Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2022:34

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-01-2022
Datum publicatie
10-01-2022
Zaaknummer
16/156777-21 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een gewapende overval op een juwelier. De overval is gepleegd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Daarmee heeft verdachte een voor het slachtoffer zeer beangstigende situatie gecreëerd. De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest. Aan het voorwaardelijk gedeelte van de straf verbindt de rechtbank de voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/156777-21 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 10 januari 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [2001] te [geboorteplaats] (Pakistan),

wonende aan de [adres] in [woonplaats] ,
thans gedetineerd in de P.I. Lelystad.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 4 oktober 2021 en 20 december 2021. Het onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 10 januari 2022 waarna de rechtbank meteen uitspraak heeft gedaan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. R.E. Craenen en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. F.D.W. Siccama, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, alsmede mr. J.C. Hesen, advocaat te Utrecht namens de benadeelde partij, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De officier van justitie verdenkt verdachte ervan dat hij betrokken is geweest bij een strafbaar feit. De verdenking staat beschreven in de tenlastelegging, die als bijlage is opgenomen in dit vonnis.

Kort gezegd verdenkt de officier van justitie verdachte ervan dat hij op 13 februari 2020 een gewapende overval heeft gepleegd op de juwelierswinkel van [slachtoffer] in [vestigingsplaats] .

3 VOORVRAGEN

Voordat de rechtbank een inhoudelijke beslissing kan nemen in de zaak tegen verdachte, moet zij eerst kijken of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag verdachte vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de overval op de winkel van mevrouw [slachtoffer] heeft gepleegd. Dit blijkt volgens de officier van justitie uit de bekennende verklaring van verdachte, tezamen met onder meer de aangifte, het aantreffen van dna van verdachte op het namaakwapen dat op straat is gevonden en het aantreffen van (een gedeelte van) de buit in de woning van verdachte.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend.

De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 20 december 20211;

- het proces-verbaal van aangifte door mevrouw [slachtoffer]2.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 13 februari 2020 te [vestigingsplaats] meerdere sieraden die geheel of ten dele aan [slachtoffer] en/of [winkel] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken door een

op een pistool gelijkend voorwerp op die [slachtoffer] te richten en aan die [slachtoffer] te

tonen en daarbij de woorden "Geef al dat goud, geef al dat goud" toe te voegen;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie merkt op dat het handelen van verdachte ernstige psychische klachten bij het slachtoffer heeft veroorzaakt. Zo is het slachtoffer, meer dan anderhalf jaar later, nog steeds niet in staat om haar werk op een normale manier uit te voeren. De officier van justitie neemt het verdachte kwalijk dat hij door zijn handelen niet alleen bij het slachtoffer, maar ook in de maatschappij gevoelens van onveiligheid heeft aangewakkerd. Verdachte heeft uitsluitend oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. Daarnaast weegt de officier van justitie in strafverzwarende zin mee dat de weggenomen sieraden een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen. De officier van justitie ziet echter ook dat verdachte ten tijde van het feit net 18 jaar oud was. De jonge leeftijd van verdachte, in combinatie met zijn bekennende verklaring en het feit dat sprake is van toepassing van artikel 63 Wetboek van Strafrecht, weegt de officier van justitie in strafverminderende zin mee. Desalniettemin kan – volgens de officier van justitie – gelet op de aard en de ernst van het feit, niet worden volstaan met aan andere strafmodaliteit dan een gevangenisstraf.

De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie merkt op dat verdachte in zijn gesprek met de reclassering – en ter terechtzitting – geen volledige openheid van zaken lijkt te willen geven over zijn justitiële voorgeschiedenis en de mensen waarmee hij omgaat. Om deze reden ziet de officier van justitie geen meerwaarde in het opleggen van een voorwaardelijk strafgedeelte.

8.2

Het standpunt van de verdediging

Primair verzoekt de verdediging om, gelet op de jeugdige leeftijd en het feit dat verdachte thuiswonend is, verdachte via het adolescentenstrafrecht te berechten. Subsidiair verzoekt de verdediging om een straf op te leggen waarvan een groot gedeelte in voorwaardelijke vorm is.

