvermijdelijk en vormt op zichzelf geen grond voor strafvermindering.

De rechtbank merkt nog op dat tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf volledig plaats zal vinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Voorlopige hechtenis

Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt, gelet op de bewezenverklaring en de straf die de rechtbank aan verdachte zal opleggen, afgewezen. De rechtbank weegt hierbij mee dat er sprake is van een bewezenverklaring voor een feit waardoor de rechtsorde is geschokt.

Geen vrijheidsbeperkende maatregel

De rechtbank ziet geen aanleiding de door de officier van justitie gevorderde vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. Waar het gaat om [slachtoffer 9] geldt dat verdachte ten aanzien van hem is vrijgesproken. Waar het gaat om [slachtoffer 5] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , geldt dat niet is gebleken dat een contactverbod noodzakelijk is ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten.

9 BESLAG

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot teruggave van de in beslag genomen goederen aan verdachte.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Teruggave aan verdachte

De rechtbank zal teruggave gelasten aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

  • -

    1 STK Schoenen (omschrijving/goednummer: PL0900-2021230390-G2866155);

  • -

    1 STK Schoenen (omschrijving/goednummer: PL0900-2021230390-G2866157);

  • -

    1 STK Broek (omschrijving/goednummer: PL0900-2021230390-G2866159);

  • -

    1 STK Broek (omschrijving/goednummer: PL0900-2021230390-G2866161);

  • -

    1 STK Computer (omschrijving/goednummer: PL0900-2021230390-G2866188, Dell).

10 BENADEELDE PARTIJEN

Nabestaanden en slachtoffers hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. Zij hebben de rechtbank verzocht om hoofdelijke toewijzing van hun vordering, en deze te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Daarnaast is verzocht de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr aan verdachte op te leggen.

10.1

De vorderingen

10.1.1

Slachtoffers ‘ [café 1] ’

[slachtoffer 9]

vordert een bedrag van in totaal € 3.146,93 (€ 646,93 materieel en € 2.500,- immaterieel). Dit bedrag bestaat uit:

  • -

    Medische kosten € 130,-;

  • -

    Reis- parkeerkosten naar KNO-arts € 141,93;

  • -

    Kosten bebloede kleding € 125,-;

  • -

    Eigen risico rechtsbijstandsverzekering € 250,-;

  • -

    Immateriële schade € 2.500,-.

[slachtoffer 6]

vordert een bedrag van in totaal € 2.702,50 (€ 862,50 materieel, € 1.750,- immaterieel en € 90,- proceskosten). Dit bedrag bestaat uit:

- Gederfde inkomsten € 862,50;

  • -

    Immateriële schade € 1.750,-;

  • -

    Reiskosten naar de rechtbank € 90,-.

10.1.2

Slachtoffers ‘ [restaurant] ’

[slachtoffer 7]

vordert een bedrag van in totaal € 3.702,46 (€ 572,46 materieel, € 3.000,- immaterieel en € 130,- proceskosten). Dit bedrag bestaat uit:

  • -

    Reiskosten naar ziekenhuis Mallorca € 45,66;

  • -

    Ziektekosten € 385,-;

  • -

    Reiskosten naar ziekenhuis Nederland € 22,80;

  • -

    Horloge € 119,-;

  • -

    Immateriële schade € 3.000,-;

  • -

    Reiskosten naar de rechtbank € 130,-.

[slachtoffer 8]

vordert een bedrag van in totaal € 1991,20 (€ 150,- materieel, € 1.750,- immaterieel en € 91,20 proceskosten). Dit bedrag bestaat uit:

  • -

    Beschadigde kleding € 150,-;

  • -

    Immateriële schade € 1.750,-;

  • -

    Reiskosten naar de rechtbank € 91,20.

10.1.3

Slachtoffers ‘ [bar] ’

[slachtoffer 5]

vordert een bedrag van in totaal € 9.067,39 (€ 4.067,39 materieel en € 5.000,- immaterieel). Dit bedrag bestaat uit:

  • -

    Kosten AirBnB Mallorca € 157,68;

  • -

    Huurauto € 56,65;

  • -

    Vliegticket Mallorca-Amsterdam € 145,01;

  • -

    Huurkosten woning € 2.292,15;

  • -

    Kosten laminaatvloer huurwoning € 645,90;

  • -

    Eigen risico zorgverzekering 2022 en 2023 € 770,-;

  • -

    Immateriële schade € 5.000,-.

[slachtoffer 4]

vordert een bedrag van in totaal € 17.598,16, (€ 12.598,16 materieel en

€ 5.000,- immaterieel). Dit bedrag bestaat uit:

  • -

    Kosten AirBnB Mallorca € 157,68;

  • -

    Huurauto € 56,65;

  • -

    Bootticket Mallorca-Ibiza € 87,66;

  • -

    Vliegticket Ibiza-Amsterdam € 152,45;

  • -

    Hotel Palma de Mallorca € 56,63;

  • -

    Kleding begrafenis [slachtoffer 1] € 109,94;

  • -

    Taxi naar ziekenhuis Mallorca € 32,-;

  • -

    Eigen risico zorgverzekering 2022 en 2023 € 770,-;

  • -

    Gederfde inkomsten € 11.175,15;

  • -

    Immateriële schade en/of schokschade € 5.000,-.

