Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2022:2574

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-07-2022
Datum publicatie
18-07-2022
Zaaknummer
C/16/535184/FO RK 22-184
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontslag voogd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/535184 / FO RK 22-184


Gezag en omgang

Beschikking van 6 juli 2022

in de zaak van:

[de moeder] ,

wonende in [woonplaats] ,

hierna te noemen de moeder,

advocaat mr. G.J. Boven

tegen

de gecertificeerde instelling SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND,

gevestigd te Utrecht,

hierna te noemen de GI.

De rechtbank merkt als overige belanghebbenden aan:

de pleegouders, de heer en mevrouw [pleegouders] .

De rechtbank merkt als informant aan:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vader.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

  • -

    het verzoekschrift van de moeder (met bijlagen), binnengekomen op 16 februari 2022;

  • -

    de stukken van de moeder, binnengekomen op 30 mei 2022.

1.2.

Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van
2 juni 2022. Daarbij waren aanwezig:

  • -

    de moeder met haar advocaat;

  • -

    mevrouw [A] namens de Raad;

  • -

    mevrouw [B] en mevrouw [C] namens de GI;

  • -

    de pleegouders.

De vader is correct opgeroepen, maar niet verschenen.

2 Waar gaat het over?

2.1.

De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij wonen sinds mei 2016 niet meer samen.

2.2.

Hun minderjarige kinderen zijn:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [2002] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [2006] ;

  • -

    [minderjarige 3] , geboren op [2008] ;

  • -

    [minderjarige 4] , geboren op [2012] ;

  • -

    [minderjarige 5] , geboren op [2014] ;

  • -

    [minderjarige 6] , geboren op [2017] .

2.3.

Deze procedure heeft alleen betrekking op [minderjarige 6] .

2.4.

Bij beschikking van 21 juni 2019 heeft de rechtbank het gezag van de moeder over [minderjarige 6] (en de andere – hiervoor genoemde – minderjarige kinderen) beëindigd. Ook heeft de rechtbank bij beschikking van 21 juni 2019 de GI benoemd tot voogd over genoemde minderjarigen. Dat betekent dat de GI alleen de belangrijke beslissingen over [minderjarige 6] kan nemen.

2.5.

[minderjarige 6] woont bij haar pleegouders, de heer en mevrouw [pleegouders] .

2.6.

De moeder verzoekt om de GI te vervangen door een andere gecertificeerde instelling. Daarnaast verzoekt de moeder de rechtbank om een omgangsregeling te bepalen waarbij de moeder (minimaal) één keer in de zes weken [minderjarige 6] kan zien.

3 De beoordeling

Vervanging gecertificeerde instelling
3.1. De rechtbank zal het verzoek van de moeder tot wijziging van de gecertificeerde instelling afwijzen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij zo beslist.

3.2.

De moeder heeft verzocht de GI te vervangen. Eerst ter zitting heeft zij gesteld dat het Leger des Heils bereid is de voogdij over te nemen, zonder daar enig bewijsstuk van over te leggen. De rechtbank stelt bij de beoordeling van het verzoek van de moeder voorop dat artikel 1:259 BW niet van toepassing is. Dit artikel voorziet in de mogelijkheid dat een met gezag belaste ouder verzoekt om vervanging van een GI die de ondertoezichtstelling uitvoert. De moeder heeft echter geen gezag en van een ondertoezichtstelling is geen sprake. De GI is de voogd van [minderjarige 6] .

3.3.

