Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2022:2573

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-07-2022
Datum publicatie
06-09-2022
Zaaknummer
C/16/538891 / KL ZA 22-90
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geschil tussen partijen (eigenlijk broer en zus) over wie recht heeft op (exploitatie) diverse merknamen, handelsnamen, domeinnamen en B2C webshops. Bewijsvoering is noodzakelijk en daar leent kg zich niet voor. Ook overige vorderingen niet toewijsbaar. (ZIE OOK: ECLI:NL:RBMNE:2022:3524)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/538891 / KL ZA 22-90

Vonnis in kort geding van 4 juli 2022

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

mede handelend onder de namen [handelsnaam 1] , [handelsnaam 2] , [handelsnaam 3] , [handelsnaam 4] en [handelsnaam 5] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaten mrs. L.J. Gravendeel en M.G. Hoenink te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

mede handelend onder de namen [handelsnaam 1] , [handelsnaam 2] , [handelsnaam 3] en [handelsnaam 4] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaten mrs. L. Keukens en M. Rudolphij te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de uitgebrachte dagvaarding van 16 mei 2022 met producties (1-37);

  • -

    de akte eisvermeerdering van 18 mei 2022 met aanvullende producties (38-45);

  • -

    de akte van [gedaagde] van 18 mei 2022 met producties (1-8);

  • -

    het tussenvonnis van 25 mei 2022;

  • -

    de akte van [eiseres] van 14 juni 2022 met producties (46-55);

  • -

    de akte van [gedaagde] van 14 juni 2022 houdende een eis in reconventie met producties (9-32);

  • -

    de akte van [eiseres] van 14 juni 2022 houdende inbreng productie (56);

  • -

    de mondelinge behandeling op 15 juni 2022;

  • -

    de pleitnota van [eiseres] ;

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vordering in conventie

2.1.

[eiseres] vordert, na vermeerdering van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

Primair:

1. [gedaagde] te bevelen om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis:

  1. elk gebruik van de handelsnamen [handelsnaam 2] , [handelsnaam 3] , [handelsnaam 6] en [handelsnaam 4] te staken en gestaakt te houden;

  2. tot uitschrijving bij de Kamer van Koophandel van de handelsnamen [handelsnaam 2] , [handelsnaam 3] , [handelsnaam 6] en [handelsnaam 4] en [handelsnaam 1] en het staken van het gebruik ervan;

  3. elk gebruik van de merknamen [handelsnaam 2] , [handelsnaam 3] , [handelsnaam 6] en [handelsnaam 4] te staken en gestaakt te houden, behoudens voor reguliere distributie in de groothandel;

  4. tot wijziging van de tenaamstelling van de domeinnamen [handelsnaam 2] .nl, [handelsnaam 6] .nl, [handelsnaam 3] .nl en [handelsnaam 1] .nl, ten gunste van [eiseres] , en hetzelfde ten aanzien van [handelsnaam 2] .com en [handelsnaam 6] .com, en het gebruik van al deze domeinnamen te staken;

  5. tot verstrekking van het volledige inzicht aan [eiseres] , van de verkoopcijfers over Producten die sinds 6 maart 2022 via de [handelsnaam 2] .Nl [handelsnaam 3] .nl, [handelsnaam 6] .nl en [handelsnaam 1] .nl resp. [handelsnaam 2] .com en [handelsnaam 3] .com aan consumenten zijn verkocht en geleverd tot aan de dag dat [eiseres] deze zelf rechtstreeks kan inzien gelet op punt (f) hierna;

  6. tot verstrekking van de volledige en onvoorwaardelijke toegang tot de vier b2c webshops c.q. (web-/mail-) servers voor de 4 Domeinen aan [eiseres] c.s., door de wachtwoorden c.a. te verstrekken, opdat [eiseres] weer het exclusieve beheer over de Producten en de gegevensverzamelingen van klanten en hun adressen, mailadressen, telefoonnummers, en orderverwerking verkrijgt;

  7. tot medewerking aan het in het beheer van [eiseres] brengen van de Bedrijfssoftware door

(i) de wachtwoorden c.a. die toegang tot de Bedrijfssoftware geven te verstrekken,

