Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2022:37

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-01-2022
Datum publicatie
14-01-2022
Zaaknummer
16-153872-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van mishandeling. Veroordeling voor wederrechtelijke vrijheidsberoving van twee slachtoffers tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden. Gedeeltelijke toewijzing vorderingen BP.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/153872-21 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 6 januari 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1989] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] te [woonplaats] ,

gedetineerd in Detentiecentrum Zeist,

hierna: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 27 september 2021 (pro forma) en 23 december 2021 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. J. Bekke en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht, alsmede de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , en namens hen ook [A] van Slachtofferhulp Nederland, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er in het kort op neer dat verdachte:

Feit 1: op 12 juni 2021 te Utrecht [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opzettelijk wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd;

Feit 2: op 13 juni 2021 te Woerden zijn levensgezel [slachtoffer 3] heeft mishandeld.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. De aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn naar het oordeel van de officier van justitie betrouwbaar. De aangiftes worden ondersteund door de verklaring van verdachte. Uit een proces-verbaal bevindingen blijkt verder hoe lang de wederrechtelijke vrijheidsberoving heeft geduurd. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd omdat op basis van de in het dossier aanwezige stukken niet kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 3] pijn heeft gehad of letsel heeft opgelopen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van zowel het onder 1 als onder 2 ten laste gelegde. Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Er was immers geen sprake van een situatie dat de aangevers niet weg konden uit de flatwoning. Als zij waren weggelopen, had verdachte hen niet tegengehouden. De raadsman heeft overigens gesteld dat de in de tenlastelegging opgenomen feitelijke gedeelten die worden aangegeven met gedachtestreepjes op basis van het dossier wel bewezen kunnen worden verklaard. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman gesteld dat hij het standpunt van de officier van justitie volgt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 2

De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsman niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken. Uit het dossier kan worden afgeleid dat er tijdens een ruzie een worsteling tussen verdachte en zijn vriendin heeft plaatsgevonden, waarbij hij haar op enig moment bij de keel heeft gepakt. Verdachte zou haar ook hebben bedreigd. [slachtoffer 3] verklaarde wel voor haar leven te hebben gevreesd. De ter plaatse gekomen verbalisanten hebben echter geen letsel waargenomen dat zou kunnen passen bij de handelingen die verdachte in de tenlastelegging worden verweten. Evenmin heeft [slachtoffer 3] zelf verklaard pijn te hebben ondervonden.

