Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2022:2960

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-07-2022
Datum publicatie
13-10-2022
Zaaknummer
9838113 AE VERZ 22-22
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot vernietiging van ontslag op staande voet afgewezen. Dringende reden vanwege onjuiste en onvolledige mededelingen over ziekte en arbeidsmogelijkheden. Onverwijld gegeven ontslag na kennis van bevindingen recherchebureau.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-1132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 9838113 AE VERZ 22-22 CMR/51145

Beschikking van 20 juli 2022

inzake

[verzoeker] ,

wonend in [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verzoeker] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. J.W. Menkveld,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerder] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [verweerder] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. W.J. Rijcken-van Eck.

1 De procedure

1.1.

[verzoeker] heeft op 26 april 2022 een verzoekschrift ingediend, met het verzoek de opzegging door [verweerder] te vernietigen. [verweerder] heeft hierop gereageerd door middel van een verweerschrift.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 juni 2022. Beide partijen hebben hun standpunten aan de hand van een pleitnota toegelicht. Verder hebben partijen vragen van de kantonrechter beantwoord en hebben zij op elkaars standpunten gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken.

1.3.

Hierna is bepaald dat uitspraak wordt gedaan.

2 Wat is er in deze zaak gebeurd?

2.1.

[verzoeker] is per 1 april 2020 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij [verweerder] in de functie Monteur. Zijn bruto loon bedraagt € 3.255,92, exclusief 8% vakantietoeslag. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Technisch Installatiebedrijf van toepassing.

2.2.

Op 23 maart 2021 heeft [verzoeker] zich ziek gemeld. Op 17 februari 2022 hebben [verzoeker] en [verweerder] de eerstejaarsevaluatie opgesteld, in samenspraak met de bedrijfsarts. Hierin staat, voor zover van belang, het volgende:

(…) 4.1 (…) Vorig jaar hebben wij aangepaste werkzaamheden gegeven voor thuis op de computer. Door te weinig kennis blijkt dit niet haalbaar. Januari 2022 aangepaste werkzaamheden op buitenterrein. 1/2 dag geweest daarna weer toename klachten en heeft de heer [verzoeker] aangegeven dat hij hierdoor geen auto meer kan rijden. Dus niet naar kantoor/buitenterrein kan komen.

(…)

5.1 (…)

Meneer kan passende werkzaamheden verrichten indien hierbij voldoende rekening gehouden kan worden met zijn huidige beperkingen. Omdat deze niet aanwezig zijn met de huidige beperkingen van meneer. Meneer kan door beperkingen geen auto rijden en niet op kantoor/buitenterrein komen.

(…)

6.1 (…)

Dhr. [verzoeker] ervaart toename in zijn klachten en eerder genoemde beperkingen ( lopen, duwen, trekken, tillen, dragen, knielen, hurken, staan, regelmatig wisselen van houding). Behandeling gaande. (…)

2.3.

Op 18 maart 2022 hoort [verweerder] dat een van haar medewerkers [verzoeker] in een auto heeft zien rijden. Kort daarna is op initiatief van [verweerder] iemand langsgegaan bij de nieuwe woning van [verzoeker] , waar [verzoeker] kluswerkzaamheden aan het verrichten was. Bij [verweerder] is hierdoor het vermoeden ontstaan dat [verzoeker] tegen haar heeft gelogen over zijn beperkingen. Daarom heeft [verweerder] [recherchebureau] (hierna: het recherchebureau) ingeschakeld om onderzoek te doen naar (het gedrag van) [verzoeker] . Het recherchebureau heeft [verzoeker] bij zijn nieuwe woning gedurende drie dagen geobserveerd met behulp van een camera geplaatst in een rechercheauto.

2.4.

Op 30 maart 2022 hebben mevrouw [A] , een medewerker van [verweerder] , en [verzoeker] een gesprek via WhatsApp. [A] vraagt in dit gesprek onder andere aan [verzoeker] of hij kan autorijden. Hierop reageert hij het volgende: “Helaas kan ik dat niet hopenlijk wordt na de mri scan meer duidelijk wat en hoe verder gr [verzoeker]”.

