Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2022:3653

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14-09-2022
Datum publicatie
14-09-2022
Zaaknummer
16.296836.21 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zijn broer doodgestoken. Ten tijde van het bewezenverklaarde was er bij verdachte sprake van een psychische stoornis in de vorm van schizofrenie. Verdachte wordt volledig ontoerekeningsvatbaar verklaard, en ontslagen van alle rechtsvervolging. Oplegging van de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege (ongemaximeerd).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16.296836.21 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 14 september 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1970] te [geboorteplaats] (Zuid-Korea),

thans gedetineerd in [verblijfplaats] ,

hierna: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 augustus 2022.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vorderingen en standpunten van officier van justitie mr. R.J.J.S. Visser en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. J.J. Lieftink, advocaat te Huizen, alsmede de deskundigen dr. J. Vreugdenhil, psychiater, en drs. M.H. Keppel, GZ-psycholoog, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt erop neer dat verdachte:

op 30 oktober 2021 in Naarden [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd door hem met een mes in de borst te steken.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onderdeel ‘met voorbedachten rade’. De officier van justitie acht de ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, nu uit de rapportages van de gedragsdeskundigen en hun toelichting op de terechtzitting blijkt dat de gedragskeuzes van verdachte ten tijde van het delict geheel werden ingegeven door zijn paranoïde wanen. Hieruit volgt dat het -voorwaardelijk- opzet op de dood van het slachtoffer niet kan worden bewezen, nu bij verdachte elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen heeft ontbroken.
Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat wettig en overtuigend bewijs voor het ten laste gelegde onderdeel ‘met voorbedachten rade’ ontbreekt, zodat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben in een proces-verbaal van bevindingen van 30 oktober 2021, onder meer het volgende gerelateerd:

Op zaterdag 30 oktober 2021 omstreeks 18.45 uur werden wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , opgeroepen door de centralist van het Operationeel Centrum met de volgende melding: Kunt u gaan naar de [adres] te [woonplaats] , aldaar zou een persoon genaamd [slachtoffer] wonen. Zijn broer [verdachte] heeft via twitter bekend gemaakt dat hij zijn broer [slachtoffer] vermoord zou hebben?

Op zaterdag 30 oktober 2021, om 19.02 uur waren wij verbalisanten ter plaatse. Verbalisant [verbalisant 2] klopte op de deur en daar deed een voor ons onbekende man de deur open. De onbekende man gaf aan te zijn: [verdachte] geboren op [1970] te [geboorteplaats] in Zuid-Korea. Ik verbalisant [verbalisant 1] hoorde [verdachte] zeggen dat hij zijn broer vermoord had. 2 (…)

Ik verbalisant [verbalisant 2] zag dat het slachtoffer in de slaapkamer op de vloer lag. Hij lag naast een matras. Het slachtoffer ademde niet. Zijn halsstreek was geheel rood gekleurd. 3 (…)

Uit een schriftelijk bescheid, te weten een pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood, opgemaakt door forensisch arts en forensisch patholoog D.J. Rijken, van 4 november 2021 blijkt het volgende:

Het overlijden van [slachtoffer] , 48 jaar oud, wordt verklaard door de gevolgen van vijf steekletsels in de borst. 4


Verdachte heeft ter terechtzitting van 31 augustus 2022 het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:

Ik heb mijn broer [slachtoffer] meerdere keren gestoken. Ik dacht hij moet dood. Ik raakte in paniek omdat hij niet dood ging; dat het te lang zou duren en hij zou lijden. Er ontstond een worsteling op het bed. Op het laatste moment zat ik geknield naast hem en duwde ik het mes in zijn hartstreek. Toen ik het eruit haalde gutste het bloed eruit.


Partiële vrijspraak: ‘voorbedachten rade’
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde onderdeel ‘met voorbedachten rade’ niet bewezen kan worden, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit wegens ontbreken van opzet aan de dood, omdat bij verdachte ten tijde van het tenlastegelegde zijn belevingswereld en zijn gedragskeuzes geheel werden overheerst door paranoïde wanen. Hierover oordeelt de rechtbank als volgt. De vaststelling dat verdachte, zoals hierna zal worden besproken, de vrijheid niet heeft gehad om zijn wil te bepalen en keuzes te maken, betekent nog niet dat ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan bij hem heeft ontbroken.5Uit de verklaringen van verdachte, onder andere ter terechtzitting, blijkt dat hem ten tijde van het delict duidelijk voor ogen stond wat hij met zijn handelen wilde bereiken: zijn broer moest dood. Dat hij handelde onder invloed van wanen, doet niet af aan de onmiskenbare doelgerichtheid van zijn actie. Er is dan ook geen sprake van de situatie dat de ernstige geestelijke stoornis bij verdachte aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 30 oktober 2021 te Naarden, gemeente Gooise Meren, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een mes voornoemde [slachtoffer] meermalen in de borststreek te steken ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

Doodslag

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE


Over verdachte is een Pro Justitia rapport van een triple onderzoek opgemaakt door M.H. Keppel, GZ-psycholoog, D. de Ruiter, forensisch milieuonderzoeker en J. Vreugdenhil, psychiater. Verdachte heeft aan de onderzoeken meegewerkt. De deskundigen hebben gezamenlijk conclusies geformuleerd. Ter terechtzitting zijn psychiater Vreugdenhil en psycholoog Keppel als deskundigen gehoord en zij hebben de inhoud van de rapportage bevestigd. Dit rapport houdt, voor zover hier van belang, zakelijk weergegeven, het volgende in.