[slachtoffer 2]

vordert een bedrag van in totaal € 15.595,56 (€ 10.595,56 materieel en

€ 5.000,- immaterieel). Dit bedrag bestaat uit:

  • -

    Kosten AirBnB Mallorca € 157,68;

  • -

    Bootticket Mallorca-Ibiza € 87,66;

  • -

    Vliegticket Ibiza-Amsterdam € 152,45;

  • -

    Hotel Palma de Mallorca € 56,63;

  • -

    Taxi van ziekenhuis Mallorca € 40,-;

  • -

    Eigen risico zorgverzekering 2022 en 2023 € 1270,-;

  • -

    Kosten opvragen medische informatie € 31,14;

  • -

    Gederfde inkomsten € 8.800,-;

  • -

    Immateriële schade en/of schokschade € 5.000,-.

[slachtoffer 3]

vordert een bedrag van in totaal € 6.702,42,42 (€1.702,42 materieel en

€ 5.000,- immaterieel). Dit bedrag bestaat uit:

  • -

    Kosten AirBnB Mallorca € 157,68;

  • -

    Bootticket Mallorca-Ibiza € 87,66;

  • -

    Vliegticket Ibiza-Amsterdam € 152,45;

  • -

    Hotel Palma de Mallorca € 56,63;

  • -

    Eigen risico zorgverzekering 2022 en 2023 € 1248,-;

  • -

    Immateriële schade en/of schokschade € 5.000,-.

10.1.4

Nabestaanden van [slachtoffer 1]

[benadeelde 2] en [benadeelde 1] , ouders van [slachtoffer 1]

De ouders van [slachtoffer 1] vorderen een bedrag van in totaal € 69.100,63 (€ 9.350,63 materieel en € 59.750,- immaterieel). Dit bedrag bestaat uit:

  • -

    Vererfde letselschade van € 28.648,11;

  • -

    Overlijdensschade € 40.452,52.

[benadeelde 3] , vriendin van [slachtoffer 1]

De vriendin van [slachtoffer 1] vordert een bedrag van in totaal € 307.652,- (€287.652,- materieel en € 20.000,- immaterieel). Dit bedrag bestaat uit:

  • -

    Gederfd levensonderhoud van € 287.652,- ;

  • -

    Affectieschade van € 20.000,-.

10.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verschillende standpunten ingenomen ten aanzien van de vorderingen. De rechtbank zal hierop, voor zover nodig, hierna ingaan.

10.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verschillende verweren gevoerd tegen de vorderingen. De rechtbank zal hierop, voor zover nodig, hierna ingaan.

10.4

Het oordeel van de rechtbank

Groepsaansprakelijkheid en hoofdelijkheid

In de gevallen waarin het geweld door verdachte in vereniging met één of meer anderen is gepleegd, stelt de rechtbank vast dat sprake is van groepsaansprakelijkheid in de zin van artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Dit geldt zowel voor de (poging(en) tot) doodslag als het openlijk geweld. Dit brengt met zich dat iedere betrokkene hoofdelijk aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan geleden schade. Er is namelijk steeds sprake geweest van deelname aan gewelddadige gedragingen in groepsverband en tussen die gedragingen bestaat naar het oordeel van de rechtbank een duidelijke samenhang. Groepsgeweld tegen een persoon (of personen) brengt de kans met zich dat aan die persoon of personen letsel wordt toegebracht, en verdachte heeft dat voor lief genomen. Door gewelddadige deelname aan de groep zijn verdachte en zijn mededaders naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Of aan verdachte zelf het opgelopen (zwaar) lichamelijk letsel is tenlastegelegd c.q. bewezenverklaard is daarbij niet van belang. Voor aansprakelijkheid krachtens artikel 6:166 BW is namelijk niet vereist dat een individu uit de groep zelf schade heeft veroorzaakt om daarvoor in civielrechtelijke zin aangesproken te kunnen worden. De regeling beoogt buiten twijfel te stellen dat een deelnemer aan onrechtmatige gedragingen in groepsverband zich niet aan aansprakelijkheid voor de daaruit geresulteerde schade kan onttrekken met het causaliteitsverweer dat de schade ook zonder zijn deelneming zou zijn ontstaan.

10.4.1

Slachtoffers ‘ [café 1] ’

[slachtoffer 9] en [slachtoffer 6]

De rechtbank zal de benadeelde partijen [slachtoffer 9] en [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen nu verdachte van het ten laste gelegde geweld jegens hen zal worden vrijgesproken.

Nu de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen, zullen de benadeelde partijen in de kosten van verdachte worden veroordeeld voor zover deze betrekking hebben op het verweer tegen de vordering. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

10.4.2

Slachtoffers ‘ [restaurant] ’

Verdachte heeft zich, met de medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] , schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag op [slachtoffer 7] .

Verdachte heeft, met medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] openlijk in vereniging geweld gepleegd tegen [slachtoffer 7] .

Verdachte heeft, met medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] openlijk in vereniging geweld gepleegd tegen [slachtoffer 8] .

Hij is dus, samen met die medeverdachten, hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] daardoor hebben geleden.

[slachtoffer 7]

Materiële schade

Ten aanzien van de gevorderde reiskosten naar het ziekenhuis in Mallorca ter hoogte van

€ 45,66, de ziektekosten ter hoogte van € 385,-, en de reiskosten naar het ziekenhuis in Nederland ter hoogte van € 22,80 van de benadeelde partij [slachtoffer 7] geldt dat zij allemaal voldoende zijn onderbouwd, en in rechtstreeks verband staan tot de door verdachte gepleegde strafbare feiten, zodat zij voor vergoeding in aanmerking komen.

