Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2022:2508

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-07-2022
Datum publicatie
05-07-2022
Zaaknummer
16/707552-17; 16/659052-20 (gev ttz) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Megazaak Eris

Eris betreft een onderzoek naar het in opdracht voor anderen uitvoeren van liquidaties, voorbereidingen van liquidaties en pogingen daartoe, die zijn gepleegd in een crimineel samenwerkingsverband met als oogmerk het plegen van liquidaties, voorbereidingen daarvan en wapenbezit.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorbereiden van de moord op [slachtoffer 1] op 5 juli 2017 en medeplichtig is geweest aan het medeplegen van de liquidatie van [slachtoffer 1] op 7 juli 2017. De rechtbank veroordeelt verdachte hiervoor tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren en 6 maanden.

In het vonnis zijn onder meer overwegingen opgenomen over:

- De beoordeling en toepassing van de kroongetuigeregeling en het beoordelingskader;

- De bewijsoverwegingen met betrekking tot de strafbare betrokkenheid bij liquidaties;

- De straftoemeting;

- De civiele vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Locatie Utrecht

Parketnummers: 16/707552-17; 16/659052-20 (gev ttz) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 5 juli 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,

uit andere hoofde gedetineerd in de PI [locatie 1] te [plaats 1] .

1 INLEIDING

1.1

De loop van het onderzoek

Op 7 juli 2017 is [slachtoffer 1] van het leven beroofd bij het station van [plaats 2] (deelonderzoek Breuk). De politie kwam al snel op het spoor van twee verdachten, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] werd in oktober 2017 aangehouden in Spanje, [medeverdachte 2] in Nederland. [medeverdachte 1] heeft als verdachte vrijwel direct een bekennende verklaring afgelegd. Vervolgens werd duidelijk dat hij in staat en bereid was om meer te verklaren over mededaders en opdrachtgevers in het onderzoek Breuk, maar ook over andere ernstige strafbare feiten. Hij heeft diverse kluisverklaringen afgelegd en uiteindelijk is met hem in november 2018 een zogenoemde kroongetuige-overeenkomst gesloten. Zijn verklaringen hebben nieuwe aanknopingspunten gegeven voor liquidatie-onderzoeken die waren vastgelopen en er is zicht gekregen op een groep personen die zich bezig leek te houden met het plegen van liquidaties en feiten die daarmee verband houden. Op 21 november 2018 is een landelijke klapdag gehouden, waarop vele aanhoudingen zijn verricht en een zeer groot aantal gegevensdragers in beslag is genomen. Het onderzoek naar deze criminele organisatie en de feiten die in dat kader zijn gepleegd heeft de naam Eris gekregen. In dat onderzoek doet de rechtbank vandaag uitspraak.

1.2

Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis wordt op tegenspraak gewezen. Na diverse voorbereidende zittingen is op 30 augustus 2021 de inhoudelijke behandeling begonnen en zijn in totaal 51 zittingsdagen gevolgd, zoals in bijlage 1 opgenomen. Gedurende die dagen is de kroongetuige op zitting gehoord en zijn de deelonderzoeken en vorderingen van de benadeelde partijen behandeld. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officieren van justitie in het onderzoek Eris en van hetgeen [verdachte] en zijn raadsman, mr. Y. Bouchikhi, advocaat te Utrecht naar voren hebben gebracht. Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen de benadeelde partij naar voren heeft gebracht. Dit betrof:

- [benadeelde] , bijgestaan door mr. W. van Egmond.

1.3

Het onderzoek Eris

Het onderzoek Eris heeft betrekking op 21 verdachten, die ervan worden beschuldigd al dan niet in wisselende samenstelling betrokken te zijn geweest bij één of meer liquidaties, pogingen daartoe of voorbereiding daarvan. De zaken van twee van deze verdachten, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , die alleen verdachte zijn in het deelonderzoek Charon, zijn afgesplitst en worden door een andere meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld (Charon 2).

Zeventien verdachten worden beschuldigd van het vormen van een criminele organisatie gericht op liquidaties, voorbereidingen daartoe en wapendelicten. Daarnaast worden enkele verdachten beschuldigd van andere strafbare feiten. In dit vonnis zijn de overwegingen en beslissingen van de rechtbank opgenomen die in de strafzaak tegen de hierboven genoemde verdachte zijn gegeven. De rechtbank wijst vandaag ook vonnis in de zaken van de andere achttien medeverdachten die gelijktijdig terecht hebben gestaan.

Het procesdossier Eris bestaat uit een groot aantal deelonderzoeken, die ook onderling met elkaar verweven zijn, al is het maar door de daarop gebaseerde verdenking van deelname aan de criminele organisatie. Deze verwevenheid maakt dat de rechtbank niet alleen op de verweren van de betreffende verdachte in zal gaan, maar ook, waar nodig, hetgeen is aangevoerd in andere zaken in haar oordeel zal betrekken.

Voor de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank in plaats van de termen verdachte en getuige de namen gebruiken: [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 13] , [medeverdachte 14] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 15] , [verdachte] , [medeverdachte 16] , [medeverdachte 17] , [medeverdachte 18] , [medeverdachte 19] en [medeverdachte 20] . De rechtbank gebruikt een voorletter in die gevallen waarin meerdere personen in het dossier dezelfde achternaam hebben. Waar de rechtbank de naam ‘ [medeverdachte 1] ’ noemt gaat het in alle gevallen om [medeverdachte 1] , zijn vader wordt steeds aangeduid als [A]

Er zijn sterke aanwijzingen voor de betrokkenheid van [B] (verder: [B] ) in een groot aantal deelonderzoeken in Eris. De officier van justitie heeft toegelicht dat [B] ook daadwerkelijk als verdachte wordt beschouwd: hij zou kort gezegd de persoon zijn die aan de organisatie van [medeverdachte 5] opdrachten tot liquidaties gaf. Meer in het bijzonder zou zijn gebleken dat [medeverdachte 5] communiceerde met een persoon dan wel personen met onder andere de volgende gebruikersnamen:

  • -

    ‘ [PGP gebruikersnaam B1] ’;

  • -

    ‘ [PGP gebruikersnaam B 2] ’;

  • -

    ‘ [PGP gebruikersnaam B 3] ’;

  • -

    ‘ [PGP gebruikersnaam B 4] ’.

In het dossier van het onderzoek Eris wordt daartoe verwezen naar conclusies waarop de politie baseert dat achter deze PGP-namen de persoon van [B] schuil gaat. De onderliggende onderzoeksbevindingen zijn blijkbaar deels afkomstig uit het onderzoek in de strafzaak Marengo, maar die zijn grotendeels niet gevoegd in het dossier Eris. Ook in Eris zijn sterke aanwijzingen dat [B] als opdrachtgever van [medeverdachte 5] betrokken is. [medeverdachte 1] heeft dit immers met zoveel woorden verklaard, terwijl ook ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 6] ’ aan ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 5] laat weten dat de berichten die hij af en toe doorstuurt (van ‘ [PGP gebruikersnaam B 3] ’) van [B] zijn. Omdat [B] in het megaproces Marengo wordt vervolgd, heeft het Openbaar Ministerie ervoor gekozen om hem niet ook in het Eris-proces te dagvaarden. Dit heeft tot gevolg dat [B] zich in dit proces niet heeft kunnen verweren en de rechtbank hem ook niet kan confronteren met aanwijzingen die doen vermoeden dat [B] schuilgaat achter genoemde PGP-namen. De rechtbank zal daarom in haar overwegingen telkens spreken van vermoedelijk [B], daar waar zij deze sterke aanwijzingen ziet.

1.4

Het dossier waar de rechtbank bij haar beoordeling van is uitgegaan

De verschillende deelonderzoeken in chronologische volgorde:

1. Charon, de moord op [slachtoffer 2] op 31 januari 2017;

2 Eend, het beramen van de moord op [slachtoffer 3] in de periode van 2 februari 2017 tot en met 10 januari 2018;

3 Kraai, het beramen van de moord op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] op 18 februari 2017;

4 Spreeuw, het beramen van de moord op [slachtoffer 6] op 18 februari 2017;

5 Mus, het beramen van de moord op [slachtoffer 7] op 18 februari 2017;

6 Duif, het beramen van de moord op [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] op 18 februari 2017;

7 Barbera, de poging tot moord op [slachtoffer 10] op 9 maart 2017;

8 Arford, de poging tot moord op [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14] op 17 maart 2017;

9 Charlie17, de moord op [slachtoffer 15] op 17 april 2017;

10 Gezicht, de poging afschieten raketwerper op een woning in [plaats 14] op 28 juni 2017 en het schieten met een automatisch vuurwapen op een woning in [plaats 14] op 29 juni 2017;

11 Breuk, de voorbereiding voor de moord op [slachtoffer 1] op 5 juli 2017 en de moord op [slachtoffer 1] op 7 juli 2017;

12 Langenhorst, de moord op [slachtoffer 16] op 26 juli 2017;

13 Lis, de moord op [slachtoffer 17] op 21 september 2017;

14 Goudvink, de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 18] in de periode van juli 2018 tot en met 24 september 2018;

15 de criminele organisatie in de periode van januari 2017 tot en met 21 november 2018.

En daarnaast nog de volgende deelonderzoeken:

16 Waterspin, de afpersing en poging tot afpersing van [slachtoffer 19] en [slachtoffer 20] in de periode van 2017-2018 (verdachten [medeverdachte 15] en [medeverdachte 20] );

17 Amarone, het bezit van en de handel in vuurwapens van 15 augustus 2017 tot en met 16 april 2019 (verdachte [medeverdachte 14] );

18 Brunello, de mishandeling van [slachtoffer 21] op 7 februari 2019 en het bezit van een vuurwapen op 25 oktober 2016 (verdachte [medeverdachte 13] ).

In de strafdossiers van iedere verdachte zijn, behalve het gehele zogeheten Eris-dossier (bovengenoemde achttien deelonderzoeken), tevens gevoegd:

  • -

    alle processen-verbaal van de terechtzittingen van de rechtbank tegen ieder van de Eris-verdachten, met uitzondering van de processen-verbaal over de persoonlijke omstandigheden van de verdachten;

  • -

    alle processen-verbaal van (getuigen)verhoor door de rechter-commissaris die in de zaken van één of meer van de verdachten zijn opgemaakt, met uitzondering van enkele getuigenverklaringen in de zaak Waterspin die alleen in de zaken van verdachten [medeverdachte 15] en [medeverdachte 20] zijn opgenomen;

  • -

    documenten en bescheiden die, op initiatief van de verdediging of anderszins, gedurende de procedure zijn toegevoegd aan het dossier in de zaak tegen één of meer verdachten.

Hoewel de meeste verdachten al dan niet op verzoek van een medeverdachte op zitting als getuige zijn gehoord, zijn daarnaast alle processen-verbaal van de zittingen in alle dossiers gevoegd vóórdat het requisitoir en de pleidooien zijn gehouden. Ten gevolge hiervan maken alle verklaringen van alle verdachten zoals afgelegd op de zittingen in bijzijn van hun advocaat deel uit van het procesdossier, dus niet alleen de verklaringen die zij daar als getuige hebben afgelegd, maar ook de verklaringen die zij in hun eigen zaak hebben afgelegd. Dit maakt dat het dossier voor elke verdachte gelijkluidend is.

De vonnissen zijn in beginsel als volgt opgebouwd:

Hoofdstuk 1: de inleiding

Hoofdstuk 2: de verkorte weergave van de tenlastelegging

Hoofdstuk 3: de voorvragen, overwegingen en algemene conclusies met betrekking tot de kroongetuige

Hoofdstuk 4: de waardering van het bewijs en de conclusies van de veredelingen

Hoofdstuk 5: de bewezenverklaring

Hoofdstuk 6: de strafbaarheid van de feiten

Hoofdstuk 7: de strafbaarheid van de verdachte

Hoofdstuk 8: de strafmaat

Hoofdstuk 9: het beslag

Hoofdstuk 10: de benadeelde partijen

Hoofdstuk 11: de toepasselijke wettelijke voorschriften

Hoofdstuk 12: de beslissing

Bijlage 1: de zittingsdagen

Bijlage 2: de tenlastelegging per verdachte

Bijlage 3: de door de rechtbank vastgestelde veredelingen en identificaties

Bijlage 4: de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen

In bijlage 3 bij dit vonnis heeft de rechtbank de gebruikers van diverse PGP-accounts, telefoons, en andere gegevensdragers veredeld en geïdentificeerd. Waar de rechtbank in het vonnis benoemt dat een gebruiker is veredeld/geïdentificeerd, verwijst de rechtbank daarvoor naar de bewijsmiddelen en conclusies in deze bijlage 3.

In bijlage 4 heeft de rechtbank per deelonderzoek de bewijsmiddelen opgenomen die zij gebruikt voor het bewijs in dat deelonderzoek. In een aantal deelonderzoeken verwijst de rechtbank op grond van de onderlinge verwevenheid naar bewijsmiddelen opgenomen onder andere deelonderzoeken, voor zover deze mede ten grondslag liggen aan de bewijsbeslissing.

Gelet op de onderlinge verwevenheid van de deelonderzoeken en de criminele organisatie waarbinnen het merendeel van deze deelonderzoeken is uitgevoerd, zijn de bijlagen 1, 3 en 4 voor alle verdachten grotendeels gelijkluidend, voor zover een veroordeling volgt. Dit geldt niet voor de deelonderzoeken Waterspin, Amarone en Brunello. Deze deelonderzoeken zijn niet in het verband van de criminele organisatie gepleegd en de bewijsmiddelen in die deelonderzoeken worden daarom alleen in de bijlage bij het vonnis van de betreffende verdachten opgenomen.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort, feitelijk en chronologisch weergegeven, op neer dat [verdachte] :

Ten aanzien van 16/707552-17 (Breuk)

Primair op 5 juli 2017 te [plaats 2] , [plaats 3] , [plaats 4] en/of [plaats 5] met een ander of anderen heeft geprobeerd [slachtoffer 1] te vermoorden;

Subsidiair in de periode van 1 januari 2017 tot en met 5 juli 2017 te [plaats 2] , [plaats 3] , [plaats 4] en/of [plaats 5] met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan de poging om [slachtoffer 1] te vermoorden op 5 juli 2017;

Meer subsidiair in de periode van 1 januari 2017 tot en met 5 juli 2017 te [plaats 2] , [plaats 3] , [plaats 4] en/of [plaats 5] met een ander of anderen voorbereidingshandelingen voor de moord op [slachtoffer 1] heeft verricht;

Ten aanzien van 16/659052-20 (Breuk)

Primair op 7 juli 2017 te [plaats 2] met een ander of anderen [slachtoffer 1] heeft vermoord;

Subsidiair in de periode van 5 juli 2017 tot en met 7 juli 2017 te [plaats 2] met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan de moord op [slachtoffer 1] op 7 juli 2017 te [plaats 2] .