Bewijsmiddelen feit 1 1

Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 12 juni 2021 omstreeks 15.15 uur bevond ik mij in een flat op de [adres] op de [nummer] etage. Ik was daar met [slachtoffer 1] .2 Op een gegeven moment ging de deurbel, dit was ongeveer om 16.15 uur. Toen ik de deur open deed zag ik een man staan. Toen ik open deed en die man zag, hoorde ik hem zeggen dat hij verder wilde komen om rustig te praten. Ik wilde eigenlijk niet dat hij binnen kwam, maar ik wilde ook geen problemen. Die man liep vervolgens naar binnen. Hij heeft zich een soort van naar binnen gedwongen, want eigenlijk wilde ik het niet. Wij hebben eigenlijk de hele tijd zijn verhaal aangehoord. Hij liet al duidelijk merken dat hij niet met zich liet sollen. Het was voor mij wel duidelijk dat hij een gekkie en gevaarlijk was. Die man uitte de hele tijd dreigementen. Hij wilde ons in stukjes hakken enzo. Het ging steeds van heel agressief naar rustig. Op een gegeven moment moesten wij naar het balkon. Wij moesten helemaal over de reling gaan hangen. Iedere keer als wij zoiets moesten doen, werden wij gefilmd. Wij moesten ook steeds in zijn camera vertellen wat wij hadden gedaan. Omdat die man het vroeg, zijn wij naar het balkon gelopen. Wij zijn wel aan de goeie kant van de reling gebleven. Ik voelde dat die man mij bij mijn nek vastpakte en over de reling naar beneden drukte. Ik voelde een sterke hand in mijn nek en hij duwde mij echt naar beneden. Dit was een beangstigend moment. Het ging van kwaad tot erger. Ik wilde eigenlijk meer met die man meewerken omdat ik dacht dat ik er dan sneller vanaf was. Toen ik over die reling hing, riep die man dat hij ons wel over de reling kon gooien.3 Hij had die hand op mijn nek liggen en op een gegeven moment liet hij die hand los. Toen kon ik gewoon gaan staan en moesten wij naar binnen. Hij bepaalde eigenlijk alles. Hij heeft vooral vaak gezegd dat hij de hond op ons zou loslaten en dat hij ons in stukjes kon snijden. Hij vertelde dat hij iemand had verkracht in België. Hij heeft gezegd dat hij ons ging verkrachten. Dit was super onprettig. Wij hoopten de hele tijd dat hij wegging. Hierna moest wij op de grond gaan zitten. Wij zaten eerst op onze billen in het midden van de woonkamer. Hierna moesten wij met onze rug tegen de muur gaan staan. Wij moesten onze telefoon en horloge afgeven. Daarna moesten wij op onze knieën gaan zitten en met ons gezicht tegen de muur. Die man heeft ons continu bedreigd met van alles en nog wat. Dit hield eigenlijk niet op. Ik zat dus op mijn knieën en met mijn hoofd tegen de muur aan. Ik hoorde de man zeggen dat hij een pistool bij zich had en een van ons ging neerschieten. Wij moesten met onze handen voor onze ogen gaan zitten. Vervolgens kwam de man met een voorwerp tegen mijn achterhoofd. Ik voelde een ijzer voorwerp tegen mijn achterhoofd. Die man drukte dit voorwerp hard tegen mijn achterhoofd aan. Hij was ook aan het schreeuwen: "wat voel je, wat voel je". Ik zei dat ik last van mijn hoofd had en ik zei dat ik een pistool tegen mijn achterhoofd voelde. Ik weet niet wat voor een voorwerp het was. Ik dacht op dat moment: neem mij maar, want dan hoef ik het niet te zien van mijn vriend. Het was onwijs beangstigend. Na deze dreiging hoorde ik iets vallen. Toen probeerde ik om te kijken om te zien wat hij aan het doen was. Opeens kreeg ik een klap tegen mijn gezicht. Die man deed dit met zijn vuist tegen de zijkant van mijn hoofd aan. Nadat hij mij had geslagen keek ik direct weer naar de muur. Zo moesten wij blijven zitten. Hij praatte de hele tijd door. Op een gegeven moment zei hij dat hij wegging. Hierna ging hij ook weg. Wij bleven voor de zekerheid nog even tegen de muur zitten. Toen ik even later om durfde te kijken zag ik die man nog in de hal staan. Hierna kwam die man weer naar binnen en vertelde hij weer een heel verhaal met veel dreigementen. Hierna ging hij weg.4

Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 12 juni 2021 bevond ik mij in de flat [adres] te [woonplaats] met mijn vriend [slachtoffer 2] . Op een gegeven moment werd er aangebeld. Dit was ongeveer tussen 16.00 uur en 16.30 uur. Hierna werd er geklopt. Ik besloot toch open te doen. Toen ik open deed zag ik dat er een man voor de deur stond.5 Eenmaal binnen in de woonkamer begon die man met dreigen. Ik hoorde hem zeggen dat hij niet terug deinsde om iemand te vermoorden. Ik hoorde dat hij het de hele tijd over verkrachting had. Ik hoorde hem zeggen: "Jullie hebben geluk dat ik er ben want als ik mijn vrienden er bij haal liggen jullie zo in een lijkenzak beneden. Als ik jullie film en verkracht dan krijg ik daar geld voor. Ik krijg daar 80.000 euro voor.”6

De verklaring van verdachte ter terechtzitting op 23 december 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 12 juni 2021 te Utrecht ben ik bij een flat aan de [straat] op de [nummer] etage naar binnen gestapt. Ik wilde verhaal gaan halen. Ik zag twee jongens in de flat en ik wilde hen goed bang maken. Ik heb onder meer gezegd dat ik ze aan de hond zou voeren. Ik heb ze meegenomen naar het balkon en ik heb ze naar beneden laten kijken. Eén van de jongens, die met de blonde haren, heb ik beetgepakt met mijn hand in zijn nek, toen hij over de reling van het balkon hing. Ik hield hem stevig vast. Ik heb hen daarna binnen met hun gezicht naar de muur laten staan. Ik heb ze laten knielen met hun gezicht tegen de muur. Ik heb een plank achter tegen hun hoofd gezet. Het was de bedoeling dat hiermee de indruk werd gewekt dat het een pistool was. Ze moesten van mij blijven zitten. Ik heb hun telefoons en horloges gepakt. Ik heb hen gevraagd naar hun ID-bewijs.7