In dit kader is volgens de verdediging relevant dat verdachte geen relevante justitiële voorgeschiedenis heeft, een bekennende verklaring heeft afgelegd en zich in juni 2020 zelf bij de politie heeft gemeld voor onderhavige zaak. Verdachte heeft zo laten blijken verantwoordelijkheid te nemen voor zijn daden, aldus de verdediging. Verdachte verdient daarom een kans om met de reclassering aan de slag te gaan, te meer nu hij deze kans nooit eerder heeft gekregen. Tot slot merkt de verdediging op dat artikel 63 Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de strafbare feiten, de omstandigheden waaronder verdachte die feiten heeft gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest. Aan het voorwaardelijk gedeelte van de straf verbindt de rechtbank de voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. Hieronder legt de rechtbank verder uit hoe zij deze straf heeft bepaald.

8.3.1.

De ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een gewapende overval op een juwelier. De overval is gepleegd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Daarmee heeft verdachte een voor het slachtoffer zeer beangstigende situatie gecreëerd. Het slachtoffer moet door het handelen van verdachte doodsangsten hebben uitgestaan. Door aldus te handelen heeft verdachte ervan blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor de lichamelijke integriteit en de eigendommen van het slachtoffer. Daarbij heeft de verdachte met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op het gevoel van veiligheid dat het slachtoffer in haar eigen zaak zou moeten hebben. Feiten van deze aard veroorzaken doorgaans niet alleen financiële schade, maar ook psychische schade. Zoals blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring die ter zitting is voorgelezen, ondervindt het slachtoffer ernstige psychische klachten als gevolg van de overval, waarvoor zij professionele hulp heeft moeten inschakelen. Het is een feit van algemene bekendheid dat deze psychische klachten bij een dergelijk misdrijf nog lang kunnen blijven voortduren. Verdachte heeft hier geen oog voor gehad, maar slechts gehandeld uit eigen financieel gewin. Hij is daarbij berekenend te werk gegaan. Om de overval voor te bereiden, heeft hij enige dagen daarvoor een wapen gekocht en overgespoten. Hij heeft voldoende tijd gehad om zich op zijn daad te bezinnen, maar heeft de overval desondanks toch uitgevoerd. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.

8.3.2.

De persoonlijke omstandigheden van verdachte

Strafblad

Uit de justitiële documentatie van verdachte van 25 augustus 2021 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke (vermogens)feiten. Dat heeft geen effect op de omvang van de te bepalen straf. Ter zitting is gebleken dat verdachte op 30 september 2021 is veroordeeld voor een feit dat na het onderhavige feit is gepleegd, zodat artikel 63 Wetboek van Strafrecht van toepassing. De rechtbank zal hier rekening mee houden.

Advies van de reclassering

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 16 december 2021, opgesteld door T. Verdaasdonk, werkzaam als reclasseringswerker.

De reclassering schat de kans op herhaling van strafbare feiten in als gemiddeld. Als risicofactor noemt de reclassering onder meer een negatief sociaal netwerk. Zo vindt de reclassering het zorgelijk dat verdachte familie en vrienden heeft met justitiecontacten. Daarnaast benoemt de reclassering de financiële situatie van verdachte – geen inkomen, wel schulden –, zijn psychosociaal functioneren en zijn wisselende proceshouding als risicofactoren. Ondanks de bekennende verklaring van verdachte en de door hem (vooralsnog) getoonde bereidwilligheid tot het meewerken aan de bijzondere voorwaarden, heeft de reclassering haar twijfels over deze wisselende proceshouding. Zo draait verdachte meermaals om vragen van de rapporteur heen en lijkt hij niet volledige openheid van zaken te willen geven. De reclassering vraagt zich daarom af of verdachte zich daadwerkelijk verantwoordelijk voelt voor zijn delict gedrag. Niettemin vindt de reclassering dat verdachte een kans verdient om zich binnen een reclasseringstraject te gaan bewijzen. Voornoemde omstandigheden vormen voor de reclassering aanleiding tot het adviseren van een aantal bijzondere voorwaarden.

De reclassering ziet bij verdachte geen redenen om af te wijken van het commune strafrecht en het adolescentenstrafrecht toe te passen.

Zo zijn er geen aanwijzingen voor cognitieve beperkingen en komt verdachte niet jonger over dan zijn leeftijd. Hij wordt daardoor in staat geacht om de gevolgen van zijn handelen te overzien. De reclassering adviseert de rechtbank – volgens het commune strafrecht – aan verdachte een straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden:

  • -

    een meldplicht bij reclassering;

  • -

    locatieverbod (zonder elektronische monitoring);

  • -

    meewerken aan schuldhulpverlening;

  • -

    dagbesteding;

  • -

    netwerkanalyse.

