Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2022:3362

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-08-2022
Datum publicatie
26-08-2022
Zaaknummer
16.034858.22 (P)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor brandstichting in een woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16.034858.22 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 26 augustus 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1968] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
nu gedetineerd in [verblijfplaats] ,

hierna: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De rechtszaak tegen verdachte heeft in het openbaar plaatsgevonden op de zittingen van 18 mei 2022, 20 juni 2022 en 12 augustus 2022. Op 12 augustus 2022 is de zaak inhoudelijk behandeld. Verdachte was bij de inhoudelijke behandeling aanwezig, waardoor juridisch gezien sprake is van een vonnis op tegenspraak.

De rechtbank heeft tijdens de zitting gesproken met en geluisterd naar de standpunten van verdachte, haar advocaat mr. F. Ilahibaks, advocaat te Utrecht, en de officier van justitie mr. L.H. van der Veldt. Reclasseringswerker [A] van [instelling] heeft via een videoverbinding ter zitting antwoord gegeven op vragen van de rechtbank, de officier van justitie en de verdediging.

2 TENLASTELEGGING

De officier van justitie verdenkt verdachte van betrokkenheid bij een strafbaar feit. Deze verdenking staat beschreven in de tenlastelegging, die als bijlage is gehecht aan dit vonnis.

Kort gezegd verdenkt de officier van justitie verdachte ervan dat zij op 10 februari 2022 brand heeft gesticht in haar woning waardoor gevaar voor goederen en/of levensgevaar te duchten was.

3 VOORVRAGEN

Voordat de rechtbank een inhoudelijke beslissing kan nemen in de zaak tegen verdachte, moet zij eerst kijken of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag verdachte vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De advocaat vindt dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, omdat zij haar huis niet opzettelijk in brand heeft gestoken. Zij wilde namelijk alleen het puntje van haar kussensloop in brand steken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelt dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank komt tot dit oordeel op basis van de volgende redengevende feiten en omstandigheden.1

De politie heeft de woning van verdachte onderzocht. In het proces-verbaal daarover staat het volgende:

“Op donderdag 10 februari 2022 (…) kwamen wij, naar aanleiding van een brandstichting, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres] , [postcode] [plaats] .

(…)

- omstreeks 05.30 uur kwam opnieuw een melding van een woning brand

(…)
- brand was bij aankomst uitslaand op de eerste etage, achterzijde
- op de eerste etage werd een hevige brandhaard gezien op de achterkamer tegen de rechter zijmuur waar het bed had gestaan.

De woning betrof een tussenwoning.2

(…)

Wij zagen dat:

- de slaapkamer achter nagenoeg geheel was uitgebrand
- de overloop geheel was uitgebrand
- de zolder etage geheel was uitgebrand en ook het dak grotendeels was weggebrand.

- er rookdoorslag geweest naar het links naast gelegen woning.3

Op de zitting heeft verdachte – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

“Het klopt dat ik in de nacht van 10 februari 2022 brand heb gesticht in mijn woning. Ik heb met een aansteker het puntje van een kussensloop aangestoken. Toen ik wegging zag ik vlammen.”

Interpretatie van de bewijsmiddelen

De advocaat heeft erop gewezen dat verdachte door haar psychische toestand geen opzet kan hebben gehad op de brandstichting. De rechtbank stelt in dat kader voorop dat, gelet op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, van het ontbreken van opzet om die reden enkel sprake is wanneer ieder inzicht in de draagwijdte van verdachtes gedragingen en de mogelijke gevolgen heeft ontbroken. Daarvan is slechts bij hoge uitzondering sprake. Niet is gebleken dat dat in deze zaak het geval is geweest.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door een kussensloop in brand te steken en dat brandend op bed achter te laten, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat daarmee de spullen die in de buurt lagen en vervolgens haar huis in brand zouden vliegen. Daarmee heeft verdachte ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat gevaar zou ontstaan voor de omliggende woningen en de personen in die woningen. Aangezien het huis van verdachte een tussenwoning is en de brand is gesticht op een tijdstip waarop de kans zeer groot was dat minstens een deel van de bewoners van de omliggende woningen thuis was en lag te slapen, is de rechtbank van oordeel dat naar algemene ervaringsregels levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezigen in de omliggende woningen voorzienbaar was.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 10 februari 2022 te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht in een (tussen)woning (gelegen aan [straat] ) door open vuur in aanraking te brengen met een kussensloop, ten gevolge waarvan brand is ontstaan en daarvan gemeen gevaar voor de omliggende woningen, de inventaris van die omliggende woningen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in die omliggende woningen aanwezige personen te duchten was.