De rechtbank is van oordeel dat vordering van de benadeelde partij die ziet op het horloge ter hoogte van € 119,- onvoldoende is onderbouwd, in die zin dat het rechtstreeks verband tussen de strafbare feiten en de schade onvoldoende is komen vast te staan. Het zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren indien de benadeelde partij in dit stadium van de procedure alsnog in de gelegenheid zou worden gesteld om nader bewijs in te brengen. In zoverre kan de benadeelde partij daarom niet in zijn vordering worden ontvangen en kan hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

De gevorderde immateriële schade ligt op grond van het bepaalde in artikel 6:106 lid 1 sub b BW voor toewijzing gereed, omdat de benadeelde partij door het gepleegde geweld lichamelijk letsel heeft opgelopen in de vorm van onder meer een gebroken duim, en de benadeelde partij door het forse geweld op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Gelet op de aard van het letsel en de normschending, alsmede de hoogte van de schadevergoedingen die doorgaans in soortgelijke zaken worden toegewezen, acht de rechtbank een toewijzing van de gevorderde

€ 3.000,- billijk.

Proceskosten

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt ter hoogte van € 130,- aan reiskosten van en naar de rechtbank. Anders dan de verdediging heeft gesteld vormt het bepaalde uit artikel 238 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) geen beletsel voor het toekennen van deze reiskosten. Dit komt voort uit het feit dat de benadeelde partij uitsluitend zijn eigen reiskosten vordert, en daarbij niet ook vergoeding vordert van kosten van zijn gemachtigde advocaat.

Eigen schuld

De rechtbank zal op de toe te wijzen schade geen eigen schuld-correctie toepassen in de zin van het bepaalde in artikel 6:101 BW, nu niet is gebleken van een gedraging aan de zijde van de benadeelde partij waardoor zijn schade (mede) zou zijn ontstaan.

[slachtoffer 8]

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] die ziet op de beschadigde kleding ter hoogte van € 150,- onvoldoende is onderbouwd, in die zin dat het rechtstreeks verband tussen het strafbare feit en de schade onvoldoende is komen vast te staan. Het zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren indien de benadeelde partij in dit stadium van de procedure alsnog in de gelegenheid zou worden gesteld om nader bewijs in te brengen. In zoverre kan de benadeelde partij daarom niet in zijn vordering worden ontvangen en kan hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

De gevorderde immateriële schade ligt op grond van het bepaalde in artikel 6:106 lid 1 sub b BW voor toewijzing gereed, omdat de benadeelde partij door het gepleegde geweld lichamelijk letsel heeft opgelopen aan zijn neus en hoofd. Gelet op de aard van het letsel en de hoogte van de schadevergoedingen die doorgaans in soortgelijke zaken worden toegewezen, acht de rechtbank toewijzing van een vergoeding van € 1.000,- billijk. Het overige gevorderde deel zal worden afgewezen.

Proceskosten

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt ter hoogte van € 91,20 aan reiskosten van en naar de rechtbank. Anders dan de verdediging heeft gesteld vormt het bepaalde uit artikel 238 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) geen beletsel voor het toekennen van deze reiskosten. Dit komt voort uit het feit dat de benadeelde partij uitsluitend zijn eigen reiskosten vordert, en daarbij niet ook vergoeding vordert van kosten van zijn gemachtigde advocaat.

Eigen schuld

De rechtbank zal op de toe te wijzen schade geen eigen schuld-correctie toepassen in de zin van het bepaalde in artikel 6:101 BW, nu niet is gebleken van een gedraging aan de zijde van de benadeelde partij waardoor zijn schade (mede) zou zijn ontstaan. De klap die de benadeelde partij eerder aan een medeverdachte heeft gegeven kan in de omstandigheden van dit geval niet worden aangemerkt als een gedraging die de schade (mede) heeft veroorzaakt.

10.4.3.

Slachtoffers [bar] ’

Verdachte heeft, samen met medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] , openlijk in vereniging geweld gepleegd tegen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .

Hij is dus, samen met die medeverdachten, hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die de nabestaanden van [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 5] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] daardoor hebben geleden.

[slachtoffer 5]

Materiële schade

Ten aanzien van de gevorderde kosten van de AirBnB op Mallorca ter hoogte van € 157,68, en de kosten van het vliegticket van Mallorca naar Amsterdam ter hoogte van € 145,01 van de benadeelde partij [slachtoffer 5] geldt dat zij voldoende zijn onderbouwd, en in rechtstreeks verband staan tot het door verdachte gepleegde strafbare feit, zodat zij voor vergoeding in aanmerking komen.

In de vordering van de toekomstige schade, te weten het gevorderde eigen risico van de zorgverzekering over 2022 en 2023 ter hoogte van € 770,- zal de benadeelde partij door de rechtbank niet ontvankelijk worden verklaard, nu niet vaststaat dat die schade werkelijk zal worden geleden.

De kosten van de huurauto ter hoogte van € 56,65 zullen worden afgewezen nu deze niet zijn onderbouwd.

