Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2022:2475

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-07-2022
Datum publicatie
05-07-2022
Zaaknummer
16/706504-19; 16/659124-19; 16/659041-20 (gev. ttz) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Megazaak Eris

Eris betreft een onderzoek naar het in opdracht voor anderen uitvoeren van liquidaties, voorbereidingen van liquidaties en pogingen daartoe, die zijn gepleegd in een crimineel samenwerkingsverband met als oogmerk het plegen van liquidaties, voorbereidingen daarvan en wapenbezit.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich als deelnemer van de criminele organisatie met als oogmerk het plegen van liquidaties schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de voorbereiding van de liquidatie op een drietal personen. De rechtbank veroordeelt verdachte hiervoor tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren.

In het vonnis zijn onder meer overwegingen opgenomen over:

- De beoordeling en toepassing van de kroongetuigeregeling en het beoordelingskader;

- De bewijsoverwegingen met betrekking tot de strafbare betrokkenheid bij liquidaties en het deelnemen aan een criminele organisatie;

- De straftoemeting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Locatie Utrecht

Parketnummers: 16/706504-19; 16/659124-19; 16/659041-20 (gev. ttz) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 5 juli 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte ] ,

geboren op [1981] te [geboorteplaats 1] ,

thans gedetineerd in de [locatie] te [vestigingsplaats] .

1 INLEIDING

1.1

De loop van het onderzoek

Op 7 juli 2017 is [slachtoffer 1] van het leven beroofd bij het station van [woonplaats] (deelonderzoek Breuk). De politie kwam al snel op het spoor van twee verdachten, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] werd in oktober 2017 aangehouden in Spanje, [medeverdachte 2] in Nederland. [medeverdachte 1] heeft als verdachte vrijwel direct een bekennende verklaring afgelegd. Vervolgens werd duidelijk dat hij in staat en bereid was om meer te verklaren over mededaders en opdrachtgevers in het onderzoek Breuk, maar ook over andere ernstige strafbare feiten. Hij heeft diverse kluisverklaringen afgelegd en uiteindelijk is met hem in november 2018 een zogenoemde kroongetuige-overeenkomst gesloten. Zijn verklaringen hebben nieuwe aanknopingspunten gegeven voor liquidatie-onderzoeken die waren vastgelopen en er is zicht gekregen op een groep personen die zich bezig leek te houden met het plegen van liquidaties en feiten die daarmee verband houden. Op 21 november 2018 is een landelijke klapdag gehouden, waarop vele aanhoudingen zijn verricht en een zeer groot aantal gegevensdragers in beslag is genomen. Het onderzoek naar deze criminele organisatie en de feiten die in dat kader zijn gepleegd heeft de naam Eris gekregen. In dat onderzoek doet de rechtbank vandaag uitspraak.

1.2

Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis wordt op tegenspraak gewezen. Na diverse voorbereidende zittingen is op 30 augustus 2021 de inhoudelijke behandeling begonnen en zijn in totaal 51 zittingsdagen gevolgd, zoals in bijlage 1 opgenomen. Gedurende die dagen is de kroongetuige op zitting gehoord en zijn de deelonderzoeken en vorderingen van de benadeelde partijen behandeld. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officieren van justitie in het onderzoek Eris en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. B.J. de Pree, advocaat te Utrecht , naar voren hebben gebracht. Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht. Dit betrof de volgende personen:

  • -

    Getuige [getuige ] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers;

  • -

    [benadeelde 1] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers;

  • -

    [benadeelde 2] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers;

  • -

    [benadeelde 3] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers;

  • -

    [benadeelde 4] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers;

  • -

    [benadeelde 5] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers;

  • -

    [benadeelde 6] , bijgestaan door mr. S .Tromp.

Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen [A] , bijgestaan door mr. D.A. Segbedzi, in haar slachtofferverklaring naar voren heeft gebracht.

1.3

Het onderzoek Eris

Het onderzoek Eris heeft betrekking op 21 verdachten, die ervan worden beschuldigd al dan niet in wisselende samenstelling betrokken te zijn geweest bij één of meer liquidaties, pogingen daartoe of voorbereiding daarvan. De zaken van twee van deze verdachten, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , die alleen verdachte zijn in het deelonderzoek Charon, zijn afgesplitst en worden door een andere meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld (Charon 2).

Zeventien verdachten worden beschuldigd van het vormen van een criminele organisatie gericht op liquidaties, voorbereidingen daartoe en wapendelicten. Daarnaast worden enkele verdachten beschuldigd van andere strafbare feiten. In dit vonnis zijn de overwegingen en beslissingen van de rechtbank opgenomen die in de strafzaak tegen de hierboven genoemde verdachte zijn gegeven. De rechtbank wijst vandaag ook vonnis in de zaken van de andere achttien medeverdachten die gelijktijdig terecht hebben gestaan.

Het procesdossier Eris bestaat uit een groot aantal deelonderzoeken, die ook onderling met elkaar verweven zijn, al is het maar door de daarop gebaseerde verdenking van deelname aan de criminele organisatie. Deze verwevenheid maakt dat de rechtbank niet alleen op de verweren van de betreffende verdachte in zal gaan, maar ook, waar nodig, hetgeen is aangevoerd in andere zaken in haar oordeel zal betrekken.

Voor de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank in plaats van de termen verdachte en getuige de namen gebruiken: [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] , [verdachte ] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 13] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 14] , [medeverdachte 15] , [medeverdachte 16] , [medeverdachte 17] , [medeverdachte 18] , [medeverdachte 19] en [medeverdachte 20] . De rechtbank gebruikt een voorletter in die gevallen waarin meerdere personen in het dossier dezelfde achternaam hebben. Waar de rechtbank de naam ‘ [medeverdachte 1] ’ noemt gaat het in alle gevallen om [medeverdachte 1] , zijn vader wordt steeds aangeduid als [B] .

Er zijn sterke aanwijzingen voor de betrokkenheid van [C] (verder: [C] ) in een groot aantal deelonderzoeken in Eris. De officier van justitie heeft toegelicht dat [C] ook daadwerkelijk als verdachte wordt beschouwd: hij zou kort gezegd de persoon zijn die aan de organisatie van [medeverdachte 5] opdrachten tot liquidaties gaf. Meer in het bijzonder zou zijn gebleken dat [medeverdachte 5] communiceerde met een persoon dan wel personen met onder andere de volgende gebruikersnamen:

  • -

    ‘ [PGP gebruikersnaam C 1] ’;

  • -

    ‘ [PGP gebruikersnaam C 2] ’;

  • -

    ‘ [PGP gebruikersnaam C 3] ’;

  • -

    ‘ [PGP gebruikersnaam C 4] ’.

In het dossier van het onderzoek Eris wordt daartoe verwezen naar conclusies waarop de politie baseert dat achter deze PGP-namen de persoon van [C] schuil gaat. De onderliggende onderzoeksbevindingen zijn blijkbaar deels afkomstig uit het onderzoek in de strafzaak Marengo, maar die zijn grotendeels niet gevoegd in het dossier Eris. Ook in Eris zijn sterke aanwijzingen dat [C] als opdrachtgever van [medeverdachte 5] betrokken is. [medeverdachte 1] heeft dit immers met zoveel woorden verklaard, terwijl ook ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 6] ’ aan ‘ [PGP gebruikersnaam 1 medeverdachte 6] ’ laat weten dat de berichten die hij af en toe doorstuurt (van ‘ [PGP gebruikersnaam C 3] ’) van [C] zijn. Omdat [C] in het megaproces Marengo wordt vervolgd, heeft het Openbaar Ministerie ervoor gekozen om hem niet ook in het Eris-proces te dagvaarden. Dit heeft tot gevolg dat [C] zich in dit proces niet heeft kunnen verweren en de rechtbank hem ook niet kan confronteren met aanwijzingen die doen vermoeden dat [C] schuilgaat achter genoemde PGP-namen. De rechtbank zal daarom in haar overwegingen telkens spreken van vermoedelijk [C], daar waar zij deze sterke aanwijzingen ziet.

1.4

Het dossier waar de rechtbank bij haar beoordeling van is uitgegaan

De verschillende deelonderzoeken in chronologische volgorde:

1. Charon, de moord op [slachtoffer 2] op 31 januari 2017;

2 Eend, het beramen van de moord op [slachtoffer 3] in de periode van 2 februari 2017 tot en met 10 januari 2018;

3 Kraai, het beramen van de moord op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] op 18 februari 2017;

4 Spreeuw, het beramen van de moord op [slachtoffer 6] op 18 februari 2017;

5 Mus, het beramen van de moord op [slachtoffer 7] op 18 februari 2017;

6 Duif, het beramen van de moord op [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] op 18 februari 2017;

7 Barbera, de poging tot moord op [slachtoffer 10] op 9 maart 2017;

8 Arford, de poging tot moord op [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14] op 17 maart 2017;

9 Charlie17, de moord op [slachtoffer 15] op 17 april 2017;

10 Gezicht, de poging afschieten raketwerper op een woning in [woonplaats] op 28 juni 2017 en het schieten met een automatisch vuurwapen op een woning in [woonplaats] op 29 juni 2017;

11 Breuk, de voorbereiding voor de moord op [slachtoffer 1] op 5 juli 2017 en de moord op [slachtoffer 1] op 7 juli 2017;

12 Langenhorst, de moord op [slachtoffer 16] op 26 juli 2017;

13 Lis, de moord op [slachtoffer 17] op 21 september 2017;

14 Goudvink, de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 18] in de periode van juli 2018 tot en met 24 september 2018;

15 de criminele organisatie in de periode van januari 2017 tot en met 21 november 2018.