3. VOORVRAGEN, OVERWEGINGEN EN ALGEMENE CONCLUSIES MET BETREKKING TOT DE KROONGETUIGE

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van [verdachte] en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Het debat dat is gevoerd over de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging heeft zich toegespitst op het inzetten van de kroongetuige in het Eris-proces.

3.1

De kroongetuige

3.1.1

Algemeen

De kerntaak van de zittingsrechter met betrekking tot een kroongetuige is tweeledig. Zij beoordeelt de betrouwbaarheid van diens verklaringen en de rechtmatigheid van de overeenkomst die met de kroongetuige is gesloten, voor zover de rechtmatigheid is betwist.

Als eerste zal de rechtbank de totstandkoming van de overeenkomst met [medeverdachte 1] schetsen. Daarna zal zij de verweren bespreken die de rechtmatigheid van de overeenkomst betreffen en de daaraan te verbinden gevolgen. Vervolgens komen de verweren die de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige betwisten aan bod. Hoewel niet alle raadslieden zich concreet bij alle verweren hebben aangesloten, zal de rechtbank deze verweren ambtshalve bespreken in alle vonnissen waarin de verklaringen van [medeverdachte 1] van belang zijn.

Bij de beoordeling heeft de rechtbank rekening gehouden met de bepalingen in de artikelen 226g van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) e.v., die zien op de kroongetuigeregeling, op artikel 359a Sv en op artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).

3.1.2

Totstandkoming van de overeenkomst

Op 13 oktober 2017 is [medeverdachte 1] aangehouden op verdenking van de moord op [slachtoffer 1] gepleegd op 7 juli 2017 te [plaats 2] . Hij heeft als verdachte in die zaak een bekennende verklaring afgelegd. In november 2017 heeft [medeverdachte 1] kenbaar gemaakt dat hij bereid en in staat was om over meer dan alleen zijn eigen rol in deze zaak verklaringen af te leggen in ruil voor bescherming, omdat hij vreesde voor zijn leven. Tussen januari 2018 tot en met mei 2018 heeft [medeverdachte 1] in totaal 25 zogenaamde kluisverklaringen afgelegd tegenover het team Bijzondere Getuigen. Op 12 november 2018 heeft de rechter-commissaris in strafzaken de voorgenomen overeenkomst tussen de Staat en [medeverdachte 1] getoetst en rechtmatig bevonden. Op 13 november 2018 heeft de Staat een overeenkomst gesloten met [medeverdachte 1] . Daarbij heeft [medeverdachte 1] zich verbonden om als getuige zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid verklaringen af te leggen met betrekking tot een aantal in de overeenkomst genoemde misdrijven (de zogenoemde ‘dealfeiten’) en afstand gedaan van zijn verschoningsrecht als verdachte (de rechtbank begrijpt: in zijn hoedanigheid van getuige). De officier van justitie verbond zich om bij volledige nakoming door [medeverdachte 1] de strafeis voor zijn aandeel in de dealfeiten te zullen stellen op twaalf jaar gevangenisstraf. Daarbij werd opgemerkt dat de strafeis tegen een verdachte die geen kroongetuige was, bij gelijke omstandigheden een gevangenisstraf van 24 jaren zou bedragen (“de basisstrafeis”). De strafvervolging van [medeverdachte 1] zou zich, behoudens gewijzigde omstandigheden, uitstrekken tot het medeplegen van de moord op [slachtoffer 1] , medeplegen van het voorhanden hebben van twee vuurwapens, medeplegen van opzetheling van twee personenauto’s, medeplegen van opzettelijk gebruikmaken van een valse kentekenplaat, alsmede – bij voldoende bewijs – medeplegen van poging doodslag dan wel bedreiging en vernieling op 28 en 29 juni 2017 aan de [locatie 5] te [plaats 14] en tot deelname aan een criminele organisatie.

3.1.3

Rechtmatigheid van de overeenkomst

Er zijn diverse verweren gevoerd die strekken tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [medeverdachte 1] , omdat de overeenkomst met [medeverdachte 1] niet rechtmatig gesloten zou zijn.

Hiertoe is door de verdediging onder meer aangevoerd dat het onmogelijk is te toetsen of de inhoud van de verklaringen van [medeverdachte 1] is beïnvloed door eventuele verboden toezeggingen in het kader van de met [medeverdachte 1] gesloten beschermingsovereenkomst, omdat deze laatste niet toetsbaar of controleerbaar is. Voorts is volgens de verdediging de uiteindelijke netto strafeis van acht jaar in de overeenkomst disproportioneel laag en is door het Openbaar Ministerie op ongerechtvaardigde en onbegrijpelijke gronden afgezien van vervolging van [medeverdachte 1] in het deelonderzoek Langenhorst. Ook is aangevoerd dat in de overeenkomst verboden beloningen zijn ingebouwd. Dit omdat het Openbaar Ministerie geen ontnemingsvordering indient voor onder meer het wederrechtelijk door [medeverdachte 1] verkregen voordeel van € 10.000,- voor de moord op [slachtoffer 1] , omdat [medeverdachte 1] een miljoenenschuld die hij aan derden heeft niet meer zal hoeven te betalen omdat hij straks in de anonimiteit verdwijnt en omdat de vader van [medeverdachte 1] niet zal worden vervolgd. Deze beloningen zouden niet openlijk zijn gedeeld met de rechtbank en de verdediging.

De rechtbank moet aan de hand van de feiten en omstandigheden die ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst met [medeverdachte 1] aan de orde waren, de vraag beantwoorden of deze overeenkomst binnen de grenzen van het recht is gebleven. De rechtbank zal dit bespreken bij de hieronder genoemde onderwerpen.

Overeenkomst ex artikel 226g Sv in dit geval mogelijk?

De rechtbank dient allereerst te beoordelen of de overeenkomst met [medeverdachte 1] dringend noodzakelijk was om de opsporing, voorkoming of beëindiging van feiten mogelijk te maken die anders niet of niet tijdig zou plaatsvinden, of er een redelijke verhouding was tussen het belang van de te verkrijgen informatie en de te leveren tegenprestatie en of de overeenkomst ook overigens binnen de grenzen van het recht is gebleven.

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [medeverdachte 1] betrekking hebben op misdrijven als bedoeld in artikel 226g, eerste lid Sv. De rechtbank is verder van oordeel dat het Openbaar Ministerie het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot een overeenkomst met [medeverdachte 1] te komen. [medeverdachte 1] kon immers verklaren over een aantal voltooide levensdelicten waarvan de opsporing op een dood spoor was beland en zonder zijn verklaringen niet binnen afzienbare tijd tot resultaat had geleid. Zijn verklaringen betroffen niet alleen vermeende uitvoerders, maar ook vermeende opdrachtgevers. Door de verklaringen van [medeverdachte 1] is zicht gekregen op een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van liquidaties in opdracht van anderen voor geld en die tot dan toe onder de radar was gebleven. Ook boden zijn verklaringen veel aanknopingspunten voor nader onderzoek in lopende onderzoeken en zaken die op dat moment nog niet bekend waren bij de politie.

Beïnvloeding door beschermingsovereenkomst?

Het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd dat vóór het sluiten van de overeenkomst niet over de details van een getuigenbeschermingsovereenkomst met de kroongetuige wordt gesproken. Er wordt alleen toegezegd dat kroongetuigen hulp en steun zullen krijgen om na afloop van de detentie elders een veilig bestaan op te bouwen. De details en de financiële aspecten komen pas aan de orde als de fictieve datum van invrijheidstelling van de kroongetuige in zicht komt. Nu de verklaringen reeds lang daarvoor zijn afgelegd kunnen die niet beïnvloed zijn door de beschermingsovereenkomst.

De rechtbank bespreekt het verweer omtrent de beschermingsovereenkomst in het licht van de zorgplicht die wordt ontleend aan de positieve verplichtingen van het EVRM, het burgerlijk recht en aan de in artikel 226l Sv neergelegde bepaling. Aan deze zorgplicht wordt in voorkomende gevallen uitvoering gegeven door het maken van afspraken over getuigenbescherming met kroongetuigen. Door de medewerking te vragen van deze getuigen aan de opsporing, neemt de Staat ook een gedeelte van de ‘veiligheidsverantwoordelijkheid’ van deze persoon op zich.

Uit het samenstel van de wettelijke regeling en de toepasselijke beleidsregels volgt dat met betrekking tot de rechtmatigheid en de doelmatigheid van maatregelen van getuigenbescherming in de strafvorderlijke context aan de strafrechter in het geheel geen toetsende rol is toebedeeld. De kroongetuigenregeling en de getuigenbescherming betreffen juist juridisch twee verschillende trajecten. Hoewel in de afgelopen jaren soms duidelijk werd dat er in de praktijk wel degelijk verstrengeling kan bestaan tussen de strafvorderlijke overeenkomst en de beschermingsovereenkomst, in die zin dat de mate van ervaren geboden veiligheid en de bereidheid om te verklaren elkaar kunnen beïnvloeden, en er in de literatuur regelmatig wordt gepleit voor een vorm van externe, rechterlijke toetsing van de beschermingsovereenkomst, biedt de wet hiervoor ook thans nog geen grond. De Hoge Raad heeft in dit kader overwogen: “Zo een verplichting zou – temeer omdat de huidige wet geen specifieke regeling kent met betrekking tot de afscherming van processtukken in het belang van de veiligheid van de kroongetuige – onverenigbaar zijn met het doel van bescherming van de getuige en de aard van de daartoe strekkende maatregelen.”.1De rechtbank wijst er overigens in dit verband op dat de kluisverklaringen door [medeverdachte 1] reeds zijn afgelegd vóórdat de strafvorderlijke overeenkomst met hem is gesloten, dus zonder dat hij wist óf de overeenkomst gesloten zou worden en zo ja, onder welke voorwaarden, terwijl de details van de beschermingsovereenkomst nóg later, namelijk pas kort voor het aflopen van de gevangenisstraf zullen worden bepaald. Dit levert dus geen aanwijzing op dat er sprake is van verboden toezeggingen in het kader van de beschermingsovereenkomst.

Overeenkomst proportioneel?

De rechtbank zal achtereenvolgens ingaan op de omvang van de vervolging van [medeverdachte 1] en het afzien van vervolging van de vader van [medeverdachte 1] , de basisstrafeis, de eis en het achterwege laten van een ontnemingsvordering en het feit dat [medeverdachte 1] een schuld aan derden niet meer zou hoeven te betalen.

Bij requisitoir heeft het Openbaar Ministerie uitgebreid toegelicht dat de beslissing om [medeverdachte 1] niet te vervolgen in Langenhorst ruim ná het sluiten van de overeenkomst is genomen door de zaaksofficieren naar aanleiding van de resultaten van het opsporingsonderzoek en dat daarbij geen gebruik is gemaakt van het opportuniteitsbeginsel, maar dat is beslist dat een vervolging in de ogen van het Openbaar Ministerie geen kans van slagen had. Deze beslissing was volgens het Openbaar Ministerie gelegen in het gegeven dat [medeverdachte 1] – in tegenstelling tot de andere verdachten – uitgebreide verklaringen heeft afgelegd en duidelijk heeft gemaakt dat hij de moord helemaal niet wilde plegen en ook tijdig is gestopt. Deze verklaringen acht het Openbaar Ministerie betrouwbaar en in lijn met andere onderzoeksbevindingen.

De rechtbank hanteert het volgende juridisch kader. In de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (hierna te noemen: de Aanwijzing) zijn beleidsregels geformuleerd over de toepassing van de artikelen 226g tot en met 226l Sv. In de Aanwijzing is geregeld welke toezeggingen aan getuigen toelaatbaar zijn en welke toezeggingen niet. Punt 5.1 van deze Aanwijzing bevat een verbod om toezeggingen te doen met betrekking tot de inhoud van de tenlastelegging (bijvoorbeeld het aantal feiten op de tenlastelegging en de zwaarte daarvan). Punt 5.2 bevat een verbod om in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid af te zien van actieve opsporing of vervolging van strafbare feiten.

Bij de beoordeling door het Openbaar Ministerie of vervolging van een verdachte voor een bepaald strafbaar feit opportuun is spelen in ieder geval de aard van het feit, de bewijsbaarheid van het feit en het algemeen belang een rol. Ook in geval van een potentiële kroongetuige is de afweging daarvan bij uitstek een taak van het Openbaar Ministerie. De rechter die de overeenkomst met een kroongetuige toetst, dient deze afweging in beginsel te eerbiedigen. Het is niet de taak van die rechter om zelf te bepalen voor welke feiten de kroongetuige zou moeten worden vervolgd en welke strafeis bij die vervolging zou passen. Wel dient de rechter, gelet op de geldende wet- en regelgeving, te toetsen of er geen sprake is geweest van onderhandelingen met de getuige over het aantal ten laste te leggen feiten en de kwalificatie daarvan en of niet in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd af te zien van vervolging voor bepaalde feiten. In dat geval zou er immers sprake kunnen zijn van een niet toegestane toezegging in de zin van de Aanwijzing.