De rechtbank is van oordeel dat vorderingen van de benadeelde partij die zien op de huurkosten van de woning ter hoogte van € 2.292,15, alsmede de laminaatvloer ter hoogte van € 645,90 onvoldoende zijn onderbouwd, in die zin dat het rechtstreeks verband tussen het strafbare feit en deze schade onvoldoende is komen vast te staan. Het zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren indien de benadeelde partij in dit stadium van de procedure alsnog in de gelegenheid zou worden gesteld om nader bewijs in te brengen. In zoverre kan de benadeelde partij daarom niet in zijn vorderingen worden ontvangen en kan hij die vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

De gevorderde immateriële schade ligt op grond van het bepaalde in artikel 6:106 lid 1 sub b BW voor toewijzing gereed, omdat de benadeelde partij door het gepleegde geweld lichamelijk letsel heeft opgelopen aan onder meer zijn hoofd, en de benadeelde partij door het forse geweld tegen de groep waarbij iemand uit de groep ( [slachtoffer 1] ) is omgekomen, op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De benadeelde partij is door het geweld bewusteloos geraakt en werd er na het bijkomen mee geconfronteerd dat een vriend door hetzelfde geweld in coma was geraakt en daarna is overleden. De rechtbank is van oordeel dat laatstgenoemde omstandigheden bijdragen aan de aantasting in de persoon en daarmee de immateriële schade vergroten. Gelet op de aard van het letsel en de normschending, alsmede de hoogte van de schadevergoedingen die doorgaans in soortgelijke zaken worden toegewezen, acht de rechtbank een toewijzing van de gevorderde € 5.000,- billijk.

Proceskosten

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Eigen schuld

De rechtbank zal op de toe te wijzen schade geen eigen schuld-correctie toepassen in de zin van het bepaalde in artikel 6:101 BW, nu niet is gebleken van een gedraging aan de zijde van de benadeelde partij waardoor zijn schade (mede) zou zijn ontstaan. Het gedrag van de benadeelde partij voorafgaand aan de strafbare feiten kan, wat er verder ook van zij, niet worden aangemerkt als een gedraging die de schade (mede) heeft veroorzaakt.

[slachtoffer 4]

Materiële schade

Ten aanzien van de gevorderde kosten van de AirBnB op Mallorca ter hoogte van € 157,68, de kosten van het bootticket van Mallorca naar Ibiza ter hoogte van € 87,66, de kosten van het vliegticket van Ibiza naar Amsterdam ter hoogte van € 152,45, de kosten van het hotel in Palma de Mallorca ter hoogte van € 56,63, en de kosten van de taxi naar het ziekenhuis op Mallorca ter hoogte van € 32,- van de benadeelde partij [slachtoffer 4] geldt dat zij voldoende zijn onderbouwd, en in rechtstreeks verband staan tot het door verdachte gepleegde strafbare feit, zodat zij voor vergoeding in aanmerking komen.

In de vordering van de toekomstige schade, te weten het gevorderde eigen risico van de zorgverzekering over 2022 en 2023 ter hoogte van € 770,- zal de benadeelde partij door de rechtbank niet ontvankelijk worden verklaard, nu niet vaststaat dat die schade werkelijk zal worden geleden.

De kosten van de huurauto ter hoogte van € 56,65 zullen worden afgewezen nu deze niet zijn onderbouwd.

De kosten voor de kleding voor de begrafenis van [slachtoffer 1] ter hoogte van € 109,94 zullen worden afgewezen nu het rechtstreeks verband tussen bewezen verklaarde strafbare feit en de schade ontbreekt.

De rechtbank is van oordeel dat vordering van de benadeelde partij die ziet op de gederfde inkomsten ter hoogte van € 11.175,15 onvoldoende is onderbouwd. Het zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren indien de benadeelde partij in dit stadium van de procedure alsnog in de gelegenheid zou worden gesteld om nader bewijs in te brengen. In zoverre kan de benadeelde partij daarom niet in zijn vordering worden ontvangen en kan hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade/Schokschade

De vorderding tot schokschade zal worden afgewezen, omdat aan de criteria voor toewijzing ervan niet wordt voldaan. In het bijzonder is onvoldoende gebleken van een zodanige aard en hechtheid van de relatie tussen de benadeelde partij en [slachtoffer 1] dat schokschade kan worden toegewezen.

De gevorderde immateriële schade ligt op grond van het bepaalde in artikel 6:106 lid 1 sub b BW voor toewijzing gereed, omdat de benadeelde partij door het forse geweld tegen de groep waarbij iemand uit de groep ( [slachtoffer 1] ) is omgekomen, op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De benadeelde partij is er, na het geweld tegen hemzelf, mee geconfronteerd dat een vriend door hetzelfde geweld in coma was geraakt en daarna is overleden. De rechtbank is van oordeel dat laatstgenoemde omstandigheid bijdraagt aan de aantasting in de persoon en daarmee de immateriële schade vergroot. Gelet op de aard van de normschending, alsmede de hoogte van de schadevergoedingen die doorgaans in soortgelijke zaken worden toegewezen, acht de rechtbank een toewijzing van € 3.000,- billijk. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.

Proceskosten

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Eigen schuld

De rechtbank zal op de toe te wijzen schade geen eigen schuld-correctie toepassen in de zin van het bepaalde in artikel 6:101 BW, nu niet is gebleken van een gedraging aan de zijde van de benadeelde partij waardoor zijn schade (mede) zou zijn ontstaan.