En daarnaast nog de volgende deelonderzoeken:

16 Waterspin, de afpersing en poging tot afpersing van [slachtoffer 19] en [slachtoffer 20] in de periode van 2017-2018 (verdachten [medeverdachte 14] en [medeverdachte 20] );

17 Amarone, het bezit van en de handel in vuurwapens van 15 augustus 2017 tot en met 16 april 2019 (verdachte [medeverdachte 13] );

18 Brunello, de mishandeling van [slachtoffer 21] op 7 februari 2019 en het bezit van een vuurwapen op 25 oktober 2016 (verdachte [medeverdachte 12] ).

In de strafdossiers van iedere verdachte zijn, behalve het gehele zogeheten Eris-dossier (bovengenoemde achttien deelonderzoeken), tevens gevoegd:

  • -

    alle processen-verbaal van de terechtzittingen van de rechtbank tegen ieder van de Eris-verdachten, met uitzondering van de processen-verbaal over de persoonlijke omstandigheden van de verdachten;

  • -

    alle processen-verbaal van (getuigen)verhoor door de rechter-commissaris die in de zaken van één of meer van de verdachten zijn opgemaakt, met uitzondering van enkele getuigenverklaringen in de zaak Waterspin die alleen in de zaken van verdachten [medeverdachte 14] en [medeverdachte 20] zijn opgenomen;

  • -

    documenten en bescheiden die, op initiatief van de verdediging of anderszins, gedurende de procedure zijn toegevoegd aan het dossier in de zaak tegen één of meer verdachten.

Hoewel de meeste verdachten al dan niet op verzoek van een medeverdachte op zitting als getuige zijn gehoord, zijn daarnaast alle processen-verbaal van de zittingen in alle dossiers gevoegd vóórdat het requisitoir en de pleidooien zijn gehouden. Ten gevolge hiervan maken alle verklaringen van alle verdachten zoals afgelegd op de zittingen in bijzijn van hun advocaat deel uit van het procesdossier, dus niet alleen de verklaringen die zij daar als getuige hebben afgelegd, maar ook de verklaringen die zij in hun eigen zaak hebben afgelegd. Dit maakt dat het dossier voor elke verdachte gelijkluidend is.

De vonnissen zijn in beginsel als volgt opgebouwd:

Hoofdstuk 1: de inleiding

Hoofdstuk 2: de verkorte weergave van de tenlastelegging

Hoofdstuk 3: de voorvragen, overwegingen en algemene conclusies met betrekking tot de kroongetuige

Hoofdstuk 4: de waardering van het bewijs en de conclusies van de veredelingen

Hoofdstuk 5: de bewezenverklaring

Hoofdstuk 6: de strafbaarheid van de feiten

Hoofdstuk 7: de strafbaarheid van de verdachte

Hoofdstuk 8: de strafmaat

Hoofdstuk 9: het beslag

Hoofdstuk 10: de benadeelde partijen

Hoofdstuk 11: de toepasselijke wettelijke voorschriften

Hoofdstuk 12: de beslissing

Bijlage 1: de zittingsdagen

Bijlage 2: de tenlastelegging per verdachte

Bijlage 3: de door de rechtbank vastgestelde veredelingen en identificaties

Bijlage 4: de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen

In bijlage 3 bij dit vonnis heeft de rechtbank de gebruikers van diverse PGP-accounts, telefoons, en andere gegevensdragers veredeld en geïdentificeerd. Waar de rechtbank in het vonnis benoemt dat een gebruiker is veredeld/geïdentificeerd, verwijst de rechtbank daarvoor naar de bewijsmiddelen en conclusies in deze bijlage 3.

In bijlage 4 heeft de rechtbank per deelonderzoek de bewijsmiddelen opgenomen die zij gebruikt voor het bewijs in dat deelonderzoek. In een aantal deelonderzoeken verwijst de rechtbank op grond van de onderlinge verwevenheid naar bewijsmiddelen opgenomen onder andere deelonderzoeken, voor zover deze mede ten grondslag liggen aan de bewijsbeslissing.

Gelet op de onderlinge verwevenheid van de deelonderzoeken en de criminele organisatie waarbinnen het merendeel van deze deelonderzoeken is uitgevoerd, zijn de bijlagen 1, 3 en 4 voor alle verdachten grotendeels gelijkluidend, voor zover een veroordeling volgt. Dit geldt niet voor de deelonderzoeken Waterspin, Amarone en Brunello. Deze deelonderzoeken zijn niet in het verband van de criminele organisatie gepleegd en de bewijsmiddelen in die deelonderzoeken worden daarom alleen in de bijlage bij het vonnis van de betreffende verdachten opgenomen.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort, feitelijk en chronologisch weergegeven, op neer dat verdachte:

Ten aanzien van 16/706504-19 (Charon)

Primair op 31 januari 2017 te [woonplaats] met een ander of anderen [slachtoffer 2] heeft vermoord;

Subsidiair in de periode van 12 januari tot en met 4 februari 2017 in Nederland met een ander of anderen voorbereidingshandelingen voor de moord op [slachtoffer 2] heeft verricht;

Ten aanzien van 16/659124-19 (Barbera en Arford)

Feit 2, primair op 9 maart 2017 te [woonplaats] met een ander of anderen heeft geprobeerd [slachtoffer 10] te vermoorden;

Feit 2, subsidiair in de periode van januari tot en met 9 maart 2017 te [woonplaats] met een ander of anderen voorbereidingshandelingen voor de moord op [slachtoffer 10] heeft verricht;

Feit 1, primair op 17 maart 2017 te [woonplaats] met een ander of anderen heeft geprobeerd [slachtoffer 11] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 12] te vermoorden;

Feit 1, subsidiair in de periode van januari tot en met 17 maart 2017 te [woonplaats] met een ander of anderen voorbereidingshandelingen voor de moorden op [slachtoffer 11] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 12] heeft verricht;

Ten aanzien van 16/659041-20 (Deelname criminele organisatie)

in de periode van 1 januari 2017 tot en met 21 november 2018 te [woonplaats] , [woonplaats] , [woonplaats] , [woonplaats] , [woonplaats] , [woonplaats] , [woonplaats] , [woonplaats] en/of [woonplaats] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk het plegen van levensdelicten, de voorbereiding daarvan en het voorhanden hebben van wapens en munitie had.

3. VOORVRAGEN, OVERWEGINGEN EN ALGEMENE CONCLUSIES MET BETREKKING TOT DE KROONGETUIGE

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van [verdachte ] en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Het debat dat is gevoerd over de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging heeft zich toegespitst op het inzetten van de kroongetuige in het Eris-proces.

3.1

De kroongetuige

3.1.1

Algemeen

De kerntaak van de zittingsrechter met betrekking tot een kroongetuige is tweeledig. Zij beoordeelt de betrouwbaarheid van diens verklaringen en de rechtmatigheid van de overeenkomst die met de kroongetuige is gesloten, voor zover de rechtmatigheid is betwist.

Als eerste zal de rechtbank de totstandkoming van de overeenkomst met [medeverdachte 1] schetsen. Daarna zal zij de verweren bespreken die de rechtmatigheid van de overeenkomst betreffen en de daaraan te verbinden gevolgen. Vervolgens komen de verweren die de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige betwisten aan bod. Hoewel niet alle raadslieden zich concreet bij alle verweren hebben aangesloten, zal de rechtbank deze verweren ambtshalve bespreken in alle vonnissen waarin de verklaringen van [medeverdachte 1] van belang zijn.

Bij de beoordeling heeft de rechtbank rekening gehouden met de bepalingen in de artikelen 226g van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) e.v., die zien op de kroongetuigeregeling, op artikel 359a Sv en op artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).