(ii) kosteloos een kopie van de Bedrijfssoftware en genoemde Data te verstrekken aan een door [eiseres] binnen 3 weken na vonniswijzing aan te wijzen ICT-provider/host, inclusief de websites / b2c webshops, en

(iii) over te gaan tot afgifte van alle Data inclusief de boekhoudkundige data van [eiseres] over de afgelopen 7 jaar, met bepaling dat [gedaagde] een kopie van de Bedrijfssoftware en haar eigen data mag behouden zolang de Orderverwerkingsovereenkomst nog voortduurt;

uitvoering te geven aan de opgezegde Orderverwerkingsovereenkomst voor de duur van acht maanden gerekend vanaf de dag van vonniswijzing;

tot toezending van de hier op bevel bepaalde informatie aan de raadsman van [eiseres] te verstrekken door toezending ervan per e-mail op [e-mailadres] ;

tot het doen inklaren, betalen en afhalen van de Producten zoals vermeld op factuur 2022-004 bij [onderneming 2] te [plaats] ;

of in plaats van de vordering onder ‘k’ (alternatief) te verklaren aan [onderneming 2] dat de Producten zijn overgedragen aan [eiseres] en door [eiseres] kunnen worden afgehaald, met de informeringsbepaling als gevorderd onder ‘i’;

2. [gedaagde] te bevelen om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de Orderverwerkingsovereenkomst nog 8 maanden na vonniswijzing uit te voeren of zoveel eerder vanaf het moment dat [eiseres] de Bedrijfssoftware, de 4 webshops/ websites en de 6 domeinen weer tot haar beschikking heeft en verhuisd heeft naar een andere ICT-provider;

3. [gedaagde] te veroordelen tot de naleving van de onder punt 1 genoemde bevelen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag of dagdeel, te voldoen aan [eiseres] door betaling aan Stichting Beheer Derdengelden [...] op bankrekening nummer [rekeningnummer] – BIC [....] ;

4. te bepalen dat [eiseres] op de voet van artikel 3:300 BW plaatsvervangend uitvoering kan geven aan de geboden voor [gedaagde] zoals vermeld onder 1b en 1d en aldus te bepalen dat [eiseres] plaatsvervangend uitvoering kan geven aan de geboden voor [gedaagde] vermeld onder 1b en 1d. althans dit vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van [gedaagde] die tot de rechtshandeling gehouden voortvloeiend uit hetgeen is gevorderd onder 1b en 1d, althans dat dit vonnis in de plaats van de akte of een deel daarvan zal treden;

Subsidiair

5. [gedaagde] te bevelen tot het onder 1 en/of 2 en/of 3 gevorderde voorzover de voorzieningenrechter in goede justitie vermeend te behoren, verzwaard met een dwangsom;

6. te bepalen zoals onder 4 gevorderd voorzover de voorzieningenrechter dat passend acht;

Primair en subsidiair:

7. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding - 85% op de voet van art. 1019 h Rv en de geldende IE-Indicatietarieven resp. 15% op de voet van 237 Rv, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 130,- bij betekening, een en ander te voldoen binnen 5 dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de proceskosten en nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente hierover te rekenen vanaf uiterste termijn voor voldoening;

Meer subsidiair:

8. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding op de voet van art. 237 Rv, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 130,- bij betekening, een en ander te voldoen binnen 5 dagen na dagtekening van dit vonnis, en – voor het geval voldoening van de proceskosten en nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente hierover te rekenen vanaf uiterste termijn voor voldoening;

Primair en subsidiair:

9. een en ander, voor zover mogelijk, bij voorraad.

2.2.

[gedaagde] voert verweer met conclusie tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] in haar vorderingen, althans tot afwijzing van de vorderingen.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De vordering in reconventie

3.1.