[slachtoffer 2]

Materiële schade

Ten aanzien van de gevorderde kosten van de AirBnB op Mallorca ter hoogte van € 157,68, de kosten van het bootticket van Mallorca naar Ibiza ter hoogte van € 87,66, de kosten van het vliegticket van Ibiza naar Amsterdam ter hoogte van € 152,45, de kosten van het hotel in Palma de Mallorca ter hoogte van € 56,63, de kosten van de taxi van het ziekenhuis op Mallorca ter hoogte van € 40,-, en de kosten voor het opvragen van de medische informatie ter hoogte van € 31,14 van de benadeelde partij [slachtoffer 2] geldt dat zij voldoende zijn onderbouwd, en in rechtstreeks verband staan tot het door verdachte gepleegde strafbare feit, zodat zij voor vergoeding in aanmerking komen.

In de vordering van de toekomstige schade, te weten het gevorderde eigen risico van de zorgverzekering over 2022 en 2023 ter hoogte van € 1.270,- zal de benadeelde partij door de rechtbank niet ontvankelijk worden verklaard, nu niet vaststaat dat die schade werkelijk zal worden geleden.

De rechtbank is van oordeel dat vordering van de benadeelde partij die ziet op de gederfde inkomsten ter hoogte van € 8.800,- onvoldoende is onderbouwd. Het zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren indien de benadeelde partij in dit stadium van de procedure alsnog in de gelegenheid zou worden gesteld om nader bewijs in te brengen. In zoverre kan de benadeelde partij daarom niet in zijn vordering worden ontvangen en kan hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade/schokschade

De vorderding tot schokschade zal worden afgewezen, omdat aan de criteria voor toewijzing ervan niet wordt voldaan. In het bijzonder is onvoldoende gebleken van een zodanige aard en hechtheid van de relatie tussen de benadeelde partij en [slachtoffer 1] dat schokschade kan worden toegewezen.

De gevorderde immateriële schade ligt op grond van het bepaalde in artikel 6:106 lid 1 sub b BW voor toewijzing gereed, omdat de benadeelde partij door het forse geweld tegen de groep waarbij iemand uit de groep ( [slachtoffer 1] ) is omgekomen, op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De benadeelde partij is er, na het geweld tegen hemzelf, mee geconfronteerd dat een vriend door hetzelfde geweld in coma was geraakt en daarna is overleden. De rechtbank is van oordeel dat laatstgenoemde omstandigheid bijdraagt aan de aantasting in de persoon en daarmee de immateriële schade vergroot. Gelet op de aard van de normschending, alsmede de hoogte van de schadevergoedingen die doorgaans in soortgelijke zaken worden toegewezen, acht de rechtbank een toewijzing van € 3.000,- billijk. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.

Proceskosten

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Eigen schuld

De rechtbank zal op de toe te wijzen schade geen eigen schuld-correctie toepassen in de zin van het bepaalde in artikel 6:101 BW, nu niet is gebleken van een gedraging aan de zijde van de benadeelde partij waardoor zijn schade (mede) zou zijn ontstaan.

[slachtoffer 3]

Materiële schade

Ten aanzien van de gevorderde kosten van de AirBnB op Mallorca ter hoogte van € 157,68, de kosten van het bootticket van Mallorca naar Ibiza ter hoogte van € 87,66, de kosten van het vliegticket van Ibiza naar Amsterdam ter hoogte van € 152,45 en de kosten van het hotel in Palma de Mallorca ter hoogte van € 56,63van de benadeelde partij [slachtoffer 3] geldt dat zij voldoende zijn onderbouwd, en in rechtstreeks verband staan tot het door verdachte gepleegde strafbare feit, zodat zij voor vergoeding in aanmerking komen.

In de vordering van de toekomstige schade, te weten het gevorderde eigen risico van de zorgverzekering over 2022 en 2023 ter hoogte van € 1.248,- zal de benadeelde partij door de rechtbank niet ontvankelijk worden verklaard, nu niet vaststaat dat die schade werkelijk zal worden geleden.

Immateriële schade/Schokschade

De vorderding tot schokschade zal worden afgewezen, omdat aan de criteria voor toewijzing ervan niet wordt voldaan. In het bijzonder is onvoldoende gebleken van een zodanige aard en hechtheid van de relatie tussen de benadeelde partij en [slachtoffer 1] dat schokschade kan worden toegewezen.

De gevorderde immateriële schade ligt op grond van het bepaalde in artikel 6:106 lid 1 sub b BW voor toewijzing gereed, omdat de benadeelde partij door het forse geweld tegen de groep waarbij iemand uit de groep ( [slachtoffer 1] ) is omgekomen, op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De benadeelde partij is er, na het geweld tegen hemzelf, mee geconfronteerd dat een vriend door hetzelfde geweld in coma was geraakt en daarna is overleden. De rechtbank is van oordeel dat laatstgenoemde omstandigheid bijdraagt aan de aantasting in de persoon en daarmee de immateriële schade vergroot. Gelet op de aard van de normschending, alsmede de hoogte van de schadevergoedingen die doorgaans in soortgelijke zaken worden toegewezen, acht de rechtbank een toewijzing van € 3.000,- billijk. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.

Proceskosten

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Eigen schuld

De rechtbank zal op de toe te wijzen schade geen eigen schuld-correctie toepassen in de zin van het bepaalde in artikel 6:101 BW, nu niet is gebleken van een gedraging aan de zijde van de benadeelde partij waardoor zijn schade (mede) zou zijn ontstaan.