3.1.2

Totstandkoming van de overeenkomst

Op 13 oktober 2017 is [medeverdachte 1] aangehouden op verdenking van de moord op [slachtoffer 1] gepleegd op 7 juli 2017 te [woonplaats] . Hij heeft als verdachte in die zaak een bekennende verklaring afgelegd. In november 2017 heeft [medeverdachte 1] kenbaar gemaakt dat hij bereid en in staat was om over meer dan alleen zijn eigen rol in deze zaak verklaringen af te leggen in ruil voor bescherming, omdat hij vreesde voor zijn leven. Tussen januari 2018 tot en met mei 2018 heeft [medeverdachte 1] in totaal 25 zogenaamde kluisverklaringen afgelegd tegenover het team Bijzondere Getuigen. Op 12 november 2018 heeft de rechter-commissaris in strafzaken de voorgenomen overeenkomst tussen de Staat en [medeverdachte 1] getoetst en rechtmatig bevonden. Op 13 november 2018 heeft de Staat een overeenkomst gesloten met [medeverdachte 1] . Daarbij heeft [medeverdachte 1] zich verbonden om als getuige zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid verklaringen af te leggen met betrekking tot een aantal in de overeenkomst genoemde misdrijven (de zogenoemde ‘dealfeiten’) en afstand gedaan van zijn verschoningsrecht als verdachte (de rechtbank begrijpt: in zijn hoedanigheid van getuige). De officier van justitie verbond zich om bij volledige nakoming door [medeverdachte 1] de strafeis voor zijn aandeel in de dealfeiten te zullen stellen op twaalf jaar gevangenisstraf. Daarbij werd opgemerkt dat de strafeis tegen een verdachte die geen kroongetuige was, bij gelijke omstandigheden een gevangenisstraf van 24 jaren zou bedragen (“de basisstrafeis”). De strafvervolging van [medeverdachte 1] zou zich, behoudens gewijzigde omstandigheden, uitstrekken tot het medeplegen van de moord op [slachtoffer 1] , medeplegen van het voorhanden hebben van twee vuurwapens, medeplegen van opzetheling van twee personenauto’s, medeplegen van opzettelijk gebruikmaken van een valse kentekenplaat, alsmede – bij voldoende bewijs – medeplegen van poging doodslag dan wel bedreiging en vernieling op 28 en 29 juni 2017 aan de [straat ] te [woonplaats] en tot deelname aan een criminele organisatie.

3.1.3

Rechtmatigheid van de overeenkomst

Er zijn diverse verweren gevoerd die strekken tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [medeverdachte 1] , omdat de overeenkomst met [medeverdachte 1] niet rechtmatig gesloten zou zijn.

Hiertoe is door de verdediging onder meer aangevoerd dat het onmogelijk is te toetsen of de inhoud van de verklaringen van [medeverdachte 1] is beïnvloed door eventuele verboden toezeggingen in het kader van de met [medeverdachte 1] gesloten beschermingsovereenkomst, omdat deze laatste niet toetsbaar of controleerbaar is. Voorts is volgens de verdediging de uiteindelijke netto strafeis van acht jaar in de overeenkomst disproportioneel laag en is door het Openbaar Ministerie op ongerechtvaardigde en onbegrijpelijke gronden afgezien van vervolging van [medeverdachte 1] in het deelonderzoek Langenhorst. Ook is aangevoerd dat in de overeenkomst verboden beloningen zijn ingebouwd. Dit omdat het Openbaar Ministerie geen ontnemingsvordering indient voor onder meer het wederrechtelijk door [medeverdachte 1] verkregen voordeel van € 10.000,- voor de moord op [slachtoffer 1] , omdat [medeverdachte 1] een miljoenenschuld die hij aan derden heeft niet meer zal hoeven te betalen omdat hij straks in de anonimiteit verdwijnt en omdat de vader van [medeverdachte 1] niet zal worden vervolgd. Deze beloningen zouden niet openlijk zijn gedeeld met de rechtbank en de verdediging.

De rechtbank moet aan de hand van de feiten en omstandigheden die ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst met [medeverdachte 1] aan de orde waren, de vraag beantwoorden of deze overeenkomst binnen de grenzen van het recht is gebleven. De rechtbank zal dit bespreken bij de hieronder genoemde onderwerpen.

Overeenkomst ex artikel 226g Sv in dit geval mogelijk?

De rechtbank dient allereerst te beoordelen of de overeenkomst met [medeverdachte 1] dringend noodzakelijk was om de opsporing, voorkoming of beëindiging van feiten mogelijk te maken die anders niet of niet tijdig zou plaatsvinden, of er een redelijke verhouding was tussen het belang van de te verkrijgen informatie en de te leveren tegenprestatie en of de overeenkomst ook overigens binnen de grenzen van het recht is gebleven.

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [medeverdachte 1] betrekking hebben op misdrijven als bedoeld in artikel 226g, eerste lid Sv. De rechtbank is verder van oordeel dat het Openbaar Ministerie het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot een overeenkomst met [medeverdachte 1] te komen. [medeverdachte 1] kon immers verklaren over een aantal voltooide levensdelicten waarvan de opsporing op een dood spoor was beland en zonder zijn verklaringen niet binnen afzienbare tijd tot resultaat had geleid. Zijn verklaringen betroffen niet alleen vermeende uitvoerders, maar ook vermeende opdrachtgevers. Door de verklaringen van [medeverdachte 1] is zicht gekregen op een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van liquidaties in opdracht van anderen voor geld en die tot dan toe onder de radar was gebleven. Ook boden zijn verklaringen veel aanknopingspunten voor nader onderzoek in lopende onderzoeken en zaken die op dat moment nog niet bekend waren bij de politie.

Beïnvloeding door beschermingsovereenkomst?

Het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd dat vóór het sluiten van de overeenkomst niet over de details van een getuigenbeschermingsovereenkomst met de kroongetuige wordt gesproken. Er wordt alleen toegezegd dat kroongetuigen hulp en steun zullen krijgen om na afloop van de detentie elders een veilig bestaan op te bouwen. De details en de financiële aspecten komen pas aan de orde als de fictieve datum van invrijheidstelling van de kroongetuige in zicht komt. Nu de verklaringen reeds lang daarvoor zijn afgelegd kunnen die niet beïnvloed zijn door de beschermingsovereenkomst.

De rechtbank bespreekt het verweer omtrent de beschermingsovereenkomst in het licht van de zorgplicht die wordt ontleend aan de positieve verplichtingen van het EVRM, het burgerlijk recht en aan de in artikel 226l Sv neergelegde bepaling. Aan deze zorgplicht wordt in voorkomende gevallen uitvoering gegeven door het maken van afspraken over getuigenbescherming met kroongetuigen. Door de medewerking te vragen van deze getuigen aan de opsporing, neemt de Staat ook een gedeelte van de ‘veiligheidsverantwoordelijkheid’ van deze persoon op zich.

Uit het samenstel van de wettelijke regeling en de toepasselijke beleidsregels volgt dat met betrekking tot de rechtmatigheid en de doelmatigheid van maatregelen van getuigenbescherming in de strafvorderlijke context aan de strafrechter in het geheel geen toetsende rol is toebedeeld. De kroongetuigenregeling en de getuigenbescherming betreffen juist juridisch twee verschillende trajecten. Hoewel in de afgelopen jaren soms duidelijk werd dat er in de praktijk wel degelijk verstrengeling kan bestaan tussen de strafvorderlijke overeenkomst en de beschermingsovereenkomst, in die zin dat de mate van ervaren geboden veiligheid en de bereidheid om te verklaren elkaar kunnen beïnvloeden, en er in de literatuur regelmatig wordt gepleit voor een vorm van externe, rechterlijke toetsing van de beschermingsovereenkomst, biedt de wet hiervoor ook thans nog geen grond. De Hoge Raad heeft in dit kader overwogen: “Zo een verplichting zou – temeer omdat de huidige wet geen specifieke regeling kent met betrekking tot de afscherming van processtukken in het belang van de veiligheid van de kroongetuige – onverenigbaar zijn met het doel van bescherming van de getuige en de aard van de daartoe strekkende maatregelen.”.1De rechtbank wijst er overigens in dit verband op dat de kluisverklaringen door [medeverdachte 1] reeds zijn afgelegd vóórdat de strafvorderlijke overeenkomst met hem is gesloten, dus zonder dat hij wist óf de overeenkomst gesloten zou worden en zo ja, onder welke voorwaarden, terwijl de details van de beschermingsovereenkomst nóg later, namelijk pas kort voor het aflopen van de gevangenisstraf zullen worden bepaald. Dit levert dus geen aanwijzing op dat er sprake is van verboden toezeggingen in het kader van de beschermingsovereenkomst.

Overeenkomst proportioneel?

De rechtbank zal achtereenvolgens ingaan op de omvang van de vervolging van [medeverdachte 1] en het afzien van vervolging van de vader van [medeverdachte 1] , de basisstrafeis, de eis en het achterwege laten van een ontnemingsvordering en het feit dat [medeverdachte 1] een schuld aan derden niet meer zou hoeven te betalen.

Bij requisitoir heeft het Openbaar Ministerie uitgebreid toegelicht dat de beslissing om [medeverdachte 1] niet te vervolgen in Langenhorst ruim ná het sluiten van de overeenkomst is genomen door de zaaksofficieren naar aanleiding van de resultaten van het opsporingsonderzoek en dat daarbij geen gebruik is gemaakt van het opportuniteitsbeginsel, maar dat is beslist dat een vervolging in de ogen van het Openbaar Ministerie geen kans van slagen had. Deze beslissing was volgens het Openbaar Ministerie gelegen in het gegeven dat [medeverdachte 1] – in tegenstelling tot de andere verdachten – uitgebreide verklaringen heeft afgelegd en duidelijk heeft gemaakt dat hij de moord helemaal niet wilde plegen en ook tijdig is gestopt. Deze verklaringen acht het Openbaar Ministerie betrouwbaar en in lijn met andere onderzoeksbevindingen.