Verdachte wordt vrijgesproken van alles wat meer of anders ten laste is gelegd dan wat hierboven is bewezen. De rechtbank heeft taal- en spelfouten uit de tenlastelegging in de bewezenverklaring verbeterd. Dat is niet nadelig voor verdachte.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat verdachte een zeer ernstig feit heeft gepleegd. De officier

van justitie vindt ook belangrijk dat verdachte hulp krijgt. Het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met voorwaarden vindt zij op dit moment

nog een stap te ver.

De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van

36 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Aan de

voorwaardelijke straf moeten volgens de officier van justitie de voorwaarden worden

gekoppeld die de reclassering heeft geadviseerd, met uitzondering van de time-out. De

voorwaarde van opname in een zorginstelling mag wat de officier van justitie betreft

maximaal 12 maanden duren en kan plaatsvinden in een FPA (forensisch psychiatrische

afdeling) of FVK (forensische verslavingskliniek). De officier van justitie vindt dat die

voorwaarden dadelijk uitvoerbaar moeten worden verklaard. De officier van justitie vordert

tot slot dat aan verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel wordt

opgelegd.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt om een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest. Hij verzoekt nadrukkelijk om geen TBS-maatregel met voorwaarden aan verdachte op te leggen. De verdediging verzet zich niet tegen de oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij het bepalen van een passende straf rekening gehouden met de ernst van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder verdachte dat feit heeft gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf van 24 maanden opleggen, waarvan 16 maanden voorwaardelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij deze straf heeft bepaald.

8.3.1

De ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd

Verdachte heeft in de vroege ochtend brand gesticht in haar eigen woning, een tussenwoning, waardoor een forse brand is ontstaan. Verdachte heeft daarmee een zeer gevaarlijke situatie veroorzaakt voor haar buren. Bovendien had verdachte dezelfde nacht al eerder de brandweer moeten bellen, omdat haar matras in brand stond. Hoewel verdachte heeft ontkend dat zij deze brand heeft gesticht, bevat het dossier hier wel sterke aanwijzingen voor. Verdachte had hoe dan ook gewaarschuwd moeten zijn. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat zij desondanks (opnieuw) brand heeft gesticht.

Bij de ernst van het feit vindt de rechtbank in beginsel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.

8.3.2

De persoonlijke omstandigheden van verdachte

Strafblad

Uit het strafblad (de ‘justitiële documentatie’) van verdachte blijkt dat zij eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. Omdat die feiten niet vergelijkbaar zijn met de feiten waar verdachte nu voor wordt veroordeeld, heeft dat geen invloed op het bepalen van de straf.

Advies van de reclassering

Verdachte heeft gesprekken gevoerd met mevrouw [B] van [instelling] . [B] heeft een rapport over verdachte geschreven.

De reclassering schat de kans op herhaling van strafbare feiten in als gemiddeld. Het risico op onttrekking aan opgelegde voorwaarden is volgens de reclassering hoog.