[gedaagde] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. [eiseres] te veroordelen met onmiddellijke ingang iedere directe of indirecte inbreuk op de IE-rechten van [gedaagde] als genoemd en omschreven in het voorgaande, meer in het bijzonder maar niet beperkt tot inbreuken op de Merkrechten [gedaagde] , handelsnaamrechten, gemeenschapsmodelrechten, auteursrechten en domeinnaamrechten in relatie tot de 4-Namen, 6 Domeinen en B2C Webshops, te staken en gestaakt te houden;

II. [eiseres] te veroordelen met onmiddellijke ingang de Conflicterende Beneluxmerken [eiseres] in te trekken althans, het Benelux Bureau voor Intellectuele Eigendom te berichten dat de Beneluxmerken [eiseres] worden ingetrokken;

III. [eiseres] te veroordelen met onmiddellijke ingang [onderneming 1] te berichten dat de sommatiebrief van [eiseres] wordt ingetrokken, de blokkade van het betalingsaccount van [gedaagde] moet worden opgeheven als gevolg waarvan de betalingen van de B2C Webshops aan het bankrekeningnummer van [gedaagde] kunnen worden uitgekeerd en een kopie van het bericht van [eiseres] aan [onderneming 1] aan ondergetekende te verzenden;

IV. [eiseres] te veroordelen met onmiddellijke ingang [onderneming 2] te berichten dat [gedaagde] niet verantwoordelijk is voor de Producten die zich momenteel bij [onderneming 2] bevinden en tegelijkertijd te bevestigen dat [gedaagde] op geen enkele wijze verantwoordelijk is of aansprakelijk kan worden gehouden voor enige schade en/of kosten die voortvloeien uit het feit dat de Producten zich bij [onderneming 2] bevinden en [onderneming 2] te verzoeken om de Producten aan [gedaagde] te leveren en [eiseres] de kosten van [onderneming 2] voor het leveren van de Producten aan [gedaagde] integraal zal voldoen;

V. [eiseres] te veroordelen met onmiddellijke ingang [onderneming 3] te berichten dat [gedaagde] niet verantwoordelijk is voor de Producten die zich momenteel bij [gedaagde] bevinden en dat [gedaagde] op geen enkele wijze verantwoordelijk is of aansprakelijk kan worden gehouden voor enige schade en/of kosten die voortvloeien uit het feit dat de Producten zich bij [gedaagde] bevinden;

VI. [eiseres] te veroordelen met onmiddellijke ingang om geen bestellingen meer bij derde partijen te plaatsen op naam van [gedaagde] of met gebruikmaking van de naam van [gedaagde] ;

VII. [eiseres] te veroordelen met onmiddellijke ingang om geen uitlatingen aan derde partijen meer over [gedaagde] te doen, meer in het bijzonder om [eiseres] te veroordelen zich te onthouden van uitlatingen jegens derden dat sprake zou zijn van een enigerlei vorm van samenwerking tussen [gedaagde] en [eiseres] ;

VIII. [eiseres] te veroordelen om in geval van niet-nakoming van het onder I.) t/m VII.) bepaalde een onmiddellijk opeisbare boete van € 25.000,00 (zegge: vijfentwintigduizend euro) voor iedere overtreding te betalen aan [gedaagde] en een cumulatieve boete van € 1.000,00 (zegge: duizend euro) voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt, zulks onverminderd alle overige aan cliënten toekomende rechten, waaronder het recht om vergoeding van de werkelijk door hen geleden schade te vorderen; en

IX. [eiseres] te veroordelen binnen acht (8) dagen na dagtekening van deze brief te zullen vergoeden de volledige proceskosten ex art. 1019h Rv en nakosten.

3.2.

[eiseres] voert verweer met conclusie tot afwijzing van vorderingen.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Waar gaat de zaak in conventie en in reconventie over?

4.1.

De heer [A] (hierna: [A] ) en [B] (hierna: [B] ) zijn broer en zus. Ze zijn betrokken bij een familieconcern in [.] . [A] is de persoon die (als middellijk bestuurder) achter [eiseres] zit en [B] is de persoon (als middellijk bestuurder) achter [gedaagde] .

4.2.

Meer specifiek voor [gedaagde] geldt dat sinds 30 november 2017 alle aandelen van [gedaagde] gehouden worden door haar enig bestuurder en aandeelhouder [onderneming 4] ( [onderneming 4] ) en dat op 25 oktober 2019 alle aandelen [onderneming 4] door de Britse vennootschap [onderneming 5] Ltd zijn overgedragen aan [onderneming 6] voor een koopsom van € 16.393,--. [B] is enig bestuurder van [onderneming 6] .

4.3.