10.4.4

Nabestaanden van [slachtoffer 1]

[benadeelde 2] en [benadeelde 1] , ouders van [slachtoffer 1]

De ouders van [slachtoffer 1] vorderen (mede namens zijn broer) een bedrag van € 28.648,11 aan letselschade van [slachtoffer 1] welke vordering door vererving onder algemene titel op hen is overgegaan. Dit bedrag valt uiteen in een ziekenhuisdaggeldvergoeding ter hoogte van

€ 155,-, reis- en verblijfkosten Mallorca van zijn ouders en vriendin ter hoogte van

€ 3.743,11 en immateriële schade (smartengeld) ter hoogte van € 24.750,- voor de periode die [slachtoffer 1] in het ziekenhuis heeft gelegen zonder kwaliteit van leven.

Voorts vorderen de ouders van [slachtoffer 1] een bedrag van € 40.452,52 aan overlijdensschade, bestaande uit affectieschade ter hoogte van € 35.000,- (tweemaal

€ 17.500,-) en uitvaartkosten ter hoogte van € 5.452,52.

Op grond van artikel 6:95 lid 2 BW kan een vordering ter zake immateriële schade onder algemene titel overgaan als de gerechtigde aan de wederpartij heeft medegedeeld op de vergoeding aanspraak te maken. De rechtbank is van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 BW) onaanvaardbaar zou zijn indien verdachte zich erop zou kunnen beroepen dat [slachtoffer 1] , die na het door de groep van verdachte toegebrachte letsel niet meer bij bewustzijn is geweest, geen mededeling heeft gedaan dat hij aanspraak maakt op vergoeding van door hem geleden immateriële schade.

Materiële schade (al dan niet vererfd)

Ten aanzien van de gevorderde ziekenhuisdaggeldvergoeding ter hoogte van € 155,-, de reis- en verblijfkosten Mallorca van [slachtoffer 1] zijn ouders en vriendin ter hoogte van € 3.743,11, en de uitvaartkosten ter hoogte van € 5.452,52 geldt dat zij voldoende zijn onderbouwd, en in rechtstreeks verband staan tot het door verdachte gepleegde strafbare feit, zodat zij voor vergoeding in aanmerking komen.

Voor de gevorderde reis- en verblijfskosten op Mallorca geldt dat [slachtoffer 1] in het ziekenhuis niet meer in staat was zijn eigen belangen te behartigen, zodat zijn ouders en vriendin moesten komen om dat voor hem te doen. De als gevolg daarvan gemaakte kosten zijn te kwalificeren als kosten gemaakt wegens zaakwaarneming (artikel 6:198 BW) die, hoewel zij in eerste instantie zijn gedragen door de ouders van [slachtoffer 1] , op grond van artikel 6:200 BW voor rekening van [slachtoffer 1] kwamen, en derhalve door de erfgenamen van [slachtoffer 1] als materiële schade kunnen worden gevorderd en moeten worden vergoed.

Immateriële schade (al dan niet vererfd)

De gevorderde immateriële schade van [slachtoffer 1] ligt op grond van het bepaalde in artikel 6:106 lid 1 sub b BW voor toewijzing gereed, omdat verdachte door het gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, ten gevolge waarvan hij na vijf dagen in het ziekenhuis uiteindelijk is komen te overlijden. De rechtbank acht toewijzing van de gevorderde € 24.750,- billijk.

Op grond van artikel 6:108 lid 3 BW hebben nabestaanden ook recht op vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade (affectieschade). Conform artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade (overlijden door een misdrijf van een meerderjarig uitwonend kind) zal aan beide ouders worden toegewezen het gevorderde bedrag van € 17.500,-, dus in totaal € 35.000,-.

Proceskosten

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

[benadeelde 3] , vriendin van [slachtoffer 1]

Materiële schade

[benadeelde 3] vordert een bedrag van € 287.652,- aan gederfd levensonderhoud. Voor toewijzing van dit bedrag moet op grond van artikel 6:108 lid 1 sub c BW komen vast te staan dat zij in gezinsverband samenwoonde met [slachtoffer 1] . [benadeelde 3] heeft weliswaar gesteld dat hiervan sprake was, maar de verdediging heeft dit gemotiveerd betwist. Gelet op die betwisting – en op wat door de benadeelde partij ter onderbouwing van haar stelling naar voren is gebracht – staat het op dit moment onvoldoende vast dat [slachtoffer 1] en [benadeelde 3] inderdaad in gezinsverband samenwoonden. Er zal op dit punt (nadere) bewijslevering nodig zijn. Het zou echter een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren indien de benadeelde partij in dit stadium van de procedure alsnog in de gelegenheid zou worden gesteld om nader bewijs in te brengen. In zoverre kan de benadeelde partij daarom niet in haar vordering worden ontvangen en kan zij dit deel van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

De gevorderde immateriële schade ligt op grond van het bepaalde in artikel 6:108 lid 3 BW (deels) voor toewijzing gereed, omdat de [benadeelde 3] als nabestaande recht heeft op vergoeding van affectieschade. Conform artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade zal aan [benadeelde 3] worden toegewezen een bedrag van € 17.500,-. Dit is het bedrag dat op grond van dit besluit toekomt aan een persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt. [benadeelde 3] had € 20.000,- gevorderd. Dit is het bedrag dat op grond van het besluit toekomt aan de levensgezel die met de overledene een gezamenlijke huishouding voerde. Gelet op wat hiervoor op dit punt bij de materiële schade is overwogen, zal [benadeelde 3] in het gedeelte van € 2.500,- van haar vordering, niet ontvankelijk worden verklaard en zal worden bepaald dat zij ook dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Proceskosten

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van alle vorderingen

De toegewezen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de schadeveroorzakende gebeurtenis, te weten 14 juli 2022. Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partijen – ten aanzien van de verschillende toegewezen materiële en immateriële schadeposten – aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, op de wijze zoals hieronder is opgenomen.