Bewijsoverweging feit 1

De rechtbank is van oordeel dat uit bewijsmiddelen volgt dat er sprake is geweest van fysieke dwang, waarmee kan worden vastgesteld dat aangevers wederrechtelijk van hun vrijheid zijn beroofd. Uit de aangifte van [slachtoffer 2] blijkt immers dat hij een klap tegen zijn hoofd kreeg, zodra hij zich omdraaide. Verder leidt de rechtbank uit de aangiftes af dat beide aangevers niet de vrijheid hadden om op te staan, om te kijken of naar de deur te lopen gedurende de tijd dat verdachte in de woning was. Verdachte bepaalde alles en aangevers hadden niets in te brengen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat fysieke dwang niet noodzakelijk is voor een bewezenverklaring van wederrechtelijke vrijheidsberoving, nu psychische dwang, zoals in dit geval ook werd toegepast, ook voldoende kan zijn.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1

op 12 juni 2021 te Utrecht, opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door

- de flatwoning op de [nummer] verdieping binnen te lopen en dreigend tegen die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] te zeggen dat hij er niet voor terugdeinsde om iemand te vermoorden en te zeggen: “jullie hebben geluk gehad dat ik er ben want als ik mijn vrienden erbij haal liggen jullie zo in een lijkenzak beneden” en “als ik jullie film en verkracht dan krijg ik daar geld voor” en

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te zeggen naar het balkon te lopen en

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aldaar te dwingen over de reling van het balkon te gaan hangen en

- die [slachtoffer 2] bij de nek vast te pakken en over de reling van het balkon naar beneden te drukken en daarbij te zeggen dat hij die [slachtoffer 2] over de reling kon gooien en

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te zeggen de woning weer in te gaan en

- tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te zeggen dat hij hen ging verkrachten en

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te dwingen dat zij tegen de muur moesten gaan staan en daarbij te zeggen dat zij hun horloges en telefoons moesten afstaan en

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te dwingen dat zij op hun knieën moesten gaan zitten met hun gezicht tegen de muur en daarbij dreigend te zeggen dat hij een pistool bij zich had en hen ging neerschieten en daarbij tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een voorwerp te houden en

- die [slachtoffer 2] in zijn gezicht te slaan en

- die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] te dwingen dat zij met hun gezicht naar de muur moesten blijven zitten.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van tien maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van veertien weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname) en meewerken aan middelencontrole.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de eis van de officier van justitie kan worden gevolgd. Verdachte heeft hulp nodig die mede dient te bestaan uit een klinische behandeling.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van twee vrienden in een flat op de [nummer] etage. Gedurende de tijd die verdachte in de woning aanwezig was, heeft hij zich dusdanig (be)dreigend en intimiderend opgesteld dat de slachtoffers de woning niet durfden te verlaten. Verdachte heeft hen willen laten geloven dat hij een pistool bij zich had en hen gedwongen zich in kwetsbare posities te begeven, namelijk knielend zitten met het gezicht tegen de muur en hangend over de reling van het balkon. De slachtoffers hebben de beangstigende situatie zelfs zo ervaren alsof zij met de dood werden bedreigd, zo volgt onder meer uit de door [slachtoffer 2] ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. Met zijn handelen heeft verdachte de slachtoffers grote angst aangejaagd en hen gevoelens van onveiligheid bezorgd. Verdachte heeft hen daarnaast belemmerd in hun persoonlijke bewegingsvrijheid en daarmee een grove inbreuk gemaakt op hun lichamelijke en geestelijke integriteit.

Persoon van de verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 16 augustus 2021;

- een psychologisch rapport van 9 november 2021, uitgebracht door R. Bout, GZ-psycholoog;

- een psychiatrisch rapport van 1 november 2021, uitgebracht door dr. I.F.F.M. Elzakkers, psychiater;

- een reclasseringsadvies van Inforsa van 2 december 2021, uitgebracht door A. Oppelaar/JB.

Uit de psychologische en psychiatrische rapporten volgt dat de rechtbank geadviseerd wordt de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Ten tijde van de ten laste gelegde feiten waren bij verdachte geconstateerde stoornissen aanwezig, die het handelen van verdachte beïnvloedden.