Volgens de reclassering is een langdurig gedwongen kader nodig om de verslavings- en persoonlijkheidsproblematiek van verdachte te behandelen. Verdachte is verschillende keren behandeld binnen de reguliere GGZ, maar door de zorgmijdende houding van verdachte heeft dat onvoldoende tot gedragsverandering geleid. De reclassering vindt dat een regulier reclasseringstoezicht onvoldoende mogelijkheden biedt om verdachte te begeleiden. De reclassering adviseert daarom om aan verdachte de maatregel TBS met voorwaarden op te leggen. De oplegging van die maatregel is wat de reclassering betreft noodzakelijk, omdat de problematiek van verdachte al jaren lang aanwezig is. In het kader van de TBS-maatregel zal verdachte in beeld blijven bij de hulpverlening, ook als zij zich zorgmijdend opstelt, en niet onbehandeld terugkeren in de samenleving. Bovendien kan verdachte, wanneer zij op zichzelf buiten een kliniek woont, bij deze maatregel worden teruggeplaatst in een kliniek als blijkt dat dat nodig is. Verder zijn er binnen de tbs-maatregel meer mogelijkheden om betrokkene te ondersteunen en heeft de maatregel een langere looptijd waardoor betrokkene langere tijd terug kan vallen op de ondersteuning van de reclassering.

De reclassering adviseert de dadelijke uitvoerbaarheid van de TBS met voorwaarden en de oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.

Op de zitting heeft [A] , namens [instelling] , het rapport verder toegelicht.

Advies van de psychiater en de psycholoog

Verdachte heeft ook gesprekken gevoerd met een psychiater, [C] , en een psycholoog, [D] . De psychiater en psycholoog hebben een rapport over verdachte geschreven.

Kenmerkend voor verdachte zijn volgens de psycholoog de stemmingswisselingen, somberheid, instabiele relaties, suïcidale gedachten, emotieregulatieproblemen en beperkte stressregulatie, waarbij zij negatieve gevoelens probeert te dempen door middelen te gebruiken. Verdachte heeft weinig vertrouwen in hulpverlening en in haar eigen mogelijkheden om te veranderen. Volgens de psychiater en psycholoog lijdt verdachte aan een borderlinestoornis en aan een stoornis in het gebruik van middelen (alcohol, cannabis en slaapmedicatie), die ook aanwezig waren ten tijde van de brandstichting. De psychiater en psycholoog adviseren de brandstichting in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Dat betekent dat verdachte volgens de psychiater en psycholoog niet volledig verantwoordelijk is voor wat zij heeft gedaan. De psychiater en psycholoog schatten de kans op herhaling van strafbare feiten met gevaar voor anderen in als matig als verdachte niet wordt behandeld.

De psychiater en psycholoog vinden het belangrijk dat verdachte wordt behandeld voor haar stoornissen. Volgens de psychiater zou een FPA (forensisch psychiatrische afdeling) of een FVK (forensische verslavingskliniek) hiervoor een geschikte plek zijn. De behandeling kan volgens de psychiater en psycholoog het beste worden opgelegd als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel. In reactie op het advies van de reclassering heeft de psychiater haar standpunt gehandhaafd. Zij vindt dat alleen als verdachte geen motivatie toont voor de behandeling als onderdeel

van een voorwaardelijke straf of als de mogelijkheden voor een voorwaardelijk strafdeel

als zeer beperkt worden ingeschat, een tbs met voorwaarden kan worden overwogen. De psycholoog heeft in reactie op het reclasseringsrapport laten weten dat zij TBS met voorwaarden op dit moment een stap te ver vindt. Verdachte is weliswaar eerder behandeld, maar altijd in een vrijwillig kader. Langdurige en intensieve hulpverlening is ook mogelijk in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. Een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel wordt wel als passende aanvulling gezien door beide deskundigen.

8.3.3

Conclusie

De rechtbank vindt bij de ernst van het feit een gevangenisstraf van 24 maanden passend. Gelet op het oordeel van de psychiater en psycholoog over de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en het belang van hulpverlening, zal de rechtbank een groot gedeelte van die straf, namelijk 16 maanden, voorwaardelijk opleggen. Aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf verbindt de rechtbank de voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd, met uitzondering van de time-out (gelet op ECLI:NL:HR:2022:1027) en het meewerken aan schuldhulpverlening. Niet is gebleken dat het opleggen van schuldhulpverlening nodig is. Verdachte heeft – zo is gebleken op de zitting – al een bewindvoerder en er bestaat ook geen verband tussen eventuele schulden en het bewezenverklaarde feit. De voorwaarde van de opname in een zorginstelling zal de rechtbank voor maximaal 12 maanden opleggen. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling, maar de medicatie die verdachte nu al gebruikt zal alleen worden veranderd als blijkt dat dat nodig is. Omdat de deskundigen vinden dat een langdurig kader nodig is om verdachte te behandelen en te begeleiden zal de rechtbank een proeftijd van drie jaren aan de voorwaardelijke straf verbinden.