De rechtbank overweegt hierbij dat het jeugdrecht niet van toepassing wordt verklaard, zodat zij geen aanleiding ziet om af te wijken van het gebruikelijke aantal dagen gijzeling, zoals opgenomen in de oriëntatiepunten die door het in de organisatie van de Rechtspraak bestaande Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) zijn vastgesteld. De rechtbank houdt hierbij rekening met de maximumduur van 1 jaar (360 dagen) gijzeling per schadevergoedingsmaatregel, waarbij de samenloopregeling van artikel 57 en 58 van het Wetboek van Strafrecht in acht wordt genomen. Die maximale duur van de gijzeling zal naar rato van de hoogte van de toegewezen bedragen over de verschillende maatregelen worden verdeeld.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 60a, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- als voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

* zich na het ingaan van de proeftijd zal melden bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2 te Utrecht. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig acht;

* zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

* mee zal werken aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Voorlopige hechtenis

- wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:

  • -

    1 STK Schoenen (omschrijving/goednummer: PL0900-2021230390-G2866155);

  • -

    1 STK Schoenen (omschrijving/goednummer: PL0900-2021230390-G2866157);

  • -

    1 STK Broek (omschrijving/goednummer: PL0900-2021230390-G2866159);

  • -

    1 STK Broek (omschrijving/goednummer: PL0900-2021230390-G2866161);

  • -

    1 STK Computer (omschrijving/goednummer: PL0900-2021230390-G2866188, Dell);

Benadeelde partijen

[slachtoffer 9]

  • -

    verklaart [slachtoffer 9] niet-ontvankelijk in de vordering;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

[slachtoffer 6]

  • -

    verklaart [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk in de vordering;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

[slachtoffer 7]

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 7] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 3.453,46, waarvan € 453,46 aan materiële schadevergoeding en € 3.000 aan immateriële schadevergoeding;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 7] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2021 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

  • -

    verklaart [slachtoffer 7] wat betreft de kosten voor het verloren horloge niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op dit moment begroot op € 130,-;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 7] aan de Staat € 3.453,46te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2021 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 21 dagen gijzeling;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

[slachtoffer 8]

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 8] gedeeltelijk toe tot een bedrag van €1.000,- aan immateriële schadevergoeding;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 8] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2021 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

  • -

    verklaart [slachtoffer 8] wat betreft de gevorderde kosten aan beschadigde kleding niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 8] wat betreft de meer gevorderde immateriële schade af;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op dit moment begroot op € 91,20;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 8] aan de Staat

€ 1.000,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2021 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 10 dagen gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

[slachtoffer 5]

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 5] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 5.302,69, waarvan € 302,69 aan materiële schadevergoeding en € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 5] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2021 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

  • -

    verklaart [slachtoffer 5] wat betreft de gevorderde kosten aan eigen risico, huurkosten en kosten voor de laminaatvloer niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 5] wat betreft de gevorderde kosten voor de huurauto af;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 5] aan de Staat € 5.302,69 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2021 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 30 dagen gijzeling;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

[slachtoffer 4]

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 4] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 3.486,42, waarvan € 486,42 aan materiële schadevergoeding en € 3.000,- aan immateriële schadevergoeding;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 4] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2021 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

  • -

    verklaart [slachtoffer 4] wat betreft de gevorderde kosten aan eigen risico en gederfde inkomsten niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 4] wat betreft de meer gevorderde immateriële schade en de gevorderde kosten voor de huurauto, kosten voor de kleding van de begrafenis van [slachtoffer 1] en af;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 4] aan de Staat € 3.486,42 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2021 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 21 dagen gijzeling;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

[slachtoffer 2]

- wijst de vordering van [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van

€ 3.525,56, waarvan € 525,56 aan materiële schadevergoeding en € 3.000,- aan immateriële schadevergoeding;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2021 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

  • -

    verklaart [slachtoffer 2] wat betreft de gevorderde kosten aan eigen risico en gederfde inkomsten niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 2] wat betreft de meer gevorderde immateriële schade af;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat

€ 3.525,56 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2021 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 22 dagen gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

[slachtoffer 3]

- wijst de vordering van [slachtoffer 3] gedeeltelijk toe tot een bedrag van

€ 3.454,42, waarvan € 454,42 aan materiële schadevergoeding en € 3.000,- aan immateriële schadevergoeding;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 3] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2021 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

  • -

    verklaart [slachtoffer 3] wat betreft de meer gevorderde kosten aan eigen risico niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 3] wat betreft de meer gevorderde immateriële schade en af;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat

€ 3.454,42 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2021 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 21 dagen gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

[benadeelde 2] en [benadeelde 1]

- wijst de vordering van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] geheel toe tot een bedrag van € 69.100,63, waarvan € 9.350,63 aan materiële schadevergoeding en