Uit het psychologisch onderzoek blijkt dat bij verdachte sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis, een post traumatische stress stoornis (PTSS), een ernstige stoornis in alcohol gebruik (in remissie in een gereguleerde omgeving) en een ernstige stoornis in cannabis gebruik in vroege remissie. De onderzoeker beschrijft dat in zijn ogen de ADHD (verminderde impulsbeheersing, beperkte afweging van gedragsalternatieven) en de borderline persoonlijkheidsstoornis (inadequaat copingmechanisme bij stemmingsproblematiek) een rol hebben gespeeld bij de ten laste gelegde feiten. Het gebruik van alcohol heeft de impulscontrole verder verlaagd en het vermogen om gedragsalternatieven te overwegen doen afnemen. De onderzoeker schat de kans op gewelddadig gedrag op zowel de korte- als lange termijn in als hoog. Bij oplopende spanning is verdachte onvoldoende in staat om negatieve gevoelens te remmen of daar op adequate wijze mee om te gaan. De kans op recidive wordt verder verhoogd als verdachtes impulscontrole wordt verzwakt door het gebruik van middelen zoals alcohol. Abstinentie van middelen zal de beperkte impulscontrole niet verder verzwakken en daarmee de kans op recidive kunnen verkleinen. Gelet op de belangrijke rol van het alcoholgebruik verdient de behandeling van de verslavingsgevoeligheid de hoogste prioriteit. Het wordt geadviseerd verdachte te plaatsen op een Forensische Verslavings Kliniek (FVK) om zo recht te doen aan het belang van behandeling van de verslaving.

In soortgelijke bewoordingen komt de psychiater tot dezelfde conclusies en adviezen ten aanzien van de bij verdachte geconstateerde stoornissen, de verminderde toerekeningsvatbaarheid, het hoge recidiverisico en de behandeling van de alcoholverslaving in de vorm van een klinische opname.

Ook uit het advies van de reclassering blijkt dat het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. De reclassering acht een klinische behandeling in gedwongen kader geïndiceerd, vanwege de aanwezige middelen- en psychische problematiek in combinatie met eerdere mislukte trajecten. In de visie van de reclassering wordt verdachte idealiter aansluitend op zijn detentie opgenomen. De reclassering onderschrijft ten slotte het advies van het NIFP en kan zich vinden in de door hen omschreven interventies. Door de reclassering zijn daarom de volgende bijzondere voorwaarden geadviseerd: een meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname en het meewerken aan middelencontrole.

De rechtbank neemt voornoemde conclusies en adviezen over.

Uit het uittreksel van de justitiële documentatie volgt ten slotte dat verdachte wel eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, maar niet voor soortgelijke feiten. Dit speelt bij het bepalen van de hoogte van de straf daarom geen rol.

Strafoplegging

Voor het overtreden van artikel 282 Sr zijn geen LOVS-oriëntatiepunten. De rechtbank kijkt daarom naar straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, ook al geeft de rechtbank zich rekenschap van het feit dat de relevante feiten en omstandigheden in elke zaak uniek en soms lastig te vergelijken zijn. Daarop gelet en rekening houdend met de andere feiten en omstandigheden in de zaak is de rechtbank van oordeel dat enkel kan worden volstaan met oplegging van een straf die vrijheidsbeneming met zich brengt. Vanwege het hoge recidiverisico en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, zodat aan verdachte de geïndiceerde bijzondere voorwaarden kunnen worden opgelegd en verdachte een klinische behandeling krijgt.

De rechtbank overweegt dat zij de eis van de officier van justitie niet passend vindt, gelet op de ernst van het feit en de gevolgen voor de slachtoffers. De rechtbank houdt daarnaast rekening met het advies van de reclassering dat verdachte in het ideale scenario aansluitend op zijn detentie wordt opgenomen in de forensische verslavingskliniek. Ter zitting heeft de officier van justitie te kennen gegeven dat verdachte reeds is aangemeld voor opname in de Forensische verslavingskliniek Basalt te Almere en dat de wachttijd ongeveer drie maanden betreft.