Dit geschil tussen partijen gaat in hoofdzaak over de vraag wie het uitsluitende recht heeft op (exploitatie van) de vier merken en handelsnamen: [handelsnaam 3] , [handelsnaam 4] , [handelsnaam 2] en [handelsnaam 1] , de zes domeinnamen: [handelsnaam 3] .nl, [handelsnaam 3] .com, [handelsnaam 6] .nl, [handelsnaam 2] .nl, [handelsnaam 2] .com en [handelsnaam 1] .nl en de daaraan gekoppelde zes B2C webshops (hierna ook wel aangeduid als: de 4-Namen, de 6-Domeinen en de B2C-webshops).

4.4.

[eiseres] stelt dat deze rechten haar toekomen, terwijl [gedaagde] stelt dat zij de rechthebbende is. Ook stelt [eiseres] dat zij het auteursrecht op de namen [handelsnaam 3] , [handelsnaam 4] , [handelsnaam 2] en [handelsnaam 1] heeft, terwijl [gedaagde] betwist dat de namen voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen en stelt, als dit wel het geval is, dat de auteursrechten haar toekomen.

4.5.

Tussen partijen staat vast dat bij de verkoop van producten via de B2C-webshops gebruik is gemaakt van wat partijen aanduiden als de Bedrijfssoftware en dat bij de verwerking van de verkooporders data is ontstaan van klantgegevens, facturen en bijbehorende producten (door partijen ook aangeduid als: de data). Partijen verschillen van mening of deze software en de data aan [eiseres] dan wel aan [gedaagde] toekomeb.

4.6.

Verder is in geschil of de door [gedaagde] bij brief van 28 februari 2022 gedane opzegging van de Orderverwerkingsovereenkomst (opgezegd tegen 1 juni 2022) wel effect heeft. De Orderverwerkingsovereenkomst is op 2 januari 2017 tussen [eiseres] (als opdrachtgever) en [gedaagde] (als opdrachtnemer) gesloten. [A] heeft destijds de overeenkomst opgesteld en namens beide partijen ondertekend. In de overeenkomst staat onder meer:

“Deze overeenkomst tussen opdrachtgever en opdrachtnemer kan worden opgezegd met een termijn van 3 maanden.”

4.7.

Ten slotte speelt in deze procedure ook een geschil tussen partijen over de door [gedaagde] gestelde onrechtmatige gedragingen en de oneerlijke handelspraktijken door [eiseres] , waaronder het conflict over het voor de orderverwerking van de B2C webshops aangemaakt betalingsaccount bij [onderneming 1] en de zich bij de expediteurs [onderneming 2] te [plaats] en [onderneming 3] bevindende producten.

4.8.

De voorzieningenrechter acht de zaak op grond van de complexiteit en de omvang van het geschil ongeschikt voor een beoordeling in kort geding, zodat de in conventie en in reconventie ingestelde vorderingen niet toewijsbaar zijn. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.

5 De beoordeling in conventie en in reconventie

Spoedeisend belang

5.1.

Gelet op de aard van de door partijen over en weer ingestelde vorderingen hebben zij een voldoende spoedeisend belang om in kort geding te worden ontvangen.

De 4-Namen, de 6-Domeinen en de B2C-webshops

5.2.

[eiseres] stelt dat [A] de grote man achter het familiebedrijf is en dat hij in 2013 en in 2014 de domeinnamen [handelsnaam 2] .nl, [handelsnaam 6] .nl en [handelsnaam 3] .nl heeft verzonnen en deze domeinnamen toen al op eigen naam geregistreerd heeft. [eiseres] stelt verder dat [A] ook de domeinnaam [handelsnaam 1] .nl bedacht heeft en op 27 mei 2013 heeft geregistreerd. Volgens [eiseres] kwam deze domeinnaam aanvankelijk toe aan het door [A] geleide bedrijf [handelsnaam 1] B.V., maar is dat recht in 2017 overgedragen aan [eiseres] . Volgens [eiseres] komen de auteursrechten op de (domein)namen en bijbehorende logo’s dus toe aan [A] en zijn de aan de auteursrechten afgeleide merken en handelsnamen jarenlang feitelijk non-exclusief door [A] gelicenseerd aan [gedaagde] en later via [eiseres] aan [gedaagde] .

5.3.