De rechtbank stelt vast dat is gesteld noch gebleken dat [medeverdachte 1] en het Openbaar Ministerie hebben onderhandeld over de ten laste te leggen feiten. Het Openbaar Ministerie heeft zoals hiervoor besproken verklaard dat de vervolgingsbeslissing in het deelonderzoek Langenhorst het resultaat was van intern overleg tussen de zaaksofficieren ruim ná het sluiten van de overeenkomst en dat het resultaat daarvan aan [medeverdachte 1] is medegedeeld. Evenmin is gebleken dat het achterwege laten van vervolging van [medeverdachte 1] voor zijn handelingen in dit deelonderzoek is te duiden als een verboden toezegging. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 226g, tweede lid Sv schrijft voor dat in de overeenkomst met een kroongetuige wordt vastgelegd voor welke feiten de getuige zelf zal worden vervolgd. Dat betekent dat het Openbaar Ministerie de strafbaarheid van het feit, de kans op een veroordeling en aspecten van algemeen belang naar de stand van zaken van dat moment moet inschatten. Vanuit een oogpunt van algemeen belang is niet onbegrijpelijk dat het Openbaar Ministerie de vervolging van de potentiële kroongetuige beperkt tot feiten waarvoor reeds op dat moment voldoende bewijs voorhanden lijkt te zijn of die mogelijkheid in ieder geval reëel te achten is na verder opsporingsonderzoek. Wanneer het Openbaar Ministerie een kroongetuige ook zou moeten vervolgen voor feiten waarin de bewijspositie dubieus is of zeer weinig kans van slagen heeft, zouden de te verwachten veroordeling en de straf(eis) uiterst onzeker worden. Het nuttig effect van de kroongetuigenregeling zou in die interpretatie ernstig worden aangetast.

Het Openbaar Ministerie heeft na de totstandkoming van de overeenkomst geoordeeld dat de slagingskans van een vervolging van [medeverdachte 1] in de zaak Langenhorst te klein was, omdat – kort gezegd – bewijs voor het vereiste opzet op de moord bij [medeverdachte 1] ontbrak. De rechtbank acht deze beoordeling in de zaak van [medeverdachte 1] weliswaar voor (enige) discussie vatbaar, maar niet zo onbegrijpelijk dat geoordeeld zou kunnen worden dat het niet anders kan dan dat in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd af te zien van vervolging voor bepaalde feiten en dat het achterwege laten van vervolging voor dit feit achteraf moet worden opgevat als een verkapte verboden toezegging voor het afleggen van verklaringen. De rechtbank acht de beslissing van het Openbaar Ministerie om alleen te vervolgen in bewijstechnisch stevig ogende zaken dan ook rechtmatig.

Voor een toezegging aan [medeverdachte 1] dat zijn vader [A] niet zal worden vervolgd voor strafbare feiten in Eris is geen enkele aanwijzing gevonden in het dossier.

Netto strafeis disproportioneel?

Het Openbaar Ministerie heeft gesteld dat geen sprake is van een disproportionele eis. Zoals hiervoor besproken heeft het Openbaar Ministerie in de overeenkomst de basisstrafeis bepaald op 24 jaren en, bij nakoming van de verplichtingen door [medeverdachte 1] , toegezegd om 50% hiervan als straf te zullen eisen, namelijk twaalf jaren gevangenisstraf.

De rechtbank hanteert het volgende juridisch kader. Ook voor de tegen een kroongetuige te formuleren basisstrafeis geldt dat het Openbaar Ministerie een ruime beoordelingsvrijheid heeft die de rechter heeft te eerbiedigen. Op voorhand kan echter niet worden uitgesloten dat een toegezegde basisstrafeis zo onbegrijpelijk laag is dat het verschil met een reguliere strafeis niet anders kan worden opgevat dan als tegenprestatie voor af te leggen verklaringen. De rechter dient in verband daarmee te toetsen of het Openbaar Ministerie, gelet op alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van zijn ruime beoordelingsvrijheid, in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis heeft kunnen komen.

De rechtbank kan de rechtmatigheid van die basisstrafeis slechts afmeten aan de feiten die daadwerkelijk aan [medeverdachte 1] ten laste zijn gelegd. Zoals gezegd gaat het om het medeplegen van een moord, het voorhanden hebben van wapens, de heling van auto’s en het voorhanden hebben van een valse kentekenplaat en zijn daarbij tevens de feiten betrokken in het deelonderzoek Gezicht en deelname aan een criminele organisatie. Al deze feiten overziende acht de rechtbank de basisstrafeis van 24 jaren niet zo onverklaarbaar laag dat deze niet anders kan worden verklaard dan als een verkapte tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen, terwijl de maximale strafkorting van 50% niet wordt overschreden. Daarom acht de rechtbank de overeenkomst met [medeverdachte 1] ook op dit punt niet onrechtmatig.

Bij aanvang van de inhoudelijke behandeling heeft het Openbaar Ministerie evenwel aangekondigd bij requisitoir een lagere straf te zullen eisen dan in de overeenkomst is toegezegd. Dit naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen op 1 juli 2021. In deze nieuwe wet is de termijn van de voorwaardelijke invrijheidstelling gemaximeerd tot twee jaar bij gevangenisstraffen vanaf zes jaar. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zou een gevangenisstraf van twaalf jaar een netto straf van acht jaar betekenen. Daar mocht [medeverdachte 1] bij het sluiten van de overeenkomst van uitgaan. In het geval van de nieuwe wet betekent een gevangenisstraf van twaalf jaar een netto straf van tien jaar. De inhoud van de overeenkomst biedt volgens het Openbaar Ministerie ruimte om een zodanige gevangenisstraf te eisen die erop neerkomt dat de kroongetuige netto acht jaar moet zitten. Bij requisitoir is daarom niet 24 jaar gevangenisstraf als uitgangspunt genomen, maar twintig jaar gevangenisstraf, die met 50% is verminderd tot de uiteindelijke eis van tien jaar in plaats van twaalf jaar.

De rechtbank overweegt dat bij het aangaan van de overeenkomst in 2018 de oude regelgeving gold dat een veroordeelde in beginsel na afloop van twee derde van zijn gevangenisstraf in aanmerking kwam voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Het Openbaar Ministerie en [medeverdachte 1] hebben bij het aangaan van de overeenkomst geen rekening gehouden met de gevolgen die de Wet straffen en beschermen zou hebben voor de uitvoering van de aan [medeverdachte 1] op te leggen straf. Na de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen zou [medeverdachte 1] bij een gelijkblijvende basiseis immers in een nadeliger positie komen te verkeren dan waar hij op grond van de overeenkomst van uit mocht gaan. Zijn netto straf zou namelijk twee jaar langer zijn.

Hoewel in de overeenkomst alleen gesproken wordt over de basiseis en niet over de netto uit te zitten gevangenisstraf, acht de rechtbank aannemelijk dat juist de te verwachten netto straf voor [medeverdachte 1] van belang is geweest bij de vraag of hij de overeenkomst wilde aangaan, zoals ter terechtzitting bij requisitoir respectievelijk pleidooi ook expliciet door beide partijen is betoogd. In die zin is er dan ook sprake van een wijziging van omstandigheden die tot gevolg heeft dat de overeenkomst voor [medeverdachte 1] nu anders uitpakt dan hij bij het aangaan van de overeenkomst mocht verwachten. De rechtbank betrekt verder bij haar oordeel dat ook een basisstrafeis van twintig jaar op zichzelf nog past binnen de ruime beoordelingsvrijheid die het Openbaar Ministerie toekomt en dus ook op zichzelf beschouwd niet zo onbegrijpelijk laag is dat deze moet worden gezien als een ontoelaatbare, verkapte tegenprestatie voor het afleggen van zijn verklaringen. Gelet op het belang dat opgewekt vertrouwen in beginsel gehonoreerd dient te worden is de rechtbank dan ook van oordeel dat het Openbaar Ministerie in afwijking van de overeenkomst zijn eis ter zitting mocht baseren op een basisstrafeis van twintig jaar. De rechtmatigheid van de overeenkomst wordt daardoor ook achteraf niet aangetast.

Dat betekent dat er gelet op het voorgaande geen sprake is van disproportionele eis. Ook op dit punt is de overeenkomst daarom rechtmatig.

Ontoelaatbare toezegging inzake ontneming?

De rechtbank hanteert het volgende juridisch kader. Voor zover het Openbaar Ministerie los van een eventuele overeenkomst ook al niet tot vordering van het wederrechtelijk verkregen voordeel zou zijn overgegaan, hoeft het dat bij een getuige met wie een overeenkomst is gesloten ook niet te doen. Het Openbaar Ministerie kan dan eenzijdig beslissen van ontneming af te zien, zonder dat van een toezegging in de zin van de Aanwijzing sprake is. Ook op dit punt komt aan het Openbaar Ministerie een zekere beoordelingsvrijheid toe. Wel zal uit de motivering van het besluit om volledig van een ontnemingsvordering af te zien, moeten blijken dat geen sprake is van een verkapte financiële beloning voor het afleggen van verklaringen.

Het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd dat er geen sprake is geweest van een toezegging aan [medeverdachte 1] dat er geen ontnemingsvordering zal worden ingediend. Uit de stukken die zijn opgenomen in het dossier blijkt niet dat hierover is gesproken tussen de officier van justitie van het team Bijzondere Getuigen en [medeverdachte 1] en zijn advocaat. Hoewel dit had gekund, is daarover geen afspraak gemaakt. Het Openbaar Ministerie heeft verder aangevoerd dat [medeverdachte 1] na afloop van zijn detentie elders, vermoedelijk in een ver land, een veilig nieuw bestaan zal moeten opbouwen. Financieel gezien begint hij bij nul en zal hij in het begin een redelijke tegemoetkoming van het team Getuigenbescherming ontvangen. Bij de bepaling van de hoogte van die tegemoetkoming is het uitgangspunt dat iemand gezien de nieuwe leefomstandigheden een redelijk bestaan kan opbouwen. Een eventuele ontneming zou dus ook door het team Getuigenbescherming betaald moeten worden. Dat is volgens het Openbaar Ministerie geen werkelijke ontneming en uit oogpunt van de Staat een vestzak-broekzak-aangelegenheid. Om die reden zal het Openbaar Ministerie geen vordering ontneming indienen voor [medeverdachte 1] .

De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie in het licht van het geschetste kader in het ontbreken van eigen verhaalsmogelijkheden bij [medeverdachte 1] op enigszins afzienbare termijn voldoende reden heeft kunnen zien om een ontnemingsvordering niet opportuun te achten. Van een zo onbegrijpelijke beslissing dat er in feite slechts sprake kan zijn van een verkapte financiële beloning is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

De verdediging heeft nog aangevoerd dat [medeverdachte 1] in het criminele circuit een miljoenenschuld heeft aan derden, en dat deze schuld hem feitelijk is kwijtgescholden omdat [medeverdachte 1] door het aangaan van de overeenkomst onvindbaar is geworden voor zijn schuldeisers.

Voor zover de verdediging heeft betoogd dat op dit punt sprake is van een (verkapte) beloning, verwerpt de rechtbank dit verweer. Allereerst is niet gebleken dat de kroongetuige een juridisch afdwingbare (miljoenen)schuld heeft bij derden. Reeds daarom slaagt dit verweer niet. Los daarvan is geen sprake van enige toezegging door het Openbaar Ministerie dat deze schulden niet meer betaald zouden hoeven worden en slaagt het verweer ook daarom niet.

Samenvatting en conclusie

De overeenkomst met [medeverdachte 1] heeft betrekking op feiten als bedoeld in artikel 226g Sv. Het Openbaar Ministerie heeft het sluiten van de overeenkomst op goede gronden dringend noodzakelijk geacht en heeft de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit niet overschreden. Noch uit de omvang van de vervolging, noch uit de strafeis, noch uit het achterwege laten van een ontnemingsvordering kan worden afgeleid dat aan [medeverdachte 1] verboden toezeggingen zijn gedaan in ruil voor het afleggen van verklaringen. Ook in onderling verband en samenhang bezien is geen sprake van een overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat de verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid of het uitsluiten van bewijs van de verklaringen van [medeverdachte 1] op die grond niet slagen.

3.1.4

Betrouwbaarheid verklaringen kroongetuige

Door diverse raadslieden is aandacht gevraagd voor de onbetrouwbaarheid van de getuige. Aangevoerd is dat [medeverdachte 1] al sinds jonge leeftijd op meerdere terreinen strafbare feiten pleegt, zoals handel in drugs en oplichtingen. Omdat hij al zijn hele leven liegt en bedriegt, is het zeer riskant om zijn verklaringen te gebruiken voor het bewijs, zeker nu [medeverdachte 1] een duidelijk eigen belang heeft bij het afleggen van zijn verklaringen, aldus de raadslieden.

Alle raadslieden hebben daarnaast op inhoudelijke gronden de bruikbaarheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] betwist. Zoals in de zaak van [medeverdachte 15] is verwoord: “De kroongetuige heeft veel vermoedens, invullingen, veronderstellingen en gevoelens en verkeerde ten tijde van de feiten waarover hij verklaart niet zelden onder invloed van verdovende middelen. Hij is na talloze verhoren door de politie, bij de rechter-commissaris en op de zitting nauwelijks meer in staat om onderscheid te maken tussen wat hij daadwerkelijk heeft meegemaakt, wat hij van derden heeft gehoord en wat hij later heeft opgepikt uit de media. De primaire bron is uiteindelijk vaak [medeverdachte 5] , die ooit iets tegen hem gezegd zou hebben, al weet hij niet meer waar, wanneer, in welke bewoordingen en in welke context.”. Andere raadslieden hebben daaraan nog toegevoegd dat de verklaringen bewust of onbewust onbetrouwbaar zijn te achten: door de wijze van verhoren, namelijk het toepassen van Neuro Linguïstisch Programmeren (NLP), het bestaan van valse herinneringen en het voeden met informatie door politie en justitie. De verklaringen kunnen daarom niet worden gebezigd voor het bewijs. In ieder geval is het volgens de raadslieden noodzakelijk om deze verklaringen met grote voorzichtigheid te benaderen. Voorwaardelijk is verzocht om nader deskundigenonderzoek te gelasten over geheugentraining, dan wel hierover een deskundige ter zitting te bevragen.