8.3.3.

Conclusie

Adolescentenstrafrecht

Verdachte was ten tijde van het plegen van het feit achttien jaar oud en dus meerderjarig. Op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog onder de 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, die daartoe aanleiding geven (artikel 77c Wetboek van Strafrecht). Van zulk soort omstandigheden is niet gebleken waardoor de rechtbank, in lijn met het advies van de reclassering, geen aanleiding ziet tot toepassing van het adolescentenstrafrecht.

De straf

Gelet op de aard en ernst van de feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank heeft bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De oriëntatiepunten die rechters gebruiken bij de straftoemeting (LOVS) gaan voor een overval op een winkel uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar. De rechtbank weegt in dit kader als strafverzwarende omstandigheid mee dat verdachte een grote hoeveelheid sieraden heeft weggenomen die een aanzienlijke waarde vertegenwoordigt. Tegelijkertijd houdt de rechtbank, in aanzienlijke mate, rekening met de jonge leeftijd van verdachte ten tijde van de overval. Verdachte was net twee maanden meerderjarig. Ook neemt de rechtbank in strafverminderende zin mee dat verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter terechtzitting spijt heeft betuigd. De rechtbank ziet dat verdachte kampt met problemen op verschillende leefgebieden en ziet daarom reden in de persoonlijke omstandigheden van verdachte om een flink deel van de vrijheidsbenemende straf voorwaardelijk op te leggen. Dit voorwaardelijke deel dient als stok achter de deur en biedt verdachte de kans om samen met de reclassering aan de slag te gaan om zijn leven te verbeteren. De rechtbank houdt er bij het opleggen van de straf ook rekening mee dat verdachte na het plegen van de bewezenverklaarde feiten nog veroordeeld is. De rechtbank heeft de voorschriften toegepast die gelden voor de situatie waarin verdachte een straf zou zijn opgelegd voor alle feiten tegelijk (artikel 63 Wetboek van Strafrecht).

Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Aan het voorwaardelijk gedeelte van de straf verbindt de rechtbank de voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. De rechtbank merkt in dit kader op dat het van belang is dat verdachte aan de reclassering openheid van zaken geeft over zijn (criminele) contacten.

9 BESLAG

9.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert teruggave aan de rechthebbende van de 3 plastic zakjes. Ten aanzien van het overige beslag heeft de officier van justitie geen standpunt ingenomen.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

Op de beslaglijst staan als inbeslaggenomen voorwerpen waarover de rechtbank een beslissing dient te nemen, vermeld:

  1. 3 STK Plasticzakje

  2. 1 STK Wapen

De rechtbank zal de 3 plastic zakjes verbeurd verklaren nu het bewezenverklaarde feit met behulp van die zakjes is begaan.

De rechtbank onttrekt het pistool aan het verkeer nu het bewezenverklaarde feit met behulp van dit voorwerp is begaan en voorbereid en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

10 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van

€ 13.990,13. Dit bedrag bestaat uit € 10.490,13 aan materiële schade en € 3.500,- aan immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. Daarnaast heeft de benadeelde partij € 1.160,60 aan proceskosten gevorderd.

De materiële schade is opgebouwd uit de volgende posten:

  • -

    Waarde weggenomen goederen € 20.330,-

  • -

    Zorgkosten 2020 € 435,89

  • -

    Zorgkosten 2021 € 179, 36

Van de materiële schade is een bedrag van € 10.455,02 afgetrokken wegens reeds – door de verzekering – vergoede schade.

