Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2022:4146

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-10-2022
Datum publicatie
17-10-2022
Zaaknummer
UTR 22/125
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wabo, omgevingsvergunning voor een jongerenontmoetingsplaats (‘kjoep’). Een kjoep gaat naar zijn aard gepaard met overlast, zodat die kan worden betrokken in de ruimtelijke afweging en dat niet slechts een kwestie van handhaven is. De rechtbank toetst de belangenafweging aan het evenredigheidsbeginsel, aan de hand van de uitwerking daarvan door de Raad van State eerder dit jaar. In dit geval pakt de aanzienlijke overlast die de kjoep veroorzaakt op korte afstand van de woning voor eiser onevenwichtig uit als deze wordt afgezet tegen de voordelen die de omgevingsvergunning de samenleving als geheel biedt. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en weigert de vergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2022-0192
JOM 2022/462
Omgevingsvergunning in de praktijk 2022/8764
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 22/125


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2022 in de zaak tussen


[eiser] uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. C.A. Adema),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest, verweerder.

Verder neemt als partij aan de procedure deel: de gemeente Soest.

Inleiding

1. Deze zaak gaat over de plaatsing van een ‘kjoep’ op het perceel van het [locatie] aan de [straat] in [plaats] . Een kjoep is een mobiele hangplek voor jongeren met een dak en twee of meer wanden. Het gebouw het dichtstbij de kjoep is het huis van eiser – op ongeveer 42 meter afstand. Eiser en zijn gezin ervaren veel overlast van het gebruik van de kjoep.

2. Het geldende bestemmingsplan staat dit bouwwerk op deze locatie niet toe. Met het besluit van 15 juni 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest (hierna: het college) aan de gemeente Soest (hierna: de gemeente) daarom een omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan plaatsen en gebruiken van de kjoep voor een periode van tien jaar. Aan de omgevingsvergunning ligt een ruimtelijke onderbouwing ten grondslag, waarin wordt ingegaan op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de kjoep. Met het besluit van 1 december 2021 heeft het college het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de termijn waarvoor de omgevingsvergunning wordt verleend teruggebracht naar zeven jaar. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

3. De rechtbank heeft de zaak behandeld op de zitting van 22 september 2022. Eisers gemachtigde, zijn echtgenote en zijn zoon waren aanwezig. Het college en de gemeente hebben zich laten vertegenwoordigen door [A] , [B] en mr. M. van Loon.

De standpunten van partijen

Eiser heeft veel overlast

4. De echtgenote en de zoon van eiser hebben op de zitting goed kunnen uitleggen welke overlast zij ervaren. Zij vinden dat de kjoep veel te dicht op hun woning staat. De ervaringen die zij sinds de kjoep er is hebben, zijn nog erger dan waar ze vooraf voor vreesden. De kjoep wordt zeer regelmatig, bijna dagelijks, gebruikt vanaf de middag tot laat in de avond en nacht. Er weerkaatst veel geluid van de kjoep naar de woning van eiser, tot in de slaapkamers. De geluidsoverlast beperkt zich niet tot de avonduren maar is er gedurende de hele dag, bijvoorbeeld van auto’s met harde muziek. In de kjoep hangen jongeren, maar ook regelmatig volwassenen. Er wordt gerookt en er liggen lege whiskyflessen, waardoor je je kunt afvragen of dit daadwerkelijk is wat de gemeente voor jongeren wil faciliteren.

5. De handhaving van de openbare orde bij de kjoep schiet volgens eiser tekort en hij en zijn gezin moeten regelmatig de politie bellen om de rust na elf uur ’s avonds terug te laten keren. Het lukt echter niet altijd om de wijkagent ’s avonds te bereiken en dan gebeurt er niks. Eiser is bovendien zeer bezorgd over brandstichting: dat is bij de kjoep al drie keer gebeurd en het brandgevaar voor zijn woning met rieten dak is groot.

De gemeente vindt dit de beste locatie

6. De gemeente heeft als vergunninghouder op de zitting toegelicht dat er goed is nagedacht over de locaties van drie kjoeps in Soest. Er is een uitgebreid participatietraject geweest, waaraan veel burgers hebben meegedaan. De uitkomst daarvan was dat twee kjoeps op een bedrijventerrein zouden worden geplaatst en een kjoep in de woonomgeving van Soest. Omdat vervolgens bleek dat niemand graag een kjoep in zijn directe woonomgeving wilde, is geopperd om de derde kjoep op het terrein van het [locatie] te plaatsen, in wat de [plek] wordt genoemd. Binnen de [plek] is uiteindelijk de huidige locatie gekozen in de uiterste hoek van het perceel, het dichtst bij de woning van eiser. Andere locaties in de [plek] waren volgens de gemeente niet of minder geschikt.