Het Openbaar Ministerie heeft hiertegen het volgende aangevoerd. [medeverdachte 1] heeft in zijn kluisverklaringen slechts uit zijn eigen geheugen geput. In de vele tactische verklaringen die [medeverdachte 1] bij de verhoorders uit het onderzoek Eris heeft afgelegd, heeft [medeverdachte 1] globaal telkens hetzelfde verhaal verteld, maar vooral méér dan in zijn kluisverklaringen. Nergens is hij teruggekomen op zijn eerder afgelegde kluisverklaringen in de zin dat deze bewust onjuist zouden zijn geweest. De tactische verklaringen bevatten vooral meer details dan de kluisverklaringen, dit naar aanleiding van verhelderende vragen. Uiteindelijk is [medeverdachte 1] geconfronteerd met de onderzoeksresultaten. Soms om uit te leggen hoe zijn verklaringen passen in het beeld dat met harde onderzoeksbevindingen tot stand is gekomen, maar ook om zaken, die hij zich kennelijk niet goed herinnerde, helder te krijgen. Dat ging vaak om tijd en plaats. Zo heeft hij zich vergist of één bepaalde ontmoeting van zijn vele ontmoetingen met [medeverdachte 5] in [plaats 6] of [plaats 4] heeft plaatsgevonden en heeft hij grote moeite gehad om bepaalde gebeurtenissen in tijd goed te plaatsen. Het Openbaar Ministerie heeft tot slot opgemerkt dat als gevolg van de zeer getrapte wijze van verhoren van [medeverdachte 1] en de letterlijke uitwerking van zijn verhoren, het in elk geval helder is hoe zijn verklaringen tot stand zijn gekomen en controle ten behoeve van de bruikbaarheid van zijn verklaringen goed uitvoerbaar is.

De rechtbank overweegt als volgt. Vooropgesteld wordt dat de rechtbank niet de betrouwbaarheid van de persoon van [medeverdachte 1] maar die van zijn verklaringen dient te toetsen.

Een kritische benadering van de verklaringen van [medeverdachte 1] ligt voor de hand, nu hij deze heeft afgelegd als kroongetuige. Immers, het feit dat een kroongetuige van het Openbaar Ministerie een tegenprestatie krijgt in ruil voor zijn verklaringen, verschaft hem een bijzondere positie, die maakt dat zijn verklaringen met extra behoedzaamheid dienen te worden benaderd, zoals voorgeschreven in artikel 360, tweede lid Sv in verband met artikel 342, tweede lid Sv. De eis van behoedzaamheid geldt in het bijzonder waar het gaat om die verklaringen die zien op informatie die [medeverdachte 1] stelt van [medeverdachte 5] te hebben verkregen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 12] hebben over [medeverdachte 5] immers verklaard dat hij informatie wel eens aandikte of dat hij met desinformatie strooide. Uitgangspunt is dat ‘de auditu-verklaringen’ in beginsel bruikbaar zijn voor bewijs, maar dat de verdediging wel de gelegenheid moet hebben gehad om de getuige, het liefst ter terechtzitting, te horen. Vastgesteld kan worden dat de verdediging [medeverdachte 1] ook ter zitting aan vele indringende verhoren heeft onderworpen, waarbij het aspect ‘van horen zeggen van [medeverdachte 5] ’ uitvoerig aan de orde is geweest. Het zou dan ook te ver gaan om aan de verklaringen van [medeverdachte 1] om die reden op voorhand slechts de waarde van steunbewijs toe te kennen, zeker omdat de beweerde bron van de ‘de auditu-verklaringen’, [medeverdachte 5] , zich hoofdzakelijk heeft beperkt tot het enkel ontkennen van de beweringen van [medeverdachte 1] .

Op de rechtbank komt [medeverdachte 1] in zijn wijze van verklaren bij de politie en de rechter-commissaris, maar ook ter terechtzitting, zelfverzekerd, helder en in grote lijnen consistent over. Bij deze algemene positieve indruk staat voorop dat [medeverdachte 1] zichzelf heeft belast in zaken waarin hij tot op dat moment bij het Openbaar Ministerie in het geheel niet in beeld was gekomen en het gegeven dat zijn, op punten gedetailleerde, verklaringen voor een belangrijk deel ook bevestiging vinden in objectieve onderzoeksbevindingen. De rechtbank wijst hier onder meer op de bevindingen in het uitgebreide verificatie/falsificatiedossier. Wel is duidelijk gebleken dat [medeverdachte 1] grote moeite heeft met het plaatsen van gebeurtenissen in de tijd en dat hij bepaalde zaken heeft ingevuld en met elkaar verward, zoals bijvoorbeeld in de deelonderzoeken Lis en Barbera. Ook heeft [medeverdachte 1] zijn verklaringen gedurende het proces op punten moeten nuanceren, daar waar hij eerder, al dan niet ingegeven door zijn eigen overtuigingen, in al te concluderende zin had verklaard. Sommige ongerijmdheden in de verklaringen van [medeverdachte 1] zijn niet geheel opgehelderd of op andere wijze verklaarbaar gebleken. Hiervan is bijvoorbeeld sprake in de deelonderzoeken Charlie17 en Langenhorst, daar waar het de gang van zaken in aanloop naar de moord, dan wel de rol van [medeverdachte 1] zelf betreft. Ook in deze beide zaken, die in de vonnissen van de verdachten die het betreft en voor zover relevant bij de beantwoording van de vragen van 348 en 350 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) nader aan de orde komen, komt de rechtbank evenwel niet op voorhand tot de conclusie dat [medeverdachte 1] bewust niet volledig naar waarheid heeft verklaard.

Ondanks de kanttekeningen die op punten bij de verklaringen van [medeverdachte 1] kunnen worden geplaatst, blijft, tegen de achtergrond van het totaal van zijn vele verklaringen in het licht van de overige onderzoeksbevindingen, het beeld van [medeverdachte 1] als een overwegend betrouwbaar verklarende getuige in stand. Uit de verbatim uitgewerkte verhoren van [medeverdachte 1] is van het toepassen van NLP, van het opwekken van valse herinneringen en het voeden van informatie in de verhoren door de politie niet gebleken, noch zijn hiervoor aanwijzingen te vinden. De rechtbank ziet dan ook geen noodzaak om hieromtrent nader deskundigenonderzoek te laten doen of een deskundige te bevragen, zodat het (voorwaardelijke) verzoek daartoe wordt afgewezen.

De genoemde kanttekeningen maken wel dat de rechtbank de verklaringen van [medeverdachte 1] met de vereiste extra behoedzaamheid zal benaderen. De rechtbank geeft hieraan op de volgende wijze concreet uiting. Een verklaring van [medeverdachte 1] over het daderschap van een medeverdachte bij een tenlastegelegd feit kan in beginsel in aanzienlijke mate bijdragen aan het bewijs maar slechts dan leiden tot een veroordeling van deze medeverdachte indien er naast deze verklaring sprake is van ander zelfstandig bewijs, dus uit andere bron, dat deze verklaring in voldoende mate ondersteunt. Voor de feitelijke invulling hiervan verwijst de rechtbank naar de bespreking van de diverse deelonderzoeken.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS EN DE CONCLUSIES VAN DE VEREDELINGEN

4.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 16/707552-17 primair en 16/659052-20 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen en verwijst daartoe naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging van [verdachte] heeft verzocht hem vrij te spreken van alle feiten. De daartoe gevoerde verweren komen, voor zover van belang voor de bewijswaardering, aan de orde in de overwegingen van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Conclusies veredelingen en identificaties

De rechtbank heeft op basis van de bewijsmiddelen en conclusies die zijn opgenomen in bijlage 3 onder meer de volgende veredelingen van PGP-namen en bijnamen vastgesteld.

  • -

    [medeverdachte 5] is de gebruiker van de PGP-accounts ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 5] ’ (tussen 18 en 20 februari 2017), ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 5] ’, ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 5] ’, ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 5] ’ en [PGP gebruikersnaam medeverdachte 5] (deelonderzoek Goudvink);

  • -

    [medeverdachte 6] is de gebruiker van het PGP-account ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 6] ’;

  • -

    [medeverdachte 7] is de gebruiker van de PGP-accounts ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 7] ’, ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 7] ’ en ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 7] ’.

4.3.2

Breuk

De rechtbank leidt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af.

4.3.2.1 Liquidatie van [slachtoffer 1]

Op 7 juli 2017 omstreeks 15.00 uur is [slachtoffer 1] op een parkeerplaats bij station [plaats 2] neergeschoten en als gevolg daarvan diezelfde dag overleden.

4.3.2.2 Verklaring van [medeverdachte 1]

heeft over de liquidatie van [slachtoffer 1] onder meer verklaard dat hij hiervoor door [medeverdachte 5] is benaderd om te fungeren als chauffeur. Van [medeverdachte 5] moest [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] vragen om als schutter op te treden. [medeverdachte 1] heeft hiervoor een wapen (Scorpion) bij de groep van [B] opgehaald. Eerder had [medeverdachte 1] al een Peugeot 308 stationwagen in [plaats 7] en een Seat Leon in [plaats 3] opgehaald bij de groep van [B] . Op 4 juli 2017 heeft hij een tweede vuurwapen (Zastava) opgehaald bij [C] , president van het chapter van [naam] in [plaats 8] . Deze goederen heeft [medeverdachte 1] gestald in de loods aan de [adres 1] te [plaats 9] . Dit pand is door [medeverdachte 15] geregeld die toen naast deze loods woonde. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 15] toestemming aan [medeverdachte 5] heeft gegeven om wapens en auto’s in deze loods te stallen.

Op 4 juli 2017 heeft [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 1] de parkeerplaats van station [plaats 2] laten zien en gezegd dat daar iemand zou komen. [medeverdachte 1] heeft van [medeverdachte 5] foto’s van [slachtoffer 1] en het kenteken van de auto waarin [slachtoffer 1] reed via de PGP toegestuurd gekregen. Op 5 juli 2017 heeft [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] opgehaald en bevonden zij zich in de middag met de Peugeot 308 en de wapens op de parkeerplaats van station [plaats 2] . [medeverdachte 1] stond hierbij via de PGP continu in contact met [medeverdachte 5] . [medeverdachte 5] stond op zijn beurt in contact met de lokker die [medeverdachte 5] op de hoogte hield van waar ze op dat moment waren. [medeverdachte 5] stuurde deze informatie vervolgens door naar [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] moest tijdens de uitvoering letten op de Volkswagen Golf van [slachtoffer 1] , maar ook op een witte of grijze bestelbus van de lokker. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] moesten uitkijken dat ze de lokker niet zouden raken. [slachtoffer 1] en de lokker waren op 5 juli 2017 vertraagd door een file of een ongeluk. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben twee à drie uur op hem gewacht. Iets voordat de lokker met [slachtoffer 1] op de parkeerplaats zou arriveren, heeft [medeverdachte 1] een valse 112-melding gedaan. Dit om onder de liquidatie uit te komen. [medeverdachte 1] heeft foto’s van de politie die ter plaatse kwam gemaakt om aan [medeverdachte 5] te laten zien dat de liquidatie echt geen doorgang kon vinden. [medeverdachte 1] heeft de auto en wapens toen teruggebracht naar de loods in [plaats 9] en is met [medeverdachte 2] naar huis gegaan.

Op 6 juli 2017 voerde [medeverdachte 5] via de PGP de druk op [medeverdachte 1] op om te bewerkstelligen dat de liquidatie alsnog zou gebeuren. [medeverdachte 1] heeft toen gezegd dat zijn kinderen ziek waren en dat hij niet kon komen. Ook heeft hij aangegeven dat [medeverdachte 2] niet thuis was en dat de liquidatie daarom geen doorgang kon vinden. [medeverdachte 5] heeft toen nogmaals de druk opgevoerd en heeft gezegd dat het morgen, vrijdag 7 juli 2017, om 15.00 uur echt moest gebeuren. [medeverdachte 5] heeft de Scorpion in de loods in [plaats 9] gecontroleerd. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij voelde dat hij er niet onderuit kon, omdat anders zijn familie of kinderen misschien iets zou worden aan gedaan. Hij is die middag nog naar [medeverdachte 2] gereden om hem op de hoogte te brengen.

Op 7 juli 2017 heeft [medeverdachte 1] wederom [medeverdachte 2] opgehaald en zijn ze opnieuw naar de loods gegaan. Daar hebben ze dit keer ook een tweede auto, de Seat, meegenomen. De Peugeot hebben ze in [locatie 2] geplaatst om als tweede vluchtauto te dienen. Daarna zijn ze met de Seat en de wapens naar de parkeerplaats bij station [plaats 2] gereden. Dit keer zou de lokker er niet bij zijn. Dezelfde persoon had wel de afspraak gemaakt. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren nog maar net op de parkeerplaats toen [slachtoffer 1] met zijn Volkswagen Golf aan kwam rijden. [medeverdachte 2] is toen uitgestapt met de Scorpion en heeft een aantal schoten op [slachtoffer 1] gelost. Op een gegeven moment deed dit wapen het niet meer. [medeverdachte 2] heeft toen uit de auto het handvuurwapen (Zastava) gepakt, is teruggelopen naar [slachtoffer 1] en heeft opnieuw schoten op hem afgevuurd. [medeverdachte 2] is daarna op de achterbank van de Seat gaan liggen. Dit zodat het leek alsof er maar één persoon in de auto zat. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn toen vanaf station [plaats 2] weggereden naar [locatie 2] , alwaar de Peugeot stond geparkeerd. Ze hebben de wapens in de Seat laten liggen en [medeverdachte 1] heeft de Seat met benzine uit een jerrycan besprenkeld. Hij had echter geen vuur bij zich. Ook bleek er een getuige in de buurt te staan die hun richting op keek. Dit heeft gemaakt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de Seat niet in brand hebben gestoken. Van [locatie 2] zijn ze vervolgens met de Peugeot terug naar de loods in [plaats 9] gereden. Daar hebben ze gewacht totdat [medeverdachte 15] thuiskwam. Toen [medeverdachte 1] tegen hem zei dat ze net een liquidatie hadden gepleegd, vroeg [medeverdachte 15] of [slachtoffer 16] was gedaan. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de opdracht tot het liquideren van [slachtoffer 16] via [medeverdachte 15] bij [medeverdachte 5] is uitgezet. [medeverdachte 1] heeft aan [medeverdachte 15] verteld dat de persoon die hij en [medeverdachte 2] dood hadden moeten schieten niet [slachtoffer 16] maar iemand anders was. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben vervolgens bij [medeverdachte 15] thuis gezeten die hen heeft gekalmeerd na het plegen van de liquidatie. Daar hebben zij gebruik gemaakt van de telefoon van [medeverdachte 15] . [medeverdachte 2] heeft zijn vriendin, [D] , gebeld om hem op te halen. Zij is later op de avond [medeverdachte 2] vlakbij de loods op komen halen. [medeverdachte 1] is met zijn eigen auto naar huis gegaan.