2.5.

De avond van 30 maart 2022 krijgt het recherchebureau een melding dat in de rechercheauto is ingebroken. Het blijkt dat de vrouw van [verzoeker] de camera uit de auto heeft gehaald. De rechercheur van het recherchebureau, de heer [B] (hierna: [B] ), heeft onderweg naar de woning van [verzoeker] [verweerder] op de hoogte gebracht van zijn bevindingen van de observatie. Op grond van deze bevindingen heeft [verweerder] [verzoeker] op staande voet ontslagen.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoeker] verzoekt vernietiging van de opzegging, een verklaring voor recht dat aan de arbeidsovereenkomst tussen partijen geen einde is gekomen, loondoorbetaling vanaf 30 maart 2022 verhoogd met de wettelijke verhoging en afgifte van specificaties, met een veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.

3.2.

Aan zijn verzoek legt [verzoeker] – kort gezegd – het volgende ten grondslag. Een dringende reden voor ontslag ontbreekt. [verzoeker] betwist dat hij aan [verweerder] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gedaan over zijn fysieke beperkingen. Hij heeft namelijk geen activiteiten verricht die zijn genezing belemmerde. Zoals uit de eerstejaarsevaluatie blijkt was [verzoeker] ook in staat om passende werkzaamheden te verrichten, maar [verweerder] heeft hem dit na 15 februari 2022 niet aangeboden. Bovendien is het ontslag op staande voet niet onverwijld gegeven. [verzoeker] is op 1 april 2022 ontslagen en niet op 30 maart 2022.

3.3.

[verweerder] voert verweer en stelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Er was sprake van een dringende reden omdat [verzoeker] tijdens ziekte tegen [verweerder] heeft gelogen over zijn beperkingen en zijn arbeidsmogelijkheden. Verder is het ontslag op staande voet op 30 maart 2022 onverwijld gegeven door [B] in opdracht van [verweerder] .

3.4.

[verweerder] heeft daarnaast een (deels voorwaardelijk) tegenverzoek ingediend. Zij verzoekt betaling van een gefixeerde schadevergoeding. Daarnaast verzoekt [verweerder] afgifte van de bij [verzoeker] in het bezit zijnde bedrijfseigendommen op straffe van een dwangsom. Deze heeft [verzoeker] namelijk niet teruggegeven. Ook verzoekt zij voorwaardelijk (voor zover wordt geoordeeld dat geen sprake is van een dringende reden voor onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst) om ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zonder toewijzing van een vergoeding, met tot slot een veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten. [verzoeker] heeft verweer gevoerd tegen deze (voorwaardelijke) tegenverzoeken van [verweerder] .

4 De beoordeling

Het verzoek van [verzoeker]

4.1.

Er is sprake van een ontslag op staande voet wanneer de werkgever de arbeidsovereenkomst onverwijld heeft opgezegd om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de werknemer (artikel 7:677 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW)). Wanneer het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, kan dit worden vernietigd.

Is er sprake van een dringende reden?

4.2.

Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te laten duren. Bij de beoordeling of er sprake is van zo’n dringende reden, moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Daarbij moeten ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer worden meegewogen, zoals zijn leeftijd, de aard en duur van het dienstverband, de wijze waarop de werknemer tijdens het dienstverband heeft gefunctioneerd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is. Het is aan de werkgever om de feiten die ten grondslag liggen aan het ontslag op staande voet te stellen en zo nodig te bewijzen.

4.3.

[verweerder] legt aan het ontslag op staande voet het volgende ten grondslag. Het gaat er om dat [verzoeker] tijdens zijn ziekte belastende kluswerkzaamheden heeft verricht in en om zijn (nieuwe) woning en auto heeft gereden, terwijl in de eerstejaarsevaluatie, die is opgesteld op grond van verklaringen van [verzoeker] , staat dat hij door zijn beperkingen niet kan autorijden en hij beperkt kan lopen, trekken, tillen, dragen, knielen, hurken en staan (zoals geciteerd in overweging 2.2).