De rechtbank hanteert het volgende juridisch kader. In de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (hierna te noemen: de Aanwijzing) zijn beleidsregels geformuleerd over de toepassing van de artikelen 226g tot en met 226l Sv. In de Aanwijzing is geregeld welke toezeggingen aan getuigen toelaatbaar zijn en welke toezeggingen niet. Punt 5.1 van deze Aanwijzing bevat een verbod om toezeggingen te doen met betrekking tot de inhoud van de tenlastelegging (bijvoorbeeld het aantal feiten op de tenlastelegging en de zwaarte daarvan). Punt 5.2 bevat een verbod om in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid af te zien van actieve opsporing of vervolging van strafbare feiten.

Bij de beoordeling door het Openbaar Ministerie of vervolging van een verdachte voor een bepaald strafbaar feit opportuun is spelen in ieder geval de aard van het feit, de bewijsbaarheid van het feit en het algemeen belang een rol. Ook in geval van een potentiële kroongetuige is de afweging daarvan bij uitstek een taak van het Openbaar Ministerie. De rechter die de overeenkomst met een kroongetuige toetst, dient deze afweging in beginsel te eerbiedigen. Het is niet de taak van die rechter om zelf te bepalen voor welke feiten de kroongetuige zou moeten worden vervolgd en welke strafeis bij die vervolging zou passen. Wel dient de rechter, gelet op de geldende wet- en regelgeving, te toetsen of er geen sprake is geweest van onderhandelingen met de getuige over het aantal ten laste te leggen feiten en de kwalificatie daarvan en of niet in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd af te zien van vervolging voor bepaalde feiten. In dat geval zou er immers sprake kunnen zijn van een niet toegestane toezegging in de zin van de Aanwijzing.

De rechtbank stelt vast dat is gesteld noch gebleken dat [medeverdachte 1] en het Openbaar Ministerie hebben onderhandeld over de ten laste te leggen feiten. Het Openbaar Ministerie heeft zoals hiervoor besproken verklaard dat de vervolgingsbeslissing in het deelonderzoek Langenhorst het resultaat was van intern overleg tussen de zaaksofficieren ruim ná het sluiten van de overeenkomst en dat het resultaat daarvan aan [medeverdachte 1] is medegedeeld. Evenmin is gebleken dat het achterwege laten van vervolging van [medeverdachte 1] voor zijn handelingen in dit deelonderzoek is te duiden als een verboden toezegging. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 226g, tweede lid Sv schrijft voor dat in de overeenkomst met een kroongetuige wordt vastgelegd voor welke feiten de getuige zelf zal worden vervolgd. Dat betekent dat het Openbaar Ministerie de strafbaarheid van het feit, de kans op een veroordeling en aspecten van algemeen belang naar de stand van zaken van dat moment moet inschatten. Vanuit een oogpunt van algemeen belang is niet onbegrijpelijk dat het Openbaar Ministerie de vervolging van de potentiële kroongetuige beperkt tot feiten waarvoor reeds op dat moment voldoende bewijs voorhanden lijkt te zijn of die mogelijkheid in ieder geval reëel te achten is na verder opsporingsonderzoek. Wanneer het Openbaar Ministerie een kroongetuige ook zou moeten vervolgen voor feiten waarin de bewijspositie dubieus is of zeer weinig kans van slagen heeft, zouden de te verwachten veroordeling en de straf(eis) uiterst onzeker worden. Het nuttig effect van de kroongetuigenregeling zou in die interpretatie ernstig worden aangetast.

Het Openbaar Ministerie heeft na de totstandkoming van de overeenkomst geoordeeld dat de slagingskans van een vervolging van [medeverdachte 1] in de zaak Langenhorst te klein was, omdat – kort gezegd – bewijs voor het vereiste opzet op de moord bij [medeverdachte 1] ontbrak. De rechtbank acht deze beoordeling in de zaak van [medeverdachte 1] weliswaar voor (enige) discussie vatbaar, maar niet zo onbegrijpelijk dat geoordeeld zou kunnen worden dat het niet anders kan dan dat in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd af te zien van vervolging voor bepaalde feiten en dat het achterwege laten van vervolging voor dit feit achteraf moet worden opgevat als een verkapte verboden toezegging voor het afleggen van verklaringen. De rechtbank acht de beslissing van het Openbaar Ministerie om alleen te vervolgen in bewijstechnisch stevig ogende zaken dan ook rechtmatig.

Voor een toezegging aan [medeverdachte 1] dat zijn vader [B] niet zal worden vervolgd voor strafbare feiten in Eris is geen enkele aanwijzing gevonden in het dossier.

Netto strafeis disproportioneel?

Het Openbaar Ministerie heeft gesteld dat geen sprake is van een disproportionele eis. Zoals hiervoor besproken heeft het Openbaar Ministerie in de overeenkomst de basisstrafeis bepaald op 24 jaren en, bij nakoming van de verplichtingen door [medeverdachte 1] , toegezegd om 50% hiervan als straf te zullen eisen, namelijk twaalf jaren gevangenisstraf.

De rechtbank hanteert het volgende juridisch kader. Ook voor de tegen een kroongetuige te formuleren basisstrafeis geldt dat het Openbaar Ministerie een ruime beoordelingsvrijheid heeft die de rechter heeft te eerbiedigen. Op voorhand kan echter niet worden uitgesloten dat een toegezegde basisstrafeis zo onbegrijpelijk laag is dat het verschil met een reguliere strafeis niet anders kan worden opgevat dan als tegenprestatie voor af te leggen verklaringen. De rechter dient in verband daarmee te toetsen of het Openbaar Ministerie, gelet op alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van zijn ruime beoordelingsvrijheid, in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis heeft kunnen komen.

De rechtbank kan de rechtmatigheid van die basisstrafeis slechts afmeten aan de feiten die daadwerkelijk aan [medeverdachte 1] ten laste zijn gelegd. Zoals gezegd gaat het om het medeplegen van een moord, het voorhanden hebben van wapens, de heling van auto’s en het voorhanden hebben van een valse kentekenplaat en zijn daarbij tevens de feiten betrokken in het deelonderzoek Gezicht en deelname aan een criminele organisatie. Al deze feiten overziende acht de rechtbank de basisstrafeis van 24 jaren niet zo onverklaarbaar laag dat deze niet anders kan worden verklaard dan als een verkapte tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen, terwijl de maximale strafkorting van 50% niet wordt overschreden. Daarom acht de rechtbank de overeenkomst met [medeverdachte 1] ook op dit punt niet onrechtmatig.

Bij aanvang van de inhoudelijke behandeling heeft het Openbaar Ministerie evenwel aangekondigd bij requisitoir een lagere straf te zullen eisen dan in de overeenkomst is toegezegd. Dit naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen op 1 juli 2021. In deze nieuwe wet is de termijn van de voorwaardelijke invrijheidstelling gemaximeerd tot twee jaar bij gevangenisstraffen vanaf zes jaar. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zou een gevangenisstraf van twaalf jaar een netto straf van acht jaar betekenen. Daar mocht [medeverdachte 1] bij het sluiten van de overeenkomst van uitgaan. In het geval van de nieuwe wet betekent een gevangenisstraf van twaalf jaar een netto straf van tien jaar. De inhoud van de overeenkomst biedt volgens het Openbaar Ministerie ruimte om een zodanige gevangenisstraf te eisen die erop neerkomt dat de kroongetuige netto acht jaar moet zitten. Bij requisitoir is daarom niet 24 jaar gevangenisstraf als uitgangspunt genomen, maar twintig jaar gevangenisstraf, die met 50% is verminderd tot de uiteindelijke eis van tien jaar in plaats van twaalf jaar.

De rechtbank overweegt dat bij het aangaan van de overeenkomst in 2018 de oude regelgeving gold dat een veroordeelde in beginsel na afloop van twee derde van zijn gevangenisstraf in aanmerking kwam voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Het Openbaar Ministerie en [medeverdachte 1] hebben bij het aangaan van de overeenkomst geen rekening gehouden met de gevolgen die de Wet straffen en beschermen zou hebben voor de uitvoering van de aan [medeverdachte 1] op te leggen straf. Na de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen zou [medeverdachte 1] bij een gelijkblijvende basiseis immers in een nadeliger positie komen te verkeren dan waar hij op grond van de overeenkomst van uit mocht gaan. Zijn netto straf zou namelijk twee jaar langer zijn.

Hoewel in de overeenkomst alleen gesproken wordt over de basiseis en niet over de netto uit te zitten gevangenisstraf, acht de rechtbank aannemelijk dat juist de te verwachten netto straf voor [medeverdachte 1] van belang is geweest bij de vraag of hij de overeenkomst wilde aangaan, zoals ter terechtzitting bij requisitoir respectievelijk pleidooi ook expliciet door beide partijen is betoogd. In die zin is er dan ook sprake van een wijziging van omstandigheden die tot gevolg heeft dat de overeenkomst voor [medeverdachte 1] nu anders uitpakt dan hij bij het aangaan van de overeenkomst mocht verwachten. De rechtbank betrekt verder bij haar oordeel dat ook een basisstrafeis van twintig jaar op zichzelf nog past binnen de ruime beoordelingsvrijheid die het Openbaar Ministerie toekomt en dus ook op zichzelf beschouwd niet zo onbegrijpelijk laag is dat deze moet worden gezien als een ontoelaatbare, verkapte tegenprestatie voor het afleggen van zijn verklaringen. Gelet op het belang dat opgewekt vertrouwen in beginsel gehonoreerd dient te worden is de rechtbank dan ook van oordeel dat het Openbaar Ministerie in afwijking van de overeenkomst zijn eis ter zitting mocht baseren op een basisstrafeis van twintig jaar. De rechtmatigheid van de overeenkomst wordt daardoor ook achteraf niet aangetast.