Op 8 juli 2017 heeft [medeverdachte 1] bij [medeverdachte 5] in [plaats 10] het geld voor de liquidatie van [slachtoffer 1] opgehaald. Dit geld werd door [E] , een lid van [naam] , op de motor naar [plaats 10] gebracht, die het had opgehaald in [plaats 7] . Dit was € 80.000,-. [medeverdachte 1] heeft hiervan € 10.000,- ontvangen. Hij heeft ook € 10.000,- voor [medeverdachte 2] meegekregen en aan hem gegeven.

De rechtbank acht deze verklaring van [medeverdachte 1] betrouwbaar, omdat die bevestiging vindt in meerdere bewijsmiddelen. De rechtbank zal dat hieronder nader uitwerken.

4.3.2.3 Onderbouwing van de verklaring van [medeverdachte 1] en overige bewijsoverwegingen

Naar aanleiding van het onderzoek naar deze liquidatie en de verklaringen afgelegd door [medeverdachte 1] is het volgende gebleken.

4.3.2.3.1 Wapen ophalen op 4 juli 2017

Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 1] blijkt dat hij op 4 juli 2017 vanuit [plaats 11] naar [plaats 12] is gereden. Daar woont de president van het [plaats 13] chapter van [naam] , [C] . [medeverdachte 1] heeft hier de Zastava opgehaald. Vervolgens blijkt uit de historische verkeersgegevens van [medeverdachte 1] dat hij na [plaats 12] is doorgereden naar de loods in [plaats 9] .

4.3.2.3.2 Vluchtauto’s en wapens

Op 7 juli 2017 is er om 15.02 uur bij de 112-alarmcentrale melding gemaakt van een schietincident bij station [plaats 2] . Daarbij is genoemd dat er een Seat Leon Cupra met het kenteken [kenteken 1] hard is weggereden.

Deze Seat werd om 15.55 uur aangetroffen in [locatie 2] . Naast de Seat lag een jerrycan op de grond.

De Seat is op 21 juni 2017 in [plaats 3] gestolen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij deze Seat ook bij het schieten op een woning in [plaats 14] heeft gebruikt. Dit heeft plaatsgevonden op 29 juni 2017. Verder heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij anderhalf uur op [F] heeft moeten wachten toen hij deze auto in [plaats 3] op is gaan halen en dat hij de auto direct daarna naar de loods in [plaats 9] heeft gebracht. Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 1] blijkt dat dit nummer in de periode van 21 juni tot en met 29 juni 2017 enkel op 24 en 25 juni 2017 in [plaats 3] heeft aangestraald. Op 24 juni 2017 straalde [medeverdachte 1] slechts kort in [plaats 3] aan en 48 minuten daarna in [plaats 15] . De reistijd tussen deze twee masten is 44 minuten. De rechtbank concludeert dat dit beeld van aanstralen past bij een doorgaande weg van [plaats 3] naar [plaats 15] . Op 25 juni 2017 heeft de telefoon van [medeverdachte 1] een uur en veertien minuten in [plaats 3] heeft aangestraald. Daarna verplaatst het toestel van [medeverdachte 1] zich naar [plaats 9] . Rondom deze periode belt [F] naar [medeverdachte 1] en vice versa.

De rechtbank constateert dat de gegevens van 25 juni 2017 passen bij de verklaring van [medeverdachte 1] over het ophalen van deze auto in [plaats 3] en het direct daarna wegbrengen van deze auto naar [plaats 9] .

In de Seat werden een Scorpion met patroonmagazijn, een Zastava met patroonmagazijn en een demper die op de Zastava past aangetroffen. Op de parkeerplaats bij station [plaats 2] zijn kogels en hulzen aangetroffen. Er werd een wapen- en munitievergelijkendonderzoek met de in [plaats 2] aangetroffen munitie en de in de Seat aangetroffen wapens gedaan. Daaruit volgt dat de aangetroffen munitie verschoten is met beide aangetroffen wapens. Op ruwe delen van de Scorpion is DNA-materiaal aangetroffen van [medeverdachte 5] . Dit past bij de verklaring van [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 5] op 6 juli de Scorpion in de loods in [plaats 9] heeft gecontroleerd.

Op 17 juli 2017 werd er in [plaats 20] een Peugeot 308 stationwagen met kentekenplaten [kenteken 2] aangetroffen. Op deze kentekenplaten ontbraken de lamineercode en het fabrikantstempel. Deze platen waren dus vals. Uit het chassisnummer werd afgeleid dat het originele kenteken van dit voertuig [kenteken 3] is. Dit voertuig is tussen 18 en 19 mei 2017 in [plaats 16] gestolen. Op de achterkant van één van deze kentekenplaten zijn vingerafdrukken aangetroffen van [medeverdachte 2] .

4.3.2.3.3 [medeverdachte 2] is de schutter

Feiten en omstandigheden

Op 7 juli 2017 omstreeks 15.07 uur werd er naar de 112-alarmcentrale gebeld over een persoon die een man neerschoot. De getuige heeft van deze persoon een foto gemaakt. De getuige meldt dat hij eerst een paar schoten hoorde en dat hij toen zag dat de schutter er met een handvuurwapen op af liep. De schutter was een bolle man, met een sjaal voor zijn gezicht en een petje op. De sjaal was wit en zwart. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] op 7 juli 2017 in het zwart gekleed was, een doek voor zijn gezicht had en een pet op had. Ook noemt [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 2] er precies zo uitzag zoals op de foto die is gemaakt. [medeverdachte 1] zelf droeg een roze polo. De rechtbank ziet in de verklaring van de getuige die naar de 112-alarmcentrale belt, waarbij ook melding wordt gemaakt van de volgorde van schieten, ondersteuning voor de verklaring van [medeverdachte 1] over hoe [medeverdachte 2] eruit zag tijdens het schietincident op 7 juli 2017 en dat er van twee wapens gebruik is gemaakt.

In de Seat Leon werd DNA-materiaal van [medeverdachte 2] aangetroffen op de sleutel uit het contact, de hoofdsteun van de bestuurdersstoel, de hoofdsteun van de achterbank rechts, de hoofdsteun van de achterbank midden, de hoofdsteun van de bijrijdersstoel, de paneelgreep van het portier rechts voor, de paneelgreep van het portier links voor, de grendel aan de binnenzijde van het portier links achter en de grendel aan de binnenzijde van het portier rechts voor. Ook werd zijn DNA-materiaal aangetroffen op de jerrycan naast de Seat. Op de in de Seat aangetroffen wapens werd DNA-materiaal van [medeverdachte 2] aangetroffen op de Scorpion, Zastava en demper. In de Peugeot 308 werd DNA-materiaal van [medeverdachte 2] aangetroffen op het portier rechts achter, het portier links voor, het stuur rondom, de versnellingspook, de handrem en op de twee schroeven van kentekenplaat [kenteken 2] achter. In de Peugeot werd een handschoen aangetroffen met daarop eveneens DNA-materiaal van [medeverdachte 2] .

4.3.2.3.4 De lokker

Het slachtoffer [slachtoffer 1] maakte gebruik van een gehuurde Volkswagen Golf met een track-and-trace-systeem. Hierdoor kon worden uitgelezen dat hij op 5 juli 2017 omstreeks 14.16 uur zijn auto op de parkeerplaats van station [plaats 2] had geparkeerd en dat hij daar omstreeks 19.42 uur weer vertrok. [slachtoffer 1] maakte verder onder andere gebruik van een iPhone 6 en een BlackBerry Q10 (PGP-toestel). Uit de historische verkeersgegevens van deze telefoons bleek dat er tussen 14.16 uur en 19.42 uur een reisbeweging is gemaakt van [plaats 17] , [plaats 3] , [plaats 5] en [plaats 3] . Op de iPhone 6 werden drie foto’s van een waterscooter aangetroffen. Uit de tijd en GPS-coördinaten van deze foto’s blijkt dat deze om 14.35 uur op de [adres 2] te [plaats 3] zijn gemaakt. Uit de iPhone 6 bleek verder dat [slachtoffer 1] op 5 juli 2017 om 15.00 uur een afspraak had in [plaats 4] . Om 16.34 uur bericht hij via een ander PGP-toestel naar zijn vriendin “Heb net waterscooter gehaald en weggelegd in garagebox”. Op basis van deze bevindingen zijn op 5 juli 2017 voor bepaalde tijdsperiodes de ARS-camera’s in [plaats 4] en [plaats 5] bevraagd. Daaruit kwam slechts één kenteken naar voren dat vanaf [plaats 4] (daarna volgt nog [plaats 5] en [plaats 3] ) dezelfde reisbeweging heeft gemaakt als de telefoons van [slachtoffer 1] . Dit betrof een Renault Kangoo, kleur grijs, met het kenteken [kenteken 4] Uit de rapportage van het NFI van 20 november 2018 blijkt dat de bevindingen van het onderzoek 500.000 keer waarschijnlijker zijn wanneer de telefoon en de PGP van [slachtoffer 1] met de Renault Kangoo reisden dan wanneer deze telefoons met een ander vervoermiddel reisden.

In november 2017 heeft een verbalisant dit voertuig op het woonwagenkamp gelegen aan de [adres 2] te [plaats 3] zien staan. Dit voertuig stond ten tijde van 5 juli 2017 op naam van [G] die eigenaar is van het bedrijf [bedrijf 1] . Dit bedrijf had met [H] , woonachtig op het kamp, een verhuurovereenkomst voor dit voertuig gesloten. [H] heeft verklaard dat [bijnaam] een keer de Kangoo heeft meegenomen en dat dat ging om een waterscooter. [bijnaam] is door hem beschreven als een lange, slanke, blanke man met kort bruin of zwart haar.

Naar aanleiding van de reisbewegingen van de telefoons van [slachtoffer 1] , de locatiegegevens van de genomen foto’s en de afspraak in [plaats 4] werden de mastgegevens van 5 juli 2017 van de locaties [plaats 3] , [plaats 4] en [plaats 5] opgevraagd. Daaruit bleek dat er over masten in [plaats 5] in de periode dat [slachtoffer 1] daar is geweest 21 verschillende PGP-toestellen naar voren kwamen. Uit de gegevens van deze toestellen bleek dat er één toestel was dat op 5 juli 2017 tussen 13.52 uur en 20.21 uur hetzelfde traject aflegt als de toestellen van [slachtoffer 1] en als de Renault Kangoo. Dit betrof een PGP-toestel met IMEI-nummer # [IMEI-nummer] .

Het toestel # [IMEI-nummer] is op 8 juli 2017 om 00.02 uur, enkele uren na de moord op [slachtoffer 1] , uit het netwerk gegaan en daarna niet meer gebruikt. Uit analyse bleek dat dit toestel tijdens de nacht veelal op de mast [locatie 3] te [plaats 2] aanstraalde. Het toestel begint of eindigt ook vaak op deze mast. Hieruit kan worden opgemaakt dat de gebruiker van dit toestel destijds in de directe omgeving van deze mast woonachtig was. In de nacht van 6 op 7 juli 2017 heeft dit toestel zich van [plaats 7] naar [plaats 3] en weer terug verplaatst. Binnen dat tijdsbestek zijn er vier voertuigen over dit traject op de A2 gereden. Eén daarvan is een BMW 330E met het kenteken [kenteken 5] , op naam van [bedrijf 2] en verhuurd aan [J] . Op 6 juli 2017 heeft deze BMW eveneens een traject afgelegd dat past bij een verplaatsing van PGP-toestel # [IMEI-nummer] .

Omdat het telefoonnummer van [J] in de relevante periode voornamelijk aanstraalde in zijn woonplaats [woonplaats] , gaat de rechtbank ervan uit dat een ander persoon dan [J] gebruik heeft gemaakt van de BMW 330E. De lokker heeft dus zowel contact met de personen woonachtig op het woonwagenkamp als met [J] . Uit een vergelijking van de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers van deze personen kwam één contact naar voren, namelijk het nummer [telefoonnummer 1] . [verdachte] heeft verklaard dat dit zijn telefoonnummer is. [verdachte] is woonachtig in [plaats 2] en hij heeft verklaard dat zijn bijnaam [bijnaam] is. Zijn vriendin heeft via haar nicht in de periode van 2 tot en met 9 juli 2017 vier verkeersboetes die zijn gereden met de BMW 330E betaald. In een telefoon van [slachtoffer 1] stond een telefoonnummer van [verdachte] opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam] ’.

Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat er geen afwijkende locatiegegevens voor het telefoonnummer * [telefoonnummer 2] en het PGP-toestel # [IMEI-nummer] in de periode van 4 juli 2017 tot en met 8 juli 2017 kunnen worden vastgesteld. De rechtbank gaat er op basis van het voorgaande van uit dat [verdachte] de gebruiker is geweest van het telefoonnummer * [telefoonnummer 2] , het PGP-toestel # [IMEI-nummer] en de BMW 330E. Ook gaat de rechtbank ervan uit dat [verdachte] op 5 juli 2017 de Renault Kangoo heeft geleend teneinde de waterscooter van het kamp naar [plaats 4] te vervoeren. Hoewel de kans op het sporenbeeld volgens het rapport van het NFI van 21 november 2018 even groot is bij de hypothese dat [verdachte] en [slachtoffer 1] zich bij elkaar bevonden in één voertuig als bij de hypothese dat ze zich in aparte voertuigen in elkaars directe omgeving bevonden, is er uit het genoemde ARS-camerabeelden onderzoek geen tweede voertuig naar voren gekomen dat een vergelijkbare route als de Renault Kangoo heeft afgelegd. Anders dan door de verdediging is bepleit concludeert de rechtbank dat [verdachte] voorafgaande aan het moment dat [slachtoffer 1] geliquideerd zou moeten worden op 5 juli 2017 met [slachtoffer 1] samen is geweest en dat hij, conform de verklaring van [medeverdachte 1] over de lokker, reed in een grijze bestelbus.