4.4.

Ter onderbouwing hiervan heeft [verweerder] een rapport ingediend van het recherchebureau, waarin het recherchebureau haar bevindingen heeft omschreven en foto’s heeft bijgevoegd. Volgens [verzoeker] heeft [verweerder] door het inschakelen van een recherchebureau zijn recht op privacy geschonden. [verzoeker] verbindt hier geen verdere (rechts)gevolgen aan, bijvoorbeeld dat het rapport van het recherchebureau als bewijsmiddel moet worden uitgesloten, maar nog los daarvan is de kantonrechter van oordeel dat het belang van [verweerder] om de waarheid te achterhalen over de verklaringen van [verzoeker] over zijn beperkingen zwaarder weegt dan het recht op privacy van [verzoeker] . De ernst van de inbreuk op het recht op privacy van [verzoeker] is namelijk beperkt gebleven. Het recherchebureau heeft een auto met een camera voor de nieuwe woning van [verzoeker] geplaatst. Deze camera kon alleen bestuurd worden en opnames maken wanneer de rechercheur zich in een straal van 150 tot 200 meter van de auto bevond. Het recherchebureau heeft alleen beelden gemaakt op de momenten dat [verzoeker] aanwezig was bij de woning en bezig was met de kluswerkzaamheden, en heeft geen beelden van de familie van [verzoeker] gemaakt. Het onderzoek van het recherchebureau heeft drie dagen geduurd, wat niet disproportioneel is. Bovendien is ook niet gebleken dat er een ander, minder zwaar middel was voor [verweerder] om de waarheid te achterhalen. Omdat [verweerder] het vermoeden had dat [verzoeker] zou hebben gelogen, was bijvoorbeeld het aangaan van een gesprek met [verzoeker] niet een geschikter middel geweest. Het is immers niet aannemelijk dat [verzoeker] dan wel de waarheid zou hebben verteld over zijn beperkingen, of in ieder geval niet aannemelijk dat [verweerder] [verzoeker] dan op zijn woord zou hebben geloofd.

4.5.

[verzoeker] heeft erkend dat hij kluswerkzaamheden aan zijn huis heeft verricht terwijl hij ziek was gemeld, maar heeft verklaard dat hij slechts de kluswerkzaamheden heeft verricht die hij kon met zijn beperkingen. Gezien het rapport van het recherchebureau vindt de kantonrechter deze verklaring niet geloofwaardig. Op de foto’s in het rapport is onder andere duidelijk te zien dat [verzoeker] veel trekkende en duwende bewegingen maakt en dat hij (zware) spullen tilt, terwijl dit bewegingen zijn waarvan in 6.1 van de eerstejaarsevaluatie staat dat [verzoeker] deze beperkt kan. Bovendien is op de foto’s te zien dat [verzoeker] veel bewegingen maakt waar hij zijn knieën bij gebruikt, terwijl [verzoeker] stelt dat hij vooral daar last van heeft. Hieruit blijkt dan ook onmiskenbaar dat [verzoeker] meer kon dan hij aan [verweerder] en de bedrijfsarts heeft verklaard.

4.6.

[verzoeker] heeft ook erkend dat hij wel auto kan rijden, maar alleen in een automaat. Volgens [verzoeker] zijn alle bedrijfsauto’s en -bussen van [verweerder] handgeschakeld, en is het rijden van deze voertuigen te belastend voor zijn linker knie. De kantonrechter begrijpt niet dat [verzoeker] meerdere keren heeft verklaard dat hij geen auto kan rijden en daardoor niet naar het werk kan komen (zoals blijkt uit de eerstejaarsevaluatie en uit door [verweerder] overgelegde WhatsApp-berichten van [verzoeker] ), zonder daaraan toe te voegen dat hij wel in een automaat kan rijden. Te meer nu [verweerder] tijdens de mondelinge behandeling heeft uitgelegd dat 80% van de door haar gebruikte auto’s en bussen een automatisch schakelsysteem hebben. Het lag op de weg van [verzoeker] om aan [verweerder] kenbaar te maken dat hij wel in een automaat kon rijden, zodat [verweerder] daar rekening mee had kunnen houden bij bijvoorbeeld het bepalen van passende werkzaamheden. [verweerder] was immers op grond van de verklaringen van [verzoeker] in de veronderstelling dat [verzoeker] helemaal geen auto kon rijden en dat hij daarom ook niet naar kantoor of naar het buitenterrein kon komen om te werken. [verzoeker] heeft dus ook wat betreft het autorijden onjuiste en onvolledige mededelingen gedaan aan [verweerder] .