Dat betekent dat er gelet op het voorgaande geen sprake is van disproportionele eis. Ook op dit punt is de overeenkomst daarom rechtmatig.

Ontoelaatbare toezegging inzake ontneming?

De rechtbank hanteert het volgende juridisch kader. Voor zover het Openbaar Ministerie los van een eventuele overeenkomst ook al niet tot vordering van het wederrechtelijk verkregen voordeel zou zijn overgegaan, hoeft het dat bij een getuige met wie een overeenkomst is gesloten ook niet te doen. Het Openbaar Ministerie kan dan eenzijdig beslissen van ontneming af te zien, zonder dat van een toezegging in de zin van de Aanwijzing sprake is. Ook op dit punt komt aan het Openbaar Ministerie een zekere beoordelingsvrijheid toe. Wel zal uit de motivering van het besluit om volledig van een ontnemingsvordering af te zien, moeten blijken dat geen sprake is van een verkapte financiële beloning voor het afleggen van verklaringen.

Het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd dat er geen sprake is geweest van een toezegging aan [medeverdachte 1] dat er geen ontnemingsvordering zal worden ingediend. Uit de stukken die zijn opgenomen in het dossier blijkt niet dat hierover is gesproken tussen de officier van justitie van het team Bijzondere Getuigen en [medeverdachte 1] en zijn advocaat. Hoewel dit had gekund, is daarover geen afspraak gemaakt. Het Openbaar Ministerie heeft verder aangevoerd dat [medeverdachte 1] na afloop van zijn detentie elders, vermoedelijk in een ver land, een veilig nieuw bestaan zal moeten opbouwen. Financieel gezien begint hij bij nul en zal hij in het begin een redelijke tegemoetkoming van het team Getuigenbescherming ontvangen. Bij de bepaling van de hoogte van die tegemoetkoming is het uitgangspunt dat iemand gezien de nieuwe leefomstandigheden een redelijk bestaan kan opbouwen. Een eventuele ontneming zou dus ook door het team Getuigenbescherming betaald moeten worden. Dat is volgens het Openbaar Ministerie geen werkelijke ontneming en uit oogpunt van de Staat een vestzak-broekzak-aangelegenheid. Om die reden zal het Openbaar Ministerie geen vordering ontneming indienen voor [medeverdachte 1] .

De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie in het licht van het geschetste kader in het ontbreken van eigen verhaalsmogelijkheden bij [medeverdachte 1] op enigszins afzienbare termijn voldoende reden heeft kunnen zien om een ontnemingsvordering niet opportuun te achten. Van een zo onbegrijpelijke beslissing dat er in feite slechts sprake kan zijn van een verkapte financiële beloning is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

De verdediging heeft nog aangevoerd dat [medeverdachte 1] in het criminele circuit een miljoenenschuld heeft aan derden, en dat deze schuld hem feitelijk is kwijtgescholden omdat [medeverdachte 1] door het aangaan van de overeenkomst onvindbaar is geworden voor zijn schuldeisers.

Voor zover de verdediging heeft betoogd dat op dit punt sprake is van een (verkapte) beloning, verwerpt de rechtbank dit verweer. Allereerst is niet gebleken dat de kroongetuige een juridisch afdwingbare (miljoenen)schuld heeft bij derden. Reeds daarom slaagt dit verweer niet. Los daarvan is geen sprake van enige toezegging door het Openbaar Ministerie dat deze schulden niet meer betaald zouden hoeven worden en slaagt het verweer ook daarom niet.

Samenvatting en conclusie

De overeenkomst met [medeverdachte 1] heeft betrekking op feiten als bedoeld in artikel 226g Sv. Het Openbaar Ministerie heeft het sluiten van de overeenkomst op goede gronden dringend noodzakelijk geacht en heeft de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit niet overschreden. Noch uit de omvang van de vervolging, noch uit de strafeis, noch uit het achterwege laten van een ontnemingsvordering kan worden afgeleid dat aan [medeverdachte 1] verboden toezeggingen zijn gedaan in ruil voor het afleggen van verklaringen. Ook in onderling verband en samenhang bezien is geen sprake van een overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat de verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid of het uitsluiten van bewijs van de verklaringen van [medeverdachte 1] op die grond niet slagen.

3.1.4

Betrouwbaarheid verklaringen kroongetuige

Door diverse raadslieden is aandacht gevraagd voor de onbetrouwbaarheid van de getuige. Aangevoerd is dat [medeverdachte 1] al sinds jonge leeftijd op meerdere terreinen strafbare feiten pleegt, zoals handel in drugs en oplichtingen. Omdat hij al zijn hele leven liegt en bedriegt, is het zeer riskant om zijn verklaringen te gebruiken voor het bewijs, zeker nu [medeverdachte 1] een duidelijk eigen belang heeft bij het afleggen van zijn verklaringen, aldus de raadslieden.

Alle raadslieden hebben daarnaast op inhoudelijke gronden de bruikbaarheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] betwist. Zoals in de zaak van [medeverdachte 14] is verwoord: “De kroongetuige heeft veel vermoedens, invullingen, veronderstellingen en gevoelens en verkeerde ten tijde van de feiten waarover hij verklaart niet zelden onder invloed van verdovende middelen. Hij is na talloze verhoren door de politie, bij de rechter-commissaris en op de zitting nauwelijks meer in staat om onderscheid te maken tussen wat hij daadwerkelijk heeft meegemaakt, wat hij van derden heeft gehoord en wat hij later heeft opgepikt uit de media. De primaire bron is uiteindelijk vaak [medeverdachte 5] , die ooit iets tegen hem gezegd zou hebben, al weet hij niet meer waar, wanneer, in welke bewoordingen en in welke context.”. Andere raadslieden hebben daaraan nog toegevoegd dat de verklaringen bewust of onbewust onbetrouwbaar zijn te achten: door de wijze van verhoren, namelijk het toepassen van Neuro Linguïstisch Programmeren (NLP), het bestaan van valse herinneringen en het voeden met informatie door politie en justitie. De verklaringen kunnen daarom niet worden gebezigd voor het bewijs. In ieder geval is het volgens de raadslieden noodzakelijk om deze verklaringen met grote voorzichtigheid te benaderen. Voorwaardelijk is verzocht om nader deskundigenonderzoek te gelasten over geheugentraining, dan wel hierover een deskundige ter zitting te bevragen.

Het Openbaar Ministerie heeft hiertegen het volgende aangevoerd. [medeverdachte 1] heeft in zijn kluisverklaringen slechts uit zijn eigen geheugen geput. In de vele tactische verklaringen die [medeverdachte 1] bij de verhoorders uit het onderzoek Eris heeft afgelegd, heeft [medeverdachte 1] globaal telkens hetzelfde verhaal verteld, maar vooral méér dan in zijn kluisverklaringen. Nergens is hij teruggekomen op zijn eerder afgelegde kluisverklaringen in de zin dat deze bewust onjuist zouden zijn geweest. De tactische verklaringen bevatten vooral meer details dan de kluisverklaringen, dit naar aanleiding van verhelderende vragen. Uiteindelijk is [medeverdachte 1] geconfronteerd met de onderzoeksresultaten. Soms om uit te leggen hoe zijn verklaringen passen in het beeld dat met harde onderzoeksbevindingen tot stand is gekomen, maar ook om zaken, die hij zich kennelijk niet goed herinnerde, helder te krijgen. Dat ging vaak om tijd en plaats. Zo heeft hij zich vergist of één bepaalde ontmoeting van zijn vele ontmoetingen met [medeverdachte 5] in [woonplaats] of [woonplaats] heeft plaatsgevonden en heeft hij grote moeite gehad om bepaalde gebeurtenissen in tijd goed te plaatsen. Het Openbaar Ministerie heeft tot slot opgemerkt dat als gevolg van de zeer getrapte wijze van verhoren van [medeverdachte 1] en de letterlijke uitwerking van zijn verhoren, het in elk geval helder is hoe zijn verklaringen tot stand zijn gekomen en controle ten behoeve van de bruikbaarheid van zijn verklaringen goed uitvoerbaar is.

De rechtbank overweegt als volgt. Vooropgesteld wordt dat de rechtbank niet de betrouwbaarheid van de persoon van [medeverdachte 1] maar die van zijn verklaringen dient te toetsen.