Op 5 juli 2017 tussen 12.16 uur en 12.45 uur heeft [verdachte] de BMW 330E van [plaats 2] naar het kamp in [plaats 3] gebracht. Om 12.36 uur vindt het laatste contact plaats met het telefoonnummer * [telefoonnummer 2] . Vanaf 12.43 uur (twee minuten voor aankomst op het kamp) is dit nummer uitgeschakeld of staat het in vliegtuigmodus. Om 13.30 uur vertrekt de BMW naar [plaats 18] , tezamen met de telefoons van twee kampbewoners en [H] , de huurder van de Renault Kangoo. PGP-toestel # [IMEI-nummer] straalt om 13.21 uur aan op een mast nabij het kamp. Om 13.52 uur straalt het PGP-toestel aan op een mast nabij de woning van [verdachte] in [plaats 2] of station [plaats 2] . De rechtbank leidt hieruit af dat anderen dan [verdachte] met de BMW naar [plaats 18] zijn gegaan en dat [verdachte] met de Renault Kangoo terug naar [plaats 2] is gereden.

Om 14.16 uur heeft [slachtoffer 1] zijn Volkswagen Golf bij station [plaats 2] geparkeerd. Om 14.35 uur heeft hij drie foto’s gemaakt van een waterscooter op het woonwagenkamp. De rechtbank leidt hieruit af dat [slachtoffer 1] bij station [plaats 2] door [verdachte] is opgehaald en dat [slachtoffer 1] en [verdachte] , gelet op het tijdsverloop en de afstand tussen [plaats 2] en [plaats 3] , direct naar het kamp zijn gereden. Daarna zijn ze naar [plaats 4] en [plaats 5] gegaan, om vervolgens langs [plaats 3] terug naar [plaats 2] te rijden. Om 19.42 uur reed [slachtoffer 1] vanaf station [plaats 2] terug in zijn Volkswagen Golf. Omstreeks 20.08 uur werd het telefoonnummer * [telefoonnummer 2] weer ingeschakeld. Dit toestel straalde toen aan op een mast in de buurt van het woonwagenkamp in [plaats 3] . Om 22.51 uur reed de BMW, tezamen met de * [telefoonnummer 2] en # [IMEI-nummer] , vanaf het kamp naar de woning van [verdachte] in [plaats 2] .

Op 7 juli 2017 beschikte [verdachte] weer over de BMW. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat op 7 juli 2017 de lokker er niet bij zou zijn, maar dat de lokker wel om 15.00 uur met [slachtoffer 1] had afgesproken op dezelfde plek. Getuige [getuige] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] op 7 juli 2017 om 16.00 uur een afspraak had in [plaats 5] en eerst nog langs [plaats 3] moest. In de ochtend van 7 juli 2017 stond de BMW in de directe omgeving van de woning van [verdachte] geparkeerd. De toestellen * [telefoonnummer 2] en # [IMEI-nummer] straalden aan op een mast nabij de woning van [verdachte] . Om 12.42 uur reed de BMW naar het kamp in [plaats 3] . De toestellen * [telefoonnummer 2] en # [IMEI-nummer] straalden aan op een mast nabij het kamp in [plaats 3] . Om 14.52 uur reed de BMW naar [locatie 4] . Daar vonden er uitgaande sessies plaats met zowel de * [telefoonnummer 2] en # [IMEI-nummer] om respectievelijk 15.08 uur en 15.14 uur. Om 15.21 uur bleek het toestel * [telefoonnummer 2] te zijn uitgeschakeld of in vliegtuigmodus te zijn gezet. De rechtbank constateert dus dat dit tussen 15.08 uur en 15.21 uur heeft moeten plaatsvinden. Om 15.20 uur reed de BMW via de A2 in de richting van station [plaats 2] . Om 15.00 uur is [slachtoffer 1] daar neergeschoten. Hij is pas om 15.45 uur naar het AMC vervoerd. Om 15.32-15.33 uur reed de BMW langs de parkeerplaats van station [plaats 2] . De BMW reed vervolgens zonder enige tussenstop via de N402 terug naar het kamp in [plaats 3] waar de BMW om 15.57 uur aan komt. Daar bleef de BMW twee minuten, voordat het voertuig naar dezelfde plek als eerder in [locatie 4] reed waar het om 16.09 uur aankwam. Om 16.11 uur vond er weer uitgaand contact plaats met het telefoonnummer * [telefoonnummer 2] . De rechtbank constateert dat het toestel dan kennelijk weer is aangezet.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat de groep van [B] de voertuigen, wapens en lokkers voor de liquidaties regelde. Ondersteuning voor deze verklaring vindt de rechtbank in een PGP-chatgesprek tussen ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 5] , veredeld als [medeverdachte 5] , en ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 7] ’, veredeld als [medeverdachte 7] , van 9 juli 2017. In dit chatgesprek stuurt [medeverdachte 7] naar [medeverdachte 5] dat hij de lokkers, spotters, fietsen en ijzers betaalt.

In de woning van [K] werd een administratie van simkaarten en PGP-toestellen aangetroffen. In deze administratie stond een simnummer weergegeven dat in combinatie met een bepaald IMEI-nummer is gebruikt. Het PGP-toestel met dit IMEI-nummer is op 4 juni 2017 inbeslaggenomen onder [verdachte] . Uit deze administratie valt volgens bijlage 3 (veredelingen en identificaties) ook af te leiden dat er PGP-toestellen zijn verstrekt aan ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 7] ’ en ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 6] ’. [K] is verdachte in het onderzoek 09Kreta (liquidatie van [slachtoffer 22] in 2016). [B] is in dit onderzoek ook verdachte. De rechtbank leidt hieruit af dat [verdachte] in ieder geval in de periode voor de moord op [slachtoffer 1] over een PGP-toestel beschikte dat afkomstig was van de groep van vermoedelijk [B] .

Op een device van [medeverdachte 5] is er een PGP-chatgesprek aangetroffen van 6 juli 2017 gevoerd tussen een persoon van wie de naam deels te lezen valt, namelijk ‘…der’, en [medeverdachte 7] . Gelet op de bevindingen in bijlage 3 (veredelingen en identificaties) gaat de rechtbank ervan uit dat ‘…der’ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 5] en dus [medeverdachte 5] is. In dit chatgesprek stuurt [medeverdachte 7] een bericht van ‘ [PGP gebruikersnaam B1] ’, vermoedelijk [B] , door “Luister het kan wanneer staan ze daar we gaan zeggen kom daar zeg jij een tijd dan is hij daar wij zijn er niet [bijnaam] laat hem even wachte maar zorg echt bro dat het niet”. [medeverdachte 5] stuurt hierop dat hij er ‘morgen 1000% is’.

Uit een sfeerproces-verbaal blijkt dat [verdachte] in de jaren 2016 tot en met 2019 diverse malen, al dan niet in de nachtelijke uren, in huurauto’s op naam van anderen met bakens, PGP-toestellen, SD-kaartjes (al dan niet met foto’s van personen, voertuigen en kentekens daarop), een camera, verrekijkers, bivakmutsen, zaklampen, een app ‘Track it’ en een Blu Eye die tijdig waarschuwt als er hulpdiensten naderen, werd aangetroffen. Ook zijn bij hem diverse (zeer) grote geldbedragen en dure horloges aangetroffen en bleek zijn huurwoning zichtbaar vernieuwd. Dit terwijl [verdachte] heeft aangegeven geen baan te hebben en dat zijn partner in de thuiszorg werkt. [verdachte] heeft voor het bezit van deze goederen geen aannemelijke verklaring gegeven. Ook werd hij eind 2017 tweemaal in een voertuig met [L] aangetroffen. [L] wordt in het onderzoek Marengo, waarin de vermeende criminele organisatie rondom [B] centraal staat, vervolgd.

4.3.2.3.5 De loods in [plaats 9] en het verblijf bij [medeverdachte 15] na de liquidatie

De loods aan de [adres 1] te [plaats 9] is eigendom van [M] , die heeft verklaard dat hij voor de verhuur van dit pand onder andere contact heeft gehad met [medeverdachte 15] . [medeverdachte 15] beschikte in ieder geval vanaf eind juni over twee sleutels van de loods waarvan hij er in ieder geval één aan [medeverdachte 1] heeft gegeven. Twee getuigen van een bedrijfspand tegenover de loods hebben verklaard dat [medeverdachte 15] naar hen toe is gekomen om te zeggen dat als er problemen waren, ze niet de politie moesten bellen maar naar [medeverdachte 15] moesten komen. Dit was nadat door een medewerker de Seat Leon met kenteken [kenteken 1] in de loods was gezien.

Op 7 juli 2017 werd er tussen 18.29 uur en 21.16 uur met het telefoonnummer van [medeverdachte 15] negentien keer naar telefoonnummer van [medeverdachte 2] en de familie van [medeverdachte 2] gebeld en werd op deze telefoon van [medeverdachte 15] op internet gezocht naar informatie over een schietincident op station [plaats 2] . Voor 7 juli 2017 werd er nooit naar nummers van (familie van) [medeverdachte 2] gebeld. Tussendoor werd er met het toestel van [medeverdachte 15] naar twee contacten van [medeverdachte 15] zelf gebeld. De rechtbank leidt hieruit af dat zowel [medeverdachte 15] zelf als [medeverdachte 2] (en [medeverdachte 1] ) gebruik hebben gemaakt van het toestel van [medeverdachte 15] en dat zij dus met elkaar in (fysiek) contact zijn geweest in de woning van [medeverdachte 15] en dat daarbij de liquidatie van [slachtoffer 1] ter sprake is gekomen.

4.3.2.3.6 Contact [medeverdachte 5] en opdrachtgevers

In de PGP van [medeverdachte 1] die in het vakantiehuisje in [plaats 19] is aangetroffen werden de contactpersonen ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 7] ’, ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 6] ’ en ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 5] aangetroffen. Uit de gegevens van het toestel bleek dat er op 5, 6 en 7 juli 2017 een groot aantal berichten tussen de PGP’s van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] is verstuurd en ontvangen. Bij [medeverdachte 5] is op een laptop een foto van [slachtoffer 1] aangetroffen.

Op 27 april 2017 vindt er een PGP-chatgesprek plaats tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] . [medeverdachte 7] zegt tegen [medeverdachte 5] dat hij [slachtoffer 1] moet lokken. [medeverdachte 5] antwoordt hierop “Al die namen die jullie me zeggen checc ik”.

Op 5 juli 2017 stuurt [medeverdachte 5] “Begrijp dit ook niet meer”, “W(…) perfect dit was”. [medeverdachte 7] stuurt een grotendeels onleesbaar bericht van een ander door. Dit doorgestuurde bericht is om 19.2x verstuurd. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt dat de bestelbus erg vertraagd was in verband met een file of een ongeluk. Om 19.37 uur heeft [medeverdachte 1] met 112 gebeld om onder de liquidatie uit te komen.

Op 6 juli 2017 stuurt [medeverdachte 7] het eerdergenoemde bericht van ‘ [PGP gebruikersnaam B1] ’, vermoedelijk [B] , door over [bijnaam] die hem laat wachten. Ook stuurt [medeverdachte 7] een bericht van ‘ [PGP gebruikersnaam B1] ’ door dat [medeverdachte 5] een tijd moet geven als hij heel zeker is en dat ze daar dan moeten staan. Als die hond aan komt, moet hij meteen weg.

Op 7 juli 2017 stuurt [medeverdachte 5] om 15.22 uur aan [medeverdachte 7] berichten van een ander door dat de “Aktie al is gebeurd”, “Branden alleen niet gelukt”.

Op 8 juli 2017 heeft [medeverdachte 5] het tegen [medeverdachte 7] over “die man van gisteren”. [medeverdachte 7] stuurt dan een bericht van ‘ [PGP gebruikersnaam B1] ’, vermoedelijk [B] , door dat luidt “ [PGP gebruikersnaam B1] onze vyanden zyn onze vyanden we ruimen voor niemand iets op puur onze dingen laat dat duidelyk zyn sir u weet dit zyn geen spelletjes en met dood spelen of andere helpen doen we nooit! Die [slachtoffer 1] is onze vyand al sinds lang met ze grote bek”.

De rechtbank leidt hieruit af dat [medeverdachte 5] de naam van [slachtoffer 1] van de opdrachtgever door heeft gekregen en dat hij zijn opdrachtgever op de hoogte houdt van de voortgang van de liquidatie.

4.3.2.3.7 Geld ophalen bij [medeverdachte 5] op 8 juli 2017

Op 8 juli 2017 heeft [medeverdachte 5] wederom met [medeverdachte 7] contact via de PGP. [medeverdachte 7] meldt dat [medeverdachte 5] een ‘niffo’ kan sturen. [medeverdachte 5] vraagt of het op dezelfde plek kan en hij meldt dat hij hem stuurt en dat hij op de motor komt. Om 13.58 uur duurt het volgens [medeverdachte 5] nog 20 minuten. [medeverdachte 7] vraagt vervolgens aan [medeverdachte 5] hoeveel hij aan ‘ [medeverdachte 6] ’ moest geven. [medeverdachte 5] antwoordt dat dit drie is en dat er dus 67 overblijft.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij het geld voor de liquidatie van [slachtoffer 1] bij [medeverdachte 5] in [plaats 10] heeft opgehaald op 8 juli 2017. Tussen 16.18 uur en 16.43 uur straalde het toestel van [medeverdachte 1] aan in [plaats 10] . Het toestel van [medeverdachte 5] straalde tussen 12.29 uur en 16.40 uur masten in de omgeving van zijn woning in [plaats 10] aan.

4.3.2.4 De rol van [verdachte]

Door de verdediging is vrijspraak bepleit voor alle tenlastegelegde feiten: [verdachte] was niet de lokker van [slachtoffer 1] , en als al bewezen zou kunnen worden dat hij is meegereden met [slachtoffer 1] op 5 juli 2017, dan was er geen sprake van het vereiste (dubbele) opzet op de moord, ook niet in voorwaardelijke zin. Voor de verdenking ten aanzien van [verdachte] voor 7 juli 2017 is ook geen bewijs in het dossier, aldus de verdediging.