7. De gemeente is tevreden met de plekken waar de kjoeps uiteindelijk zijn geplaatst. De bedrijven op de bedrijventerreinen zien de plaatsing van de twee kjoeps daar inmiddels als een verbetering, omdat er meer zicht is op de jongeren en de gemeente zich verantwoordelijk toont voor het op orde houden van de kjoeps en directe omgeving. In de woonomgeving van Soest was voorheen sprake van overlast door hangjeugd op verschillende locaties, maar door de plaatsing van de derde kjoep aan de [straat] concentreert eventuele overlast zich nu daar, wat ten goede komt aan het zicht op de hangjeugd en aan de ervaren overlast in Soest in het algemeen.

Het college weegt het belang van de gemeente zwaarder

8. Het college heeft als bevoegd gezag voor de verleende omgevingsvergunning op de zitting toegelicht dat ook hij tevreden is met de plaatsing van de kjoep aan de [straat] . Deze locatie is passend binnen een goede ruimtelijke ordening, omdat wordt voldaan aan de minimale richtafstand van 30 meter tot de woning van eiser die het college hanteert. Met het verlenen van de omgevingsvergunning is het belang gediend dat de overlast door jongeren in Soest over het algemeen is afgenomen. Dat belang weegt voor het college zwaarder dan de nadelen die eiser ervaart door de plaatsing van de kjoep.

9. Het college heeft aandacht voor de handhaving van de openbare orde, maar daarvoor is alleen een juridische basis (in de APV) als er na elf uur ’s avonds overlast wordt veroorzaakt. De mogelijkheden zijn dan bovendien beperkt, omdat de gemeentelijke boa’s maar drie avonden in de week werken. Voor de overige avonden is met eiser de afspraak gemaakt dat hij de politie belt als er na elf uur ’s avonds overlast is en dat dan zo snel mogelijk wordt opgetreden. Dat is dan wel afhankelijk van of er bij de politie spoedmeldingen zijn die voorgaan.

De beoordeling door de rechtbank

Samenvatting van de beoordeling

10. Gelet op de grote gevolgen die de kjoep heeft voor eiser, heeft de rechtbank intensief getoetst hoe het besluit uitpakt, hoe dat zich verhoudt tot de goede ruimtelijke ordening en of het besluit niet onevenredig is. De rechtbank oordeelt dat het college niet goed heeft gemotiveerd dat de kjoep op zo’n korte afstand van de woning van eiser past binnen een goede ruimtelijke ordening. Die motivering kan niet alsnog gegeven worden, omdat de rechtbank vervolgens oordeelt dat de nadelige gevolgen van de omgevingsvergunning voor de kjoep op deze locatie voor eiser en zijn gezin onevenredig zijn in verhouding tot de met die vergunning te dienen doelen. Deze oordelen werkt de rechtbank hierna uit.

Toetsingskader algemeen

11. Het college heeft beleidsruimte bij de beslissing om wel of geen toepassing te geven aan de bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen. Bij die beslissing moet het college ook de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of de verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

Goede ruimtelijke ordening: een kjoep is geen middelbare school

12. Het college mag alleen met een omgevingsvergunning van het bestemmingsplan afwijken als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.1 Bij de beoordeling van de vraag of daaraan met de plaatsing van de kjoep wordt voldaan, is het college uitgegaan van de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (de VNG-brochure). De VNG-brochure kent voor hangplekken voor jongeren geen aparte indeling met richtafstanden. De kjoep is in de ruimtelijke onderbouwing door de gemeente daarom gelijkgesteld met een middelbare school, waarvoor op grond van de VNG-brochure de grootste richtafstand dertig meter tot gevoelige objecten bedraagt, vanwege geluidsaspecten. Uit de VNG-brochure volgt dat de richtafstand wordt gemeten tussen de kjoep en de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of vergunningsvrij mogelijk is.

13. Op de zitting is vastgesteld dat partijen het er inmiddels over eens zijn dat wordt voldaan aan deze richtafstand van 30 meter: de afstand tot de woning bedraagt zo’n 42 meter en de afstand tot de grens van de bestemming Wonen zo’n 32 meter. Eiser vindt een kjoep echter niet vergelijkbaar met een middelbare school en vindt dat van een grotere afstand uit had moeten worden gegaan.