[gedaagde] stelt dat door de overdracht op 25 oktober 2019 van alle aandelen in [onderneming 4] (inclusief de daaronder vallende aandelen in [gedaagde] ) aan [onderneming 6] ook alle IE-rechten en aanverwante rechten aan [B] toekomen. [gedaagde] betwist de door [eiseres] gestelde vanaf 2017 geldende intracompany afspraak en de na 25 oktober 2019 geldende intercompany afspraak dat materieelrechtelijk de directievoering bij [gedaagde] en bij [eiseres] feitelijk bij [A] ligt. Voorts stelt [gedaagde] dat uit de diverse overzichten van de SIDN-registraties van de diverse domeinnamen en het gebruik van deze websites blijkt dat de rechten op de 6domeinnamen en B2C websites niet aan [eiseres] toekomen maar aan [gedaagde] .

5.4.

Partijen verschillen verder van mening wanneer de diverse B2C-webshops actief zijn geworden. Volgens [gedaagde] zijn diverse B2C-webshops (o.a. de webshop [handelsnaam 3] en [handelsnaam 2] ) pas in januari 2020 actief geworden, terwijl [eiseres] stelt dat de webshops al jaren eerder actief zijn.

5.5.

Voor wat betreft de logo’s van [handelsnaam 4] , [handelsnaam 3] , [handelsnaam 2] en [handelsnaam 1] geldt dat beide partijen claimen het auteursrecht op de logo’s te bezitten. Volgens [eiseres] zijn de logo’s ontworpen vóór de bedrijfssplitsing in 2017 en is zij door de bedrijfssplitsing auteursrechthebbende geworden. [gedaagde] stelt, onderbouwd met onder meer een verklaring van haar oud medewerker de heer [C] (productie 23F) dat de logo’s zijn ontworpen door haar (toenmalige) medewerkers de heer [C] en mevrouw [D] . Deze werkzaamheden werden volgens [gedaagde] verricht in de uitoefening van hun arbeidsovereenkomsten zodat op grond van artikel 7 Auteurswet de auteursrechten haar nog steeds toekomen.

5.6.

Ook in geschil is de positie van [eiseres] . Partijen zijn het met elkaar eens dat [eiseres] in het leven is geroepen om de B2C markt te kunnen bedienen. [gedaagde] mocht op basis van een gentlemen agreement met [..] namelijk de consumentenmarkt niet direct benaderen. [eiseres] stelt dat zij, ter omzeiling van de gentlemen agreement, zelf actief de B2C markt bedient terwijl [gedaagde] stelt dat [eiseres] niet meer dan een lege vennootschap is waarin niet of nauwelijks activiteiten plaatsvinden en ook geen enkele investering plaatsvindt. De feitelijke levering aan de B2C markt wordt volgens [gedaagde] slechts formeel op naam van [eiseres] uitgevoerd, maar is het [gedaagde] die alle feitelijke werkzaamheden verricht.

5.7.

[eiseres] en [gedaagde] stellen, zoals hiervoor kort is weergegeven, ieder gemotiveerd dat de rechten op de 4-Namen, de 6-Domeinen en de B2C-webshops, met uitsluiting van de ander, aan hen toekomt. Voorts zijn enkele afspraken waarop [eiseres] zich beroept (o.a de gestelde intracompany en intercompany afspraken en dat bij de aandelenoverdracht in 2019 [eiseres] zijn merknamen, handelsnamen en domeinnamen heeft behouden) mondelinge afspraken die door [gedaagde] gemotiveerd worden betwist. Dit betekent dat nadere bewijsvoering noodzakelijk is voordat in conventie en in reconventie over de toewijsbaarheid van de vorderingen over de 4-Namen, de 6-Domeinen en de B2C-webshops kan worden beslist. Voor een dergelijke bewijsvoering leent een kort geding zich niet. Dit betekent dat dit deel van de vordering in conventie en in reconventie niet toewijsbaar is.

De bedrijfssoftware en de gegevens van klanten, facturen en producten

5.8.