Uit hetgeen hiervoor is besproken onder het feitenrelaas heeft de rechtbank afgeleid dat de groep van vermoedelijk [B] de lokkers voor de liquidaties regelde, dat [verdachte] een contact in de telefoon van [slachtoffer 1] was en dat [verdachte] op 5 juli 2017 met [slachtoffer 1] met de Renault Kangoo een waterscooter heeft opgehaald bij het kamp in [plaats 3] , daarmee naar [plaats 4] is gereden en vervolgens met [slachtoffer 1] naar [plaats 5] is gereden en uiteindelijk weer terug naar [plaats 2] , waar [slachtoffer 1] met zijn auto om 19.42 uur vertrok. [medeverdachte 1] had de instructie gekregen om die dag twee auto’s in de gaten te houden: de auto van [slachtoffer 1] en een witte of grijze bestelbus (de Renault Kangoo past binnen deze beschrijving) en dat hij ervoor moest oppassen om de lokker niet te raken. De telefoon van [verdachte] stond op 5 juli vanaf ongeveer 13.00 uur tot na de terugkeer van [slachtoffer 1] in [plaats 2] uit, terwijl de PGP die bij hem in gebruik was nog wel aanstond. Het is een feit van algemene bekendheid dat criminelen vaak hun telefoontoestel uitzetten als zij strafbare feiten gaan plegen waarbij de locatie van hun telefoon de opsporing van dat feit zou kunnen vergemakkelijken. Op 6 juli 2017 werd in de chat tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] gesproken over een nieuwe afspraak voor 7 juli en over ‘ [bijnaam] ’ die hem laat wachten maar er zelf niet zou zijn. ‘ [bijnaam] ’ is veredeld als [verdachte] . De rechtbank constateert dat met dit chatgesprek wordt bevestigd dat ‘ [bijnaam] ’, vanuit de groep van vermoedelijk [B] als lokker betrokken is bij de liquidatie van [slachtoffer 1] en dat hij er op 7 juli 2017 zelf niet is, maar [slachtoffer 1] wel laat wachten. Dit past bij de verklaring van getuige [getuige] die heeft verklaard dat [slachtoffer 1] op 7 juli die middag nog een afspraak had.

De rechtbank merkt voorts op dat [verdachte] op 7 juli, al voor de liquidatie, onderweg was naar het kamp in [plaats 3] . Vlak na de moord ging zijn telefoon weer uit voordat hij met een keerlus langs de parkeerplaats reed bij het station in [plaats 2] waar [slachtoffer 1] op dat moment nog medisch werd behandeld. Vlak daarna ging de telefoon weer aan, terwijl in de nacht volgend op de moord de PGP van [verdachte] voorgoed uit de lucht ging. Dit is kennelijk een binnen de criminele organisatie gebruikelijke handelwijze. Zie daarvoor de bewijsmiddelen in bijlage 3 (veredelingen en identificaties), waaruit blijkt dat [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] de dag na de moord op [slachtoffer 15] een nieuwe PGP kregen, en waarover ook door [medeverdachte 1] is verklaard.

Zowel in de periode voor de liquidatie van [slachtoffer 1] als in de periode daarna, is [verdachte] meermalen door de politie aangetroffen bij het plaatsten van camera’s en met bakens. De rechtbank leidt hieruit af dat [verdachte] zich bezighield met het spotten van personen. Dit is een gebruikelijke wijze van opereren bij het in kaart brengen van de gewoonten en bezigheden van doelwitten van liquidaties. [verdachte] beschikte tevens over een PGP-toestel dat in de administratie van de organisatie van vermoedelijk [B] wordt genoemd. Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank ook af dat [verdachte] in contact stond met personen die nauw gelieerd zijn aan de criminele organisatie van vermoedelijk [B] .

De uiterlijke verschijningsvorm van al deze omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien maakt dat het niet anders kan dan dat [verdachte] ook wist wat het doel van de afspraken op 5 en 7 juli 2017 was, namelijk de liquidatie van [slachtoffer 1] . Voor een ander scenario heeft de rechtbank geen aanknopingspunten in het dossier gevonden en ook door [verdachte] is geen ander scenario geschetst. Daarmee stelt de rechtbank vast dat er bij [verdachte] sprake was van dubbel opzet op de dood van [slachtoffer 1] .

De rechtbank constateert dat uit het dossier niet blijkt dat er op 5 juli 2017 sprake was van een begin van uitvoering van de liquidatie van [slachtoffer 1] . Hij was immers nog niet gearriveerd op de parkeerplaats in [plaats 2] toen de actie door [medeverdachte 1] werd afgebroken. De rechtbank zal [verdachte] daarom vrijspreken van de hem primair en subsidiair tenlastegelegde poging moord en medeplichtigheid bij poging moord.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt de rechtbank wel af dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereiding van moord op [slachtoffer 1] op 5 juli 2017 en aan medeplichtigheid aan het medeplegen van moord op [slachtoffer 1] op 7 juli 2017.

5 juli 2017

[verdachte] beschikte op 5 juli 2017 over de Renault Kangoo, waarmee de aanleiding voor de afspraak tussen hem en [slachtoffer 1] , het ophalen van een waterscooter, kon worden gefaciliteerd. Dit was ook de auto waarmee [slachtoffer 1] is vervoerd naar de parkeerplaats in [plaats 2] waar hij bij aankomst geliquideerd zou worden. [verdachte] beschikte ook over een PGP-toestel waarmee doorgegeven is hoe laat de aankomst in [plaats 2] zou zijn. Volgens [medeverdachte 1] werd [medeverdachte 5] immers doorlopend op de hoogte gehouden van de voortgang van de terugreis van [slachtoffer 1] . Hiermee stelt de rechtbank vast dat deze beide goederen, de Renault Kangoo en het PGP-toestel, bestemd waren voor de moord op [slachtoffer 1] .

7 juli 2017

[verdachte] heeft zelf niet deelgenomen aan de moord op [slachtoffer 1] . Zijn bijdrage aan de moord op 7 juli 2017, namelijk het maken van een afspraak met [slachtoffer 1] om op 7 juli 2017 om 15.00 uur opnieuw naar het parkeerterrein bij het station in [plaats 2] te komen, is wel belangrijk om het moment te organiseren waarop [slachtoffer 1] alsnog kon worden geliquideerd. Dit levert echter niet een zodanig significante bijdrage op dat deze de kwalificatie van het medeplegen van de moord rechtvaardigt, zodat [verdachte] van het primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken. Wel levert dit medeplichtigheid op bij de moord op [slachtoffer 1] .

Uit het voorgaande volgt ook dat er bij [verdachte] sprake is geweest van voorbedachte raad om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Er was sprake van kalm beraad en er zijn vele momenten geweest waarop van het plan kon worden afgezien.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] :

Ten aanzien van 16/707552-17 (Breuk)

Meer subsidiair

op 5 juli 2017 te [plaats 2] en [plaats 3] en [plaats 4] en [plaats 5] ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord (op [slachtoffer 1] ), als bedoeld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht, (telkens) opzettelijk

  • -

    een Renault Kangoo en

  • -

    een PGP-telefoon

bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad;

Ten aanzien van 16/659052-20 (Breuk)

Subsidiair

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] op 7 juli 2017 te [plaats 2] tezamen en in vereniging opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven hebben beroofd door met vuurwapens kogels in het lichaam van [slachtoffer 1] te schieten, bij welk feit verdachte in de periode van 5 juli 2017 tot en met 7 juli 2017 in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest door

- een afspraak te maken met het beoogde slachtoffer [slachtoffer 1] en ervoor zorg te dragen dat deze [slachtoffer 1] op een locatie (op een parkeerterrein bij het treinstation [plaats 2] ) zou verschijnen, alwaar [slachtoffer 1] van het leven beroofd werd.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. [verdachte] wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Voorgezette handeling van:

Ten aanzien van 16/707552-17 (Breuk)

Meer subsidiair voorbereiding van moord;

en

Ten aanzien van 16/659052-20 (Breuk)

Subsidiair medeplichtigheid aan medeplegen moord.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. [verdachte] is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd [verdachte] ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 20 jaren, met aftrek van de tijd die [verdachte] in voorarrest heeft gezeten.

De officier van justitie heeft tevens de gevangenneming van [verdachte] bij vonnis gevorderd.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

8.3.1

Ernst van de feiten

Moord behoort tot de ernstigste feiten die in onze strafwetgeving strafbaar zijn gesteld. Een moord in de vorm van een liquidatie geeft aan die ernst een extra lading. [verdachte] heeft met zijn handelen een voorbereidende en ondersteunende rol gespeeld bij de liquidatie van [slachtoffer 1] en daarmee bijgedragen aan de publieke onrust en verontwaardiging die bij dit soort ernstige geweldsdelicten ontstaat.

Hierbij is een mensenleven beëindigd. Een man, vader, zoon, partner en vriend die een blijvende leegte achterlaat in de levens van de nabestaanden. Een moeder die het grootst denkbare verdriet heeft moeten ervaren, namelijk het verlies van haar kind. De wijze waarop hij is vermoord maakt dat het verlies nog veel moeilijker te dragen is, bijvoorbeeld door de onbeantwoorde vragen over waarom haar geliefde zoon dood moest en wie daarvoor verantwoordelijk is.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar straffen die in andere moordzaken en zaken over voorbereidingshandelingen zijn opgelegd. Hoewel strafzaken zich moeilijk laten vergelijken, kan hieruit wel een zekere lijn worden afgeleid. In dat kader tekent zich een ontwikkeling af naar steeds zwaardere straffen, waarbij twintig jaren gevangenisstraf voor één liquidatie geen uitzondering is, net zoals zes tot acht jaren voor voorbereidingshandelingen. Dit kan worden gezien in het kader van steeds gewelddadiger optreden in het criminele milieu, waarmee de maatschappij in toenemende mate wordt geconfronteerd en de roep om vergelding steeds luider wordt. Het opleggen van straffen dient bij te dragen aan de algemene preventie van strafbare feiten en daarom moet er een zekere afschrikkende werking vanuit gaan. Ook in deze zaak wordt duidelijk gemaakt dat op deze ernstige vormen van ontwrichtend geweld een zeer stevige reactie van de strafrechter volgt. De rechtbank realiseert zich daarbij dat alleen zwaarder straffen de golf van geweld niet tot stoppen kan brengen en dat ook de hoogste straf het leed van de nabestaanden niet kan vergelden.

[verdachte] heeft als lokker voorbereidingshandelingen voor de moord op [slachtoffer 1] op 5 juli 2017 verricht en is medeplichtig geweest aan de uiteindelijke moord op [slachtoffer 1] op 7 juli 2017. Hij heeft voor 5 juli een afspraak gemaakt met [slachtoffer 1] en hem daarmee gelokt naar het parkeerterrein bij het station in [plaats 2] . Dat [slachtoffer 1] die dag heeft overleefd is niet aan [verdachte] te danken, maar is slechts het gevolg van de omstandigheid dat [medeverdachte 1] de actie die dag heeft laten mislukken. Omdat [slachtoffer 1] hoe dan ook van het leven moest worden beroofd, heeft [verdachte] een nieuwe afspraak met hem voor 7 juli gemaakt. Ook toen heeft [verdachte] [slachtoffer 1] naar het station in [plaats 2] gelokt, waar [slachtoffer 1] rond 15.00 uur is doodgeschoten door [medeverdachte 2] . Hoewel [verdachte] daar op dat moment niet aanwezig was, is hij kort na 15.00 uur wel langs de parkeerplaats gereden, waar op dat moment met man en macht werd geprobeerd om [slachtoffer 1] te reanimeren. Het is ontluisterend dat [verdachte] met zijn mededaders op deze manier over leven en dood meende te kunnen beschikken. Uit niets is gebleken dat [verdachte] zelf een conflict had met [slachtoffer 1] . [verdachte] heeft echter de omstandigheid dat de doorgaans voorzichtige [slachtoffer 1] hem vertrouwde op grove wijze misbruikt. Gelet op de ernst van de feiten komt alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur als straf in aanmerking.

8.3.2

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van [verdachte] en geconstateerd dat daaruit niet blijkt dat hij eerder veroordeeld is voor soortgelijke delicten. Dit heeft echter geen matigende invloed op de straf. [verdachte] is eerder veroordeeld tot gevangenisstraf voor de Wet wapens en munitie. De rechtbank houdt hiermee in strafverzwarende zin rekening.

In het dossier komt [verdachte] naar voren als een man die in toenemende mate door de politie in verband wordt gebracht met ‘spotten’. [verdachte] heeft zich gedurende het hele proces op zijn zwijgrecht beroepen. Het gebrek aan het nemen van verantwoordelijkheid en het niet tonen van inzicht in zijn drijfveren, rekent de rechtbank [verdachte] aan. Dat [verdachte] mogelijk niet kan verklaren omdat hij zich heeft ingelaten met een criminele organisatie waar praten tot de dood kan leiden, is iets wat voor zijn eigen rekening en risico komt.

8.3.3

Strafmaat

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat als uitgangspunt een gevangenisstraf van vijftien jaar op zich passend en geboden is. Deze straf dient in de eerste plaats ter vergelding van het leed dat [verdachte] de nabestaanden van het slachtoffer heeft aangedaan. Daarnaast hoopt de rechtbank er met deze straf aan bij te dragen dat anderen ervan worden weerhouden om soortgelijke misdrijven te begaan.

8.3.4

Redelijke termijn

Als uitgangspunt heeft te gelden dat een behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze bijzondere omstandigheden kunnen zijn gelegen in de ingewikkeldheid en omvang van de zaak, de invloed van de verdachte en zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden, die met name zijn gelegen in de ingewikkeldheid en omvang van de zaak.