De opgelegde straf is lager dan door de officier van justitie is geëist, omdat de eis vergeleken met andere veroordelingen voor brandstichting hoog is.

De rechtbank zal dus niet de maatregel van TBS met voorwaarden aan verdachte opleggen. Verdachte heeft op de zitting aangegeven dat zij zich aan de voorwaarden wil houden. Eerder is verdachte gestopt met behandelingen, maar daarbij ging het om behandelingen in een vrijwillig kader. De rechtbank vindt dat verdachte een kans verdient om te laten zien dat zij zich in het kader van een voorwaardelijk strafdeel aan de opgelegde voorwaarden kan houden en de rechtbank heeft ook onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat verdachte zich daar niet aan zal gaan houden.

De rechtbank zal bevelen dat de bijzondere voorwaarden die verdachte zijn opgelegd en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten haar buren. De rechtbank vindt daarnaast dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. Verdachte heeft de brandstichting gepleegd omdat zij niet de hulp had gekregen die zij wilde. De reclassering schat daarnaast in dat het risico op onttrekking aan de bijzondere voorwaarden hoog is. Als dat gebeurt, verkeert verdachte in dezelfde situatie als ten tijde van de brandstichting, waardoor zij mogelijk weer eenzelfde soort delict zal plegen.

De rechtbank zal tot slot, ter bescherming van de algemene veiligheid van personen en goederen, aan verdachte de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Daarmee wordt de mogelijkheid gecreëerd om aan verdachte ook na afloop van de voorwaardelijke gevangenisstraf gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden op te leggen indien dat in verband met dan bestaande risico's noodzakelijk is. De rechtbank vindt het belangrijk dat die mogelijkheid bestaat, omdat door alle deskundigen geadviseerd wordt om verdachte langdurig te behandelen en te ondersteunen. Wanneer de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde straf ten einde loopt, zal worden bekeken of de oplegging van die maatregel daadwerkelijk nodig is.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38z en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf en maatregel

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 16 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van drie jaren vast;

- als voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* meewerkt aan het reclasseringstoezicht;

* niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden gaat, zonder toestemming van de reclassering;

* zich laat opnemen in forensisch psychiatrische afdeling [afdeling] te [plaats] of een soortgelijke zorginstelling (een FPA of FVK), te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt, maar maximaal 12 maanden. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

* zich laat behandelen door een forensische polikliniek, te bepalen door de reclassering. De behandeling start aansluitend aan de klinische behandeling. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;

* verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische behandeling. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor haar heeft opgesteld;

* geen drugs gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd. Bij overtreding van het drugsverbod beslist de reclassering over een passende sanctie;

* verdachte gebruikt geen alcohol en werkt mee aan urineonderzoek, alcoholband en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd. Bij overtreding beslist de reclassering over een passende sanctie;

* meewerkt aan het realiseren van een passende dagbesteding;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;

- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking;

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Böhmer, voorzitter, mrs. D. Riani el Achhab en C. van de Lustgraaf, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F. Verkuijlen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 augustus 2022.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

zij op één of meer tijdstippen op omstreeks 10 februari 2022 te [plaats] ,

in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk brand heeft gesticht in een (tussen)woning (gelegen aan [straat] ) door open vuur in aanraking te brengen met een matras en/of een kussen(sloop) en/of een dekbed en/of (onderdelen van) een bed, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan dat matras en/of dat kussen(sloop) en/of dat dekbed en/of (onderdelen van) dat bed geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand

is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de omliggende woningen en/of de inventaris van

die omliggende woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar voor die in de omliggende woningen aanwezigen personen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor die personen, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

(art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 13 mei 2022, genummerd PL0900-2022039600, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd p. 1 tot en met 93. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 70-71.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 72.