4.7.

[verzoeker] heeft nog aangevoerd dat [verweerder] na 15 februari 2022 geen passende werkzaamheden heeft aangeboden, terwijl uit de eerstejaarsevaluatie blijkt dat hij dit wel kan. Dit maakt echter niet dat er geen sprake is van een dringende reden voor ontslag. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [verweerder] voor die datum al meerdere keren passend werk had aangeboden maar dat [verzoeker] hier zelf mee is gestopt en daarbij aangaf dat hij die werkzaamheden niet kon doen. Bovendien heeft [verzoeker] zelf in de eerstejaarsevaluatie gezegd dat hij vanwege het niet kunnen autorijden niet naar het kantoor of naar het buitenterrein kon komen. Wanneer iemand niet naar het werk toe kan komen, is het begrijpelijk dat het voor [verweerder] ingewikkeld wordt om nog passend werk aan te bieden. [verweerder] ging immers uit van deze verklaring van [verzoeker] .

4.8.

De conclusie is dat [verzoeker] onjuiste en onvolledige mededelingen heeft gedaan over de ernst van zijn beperkingen en over zijn arbeidsmogelijkheden tijdens ziekte, en dus heeft gelogen tegen [verweerder] . Dit levert een dringende reden op die het ontslag op staande voet rechtvaardigt. Niet is gesteld of gebleken dat de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] in de weg staan aan een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet in de gegeven omstandigheden. Van een buitenproportionele ernstige sanctie is evenmin sprake. De handelwijze van [verzoeker] wordt aangemerkt als een zodanig ernstige schending van de op hem rustende verplichting zich tegenover [verweerder] als goed werknemer te gedragen en daarmee als een dermate ernstige inbreuk op het vertrouwen dat [verweerder] in hem moest kunnen stellen, dat van haar redelijkerwijs niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Is er sprake van een onverwijlde opzegging door [verweerder] ?

4.9.

Voor het antwoord op de vraag of een ontslag op staande voet onverwijld is gegeven of niet, is het tijdstip waarop de (bewijsbare) dringende reden tot dat ontslag ter kennis is gekomen van de werkgever beslissend. Uit het rapport van het recherchebureau en dat wat [verweerder] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard wordt duidelijk dat [verweerder] de avond van 30 maart 2022 door [B] op de hoogte is gebracht van de bevindingen van het onderzoek van het recherchebureau. Op dat moment is [verweerder] dus op de hoogte van het feit dat [verzoeker] onjuiste mededelingen heeft gedaan over waartoe hij fysiek in staat is, wat de dringende reden is geweest voor het ontslag. Tussen partijen is echter in geschil wanneer het ontslag op staande voet is gegeven, namelijk de avond van 30 maart 2022 of op 1 april 2022.

4.10.