Een kritische benadering van de verklaringen van [medeverdachte 1] ligt voor de hand, nu hij deze heeft afgelegd als kroongetuige. Immers, het feit dat een kroongetuige van het Openbaar Ministerie een tegenprestatie krijgt in ruil voor zijn verklaringen, verschaft hem een bijzondere positie, die maakt dat zijn verklaringen met extra behoedzaamheid dienen te worden benaderd, zoals voorgeschreven in artikel 360, tweede lid Sv in verband met artikel 342, tweede lid Sv. De eis van behoedzaamheid geldt in het bijzonder waar het gaat om die verklaringen die zien op informatie die [medeverdachte 1] stelt van [medeverdachte 5] te hebben verkregen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 11] hebben over [medeverdachte 5] immers verklaard dat hij informatie wel eens aandikte of dat hij met desinformatie strooide. Uitgangspunt is dat ‘de auditu-verklaringen’ in beginsel bruikbaar zijn voor bewijs, maar dat de verdediging wel de gelegenheid moet hebben gehad om de getuige, het liefst ter terechtzitting, te horen. Vastgesteld kan worden dat de verdediging [medeverdachte 1] ook ter zitting aan vele indringende verhoren heeft onderworpen, waarbij het aspect ‘van horen zeggen van [medeverdachte 5] ’ uitvoerig aan de orde is geweest. Het zou dan ook te ver gaan om aan de verklaringen van [medeverdachte 1] om die reden op voorhand slechts de waarde van steunbewijs toe te kennen, zeker omdat de beweerde bron van de ‘de auditu-verklaringen’, [medeverdachte 5] , zich hoofdzakelijk heeft beperkt tot het enkel ontkennen van de beweringen van [medeverdachte 1] .

Op de rechtbank komt [medeverdachte 1] in zijn wijze van verklaren bij de politie en de rechter-commissaris, maar ook ter terechtzitting, zelfverzekerd, helder en in grote lijnen consistent over. Bij deze algemene positieve indruk staat voorop dat [medeverdachte 1] zichzelf heeft belast in zaken waarin hij tot op dat moment bij het Openbaar Ministerie in het geheel niet in beeld was gekomen en het gegeven dat zijn, op punten gedetailleerde, verklaringen voor een belangrijk deel ook bevestiging vinden in objectieve onderzoeksbevindingen. De rechtbank wijst hier onder meer op de bevindingen in het uitgebreide verificatie/falsificatiedossier. Wel is duidelijk gebleken dat [medeverdachte 1] grote moeite heeft met het plaatsen van gebeurtenissen in de tijd en dat hij bepaalde zaken heeft ingevuld en met elkaar verward, zoals bijvoorbeeld in de deelonderzoeken Lis en Barbera. Ook heeft [medeverdachte 1] zijn verklaringen gedurende het proces op punten moeten nuanceren, daar waar hij eerder, al dan niet ingegeven door zijn eigen overtuigingen, in al te concluderende zin had verklaard. Sommige ongerijmdheden in de verklaringen van [medeverdachte 1] zijn niet geheel opgehelderd of op andere wijze verklaarbaar gebleken. Hiervan is bijvoorbeeld sprake in de deelonderzoeken Charlie17 en Langenhorst, daar waar het de gang van zaken in aanloop naar de moord, dan wel de rol van [medeverdachte 1] zelf betreft. Ook in deze beide zaken, die in de vonnissen van de verdachten die het betreft en voor zover relevant bij de beantwoording van de vragen van 348 en 350 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) nader aan de orde komen, komt de rechtbank evenwel niet op voorhand tot de conclusie dat [medeverdachte 1] bewust niet volledig naar waarheid heeft verklaard.

Ondanks de kanttekeningen die op punten bij de verklaringen van [medeverdachte 1] kunnen worden geplaatst, blijft, tegen de achtergrond van het totaal van zijn vele verklaringen in het licht van de overige onderzoeksbevindingen, het beeld van [medeverdachte 1] als een overwegend betrouwbaar verklarende getuige in stand. Uit de verbatim uitgewerkte verhoren van [medeverdachte 1] is van het toepassen van NLP, van het opwekken van valse herinneringen en het voeden van informatie in de verhoren door de politie niet gebleken, noch zijn hiervoor aanwijzingen te vinden. De rechtbank ziet dan ook geen noodzaak om hieromtrent nader deskundigenonderzoek te laten doen of een deskundige te bevragen, zodat het (voorwaardelijke) verzoek daartoe wordt afgewezen.

De genoemde kanttekeningen maken wel dat de rechtbank de verklaringen van [medeverdachte 1] met de vereiste extra behoedzaamheid zal benaderen. De rechtbank geeft hieraan op de volgende wijze concreet uiting. Een verklaring van [medeverdachte 1] over het daderschap van een medeverdachte bij een tenlastegelegd feit kan in beginsel in aanzienlijke mate bijdragen aan het bewijs maar slechts dan leiden tot een veroordeling van deze medeverdachte indien er naast deze verklaring sprake is van ander zelfstandig bewijs, dus uit andere bron, dat deze verklaring in voldoende mate ondersteunt. Voor de feitelijke invulling hiervan verwijst de rechtbank naar de bespreking van de diverse deelonderzoeken.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS EN DE CONCLUSIES VAN DE VEREDELINGEN

4.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 16/706504-19 primair, 16/659124-19 feit 1: subsidiair, feit 2: subsidiair en 16/659041-20 tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen en verwijst daartoe naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 16/659124-19 feit 1: primair en feit 2: primair tenlastegelegde.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging van [verdachte ] heeft verzocht hem vrij te spreken van alle feiten. De daartoe gevoerde verweren komen, voor zover van belang voor de bewijswaardering, aan de orde in de overwegingen van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Conclusies veredelingen en identificaties

De rechtbank heeft op basis van de bewijsmiddelen en conclusies die zijn opgenomen in bijlage 3 onder meer de volgende veredelingen van PGP-namen en bijnamen vastgesteld.

  • -

    [medeverdachte 5] is de gebruiker van de PGP-accounts ‘ [PGP gebruikersnaam 2 medeverdachte 6] ’ (tussen 18 en 20 februari 2017), ‘ [PGP gebruikersnaam 1 medeverdachte 6] ’, ‘ [PGP gebruikersnaam 3 medeverdachte 6] ’, ‘ [PGP gebruikersnaam 4 medeverdachte 6] ’ en [PGP gebruikersnaam 5 medeverdachte 6] (deelonderzoek Goudvink);

  • -

    [medeverdachte 6] is de gebruiker van het PGP-account ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 6] ’;

  • -

    [medeverdachte 7] is de gebruiker van de PGP-accounts ‘ [PGP gebruikersnaam 1 medeverdachte 7] ’, ‘ [PGP gebruikersnaam 2 medeverdachte 7] ’ en ‘ [PGP gebruikersnaam 3 medeverdachte 7] ’;

  • -

    [medeverdachte 11] is van 22 tot en met 24 februari 2017 de gebruiker van het PGP-account ‘ [PGP gebruikersnaam 2 medeverdachte 6] ’ en [medeverdachte 11] heeft de bijnamen ‘ [bijnaam medeverdachte 11] ’/‘ [bijnaam medeverdachte 11] ’;

  • -

    [medeverdachte 10] is van 14 maart 2017 tot en met 17 maart 2017 de gebruiker van het PGP-account ‘ [PGP gebruikersnaam 2 medeverdachte 6] ’ en [medeverdachte 10] heeft de bijnaam ‘ [bijnaam medeverdachte 10] ’;

  • -

    [medeverdachte 8] heeft de bijnaam ‘ [bijnaam medeverdachte 8] ’;

  • -

    [medeverdachte 3] is de gebruiker van het PGP-account ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 3] ’.

4.3.2

Charon

De rechtbank leidt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af.

4.3.2.1 Liquidatie van [slachtoffer 2]

Op 31 januari 2017 omstreeks 22.30 uur is [slachtoffer 2] in [woonplaats] neergeschoten en als gevolg daarvan diezelfde dag overleden.

4.3.2.2 Verklaringen van [medeverdachte 1]

heeft over deze liquidatie in zijn kluisverklaring verklaard dat hij van [medeverdachte 5] heeft gehoord dat de zoon van [bijnaam medeverdachte 8] betrokken is geweest bij een vergismoord in [woonplaats] . Als gevolg van feit dat de verkeerde persoon zou zijn geliquideerd is de zoon van [bijnaam medeverdachte 8] in de problemen gekomen en heeft [bijnaam medeverdachte 8] de hulp ingeschakeld van [medeverdachte 5] . Ter vergelding moest een betrokkene bij deze vergismoord geliquideerd worden en [medeverdachte 5] heeft vervolgens geregeld dat een andere betrokkene dan de zoon van [bijnaam medeverdachte 8] is geliquideerd. Met deze actie heeft [medeverdachte 5] aangetoond dat hij in staat is om liquidatieopdrachten uit te voeren en heeft hij ‘het stokje overgenomen’ van de uitvoerders van de vergismoord en is hij verder gegaan met het uitvoeren van liquidaties in opdracht van [C] .

Verder heeft [medeverdachte 1] verklaard dat [medeverdachte 9] als chauffeur betrokken is geweest bij een liquidatie. De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen zoals weergeven in bijlage 3 (veredelingen en identificaties) blijkt dat met [medeverdachte 9] wordt bedoeld.

De rechtbank acht deze verklaring van [medeverdachte 1] betrouwbaar, omdat die bevestiging vindt in meerdere bewijsmiddelen. De rechtbank zal dat hieronder nader uitwerken.