De verwerking van de bestellingen via de B2C-webshops wordt verwerkt door middel van bepaalde bedrijfssoftware. [eiseres] stelt dat zij deze bedrijfssoftware gekocht heeft van [handelsnaam 1] B.V. en ook de rechthebbende is op de gegevens van klanten, facturen en producten (hierna de data). [gedaagde] stelt daar tegenover dat de bedrijfssoftware door haar medewerkers (de heren [E] , [F] en [G] ) is ontwikkeld en door haar wordt beheerd. Ter onderbouwing van dit verweer heeft [gedaagde] verklaringen van deze medewerkers in het geding gebracht (producties 23O en 23P) die dit standpunt onderschrijven. Ook hier geldt dat nadere bewijsvoering noodzakelijk is om vast te stellen aan wie de bedrijfssoftware en de data toekomt, zodat dit deel van de vorderingen van [eiseres] in kort geding niet kunnen worden toegewezen.

De Orderverwerkingsovereenkomst

5.9.

Bij brief van 28 februari 2022 heeft [gedaagde] de op 2 januari 2017 tussen partijen gesloten Orderverwerkingsovereenkomst opgezegd per 1 juni 2022. [eiseres] vordert in conventie - kort gezegd dat [gedaagde] nog acht maanden uitvoering geeft aan de Orderverwerkingsovereenkomst. [eiseres] stelt daartoe dat de overeenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan en dat een opzegtermijn, gelet op de duur van de overeenkomst, van acht maanden passend is. [gedaagde] verzet zich daartegen.

5.10.

De voorzieningenrechter kwalificeert de Orderverwerkingsovereenkomst als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Uitganspunt van een duurovereenkomst is dat deze in beginsel te allen tijde kan worden opgezegd. In de door [A] zelf opgestelde Orderverwerkingsovereenkomst is vastgelegd dat de overeenkomst kan worden opgezegd tegen een termijn van drie maanden. [gedaagde] heeft zich aan deze opzeggingstermijn gehouden. Voorts heeft [gedaagde] gesteld dat zij alle financiële verplichtingen betreffende de door haar opgezegde Orderverwerkingsovereenkomst volledig is nagekomen.

5.11.

[eiseres] stelt, wat door [gedaagde] gemotiveerd wordt betwist, dat de door [gedaagde] gehanteerde opzeggingstermijn van drie maanden in dit geval toch veel te kort is. Dat is de voorzieningenrechter voorshands niet met [eiseres] eens gezien het bepaalde in r.o. 5.10. Maar, ook als [eiseres] wordt gevolgd in haar standpunt betekent dit niet dat de vorderingen die zien op een langere opzeggingstermijn van de Orderverwerkingsovereenkomst kunnen worden toegewezen. Een door de wederpartij gehanteerde te korte opzeggingstermijn dient zich te vertalen in een schadevergoeding, in plaats van het na 1 juni 2022 laten voortduren van de Orderverwerkingsovereenkomst. Dit betekent de dat de vordering onder 1h en 2 van het petitum van [eiseres] wordt afgewezen.

[onderneming 2]

5.12.

Tussen partijen is ook een geschil over diverse bij de expediteur [onderneming 2] in opslag liggende producten. In conventie zou het volgens [eiseres] gaan om een door haar via [onderneming 7] Ltd voor [gedaagde] gedane bestelling, die vervolgens door [gedaagde] zou zijn geannuleerd. [gedaagde] stelt echter dat [eiseres] voornemens is deze producten in het economisch verkeer te brengen wat een inbreuk maakt op de haar toekomende IErechten. Dit laatste geldt volgens [gedaagde] ook voor de door haar in reconventie genoemde andere door [eiseres] gedane bestellingen. Ter zitting heeft [gedaagde] gemeld dat zij inmiddels bij een van deze bestellingen geconstateerd heeft dat de merknaam [gedaagde] niet meer op het product staat, terwijl de artikelnummers wel identiek zijn. Volgens [gedaagde] duidt ook dit op (voorgenomen) merkinbreuk. [eiseres] betwist zich schuldig te maken of te zullen maken aan enig merkinbreuk. Verder heeft [eiseres] opgemerkt dat veel van de bij [onderneming 2] bevindende producten al langere tijd geleden door haar in opdracht van en voor [gedaagde] besteld zijn en nu eindelijk uitgeleverd worden.

5.13.