14. De rechtbank volgt hem daarin. De VNG-brochure is een hulpmiddel om te gebruiken om te motiveren dat een omgevingsvergunning kan worden verleend, maar geeft geen harde criteria. Als, zoals in dit geval, de te vergunnen functie (de kjoep) niet in de brochure voorkomt, vraagt dat iets extra van de motivering bij de omgevingsvergunning. Dat het geluid dat afkomstig is van de kjoep van vergelijkbare aard is als het geluid dat het schoolplein van een middelbare school veroorzaakt kan zo zijn, maar dat geldt alleen op momenten waarop zo’n schoolplein ook daadwerkelijk gebruikt wordt. Dat zal vooral het geval zijn tijdens en rondom schooltijden, maar in veel mindere mate in de avonduren. Het college heeft er op de zitting wel op gewezen dat schoolpleinen vaak buiten de schooltijden ook worden gebruikt als ontmoetingsplek, maar dat vindt de rechtbank niet hetzelfde als het gebruik van de kjoep. Die is immers speciaal als hangplek bedoeld, terwijl niet zonder meer voorstelbaar is dat hangjeugd een schoolplein ’s avonds ook op die manier gebruikt. Veel schoolpleinen zijn afgesloten, en als dat niet zo is zal eerder sprake zijn van incidenteel gebruik.

15. De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de plaatsing van de kjoep in dit geval, waarbij hangjeugd in de avonduren op zo’n 42 meter van de woning van eiser aanwezig kan zijn, past binnen een goede ruimtelijke ordening. Dat wordt voldaan aan de richtafstand voor middelbare scholen uit de VNG-brochure is daarvoor in het licht van het voorgaande niet genoeg: er is een verdere motivering nodig die op de specifieke functie van de kjoep in deze situatie is toegespitst.

De rechtbank kijkt naar de evenwichtigheid

16. De beoordeling van de vraag of het verlenen van de omgevingsvergunning voor de kjoep tot een evenredige uitkomst leidt voor belanghebbenden, gebeurt op de grondslag van het evenredigheidsbeginsel.2 Dat beginsel is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder dit jaar verder uitgewerkt in de uitspraak van 2 februari 2022 (Harderwijk).3 De rechtbank past die uitwerking nu toe op deze zaak.

17. Het gaat hier om een omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken. Zo’n besluit wordt verleend na een aanvraag, die in dit geval door de gemeente zelf is gedaan. Het college is vervolgens gebonden aan die aanvraag, maar heeft wel de discretionaire bevoegdheid om de gevraagde vergunning wel of niet te verlenen. Bij de toetsing van zo’n besluit aan het evenredigheidsbeginsel moet naar het oordeel van de rechtbank vooral worden gekeken naar de vraag of het besluit tot een evenwichtige uitkomst leidt. De vraag is dan of de afwijkende activiteit die met de omgevingsvergunning mogelijk wordt gemaakt in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend is voor een belanghebbende. De rechtbank beoordeelt hierbij de aard en het gewicht van de bij het besluit betrokken belangen en de ingrijpendheid van het besluit en de mate waarin het fundamentele rechten van eiser en zijn gezin aantast.

Overlast hoort bij een kjoep

18. De rechtbank vindt bovendien dat de overlast die de kjoep veroorzaakt, betrokken kan worden in de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid, omdat de kjoep als jongerenontmoetingsplaats naar zijn aard gepaard zal gaan met overlast in meer of mindere mate. Enige vorm van overlast hoort nu eenmaal bij een dergelijke ontmoetingsplaats en moet daarom door de bestuursrechter beoordeeld kunnen worden bij de toetsing van een omgevingsvergunning. Het gaat hier dan ook niet om de vrees voor overlast, maar om de overlast die bij een kjoep hoort. Het ruimtelijk toestaan van een kjoep verschilt in zoverre van toestemmingen voor andere ruimtelijke activiteiten waarbij overlast niet zonder meer een gegeven is. Voor die gevallen geldt de vaste lijn in de rechtspraak waar het college op heeft gewezen, die erop neerkomt dat overlast een kwestie van handhaving is. Die lijn volgt de rechtbank dus niet voor de kjoep.

Te veel overlast, te weinig handhaving en inbreuk woongenot

19. Het respecteren van iemands woongenot is een fundamenteel recht, dat wordt beschermd in artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Deze bepaling gaat ook over milieukwesties en er kan bescherming aan worden ontleend als milieuoverlast – zoals geluidsoverlast – een directe en serieuze impact heeft op de kwaliteit van leven. Gelet op de aard en omvang van de (geluids)overlast door de kjoep rechtvaardigt dit dat de rechtbank de belangenafweging intensief toetst.