4.3.2.3 Onderbouwing van de verklaring van [medeverdachte 1] en overige bewijsoverwegingen

Naar aanleiding van het onderzoek naar deze liquidatie en de verklaringen afgelegd door [medeverdachte 1] is het volgende gebleken.

4.3.2.3.1 Veredeling van ‘ [bijnaam medeverdachte 8] ’ en ‘de zoon van [bijnaam medeverdachte 8] ’

Op basis van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in bijlage 3 (veredelingen en identificaties) stelt de rechtbank vast dat met [bijnaam medeverdachte 8] wordt bedoeld [medeverdachte 8] en met de zoon van [bijnaam medeverdachte 8] [medeverdachte 3] .

4.3.2.3.2 Betrokkenheid van [medeverdachte 3] bij de vergismoord in [woonplaats]

Getuige [getuige ] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] aan hem heeft verteld dat hij betrokken was bij een liquidatie in [woonplaats] , waarbij de verkeerde is gepakt. Hij was samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . [slachtoffer 2] was de spotter en chauffeur en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zijn uitgestapt, waarbij [medeverdachte 4] is gaan schieten. De volgende dag zou [slachtoffer 2] terug moeten om alsnog de juiste persoon te pakken. Hij heeft toen gehoord dat hij eraan moest, omdat de liquidatie fout was gegaan en er iemand voor moest boeten.

Uit de vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland van 27 maart 2019 blijkt dat [slachtoffer 22] op 12 januari 2017 omstreeks 01.45 uur aan de [straat ] te [woonplaats] is neergeschoten en is komen te overlijden. Het beoogd doelwit van deze liquidatie bleek echter [slachtoffer 23] te zijn. Voor de liquidatie op 12 januari 2017 op [slachtoffer 22] en het voorbereiden van de liquidatie van [slachtoffer 23] op 13-14 januari 2017 zijn [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] veroordeeld.

4.3.2.3.3 Het inschakelen van [medeverdachte 5]

Uit onder meer de WhatsApp-chatberichten tussen [medeverdachte 8] en [medeverdachte 5] en de historische verkeersgegevens van [medeverdachte 3] blijkt dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] elkaar, soms door tussenkomst van [medeverdachte 8] , in de dagen voorafgaand aan de liquidatie van [slachtoffer 2] hebben ontmoet. Daarnaast blijkt uit de WhatsApp-conversaties van 28 januari 2017 dat [medeverdachte 5] door [medeverdachte 8] op de hoogte wordt gehouden over de zoektocht naar [slachtoffer 2] door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] op 28 januari 2017, waarbij [slachtoffer 2] uiteindelijk in [woonplaats] bij zijn vader (getuige [getuige ] ) wordt gevonden.

4.3.2.3.4 Het voorbereiden van de liquidatie

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 5] voorafgaand aan 31 januari 2017 een PGP-toestel met simnummer [simnummer] en IMEI-nummer [IMEI nummer] heeft ontvangen vanuit de opdracht gevende organisatie. [medeverdachte 8] laat op 31 januari 2017 via WhatsApp aan [medeverdachte 5] weten dat [medeverdachte 3] [medeverdachte 5] een telefoon heeft gegeven en dat [medeverdachte 5] berichten ontvangt en leest, maar dat hij niet reageert op ontvangen berichten. Dit kunnen ‘de mannen’ zien en zij vragen aan [medeverdachte 3] waarom [medeverdachte 5] niet reageert.

Op de dag van de liquidatie, 31 januari 2017, geeft [medeverdachte 5] omstreeks 19.30 uur de opdracht aan [medeverdachte 5] en [medeverdachte 10] om [medeverdachte 9] op te halen omdat ze ‘laat zijn’. Wanneer [medeverdachte 5] vraagt of ze naar ‘L’ of ‘ […] ’ moeten, antwoordt [medeverdachte 5] : “Nee. [bijnaam medeverdachte 10] weet. Ze moeten iets daar ophalen. Bij sport. Daarna widow. En dan kom ik naar sport”.

4.3.2.3.5 De liquidatie – forensisch onderzoek naar de aangetroffen hulzen op de plaats delict

Op de plaats delict zijn 30 hulzen aangetroffen, waarbij het voor 29 hulzen extreem veel waarschijnlijker is dat deze zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen dan met twee vuurwapens van hetzelfde kaliber en dezelfde systeemkenmerken. Uit forensisch onderzoek is gebleken dat op één van deze 29 hulzen een DNA-profielcluster is aangetroffen, waarvan het DNA van [medeverdachte 10] deel uitmaakt.

4.3.2.3.6 Het verbranden van de vluchtauto

In een WhatsApp-conversatie tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 10] van 3 februari 2017 stuurt [medeverdachte 10] omstreeks 18.50 uur “OG. Ik moet de fiets (de rechtbank begrijpt: auto) gaan halen” en “En ik wil niet lang wachten”. Diezelfde avond heeft [medeverdachte 10] tweemaal contact met [verdachte ] . [verdachte ] heeft ter terechtzitting van 20 september 2021 verklaard dat hij in opdracht van [medeverdachte 5] samen met iemand anders een personenauto in brand heeft gestoken, waarbij hij zijn gezicht heeft verbrand.

Op 4 februari 2017 kwam in de nacht een melding binnen dat er een personenauto in brand zou staan in De Zilk. Het ging om een Renault Clio die was voorzien van een vals kenteken en die gestolen bleek. Op 4 februari 2017 vindt er een PGP-chatgesprek plaats tussen ‘ [PGP gebruikersnaam 1 medeverdachte 6] ’, veredeld als [medeverdachte 5] , en ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 6] ’, veredeld als [medeverdachte 6] . [medeverdachte 6] stuurt om 13.57 uur “Oké ik kijk nieuws ma zie nergens daarom!”. [medeverdachte 5] reageert daarop met “Ik stuur je. Zie mijn mensen zo”. Omstreeks 14.00 uur belt [medeverdachte 5] tweemaal tevergeefs naar [verdachte ] en vervolgens vraagt [medeverdachte 5] via WhatsApp aan zowel [medeverdachte 5] als [D] of [medeverdachte 9] daar is, waarop bevestigend wordt geantwoord door beide personen. [medeverdachte 9] moet wachten totdat [medeverdachte 5] er is. Vervolgens stuurt [medeverdachte 5] om 15.44 uur via de PGP aan [medeverdachte 6] “Tussen Bloemendaal en harlem. Lichterlaaie. Een van mijn mensen is zelfs bijna verbrand. Dan weet je”. Vervolgens geeft [medeverdachte 6] uitleg over hoe je het beste een auto in brand kunt steken.

De rechtbank leidt uit het feit dat de betreffende Renault Clio in brand is gestoken door mensen uit de organisatie van [medeverdachte 5] , dat [medeverdachte 5] juist specifiek over deze auto chat met [medeverdachte 6] , die namens de opdrachtgever van de liquidatie optreedt, dat de papieren van deze auto zijn aangetroffen in een loods die bij de organisatie van de opdrachtgever in gebruik was en waar ook de papieren van auto’s die zijn gebruikt bij de moord op [slachtoffer 22] en de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 23] zijn aangetroffen af dat het hier gaat om de auto die als vluchtauto is gebruikt bij het uitvoeren van de liquidatie.

4.3.2.3.7 De uitbetaling

Op 1 februari 2017 om 20.57 uur geeft [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 8] het adres [adres] door, alwaar restaurant [restaurant] is gevestigd en op dat moment het verjaardagsfeest van [medeverdachte 9] en [E] gaande is. Op diezelfde avond om 23.36 uur maakt [medeverdachte 10] met zijn telefoon een foto van een stapel bankbiljetten van € 50,- op het toilet van restaurant [restaurant] aan de [adres] . Op 4 februari 2017 vindt er een PGP-chatgesprek plaats tussen [medeverdachte 5] , en ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 3] ’, veredeld als [medeverdachte 3] . Ze chatten over onder meer ‘pap’ (de rechtbank begrijpt: geld). [medeverdachte 3] stuurt daarbij “En Oja. Zeg hem niets over het geld gedoe wat laatst ontbrak. Zeg em je hebt ’t al geregeld met mij”. [medeverdachte 5] reageert met “Komt goed”. Op 23 februari 2017 chat ‘ [PGP gebruikersnaam 1 medeverdachte 6] ’, veredeld als [medeverdachte 5] met [medeverdachte 6] . [medeverdachte 6] vraagt aan [medeverdachte 5] hoeveel hij ‘die dag’ heeft gekregen, waarop [medeverdachte 5] aangeeft dat hij geld miste doordat [medeverdachte 3] teveel geld had gepakt als mazzel. [medeverdachte 6] geeft aan dat hij persoonlijk € 26.500,- heeft afgegeven en dat [medeverdachte 5] wordt genaaid door [medeverdachte 3] . [medeverdachte 5] stuurt verder: “Zat op club. Was druk. Hij kwam met die tas. Ik telde niet. Toen vroeg hij of hij een mazzel mocht, hij en zijn pa. Ik zei eigenlijk niet want het is voor head. Maar toen zei ik ok wat willen jullie. Zei hij geeft jij maar (toen vond ik ’t al raar). Daarna zei ok ga na wc en pak 3 eraf. Toen gingen ze weg.”.