Ook hier geldt dat nadere bewijsvoering nodig is, terwijl ook niet duidelijk is welk specifiek (spoedeisend) belang [gedaagde] heeft bij de gevorderde verklaring van [eiseres] aan [onderneming 2] . Het staat [gedaagde] vrij om [onderneming 2] zelf een brief te sturen met de door haar in reconventie gevraagde inhoud. Bovendien lijkt de door [gedaagde] in reconventie gevorderde verklaring op bepaalde punten sterk op een verklaring voor recht. De door partijen over en weer gevraagde voorziening over [onderneming 2] komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.

[onderneming 3]

5.14.

Op grond van hetgeen over de door [gedaagde] in reconventie gevraagde verklaring aan [onderneming 2] is overwogen, is ook de door [gedaagde] gevraagde verklaring aan [onderneming 3] niet toewijsbaar.

[onderneming 1]

5.15.

Ten behoeve van de orderverwerking van de producten van de B2C webshops wordt gebruik gemaakt van een [onderneming 1] betalingsaccount. [eiseres] en [gedaagde] hadden beiden toegang tot dit account. Op 13 mei 2022 ontdekte [gedaagde] dat haar bankrekeningnummer niet meer aan het [onderneming 1] account gekoppeld was. Het account is (tijdelijk) door [onderneming 1] geblokkeerd wegens het huidige geschil tussen partijen, waarvan [eiseres] haar op de hoogte heeft gebracht. De door [gedaagde] onder 3.1 onder III gevraagde veroordeling is slecht toewijsbaar als vast komt te staan dat het standpunt van [gedaagde] over de door haar gestelde rechten op de B2B-webshops juist is. Zoals hiervoor is overwogen over de 4-Namen, de 6-Domeinen en de B2C-webshops kan daar vooralsnog niet van uit worden gegaan. De vordering wordt dan ook niet toegewezen.

Verbod tot het plaatsen van bestelling en het doen van uitlatingen

5.16.

[gedaagde] vordert in reconventie [eiseres] te veroordelen om met onmiddellijke ingang geen bestellingen meer bij derden te plaatsen op naam van [gedaagde] en zich te onthouden van het doen van uitlatingen tegen derden, in het bijzonder dat sprake zou zijn van enige vorm van samenwerking tussen partijen.

5.17.

Gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval, waaronder de situatie dat partijen bijna over alles van mening verschillen (o.a. aan wie de rechten op de 4-Namen, de 6-Domeinen en de B2C-webshops toebehoren, de status en omvang van [eiseres] , op welke wijze in het verleden zaken met elkaar is gedaan en of er sprake is van merkinbreuk en door wie de merkinbreuk dan wordt gepleegd), is er geen aanleiding om dit onderdeel van de vorderingen toe te wijzen. [gedaagde] heeft ook niet (voldoende) aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij toewijzing hiervan.

Conclusie

5.18.

Op grond van het vorenstaande komen de vorderingen in conventie en in reconventie niet voor toewijzing in aanmerking.

De proceskosten

5.19.

[eiseres] zal als de in conventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld.

5.20.

[gedaagde] heeft als gedaagde in conventie verweer gevoerd tegen de door [eiseres] gevraagde kostenveroordeling van € 33.920,00 (ex BTW), maar heeft in conventie geen kostenveroordeling gevraagd. De kostenveroordeling zal op grond van artikel 237 Rv ambtshalve worden gegeven. De kosten aan de zijde van [gedaagde] wordt begroot op:

griffierecht € 676,00

- salaris advocaat 1.016,00

Totaal € 1.692,00

5.21.

[gedaagde] zal als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld.

5.22.

In reconventie heeft [eiseres] als gedaagde in reconventie verweer gevoerd tegen de door [gedaagde] gevraagde kostenveroordeling van € 22.201,50 (exclusief BTW), maar heeft in reconventie geen kostenveroordeling gevraagd. De kostenveroordeling wordt dus ook in reconventie op grond van artikel 237 Rv ambtshalve gegeven. De kosten aan de zijde van [eiseres] wordt, nu de reconventie voor een belangrijk deel voortvloeit uit het verweer in conventie, begroot op € 508,00 (0,5 x € 1.016,00) voor salaris advocaat.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.692,00,

in reconventie

6.3.

wijst de vorderingen af,

6.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 508,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2022.1

1 type: TS (4428)