20. De rechtbank oordeelt dat die belangenafweging van het college niet tot een evenwichtige uitkomst heeft geleid. Het belang dat met het verlenen van de omgevingsvergunning is gediend, is het algemene belang dat de gemeente heeft bij concentratie van hangjongeren en de mogelijkheid die dat geeft om zicht op hen en op overlast te hebben en te houden. Dat is een gerechtvaardigd belang, maar daar tegenover staat de aanzienlijke overlast die de kjoep voor eiser en zijn gezin veroorzaakt door de vergunning voor deze locatie. Voor de mate waarin dat gebeurt, gaat de rechtbank uit van wat de echtgenote en de zoon van eiser op de zitting hebben geschetst. Dat de overlast zich in deze vorm voordoet, is aannemelijk en is door het college en door de gemeente ook niet betwist. Deze overlast voor eiser en zijn gezin pakt onevenwichtig uit als deze wordt afgezet tegen de voordelen die de plaatsing van de kjoep op deze locatie de samenleving in Soest als geheel biedt. De door het college en de gemeente gehanteerde lijn komt er in feite op neer dat alleen eiser en zijn gezin de dupe worden van de als noodzakelijk gevoelde behoefte om handjeugd op een plek in Soest te concentreren.

21. De rechtbank weegt hierbij mee dat handhaving van de openbare orde bij de kjoep problematisch is. Enerzijds omdat er juridisch alleen de mogelijkheid is om pas vanaf elf uur ’s avonds handhavend op te treden tegen overlast gevende jeugd: dat komt erop neer dat eiser en zijn gezin eerder op de avond overlast voor lief moet nemen. Anderzijds omdat ook na elf uur ’s avonds handhaving niet altijd kan worden opgepakt: als de boa’s

’s avonds niet werken is het maar afwachten of en wanneer de politie een overlastmelding oppakt. Het is aannemelijk en begrijpelijk dat daar gemakkelijk enige tijd overheen kan gaan als de politie meerdere en spoedeisender meldingen heeft. In de tussentijd zit eiser met zijn gezin ook ’s avonds laat of ’s nachts met (geluids)overlast.

Hoe nu verder?

22. De gebreken in de beslissing op bezwaar zijn niet te herstellen. Het is in het licht van de hiervoor gegeven beoordeling niet mogelijk om een kjoep op de aangevraagde locatie op deze afstand van het perceel van eiser te vergunnen op een wijze die in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en die niet tot een onevenredige uitkomst voor eiser leidt. Kortom, de aangevraagde kjoep staat te dicht op eisers woning en er moet een andere plek worden gezocht. De rechtbank kan en zal daarom zelf een eindbeslissing nemen door de gevraagde omgevingsvergunning alsnog te weigeren.

23. De rechtbank wijst nog op het volgende. Op de zitting is namens het college gezegd dat hij zal proberen om vergunningsvrij of binnen de regels van het bestemmingsplan alsnog zoveel mogelijk iets op deze locatie te faciliteren voor hangjeugd, in het geval de omgevingsvergunning geen stand zou houden. De kjoep kan in dat geval niet blijven staan, maar volgens het college is het wel mogelijk om andere kleine bouwwerken te realiseren, waar de jeugd wat aan heeft en waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is. De rechtbank benadrukt dat het bestemmingsplan niet voorziet in een gebruik van de [plek] als hangplek: er geldt geen bestemming ten behoeve van een (jongeren)ontmoetingslocatie. Een bouwwerk – bijvoorbeeld een bankje – kan op zichzelf vergunningsvrij zijn en gebruikt worden op een manier die de bestemming toestaat. Datzelfde bouwwerk kan echter ook het illegale gebruik als hangplek uitlokken. De gemeente kan zich afvragen of zij dat niet zou moeten voorkomen. De rechtbank benadrukt dat zij dit ten overvloede overweegt en dat dit geen rechtsoordeel is dat onderdeel uitmaakt van de beslissing over de omgevingsvergunning voor de kjoep.

Definitieve afdoening en kosten

24. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal de beslissing op bezwaar van 1 december 2021 vernietigen, omdat deze in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, en met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank voorziet vervolgens zelf in de beslissing op het bezwaar van eiser, door de omgevingsvergunning van 15 juni 2021 te herroepen (in te trekken) en deze te weigeren.

25. Het college moet het griffierecht en eisers proceskosten vergoeden. De vergoeding voor proceskosten wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroep en 1 punt voor de aanwezigheid op de zitting met een waarde per punt van € 759,-), bij een wegingsfactor 1. Voor de bezwaarfase wordt geen vergoeding toegekend, omdat eiser de bezwaargronden zelf heeft opgesteld en omdat uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat hij daar zonder gemachtigde aanwezig was. Toegekend wordt

€ 1.518,-.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de beslissing op bezwaar van 1 december 2021;

  • -

    herroept de omgevingsvergunning van 15 juni 2021, weigert deze en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde beslissing op bezwaar van 1 december 2021;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van

mr. I.C. de Zeeuw-‘t Lam, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2022.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

1 Dat volgt uit artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

2 Het evenredigheidsbeginsel staat in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

3 ECLI:NL:RVS:2022:285.