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om de materiële schade toe te wijzen tot een bedrag van € 13.374,88 en om het overige gedeelte van de materiële schade (de zorgkosten) niet-ontvankelijk te verklaren wegens onvoldoende onderbouwing. Voor wat betreft de immateriële schade acht de officier van justitie – gelet op vergelijkbare gevallen – een bedrag van € 2.500,- redelijk. De proceskosten kunnen worden toegewezen conform het liquidatietarief, aldus de officier van justitie. Voor het toegewezen bedrag vordert de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging merkt primair op dat de waarde van de weggenomen goederen onvoldoende onderbouwd is waardoor dit gedeelte van de vordering in het geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het document waarin de waarde van de weggenomen goederen wordt vastgesteld is gedateerd. Onvoldoende duidelijk is of het vastgestelde schadebedrag daadwerkelijk de waarde van de weggenomen buit vertegenwoordigt, aldus de verdediging. Subsidiair verzoekt de verdediging om dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren vanwege een onevenredige belasting van het strafproces. Ten aanzien van de zorgkosten, de gevorderde immateriële schade en de toepassing van het liquidatietarief sluit de verdediging zich aan bij het standpunt van de officier van justitie.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 6:106, eerste lid en onder b, van het Burgerlijk Wetboek, heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit op andere wijze in haar persoon is aangetast. Hiervan is in ieder geval sprake als zij geestelijk letsel heeft opgelopen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij voldoende onderbouwd dat zij door de overval geestelijk letsel heeft opgelopen. In lijn met het standpunt van de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank een bedrag van € 2.500,- aan immateriële schade in elk geval toewijsbaar. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering voor immateriële schade.

Ten aanzien van de gevorderde materiële schade overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank wijst vergoeding van de – in het zorgoverzicht – opgevoerde kosten voor psychologische zorg voor een bedrag van € 86,97 toe, nu deze kosten rechtstreeks voortvloeien uit het bewezenverklaarde. Voor het overige zal de rechtbank de zorgkosten niet-ontvankelijk verklaren nu de benodigde nadere onderbouwing dat deze kosten het gevolg zijn van de overval een onevenredige belasting van het strafproces zal opleveren (artikel 361 lid 3 Wetboek van Strafvordering). Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank zal de schade van de weggenomen goederen tot een bedrag van € 9.874,98 toewijzen. Dit betreft de som van de waarde van de weggenomen goederen minus het reeds uitgekeerde bedrag van de verzekering. In dit kader merkt de rechtbank op dat uit het dossier blijkt dat de waarde van de teruggevonden sieraden wegens zware beschadiging nihil kan worden geacht. De materiële schade zal dus inclusief de toegewezen zorgkosten voor een totaalbedrag van € 9.961,95 worden toegewezen.

Als de in het ongelijk gestelde partij, zal de rechtbank verdachte veroordelen tot vergoeding van de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten Deze worden begroot aan de hand van het liquidatietarief kanton (€ 373,- per punt). De rechtbank zal een bedrag van € 746,- aan proceskosten toewijzen.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat een gedeelte van 6 maanden van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast;

- als voorwaarden gelden dat veroordeelde:

o zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

o ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

o medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

- stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

o zich binnen drie dagen na zijn vrijlating meldt bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2 (3524 SJ) in Utrecht. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

o zich niet bevindt binnen een straal van 100 meter van het adres [adres] in [woonplaats] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;

o meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijk Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

o zich inzet voor het verkrijgen en behouden van een dagbesteding, in de vorm van scholing en/of arbeid. Indien geïndiceerd door de toezichthouder verleent hij medewerking aan arbeidstoeleiding;

o zijn medewerking toont bij het maken van een netwerkanalyse.

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

Beslag

- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:

 G2805652 – 3 STK Plasticzakje;

- verklaart het voorwerp onttrokken aan het verkeer:

 G2582148 - 1 STK Wapen, naboots vuurwapen, kleur: Zwart.

Benadeelde partij

- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 12.461,95;

- veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] ;

  • -

    verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 746,-;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 12.461,95 te betalen, bij niet betaling aan te vullen met 97 dagen gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Dit vonnis is gewezen door mr. C. van de Lustgraaf, voorzitter, mrs. N.M. Spelt en S.M. Schothorst, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Chanier, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 januari 2022.

Mr. N.M. Spelt is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 13 februari 2020 te [vestigingsplaats] meerdere (gouden) ringen althans meerdere sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] en/of [winkel] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te

maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door een pistool althans een op een pistool gelijkend voorwerp op die [slachtoffer] te richten en/of aan die [slachtoffer] te tonen en daarbij/vervolgens de woorden "Geef al dat goud, geef al dat goud" althans woorden van geljkende dreigende aard of strekking toe te voegen;

(art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

1 Proces-verbaal van onderzoek ter terechtzitting.

2 Proces-verbaal van aangifte van 13 februari 2020, genummerd PL0900-2020046275-1, politie Midden-Nederland, district Oost-Utrecht, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , p. 38-59.