De rechtbank komt, alles afwegende, tot de volgende strafoplegging: een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel koppelt de rechtbank de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname en het meewerken aan middelencontrole.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

9 BENADEELDE PARTIJEN

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vorderen schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit. [slachtoffer 1] vordert een bedrag van € 1.250,00, bestaande uit immateriële schade. [slachtoffer 2] vordert een bedrag van € 1.908,72, bestaande uit € 1.400,00 immateriële schade en € 508,72 materiële schade.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen geheel kunnen worden toegewezen, nu voldoende vaststaat dat de gevorderde schade is geleden als rechtstreeks gevolg van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, in geval de rechtbank komt tot een bewezenverklaring, de door de benadeelde partijen gevorderde bedragen aan immateriële schade kunnen worden toegewezen. Ten aanzien van de door [slachtoffer 2] gevorderde materiële schade heeft de raadsman aangevoerd dat het gevorderde bedrag aan schadevergoeding voor verlies aan arbeidsvermogen moet worden afgewezen. Deze schade had door de werkgever opgelost kunnen worden door de heer [slachtoffer 2] ziek te melden, waardoor hij een uitkering zou ontvangen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde rechtstreeks schade hebben geleden tot na te melden bedrag.

De immateriële schade

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partijen aanspraak maken op vergoeding van de immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Deze vergoeding kan worden toegekend indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van de aantasting ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde psychische schade heeft opgelopen. Om deze vergoeding toe te kennen is een causaal verband vereist tussen het ontstaan van de psychische schade en het gepleegde strafbare feit. De benadeelde dient daartoe een voldoende concrete onderbouwing aan te voeren, waaruit naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.

Benadeelden maken beide (deels) aanspraak op vergoeding van immateriële schade, omdat zij op andere wijze in hun persoon zijn aangetast en psychische gevolgen hebben ervaren. Uit vaste jurisprudentie volgt dat van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven niet alleen sprake is indien het gaat om een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, en evenmin is vereist dat het letsel door een psychiater of psycholoog vastgesteld.

De rechtbank is van oordeel dat uit de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelden, zoals volgt uit de toelichting in de vorderingen, blijkt dat er sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Benadeelden hebben immers een zeer beangstigende situatie meegemaakt doordat zij in een flatwoning samen zijn bedreigd en tijdelijk van hun vrijheid zijn beroofd. Hierdoor is op intimiderende wijze een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelden. De aard en ernst van deze normschending brengt met zich mee dat nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat ook zonder verdere onderbouwing sprake is van aantasting in de persoon.8

Benadeelde [slachtoffer 2] maakt daarnaast aanspraak op vergoeding van immateriële schade, omdat hij lichamelijk letsel heeft overgehouden aan het handelen van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat uit de onderbouwing van de vordering vast is komen te staan dat de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde, te weten een gekneusde onderkaak.

Bij de begroting van de vast te stellen vergoeding voor immateriële schade dient de rechtbank rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en de ernst van het letsel. Hierbij moet worden gekeken naar de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Op basis van al het voorgaande acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van na te noemen bedragen redelijk en billijk.

De rechtbank zal de vordering van [slachtoffer 1] toewijzen voor een bedrag van € 750,00. De gevorderde immateriële schade komt daarmee gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 12 juni 2021 tot de dag van volledige betaling. Voor het resterende deel van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank zal de vordering van [slachtoffer 2] toewijzen voor een bedrag van € 1.000,00. De gevorderde immateriële schade komt daarmee gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 12 juni 2021 tot de dag van volledige betaling. Voor het resterende deel van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.

De materiële schade

[slachtoffer 2] vordert daarnaast een bedrag van € 508,72 aan materiële schade. Dit bedrag bestaat uit de navolgende schadeposten:

- Verlies van arbeidsvermogen € 489,84

- Reiskosten € 18,88

De rechtbank overweegt als volgt. Beide schadeposten zijn voldoende onderbouwd. Uit de onderbouwing en uit het dossier is naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast komen te staan dat de geleden schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde. De rechtbank zal de gevorderde schade daarom volledig toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 12 juni 2021 tot de dag van volledige betaling.