Volgens de deskundigen is bij verdachte sprake van een psychische stoornis in de vorm van schizofrenie. Differentiaal diagnostisch wordt een schizoaffectieve stoornis overwogen. Verdachte lijdt aan een paranoïde waansysteem met denkstoornissen en heeft, voor zover na te gaan, continu de overtuiging dat door bewust handelen van anderen goede en slechte krachten invloed op hem uitoefenen. Er is geen goed zicht gekregen op het begin en het beloop van de stoornis, maar volgens de deskundigen staat vast dat de stoornis de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde heeft beïnvloed. In de weken voorafgaand aan het bewezenverklaarde leek verdachte in toenemende mate spanningen op te bouwen vanuit de psychotische stoornis. Het lijkt erop dat hij steeds meer met zijn broer is gaan vervloeien in een steeds beangstigender psychotische staat, waarbij beiden zouden hebben gewedijverd wie God was. Uit toenemend wantrouwen naar zijn broer heeft verdachte zich bewapend met een mes om zich te kunnen verdedigen. Toen zijn broer hem de deur wees, waardoor hij weer dakloos zou raken, werd hij zozeer overspoeld door psychotische desintegratieangsten dat hij geen andere oplossing zag dan zijn broer te doden. Hij voelde zich direct bedreigd door zijn broer, die hem zou kunnen doden, en van wie hij meende dat deze, met zijn kwade krachten, de wereld zou kunnen vernietigen.
De deskundigen komen tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van volledige doorwerking van de psychopathologie op de gedragskeuzes. Het advies is dan ook om het bewezenverklaarde in het geheel niet aan verdachte toe te rekenen.

Nu de conclusies van voornoemde deskundigen gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank de conclusies over en maakt die tot de hare. Zij stelt vast dat bij verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde feit een psychische stoornis bestond. Verdachte was geheel ontoerekeningsvatbaar. Dit betekent dat verdachte niet strafbaar is en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, overeenkomstig de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

8 OPLEGGING VAN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het bewezen geachte te veroordelen tot de maatregel van een klinische psychiatrische behandeling in een Forensisch Psychiatrisch Centrum in het kader van TBS met verpleging van overheidswege (hierna: de TBS-maatregel).

8.2

Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat oplegging van de TBS-maatregel niet aangewezen is. Weliswaar achten de deskundigen het recidivegevaar matig tot hoog op korte termijn en hoog op lange termijn, maar uit hun verklaringen ter terechtzitting is ook gebleken dat het delict in een heel specifieke context heeft plaatsgevonden – te weten opbouw van spanning doordat verdachte en zijn broer in elkaar zijn opgegaan. Nu een dergelijke context zich niet zomaar weer zal voordoen, en verdachte zijn leven overigens zonder geweld heeft doorgebracht, acht de raadsman het recidivegevaar lager dan de deskundigen. In plaats van de TBS-maatregel kan een zorgmachtiging toereikend zijn. De raadsman verzoekt de rechtbank de zaak aan te houden en de officier van justitie opdracht te geven tot het onderzoeken van een zorgmachtiging.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

|
Verdachte heeft zijn 48-jarige broer, bij wie hij enkele maanden had ingewoond, van het leven beroofd door met een mes in zijn borst te steken. Doodslag is een levensdelict en de ernst daarvan behoeft geen betoog. Het slachtoffer is het leven ontnomen en zijn laatste momenten moeten vol pijn en (doods)angst zijn geweest. Een dergelijk feit draagt daarnaast een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en veroorzaakt gevoelens van onrust, angst en onveiligheid in de samenleving.


Bij de beantwoording van de vraag of aan verdachte de TBS-maatregel moet worden opgelegd, stelt de rechtbank voorop dat de TBS-maatregel aan de orde kan zijn wanneer de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen dit vereist en andere, minder ingrijpende, maatregelen niet effectief zijn (geweest). Anders dan de raadsman vindt de rechtbank het opleggen daarvan wel noodzakelijk. Bij verdachte bestond tijdens het begaan van het feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten schizofrenie. En daarbij wordt door de deskundigen een schizoaffectieve stoornis overwogen. Er is sprake van een misdrijf, genoemd in artikel 37a Wetboek van Strafrecht, en de algemene veiligheid van personen eist het opleggen van de TBS-maatregel. Over het gevaar, de kans op herhaling van (ernstig) gewelddadig gedrag en de noodzaak van TBS-maatregel concluderen de psycholoog en psychiater het volgende, zakelijk weergegeven:

Op grond van het huidige onderzoek kan worden gesteld dat de kans op herhaling van een feit als het onderhavige, in klinische zin hoog kan worden geacht. Bij verdachte is er sprake van een langer bestaande psychotische stoornis, vermoedelijk schizofrenie, met een uitgekristalliseerd waansysteem en daarmee samenhangende ernstige oordeels- en kritiekstoornissen, gedesorganiseerd denken en handelen en psychosociale deterioratie. Verdachte heeft zijn broer gedood vanuit de psychotische stoornis. Hij is nog altijd lijdende aan een floride waansysteem. Er zijn aanwijzingen dat het waansysteem van verdachte zich kan uitbreiden naar anderen. Verdachte heeft geen ziektebesef en -inzicht en heeft naar zijn zeggen geen behandeling nodig. Hij wil vooralsnog geen passende medicatie gebruiken. Dit alles maakt dat de stoornis moeilijk te beïnvloeden zal zijn.