[verweerder] stelt dat [B] , in opdracht van [verweerder] , [verzoeker] op 30 maart 2022 op staande voet heeft ontslagen, direct nadat [verweerder] op de hoogte is gebracht van de bevindingen van het onderzoek. [B] heeft dit ook in het rapport van het recherchebureau verklaard over de avond van 30 maart 2022: “(…) Na dit gesprek met [verzoeker] , heb ik, op verzoek van [verweerder] , [verzoeker] ontslag op staande voet gegeven. De heer [verweerder] zat zelf vast op een beurs en was bang dat het ontslag op staande voet anders niet onverwijld genoeg zou zijn. Op verzoek van [verweerder] vertel ik [verzoeker] dat hij alles even kan laten bezinken en dan aanstaande vrijdag om 13:00 uur een gesprek met zijn werkgever in [vestigingsplaats] heeft.(…)”. [verzoeker] heeft de inhoud van dit gesprek met [B] onvoldoende gemotiveerd betwist. De enkele stelling dat het ontslag op 1 april 2022 is gegeven, is niet genoeg. Bovendien is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat [verzoeker] zich niet goed meer kan herinneren wat [B] die avond tegen hem heeft gezegd. De kantonrechter stelt daarom vast dat het ontslag op staande voet de avond van 30 maart 2022 is gegeven. Dat is dezelfde avond dat [verweerder] op de hoogte is gesteld van de dringende reden. Het is dus een onverwijld gegeven ontslag.

4.11.

Overigens zou de conclusie niet anders zijn wanneer zou worden uitgegaan van 1 april 2022. Het ontslag zou dan twee dagen nadat [verweerder] op de hoogte was van de dringende reden zijn gegeven en niet valt in te zien waarom dat niet onverwijld zou zijn. [verzoeker] heeft dat niet nader gemotiveerd.

Conclusie

4.12.

Omdat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven, zal het verzoek tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst (dus vernietiging van het ontslag op staande voet) worden afgewezen. Dat brengt mee dat de verklaring voor recht dat aan de arbeidsovereenkomst tussen partijen geen einde is gekomen en de verzoeken tot doorbetaling van loon en afgifte van specificaties ook zullen worden afgewezen.

Het (deels voorwaardelijke) tegenverzoek van [verweerder]

4.13.

verzoekt [verzoeker] te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding. Aangezien geoordeeld is dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven, en [verzoeker] dus een dringende reden heeft gegeven voor het ontslag op staande voet, kan [verweerder] op grond van artikel 7:677 lid 2 BW aanspraak maken op deze gefixeerde schadevergoeding. De schadevergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, in dit geval een maand. Het verzochte bedrag van € 3.255,92 zal daarom worden toegewezen.

4.14.

Omdat [verzoeker] nog een aantal bedrijfseigendommen van [verweerder] bezit, verzoekt [verweerder] om teruggave hiervan. Het gaat om een laptop, tablet (met simkaart), draadloze oortjes, werkkleding en werkschoenen. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegezegd dat hij de spullen die hij nog in zijn bezit heeft zal teruggeven. Dit verzoek zal dan ook worden toegewezen. [verweerder] heeft verzocht hier een dwangsom aan te verbinden van € 250,00 per dag. De kantonrechter ziet aanleiding de verzochte dwangsom te matigen en stelt de dwangsom vast op € 50,00 per dag dat [verzoeker] in gebreke blijft met het teruggeven van de bedrijfseigendommen, met een maximum van € 1.500,00.

4.15.

De voorwaarde waaronder [verweerder] de ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft ingesteld is niet in vervulling gegaan. Het ontslag op staande voet zal immers niet worden vernietigd. Daarom zal dit verzoek worden gepasseerd.

Proceskosten

4.16.

[verzoeker] heeft ongelijk gekregen en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 747,00 aan salaris gemachtigde (vast tarief voor een gemiddelde zaak).

5 De beslissing

De kantonrechter:

in het verzoek

5.1.

wijst het verzochte af;

in het tegenverzoek

5.2.

veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding van € 3.255,92 aan [verweerder] ;

5.3.

veroordeelt [verzoeker] tot afgifte van de bedrijfseigendommen van [verweerder] (de laptop, tablet met simkaart, draadloze oortjes, werkkleding en werkschoenen), op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag dat [verzoeker] hiermee in gebreke blijft vanaf de datum van deze beschikking, met een maximum van € 1.500,00;

in zowel het verzoek als het tegenverzoek

5.4.

veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [verweerder] , tot op heden begroot op € 747,00 aan salaris gemachtigde;

5.5.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.A. van Steenbeek, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2022.