10 VOORLOPIGE HECHTENIS

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het bevel tot voorlopige hechtenis kan worden opgeheven.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de voorlopige hechtenis dient te worden opgeheven, zodat verdachte naar huis kan en zijn woning kan behouden. Er is in de visie van de raadsman sprake van een situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 Sv, mede gelet op de eis van de officier van justitie. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat de voorlopige hechtenis dient te worden geschorst, waarbij schorsingsvoorwaarden kunnen worden gesteld (conform de voorwaarden als geformuleerd in het advies van de reclassering). Op die manier wordt verdachte in staat gesteld zijn huis te behouden.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat aan verdachte een grotendeels onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd voor het feit waarvoor hij in voorlopige hechtenis zit. Ondanks dat verdachte al geruime tijd in voorarrest zit, dient verdachte nog een deel gevangenisstraf te ondergaan. Gelet op de ernst van de feiten, de gevolgen voor de slachtoffers en het signaal dat van de straf moet uitgaan weegt het strafvorderlijk belang zwaarder dan het persoonlijk belang van verdachte om in vrijheid te worden gesteld, al dan niet in de vorm van een schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis. Er zijn geen bijzondere persoonlijke omstandigheden aangevoerd die het oordeel van de rechtbank anders maken. Het bevel tot voorlopige hechtenis zal daarom noch worden opgeheven noch worden geschorst.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 282 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twaalf maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van drie maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast;

Algemene voorwaarden

- als algemene voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

Bijzondere voorwaarden

- als bijzondere voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij de reclasseringsinstantie in de regio van klinische opname. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

* zich laat opnemen in een forensische zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Verdachte is aangemeld voor opname bij de Forensische verslavingskliniek de Basalt in Almere. De opname start zo snel mogelijk. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

* zich laat behandelen door een instantie voor forensische verslavingszorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start aansluitend op de klinische opname. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Bij een aanleiding die zich kan voordoen, bijvoorbeeld terugval in middelengebruik, overmatig middelengebruik of ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld ontstaat een grote kans op risicovolle situaties. Dan kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

* meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd.

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag van € 750,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2021 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 750,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2021 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 15 dagen gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag van € 1.508,72, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2021 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 1.508,72, te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2021 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 25 dagen gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.M. Druijf, voorzitter, mrs. J.G. van Ommeren en I. Jadib, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.M. Dijkstra griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 januari 2022. De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 12 juni 2021 te Utrecht, althans in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of

beroofd gehouden, door

- de (flat)woning (op de [nummer] verdieping) binnen te lopen en/of (dreigend) tegen die

[slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] te zeggen dat hij er niet voor terugdeinsde om iemand te

vermoorden en/of te zeggen: “jullie hebben geluk gehad dat ik er ben want als ik

mijn vrienden erbij haal liggen jullie zo in een lijkenzak beneden” en/of “als ik jullie

film en verkracht dan krijg ik daar geld voor” en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen/zeggen naar het balkon te lopen en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] aldaar te dwingen/zeggen over de reling van het balkon

te gaan hangen en/of

- die [slachtoffer 2] bij de nek vast te pakken en/of over de reling van het balkon naar

beneden te drukken en/of daarbij te zeggen dat hij die [slachtoffer 2] over de reling kon

gooien en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen/zeggen de woning weer in te gaan en/of

- tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te zeggen dat hij hen ging verkrachten en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen/zeggen dat zij tegen de muur moesten gaan

staan en/of daarbij te zeggen dat zij hun horloge(s) en/of telefoon(s) moesten

afstaan en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen/zeggen dat zij op hun knieën moesten gaan

zitten met hun gezicht tegen de muur en/of daarbij (dreigend) te zeggen dat hij een

pistool bij zich had en hen ging neerschieten en/of daarbij tegen het hoofd van die

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een (ijzeren) voorwerp te houden en/of

- die [slachtoffer 2] in zijn gezicht te slaan en/of

- die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] te dwingen/zeggen dat zij met hun gezicht naar de

muur moesten blijven zitten;

2

hij op of omstreeks 13 juni 2021 te Woerden, althans in Nederland, zijn levensgezel,

[slachtoffer 3] , heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] te slaan en/of de keel vast te

pakken en/of dicht te knijpen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van 14 juni 2021, 22 juni 2021 en 17 augustus 2021, genummerd PL0900-2021185572 en PL0900-2021185084, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 202. Tenzij anders vermeld, zijn deze processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een proces-verbaal van aangifte, pagina 15.

3 Een proces-verbaal van aangifte, pagina 16.

4 Een proces-verbaal van aangifte, pagina 17.

5 Een proces-verbaal van aangifte, pagina 19.

6 Een proces-verbaal van aangifte, pagina 20.

7 Een proces-verbaal ter terechtzitting van 23 december 2021.

8 HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.4.5, en HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2012.