Het recidivegevaar kan worden beperkt door een adequate behandeling van de psychotische stoornis, onder meer met anti psychotische medicatie, mits verdachte daarvoor te motiveren is. Gezien de aard en ernst van de psychotische stoornis heeft verdachte een prikkelarme, sterk gestructureerde en beveiligde, stabiele behandelomgeving nodig.

Gezien de aard en ernst van de stoornis en de manier waarop verdachte tegenover

behandeling staat (verdachte meent niet psychotisch te zijn en staat afwijzend

tegenover medicatie), wordt verwacht dat de benodigde behandeling lang zal duren. Om

deze redenen achten de deskundigen een zorgmachtiging of een TBS met voorwaarden niet

toepasbaar. Vanwege het maatschappelijk gevaar, het ontbreken van ziektebesef en -inzicht en het aldus ook ontbreken van motivatie voor een passende behandeling bij verdachte, wordt geadviseerd om hem een klinische psychiatrische behandeling in een Forensisch

Psychiatrisch Centrum (FPC) op te leggen in het kader van een TBS-maatregel met dwangverpleging, waarbij – afhankelijk van de voortgang van de behandeling - toegewerkt kan worden naar resocialisatie. Van belang is dan dat het nazorgtraject goed geborgd is: verdachte heeft een beperkt pro-sociaal steunnetwerk dat zijn psychotische opvattingen niet

bekrachtigt en is het nog niet in te schatten in hoeverre betrokkene na een succesvolle

behandeling met ook medicatietrouw voldoende in staat zal zijn om zelfstandig te

functioneren.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op een advies van Reclassering Nederland van 16 mei 2022 opgemaakt door M. te Velde, reclasseringswerker, waarin de conclusies uit de triple rapportage worden onderschreven.
De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt die tot de hare. Naar het oordeel van de rechtbank eist de veiligheid van anderen dat aan verdachte de TBS-maatregel met bevel tot dwangverpleging wordt opgelegd.

Vastgesteld wordt dat het strafbare feit ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. De totale duur van de maatregel is daarom niet in tijd beperkt.

Het voorwaardelijke verzoek van de raadsman om een zorgmachtiging te onderzoeken, wordt afgewezen. Uit voornoemde Pro Justitia-rapporten is gebleken dat een behandeling door middel van een zorgmachtiging wel is overwogen, maar dat het gelet op de aard en de ernst van de stoornis, alsmede het gebrek aan ziekte-inzicht en motivatie voor behandeling tekort zal schieten. Een langdurige behandeling is vereist.

9 BESLAG

De rechtbank is van oordeel dat het Samsung telefoontoestel (PL0900-2021344801-G2898367) en de iPhone moeten worden teruggegeven aan verdachte, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

De rechtbank is van oordeel dat het Samsung telefoontoestel met oplader (PL0900-2021344801-G2898629) en de laptop merk Alienware moeten worden teruggegeven aan de rechthebbenden, te weten de erfgenamen van [slachtoffer] , nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 37a, 37b, 39 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het impliciet primair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring
- verklaart het impliciet subsidiair tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

Oplegging maatregel

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd;

- bepaalt dat de totale duur van de TBS-maatregel niet is gemaximeerd;

Beslag

- gelast de teruggaveaan verdachte van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven Samsung telefoontoestel (PL0900-2021344801-G2898367) en de iPhone.
- gelast de teruggave aan de rechthebbenden, te weten de erfgenamen van [slachtoffer] , van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven Samsung telefoontoestel met oplader (PL0900-2021344801-G2898629) en de laptop merk Alienware.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.B.W. Beekman, voorzitter, en mrs. A.W.M. van Hoof en V.A. Groeneveld, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 september 2022.

Mrs. V.A. Groeneveld en B.T. Feenstra zijn buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 oktober 2021 te Naarden, gemeente Gooise Meren, in ieder geval in Nederland,

[slachtoffer] opzettelijk al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door

met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, in de borst(streek), althans het (boven)lichaam, te steken en/of te prikken en/of te snijden ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlage opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 2 november 2021, genaamd 14Jack, genummerd PL0900-2021344801, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd blz. 1 t/m 295, dan wel als bijlagen bij het Forensisch dossier 14Jack, genummerd PL0900-2021344801, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd blz. 1 t/m 166. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 6.

3 Pagina 7.

4 Forensisch dossier, blz. 75.

5 Hoge Raad 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2775.