€ 59.750,- aan immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 2] en [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2021 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] aan de Staat € 69.100,63 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2021 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 169 dagen gijzeling;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

[benadeelde 3]

- wijst de vordering van [benadeelde 3] gedeeltelijk toe tot een bedrag van

€ 17.500,- aan immateriële schadevergoeding;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 3] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2021 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

  • -

    verklaart [benadeelde 3] wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde 3] aan de Staat € 17.500,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2021 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 66 dagen gijzeling;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, voorzitter, mr. V.C. Kool, (kinder)rechter, en mr. H.B.W. Beekman, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Tason Avila en mr. R. van Donk-Carbo, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 november 2022.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

feit 1

primair

hij, op of omstreeks 14 juli 2021 te [plaats] , althans in de provincie Balearen, althans in Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 7] opzettelijk van het leven te beroven,

- voornoemde [slachtoffer 7] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, heeft geslagen en/of gestompt en/of

- voornoemde [slachtoffer 7] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, heeft getrapt en/of geschopt (terwijl voornoemde [slachtoffer 7] op de grond lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij, op of omstreeks 14 juli 2021 te [plaats] , althans in de provincie Balearen, althans in

Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 7] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

- voornoemde [slachtoffer 7] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, heeft geslagen en/of gestompt en/of

- voornoemde [slachtoffer 7] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, heeft getrapt en/of geschopt (terwijl voornoemde [slachtoffer 7] op de grond lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2

hij, op of omstreeks 14 juli 2021 te [plaats] , althans in de provincie Balearen, althans in Spanje, openlijk, te weten op de [locatie] (ter hoogte van [café 1] en/of [restaurant] ), in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 7] door:

- voornoemde [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 7]

meermalen, althans eenmaal, te duwen en/of te trekken en/of naar de grond toe te

brengen en/of (met de vuist) te stompen en/of te slaan en/of te schoppen en/of te trappen

op en/of in de richting van en/of tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam en/of met voornoemde slachtoffer(s) te worstelen en/of met een stoel te gooien in de richting van voornoemde slachtoffer(s) en/of een of meer andere perso(o)n(en),

terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, te weten:

- een of meerdere blauwe plek(ken) en/of bult op het been en/of een dik oog, althans het

lichaam, bij [slachtoffer 6] en/of

- een gebroken duim en/of een dikke neus en/of een opgezwollen enkel en/of blauwe

plekken op de armen, althans het lichaam, en/of een blauw oog bij [slachtoffer 7] ;

feit 3

hij, op of omstreeks 14 juli 2021 te [plaats] , althans in de provincie Balearen, althans in Spanje, openlijk, te weten op de [locatie] (ter hoogte van bar [bar] ), in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5]

door:

- voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4]

en/of [slachtoffer 5] meermalen, althans eenmaal, te duwen en/of te trekken en/of naar de grond toe te

brengen en/of (met de vuist) te stompen en/of te slaan en/of te schoppen en/of te trappen

op en/of in de richting van en/of tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam en/of met voornoemde slachtoffer(s) te worstelen,

terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, te weten:

- ( blauwe) plekken op het hoofd en/of de benen, althans het lichaam, bij [slachtoffer 2]

.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 5 januari 2022, met onderzoeksnummer MD1R021036 (TGO 14Eiland), opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met pagina 3772 en het wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van forensisch onderzoek van 17 december 2021 met proces-verbaalnummer 2021230390, doorgenummerd pagina 1 tot en met pagina 316. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 54.

3 Pagina 55.

4 Deze foto is weergegeven op pagina 58. Hierop is te zien dat [slachtoffer 7] een blauw oog heeft.

5 Pagina 56.

6 Pagina 98.

7 Pagina 100.

8 Het bestand ‘ [bestandsnaam] ’. Daar waar de rechtbank verwijst naar tijdstippen, gaat dit om de tijd die rechtsboven in beeld wordt weergegeven. Op deze beelden zijn door de politie de namen van verdachten en slachtoffers aangegeven.

9 Pagina 2826.

10 Pagina 2827.

11 Pagina 2828.

12 Pagina 2829.

13 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 7] , pagina 56; het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 8] , pagina 100 en het proces-verbaal van verhoor van getuige [medeverdachte 5] bij de rechter-commissaris op 11 april 2022, pagina 10.

14 Het bestand ‘ [bestandsnaam] ’.

15 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 9] , pagina 88-90; het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] , pagina 66-69; het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 7] , pagina 1832-1834; het proces-verbaal van verhoor van getuige [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris op 27 juni 2022, pagina 7 en het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 5] op 13 augustus 2021, pagina 2657 en 2658.

16 Pagina 108.

17 Pagina 109.

18 Pagina 132.

19 Pagina 133.

20 Pagina 134.

21 Pagina 136.

22 Pagina 145.

23 Pagina 146.

24 Pagina 147.

25 Pagina 179.

26 Pagina 180.

27 Pagina 2831.

28 Pagina 2832.

29 Pagina 1535.

30 Pagina 1536.

31 Pagina 1963.

32 Pagina 1435.

33 Pagina 1436.

34 Pagina 1437.

35 Pagina 2039.

36 Pagina 1872.

37 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6] bij de politie op 9 augustus 2021, pagina 1710.

38 Het proces-verbaal van bevindingen (camerabeelden [medeverdachte 6] incident 2), pagina 470.

39 Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van het forensisch pathologisch onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer 1] , van 9 februari 2022, pagina 3199.