Voor zover de moeder heeft beoogd haar verzoek te baseren op artikel 1:328 BW overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank kan op verzoek van een ouder de voogdij van een GI beëindigen, indien de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd én de GI haar taken op een niet verantwoorde wijze uitoefent als bedoeld in artikel 4.1.1. tweede lid van de Jeugdwet. De in dit laatste artikel bedoelde eisen zien op een zodanige organisatie van de GI dat verantwoorde hulp kan worden geboden. Indien een dergelijk verzoek tot ontslag van de voogd wordt gedaan dient de verzoeker te stellen, en bij betwisting aan te tonen, dat a: de minderjarige in haar ontwikkeling wordt bedreigd, b: de GI haar taken op een niet verantwoorde wijze uitoefent en c: dat de tekortkomingen van de GI gelegen zijn in haar organisatie, waardoor verantwoorde hulp niet wordt geboden. De moeder wordt bijgestaan door een advocaat, maar heeft niets van dit alles gesteld en daarmee niet aan haar stelplicht voldaan. De door de moeder aangevoerde gronden voor haar verzoek komen in de kern erop neer dat haar verhouding met de GI is verstoord. De moeder maakt de GI vergaande en ook wel onnavolgbare verwijten, maar die komen er in feite allemaal op neer dat zij zich niet kan verenigen met het door GI gevoerde beleid ten aanzien van de contacten tussen de moeder en haar dochter en met de wijze van informatieverstrekking door de GI. De moeder kan het oneens zijn met het beleid van de GI, maar daarmee is zeker niet gezegd dat [minderjarige 6] nog steeds in haar ontwikkeling wordt bedreigd en de GI haar taken op een niet verantwoorde wijze uitoefent als bedoeld in artikel 4.1.1. tweede lid van de Jeugdwet. Daarvan is ook overigens op geen enkele wijze gebleken. Integendeel, het gaat heel goed met [minderjarige 6] in het pleeggezin. De GI voorziet met die plaatsing in de noodzakelijk hulp voor [minderjarige 6] . Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder als ongegrond afwijzen.

3.4.

Over de door de moeder gestelde verstoorde verhouding met de GI overweegt de rechtbank dat de verwijten van de moeder met name mevrouw [B] betreffen en niet de GI als zodanig. Met de heer [D] , die namens dezelfde GI de voogdij uitvoert over haar zoon [minderjarige 2] , heeft de moeder kennelijk een zeer goede relatie. De GI is de moeder tegemoetgekomen door haar een andere voogdijmedewerker als aanspreekpunt te geven. In deze constructie blijft mevrouw [B] wel verantwoordelijk voor [minderjarige 6] , haar plaatsing in het pleeggezin en het beleid met betrekking tot [minderjarige 6] . De rechtbank acht dit een zeer verantwoorde wijze van uitvoering van de voogdij. Mevrouw [B] is al jarenlang verantwoordelijk, niet alleen voor [minderjarige 6] maar ook voor drie andere kinderen van de moeder, die in pleeggezinnen wonen. Mevrouw [B] coördineert met de verschillende pleegouders ook de contacten tussen deze kinderen onderling. Het verzoek van de moeder heeft echter alleen betrekking op [minderjarige 6] . Indien een andere GI de taken van deze GI met betrekking tot [minderjarige 6] over zou moeten nemen, zou veel informatie verloren kunnen gaan, zou opnieuw een band moeten worden opgebouwd met [minderjarige 6] en het pleeggezin en zou de coördinatie van de contacten met de andere kinderen via verschillende GI’s moeten lopen. De rechtbank acht dit niet in het belang van [minderjarige 6] .

3.5.