Naar aanleiding van de verklaringen van de kroongetuige is in november 2018 een landelijke klapdag gevolgd met als resultaat de aanhouding van een groot aantal verdachten en onder meer de ontdekking van een zeer groot aantal gegevensdragers en bestanden die moesten worden uitgelezen, geverbaliseerd en onderzocht. Dit alles heeft uiteindelijk een zeer omvangrijk dossier opgeleverd, waarvan het einddossier uiteindelijk in juni 2020 is verspreid, maar waarop nog vele aanvullingen zijn gevolgd. Elke pro formazitting en de regiezitting in december 2020 hebben geresulteerd in een groot aantal getuigenverhoren, niet in de laatste plaats de vele verhoren van de kroongetuige. Er heeft een inhoudelijke zitting van vele dagen plaatsgevonden tussen augustus 2021 en maart 2022. Daarbij heeft de rechtbank rekening moeten houden met de omstandigheid dat vanwege veiligheidsaspecten rondom deze zaak, de behandeling grotendeels heeft moeten plaatsvinden in een extra beveiligde zittingszaal, waarvan de beschikbaarheid beperkt is. De rechtbank acht vanwege deze bijzondere omstandigheden een redelijke termijn van drie jaren gerechtvaardigd.

De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak de aanvangsdatum van de redelijke termijn moet worden gesteld op 31 januari 2018, de datum waarop [verdachte] is aangehouden en in verzekering is gesteld. Dit betekent dat de redelijke termijn in de zaak van [verdachte] met anderhalf jaar is overschreden. De rechtbank zal hiermee rekening houden door de gevangenisstraf met zes maanden te matigen.

8.3.5

Wet straffen en beschermen

Met ingang van 1 juli 2021 is de Wet straffen en beschermen in werking getreden. Deze wet strekt tot wijziging van de regeling inzake detentiefasering, waaronder in het bijzonder de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling, in de Penitentiaire beginselenwet en in het Wetboek van Strafrecht. Veroordeelden zullen niet meer automatisch in beginsel in aanmerking komen om voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld. Daarnaast zal de periode waarin een veroordeelde via een voorwaardelijke invrijheidstelling kan werken aan zijn resocialisatie worden gehandhaafd op een derde van de opgelegde straf, maar met een maximum van twee jaar. De wet bevat geen overgangsbepaling zodat de regeling onmiddellijke werking heeft, in die zin dat op vonnissen van na 1 juli 2021 het nieuwe regime van toepassing is.

De rechtbank stelt voorop dat ook onder de oude regeling een voorwaardelijke invrijheidsstelling geen recht of automatisme was en dat aan een voorwaardelijke invrijheidsstelling gedurende een lange periode zware voorwaarden konden worden verbonden. Dat neemt niet weg dat de wetswijziging voor situaties als de onderhavige, waar een gevangenisstraf van zeer lange duur passend en geboden is, een duidelijke wijziging van de omvang en reikwijdte van de straf betekent ten nadele van de verdachte. Zeker nu de zaak van [verdachte] oorspronkelijk al in 2018 zou zijn behandeld en afgedaan. Nadat bekend werd dat [medeverdachte 1] als kroongetuige een overeenkomst had gesloten met de Staat is de zaak van [verdachte] aangehouden en is zijn zaak uiteindelijk pas in 2021 inhoudelijk behandeld met het eindvonnis op 5 juli 2022. Als zijn zaak wel in november 2018 was behandeld, had een inhoudelijke afdoening voor 1 juli 2021 voor de hand gelegen, zelfs als rekening wordt gehouden met een hoger beroep. De rechtbank is daarom van oordeel dat zij bij de bepaling van de hoogte van de straf niet zonder meer kan aansluiten bij straffen die vóór de inwerkingtreding van de wetswijziging in vergelijkbare situaties zijn opgelegd. Dat zou, mede gelet op hetgeen hiervoor is geschetst over de reden van het uitstel van de aanvang van de inhoudelijke behandeling van het onderzoek ter terechtzitting, immers resulteren in een aanzienlijke verlenging van de detentieduur. Daarom wordt in dit specifieke geval rekening gehouden met de inwerkingtreding van de nieuwe wet, waardoor de op te leggen straf enigszins lager uitvalt dan in vergelijkbare zaken die vóór 1 juli 2021 zijn afgedaan. De rechtbank heeft hierbij ook gekeken naar de straf die aan [medeverdachte 1] wordt opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren en zes maanden – met aftrek van de tijd die de [verdachte] in voorarrest heeft doorgebracht – passend en geboden. De rechtbank zal de vordering gevangenneming toewijzen. Deze beslissing is afzonderlijk opgemaakt.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.

9 BESLAG

De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring gevorderd van de volgende onder [verdachte] inbeslaggenomen voorwerpen:

1. Q.01.002 BlackBerry Q10 IMEI [IMEI nummer]

2. Q.01.002.001 simkaart uit Q10

3. Q.01.002.002 micro-sd kaart 8g uit BlackBerry Q10

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

De rechtbank zal de bovengenoemde voorwerpen verbeurd verklaren. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op grond van het bepaalde in artikel 33a Sr kunnen voorwerpen alleen verbeurd verklaard worden als het gaat om:

  1. voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen;

  2. voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan;

  3. voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;

  4. voorwerpen met behulp van welke de opsporing van het misdrijf is belemmerd;

  5. voorwerpen die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd;

  6. zakelijke rechten op of persoonlijke rechten ten aanzien van de onder a tot en met e bedoelde voorwerpen.

De inbeslaggenomen voorwerpen betreffen een PGP-telefoon met bijhorende simkaart en micro-sd kaart. [verdachte] heeft zich als pleger van feiten die in het kader van een criminele organisatie zijn gepleegd, schuldig gemaakt aan het plegen van ernstige strafbaar feiten. Binnen deze criminele organisatie werden PGP-telefoons gebruikt om via versleutelde berichten met elkaar te communiceren. PGP-telefoons kunnen uitsluitend worden gebruikt voor het versturen van versleutelde berichten naar andere PGP-telefoons. Deze berichten kunnen niet kunnen worden onderschept door politie en veiligheidsdiensten. De rechtbank vindt in het dossier geen aanknopingspunten waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [verdachte] de onder hem inbeslaggenomen PGP-telefoon gebruikte voor legitieme doeleinden. [verdachte] zelf heeft niets verklaard over de reden dat hij een PGP-telefoon gebruikte. De rechtbank acht daarmee voldoende aannemelijk dat [verdachte] de onder hem inbeslaggenomen PGP-telefoon uitsluitend heeft gebruikt ten behoeve van de communicatie binnen de criminele organisatie waarvoor hij werkzaamheden uitvoerde. Daarmee zijn deze telefoon, de bijbehorende simkaart en de micro-sd kaart vatbaar voor verbeurdverklaring.

10 BENADEELDE PARTIJ

10.1

Ten aanzien van 16/659052-20 (Breuk)

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 16.354,96. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, ten gevolge van het aan [verdachte] tenlastegelegde feit.

10.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

10.1.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak gevraagd van het tenlastegelegde, maar geen specifiek verweer gevoerd tegen de vordering van de benadeelde partij.

10.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat zonder meer invoelbaar is dat het overlijden van het slachtoffer [slachtoffer 1] zeer grote nadelige gevolgen heeft gehad voor de benadeelde partij. Zij heeft immers als gevolg van de moord haar zoon verloren. De rechtbank moet echter beoordelen of de vordering van de benadeelde partij op juridische gronden toewijsbaar is en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank acht de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van uitvaartkosten toewijsbaar tot een bedrag van € 13.154,96 en overweegt daartoe als volgt. De benadeelde partij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij kosten heeft gemaakt voor de uitvaart van haar zoon en deze kosten zijn ook onderbouwd met stukken. De kosten zijn bovendien het rechtstreekse gevolg van de moord op haar zoon en ten aanzien van [verdachte] is de medeplichtigheid bij deze moord bewezenverklaard. Dergelijke kosten komen op grond van artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) als kosten van lijkbezorging voor vergoeding in aanmerking. Van de processtukken maakt deel uit de factuur die het uitvaartbedrijf heeft opgesteld ten behoeve van de benadeelde partij. Het betreft een factuur ten bedrage van € 13.154, 96, een bedrag dat resteert na aftrek van een bedrag ad € 7.669,- met de vermelding ‘betaald door derden’. Dit betekent dat de rechtbank als uitgangspunt heeft te nemen dat een bedrag ad € 13.154,96 ten laste van de benadeelde partij is gekomen. De rechtbank acht deze kosten redelijk, in de zin dat deze in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene. De vordering is daarom voor dat deel toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2017. Voor het overige deel zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.

Schadevergoedingsmaatregel

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

10.2

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet aanleiding om in het belang van de benadeelde partij ter zake van de toegewezen vordering tot schadevergoeding telkens de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen. Bij het bepalen van de duur van de gijzeling – die bij gebreke van betaling of verhaal kan worden toegepast – heeft de rechtbank acht geslagen op het bepaalde in artikel 36f lid 5 en artikel 60a Sr. De totale duur van de gijzeling betreft volgens deze bepalingen maximaal een jaar. Onder een jaar dient in deze zaak een termijn van 360 dagen te worden verstaan (Hoge Raad 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812).

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36f, 46, 47, 48, 57, 63, 289 van het Wetboek van Strafrecht en zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 16/707552-17 primair – subsidiair en 16/659052-20 primair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 jaren en 6 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:

  • -

    Q.01.002 BlackBerry Q10 imei [IMEI nummer]

  • -

    Q.01.002.001 simkaart uit Q10

  • -

    Q.01.002.002 micro-sd kaart 8g uit BlackBerry Q10

Benadeelde partij

Breuk

[benadeelde]

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde] toe tot een bedrag van € 13.154,96, bestaande uit materiële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2017 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

  • -

    verklaart [benadeelde] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat € 13.154,96 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2017 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 360 dagen gijzeling;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, mrs. L.M.G. de Weerd en O.P. van Tricht, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. N. Kruijswijk en B. van Dam, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 juli 2022.

Bijlage 1: de zittingsdagen

2021:

Augustus:

30 en 31.

September:

1, 7, 9, 17, 20, 28 en 30.

Oktober:

1, 5, 8, 12, 14, 15 en 26.

November:

2, 5, 9, 11, 12, 16, 18 en 30.

December:

2.

2022:

Januari:

11, 13, 18, 21, 27, 28 en 31.

Februari:

3, 4, 7, 8, 10, 11, 14, 15, 21, 22 en 24.

Maart:

8, 14, 16 en 28.

April:

6 en 19.

Mei:

12.

Juli:

5.

Bijlage 2: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat:

Ten aanzien van 16/707552-17 (Breuk)

Primair

hij op of omstreeks 5 juli 2017, te [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 4] en/of [plaats 5] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven,

- een afspraak heeft gemaakt met het beoogde slachtoffer [slachtoffer 1] (al dan niet via een of meer onbekende andere(n)) en/of [slachtoffer 1] heeft vervoerd teneinde hem (uiteindelijk), al dan niet op een bepaald tijdstip, te brengen en/althans ervoor zorg te dragen, dat [slachtoffer 1] op een locatie (op een parkeerterrein bij het treinstation [plaats 2] ) zou verschijnen, alwaar [slachtoffer 1] van het leven beroofd zou gaan worden

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Art. 289 Wetboek van Strafrecht; Art. 45 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair

[medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 15] en/of [medeverdachte 7] op of omstreeks 5 juli 2017, te [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 4] en/of [plaats 5] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 15] en/of [medeverdachte 7] en/of een of meer van zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven

- een afspraak heeft gemaakt met het beoogde slachtoffer [slachtoffer 1] (al dan niet via een of meer onbekende andere(n)) en/of [slachtoffer 1] heeft vervoerd teneinde hem (uiteindelijk), al dan niet op een bepaald tijdstip, te brengen en/althans ervoor zorg te dragen, dat [slachtoffer 1] op een locatie (op een parkeerterrein bij het treinstation [plaats 2] ) zou verschijnen, alwaar [slachtoffer 1] van het leven beroofd zou gaan worden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

tot en/of bij het plegen van welk feit verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 5 juli 2017, te [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 4] en/of [plaats 5] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk inlichtingen en/of gelegenheid en/of middelen heeft verschaft of behulpzaam is geweest door (voor) [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 15] en/of [medeverdachte 7] en/of een of meer ander(n)

- een afspraak te maken met het beoogde slachtoffer [slachtoffer 1] (al dan niet via een of meer onbekende andere(n) en/of [slachtoffer 1] heeft vervoerd teneinde [slachtoffer 1] uiteindelijk, al dan niet op een bepaald tijdstip, te brengen en/althans ervoor zorg te dragen, dat [slachtoffer 1] op een locatie (op een parkeerterrein bij het treinstation [plaats 2] ) zou verschijnen, alwaar [slachtoffer 1] van het leven beroofd zou (moeten) gaan worden;

(Art. 289 Wetboek van Strafrecht; Art. 45 Wetboek van Strafrecht; Art. 48 Wetboek van Strafrecht)

Meer subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 5 juli 2017 te [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 4] en/of [plaats 5] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord (op [slachtoffer 1] ), als bedoeld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht, (telkens) opzettelijk

  • -

    een voertuig, te weten een Renault Kangoo, althans een auto, en/of

  • -

    een of meer informatiedragers, te weten een of meer PGP-telefoon(s) en/of (een) telefoon(s)

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;

(Art. 46 Wetboek van Strafrecht)

Ten aanzien van 16/659052-20

Primair

hij op of omstreeks 7 juli 2017 te [plaats 2] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd door met een of meer vuurwapens kogels in het lichaam van [slachtoffer 1] te schieten;

(art. 289 Wetboek van Strafrecht; art. 47 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 15] en/of [medeverdachte 7] en/of een of meer anderen, op of omstreeks 7 juli 2017 te [plaats 2] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd door met een of meer vuurwapens kogels in het lichaam van [slachtoffer 1] te schieten, tot en/of bij welk feit verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 juli 2017 tot en met 7 juli 2017, te [plaats 2] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk inlichtingen en/of gelegenheid en/of middelen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest door

- een afspraak te maken met het beoogde slachtoffer [slachtoffer 1] (al dan niet via een of meer onbekende andere(n) en/of [slachtoffer 1] heeft vervoerd teneinde hem (uiteindelijk), al dan niet op een bepaald tijdstip, te brengen en/althans ervoor zorg te dragen, dat deze [slachtoffer 1] op een locatie (op een parkeerterrein bij het treinstation [plaats 2] ) zou verschijnen, alwaar [slachtoffer 1] van het leven beroofd werd;

(Art. 289 Wetboek van Strafrecht; Art. 48 Wetboek van Strafrecht)

1 ECLI:NL:HR:2019:601.