De rechtbank onderschrijft, net als de moeder en de GI, het belang van een goede samenwerking tussen de ouder en de GI, omdat dit in het algemeen het belang van de minderjarige dient, maar zo’n samenwerking is bij voogdij toch van een andere orde dan bij een ondertoezichtstelling. Anders dan bij een ondertoezichtstelling wordt bij een voogdij niet meer teruggewerkt aan een thuisplaatsing. Daarop behoeft dus geen hulpverlening te worden ingezet en de GI kan de noodzakelijke gezagsbeslissingen zelf nemen. Verder zijn voor een goede verstandhouding twee partijen nodig. Ook de moeder heeft daarin een rol. De moeder heeft in het verleden de GI en de pleegouders bedreigd waardoor de omgang moest worden stopgezet en de moeder is verboden op het kantoor van de GI te komen. Dergelijke bedreigingen komen een goede samenwerking niet ten goede. Hetzelfde geldt voor het maken van op de persoon van de voogdijmedewerker gerichte verwijten en het indienen van klachten. Indien de moeder zoals zij stelt belang hecht aan een goede samenwerking met de GI is het evenmin behulpzaam om, zoals zij ter zitting heeft gedaan, nog meer rechtszaken aan te kondigen ook voor de andere kinderen waarover deze GI de voogdij uitoefent. De Raad heeft hier ter zitting terecht op gewezen. Wat wel behulpzaam zou kunnen zijn is enige zelfreflectie.

3.6.

Over de door de moeder geuite klachten over de informatievoorziening overweegt de rechtbank dat deze door de GI zijn betwist. Een keer per kwartaal krijgt de moeder een update van de GI over hoe het met haar kinderen gaat, voorzien van foto’s.

Omgangsregeling

3.7.

De moeder heeft verzocht om een omgangsregeling vast te stellen van een keer per zes weken. Ter zitting is namens de moeder aangegeven dat zij ook genoegen zal nemen met een opbouwregeling die zal gaan leiden tot de gewenste eenmaal per zes weken. De rechtbank begrijpt dat de moeder haar verzoek in die zin vermindert.

3.8.

[minderjarige 6] en haar moeder hebben recht op omgang met elkaar. De rechtbank kan op verzoek van de ouder een omgangsregeling vaststellen. Dit volgt uit artikel 1:377a BW. De wet bevat echter geen standaardnorm voor de omvang van de omgangsregeling. Die kan per geval verschillen en is met name afhankelijk van de behoefte en het belang van het kind. De omgang tussen de moeder en [minderjarige 6] is, zoals eerder vermeld, enige tijd stopgezet geweest vanwege bedreigingen door de moeder. Nadat [minderjarige 6] in het pleeggezin signalen uitzond waaruit bleek dat zij graag contact zou willen hebben met haar moeder is de omgang weer opgestart. Deze heeft momenteel een frequentie van tweemaal per jaar en vindt plaats op het kantoor van de GI. Dit laatste omdat het een geheime pleegzorgplaatsing betreft. Inmiddels heeft er driemaal omgang plaatsgevonden en de contacten zijn goed gegaan. Volgens de pleegouders is [minderjarige 6] weliswaar erg moe na zo’n omgang maar verder niet onrustig of anderszins uit haar doen. De GI heeft ter zitting verklaard dat bij de opbouw van de omgang en een eventuele verdere uitbreiding in de toekomst heel zorgvuldig wordt gekeken naar de behoefte van [minderjarige 6] . Die is leidend. De rechtbank kan de GI in dit beleid volgen. Weliswaar is tweemaal per jaar niet erg frequent maar de omgang dient er met name voor dat [minderjarige 6] weet wie haar moeder is en dat zij haar leert kennen. Dit is voor haar identiteitsontwikkeling van belang. Daar wordt overigens in het pleeggezin ook buiten de omgang veel aandacht aan besteed. De opbouw van een hechtingsrelatie met de moeder staat niet op de voorgrond, omdat [minderjarige 6] , die zeven à acht maanden oud was toen zij uit huis werd geplaatst, bij haar pleegouders zal opgroeien. De rechtbank begrijpt heel goed de behoefte en de wens van de moeder om meer contact met haar dochter, maar die is in deze niet doorslaggevend. Doorslaggevend is het belang van [minderjarige 6] . De rechtbank zal dus het verzoek van de moeder afwijzen.

De uitvoerbaarheid bij voorraad

3.9.

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijst de verzoeken af.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.A.A.T. Engbers, in samenwerking met mr. I.J.R. Stoffels, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2022.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.