De rechtbank leidt hieruit af dat [medeverdachte 5] betaald heeft gekregen vanuit de opdrachtgever, dat hij op zijn beurt de schutter heeft betaald en dat [medeverdachte 10] die avond over een stapel geld beschikte.

4.3.2.3.8 Het overnemen van de ‘BV’

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [slachtoffer 2] als uitvoerders betrokken zijn geweest bij de liquidatie van [slachtoffer 22] . Zoals hiervoor is overwogen is [medeverdachte 5] vervolgens benaderd en heeft [medeverdachte 5] de opdracht om [slachtoffer 2] ter vergelding van de gemaakte fout te liquideren aangenomen en uitgevoerd.

Nadien heeft [medeverdachte 5] op 4 februari 2017 contact met [medeverdachte 3] via de PGP. Ze praten onderling over ‘pap’ en PGP’s. [medeverdachte 3] stuurt daarbij: “Hij is correct met u die hele orga is correct met u. Prijzen zijn altijd real.” en “Na elke actie kan j meer en meer eisen stellen en pgps vragen”. Op 4 februari 2017 chat [medeverdachte 5] met [medeverdachte 6] waarbij [medeverdachte 6] aangeeft dat [medeverdachte 5] het deze dagen met hem moet doen en vraagt hij aan [medeverdachte 5] waar hij de ‘spotfiets’ wilt hebben. Op 22 februari 2017 heeft [medeverdachte 5] wederom contact met [medeverdachte 6] . [medeverdachte 5] stuurt: “Geld komt bij mij als laatste respect als eerst. [medeverdachte 6] reageert met “Ja bij ons ook broeder. [medeverdachte 5] : “Dat is wat me aantrok. Voor dat geld zo ik had die kleine nooit geholpen hebben” en “Ik besliste letterlijk 1 dag.. Ik zat zijn paniek en ken zijn vader.”. Later in hetzelfde chatgesprek zegt [medeverdachte 5] : “Mooiste is die kleine kwam met zijn pa (zit ook in mijn club) om me werk te geven hahaha. Ik voelde dat hij niet wist waar hij meebezig was. En vroeg hem openkaart te spelen.hij wilde niets zeggen. Niet eens tegen zijn vader” en “Ik zei ook maar geef die bv over als ik je help. Hij was zo in paniek en zei ja”.

De rechtbank vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 5] ‘het stokje’ heeft overgenomen van de zoon van [bijnaam medeverdachte 8] .

4.3.2.3.9 Opdrachtgever achter de ‘BV’

Voor zowel de liquidatie van [slachtoffer 22] (Audi A5) en de voorbereidingshandelingen die zien op de moord op [slachtoffer 23] (Skoda Fabia en een Audi Q5) als de liquidatie van [slachtoffer 2] (Renault Clio) zijn personenauto’s gebruikt waarvan de originele bescheiden zijn aangetroffen in een loods op het [adres] te [woonplaats] . Uit nader onderzoek naar de loods is gebleken dat een persoon genaamd [F] is geïdentificeerd als koper van diverse goederen die in de loods zijn aangetroffen.

Tevens stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 5] voorafgaand aan de liquidatie een PGP-toestel met simnummer [simnummer] en IMEI-nummer [IMEI nummer] heeft ontvangen, dat later onder [medeverdachte 10] is inbeslaggenomen. Uit nader onderzoek is gebleken dat in dit toestel op 28 januari 2017 respectievelijk 30 januari 2017 de contacten ‘ [PGP gebruikersnaam] ’ en ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 6] ’ zijn toegevoegd als contacten. [medeverdachte 1] heeft hierover verklaard dat beide contacten toebehoren aan de groep rondom [C] . In onderzoek 09Kreta vond op 10 mei 2017 een doorzoeking plaats in de woning van [F] . Tijdens deze doorzoeking werd onder meer administratie inbeslaggenomen, waarin onder meer de gegevens ‘ […] ’, ‘Simnummer [simnummer] ’ en ‘Datum: 28-01 ecc: [PGP gebruikersnaam 2 medeverdachte 6] ’ waren genoteerd.

Voorts is onder [medeverdachte 5] een chatgesprek aangetroffen tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] van 22 februari 2017 waarin [medeverdachte 6] aan [medeverdachte 5] uitleg geeft over de achterliggende redenen voor de liquidatie van [slachtoffer 2] . [medeverdachte 6] zegt onder meer: “Maar dan die jonge die weg is is een neef van [naam 1] z’n neef en die [naam 1] ook”. [medeverdachte 5] reageert met “Ohhh. Ohjaa nu begrijp ik…dus hun zijn neven”. [medeverdachte 6] vervolgt het gesprek: “Maar ze gaven niet thuis ken hem vanaf kleins toen zag ik jullie niet klaar voor dit want als die $an was gekomen hun gemait driver was weg kijken ze na ll voor 2e x in 1 flat!!! Is doodstraf voor driver”. [medeverdachte 5] : “Jaaaa. Zei ik ook. Klopt klopt. Was het hun 2de x? In 1 flat? Oh nu begrijp ik. Als de doelwit gekomen was ja. Nu kijken ze al naar LL”. [medeverdachte 6] : “Waarom waren ze bang eerste doen ze fout onze eigen $an 2e x rijdt driver weg. 3e x ander team gepakt”. [medeverdachte 5] reageert: “Jaa. Veel fouten. Veel” en “Plus driver sprak. Misschien wel meer dan we denken”. [medeverdachte 6] : “En ik zag me me neefje ook dus heb het kunnen saven en nog pap getrokken bro”. [medeverdachte 5] : Ja weet niet eens of ik ze gespaard had eerlijk gezegd.. zei ik hem ook. Ja ze moeten je dankbaar zijn broer echt”. [medeverdachte 6] : “Broer als ik het was op weg terug had ik ‘m door z’n kop geschoten en verbrandt in foets. Fiets” en “En dat was hun fout hebben bijna drie weken laten lopen met angst”. Uit nader onderzoek is gebleken dat [slachtoffer 2] een neef heeft genaamd ‘ [naam 1] ’. [slachtoffer 2] is negentien dagen na de vergismoord in [woonplaats] geliquideerd. Dit is iets minder dan drie weken. Verder blijkt uit telecomonderzoek dat [medeverdachte 6] voorafgaand aan de liquidatie van [slachtoffer 22] ook in contact heeft gestaan met de uitvoerders van die liquidatie.

De rechtbank acht op grond van het bovenstaande en van hetgeen in bijlage 3 (veredelingen en identificaties) bij dit vonnis is opgenomen over de rol van [F] het voldoende aannemelijk dat [medeverdachte 6] deel uitmaakt van de criminele organisatie van vermoedelijk [C] , net zoals [F] .

4.3.2.4 De rol van [verdachte ]

De rechtbank zal [verdachte ] vrijspreken van de feiten die hem ten laste zijn gelegd in het deelonderzoek Charon en overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank heeft geruime tijd ernstige bezwaren aangenomen voor betrokkenheid van [verdachte ] bij de moord op [slachtoffer 2] . De ernstige bezwaren bestonden uit het feit dat er zeer sterke aanwijzingen zijn voor betrokkenheid van [verdachte ] bij het in brand steken van de vluchtauto, terwijl hij daar geen verklaring over wilde afleggen, samen met het feit dat zijn telefoon ten tijde van het plegen van de liquidatie geen contact heeft gemaakt met het netwerk en dus mogelijk uitstond.

Tijdens de inhoudelijke behandeling heeft [verdachte ] voor het eerst verklaard dat hij de vluchtauto inderdaad in brand heeft gestoken. Samengevat komt zijn verklaring erop neer dat hij de auto in opdracht van [medeverdachte 5] in brand heeft gestoken, dat hij niet wist waarom, maar dat hij vermoedde dat het iets met verzekeringsfraude te maken had. Daarnaast heeft de verdediging aan de hand van telecomgegevens aangetoond dat de telefoon van [verdachte ] in vergelijkbare tijdvakken voorafgaand aan de dag van de liquidatie en daarna ook geen contact heeft gemaakt met het netwerk, zodat die omstandigheid niet dermate onderscheidend is dat het significant bij kan dragen aan de verdenking.

Mede gelet op de ondergeschikte positie die [verdachte ] ten tijde van de liquidatie van [slachtoffer 2] nog had binnen [motorclub] , is de verklaring van [verdachte ] op zichzelf bezien niet onaannemelijk te noemen. Uit het dossier blijken geen feiten en omstandigheden die deze verklaring kunnen ontkrachten of waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de rol van [verdachte ] groter is geweest dan hij nu doet voorkomen.

Uit het voorgaande volgt dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is op basis waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat [verdachte ] vooraf of tijdens de moord op [slachtoffer 2] daar op enige wijze bij betrokken is geweest. Het nadien in brand steken van de auto is als zodanig niet apart tenlastegelegd.

4.3.3

Barbera

De rechtbank leidt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij de verklaringen van [medeverdachte 1] voor dit deelonderzoek buiten beschouwing zal laten. De verweren die de verdediging op dat punt heeft gevoerd, kunnen daarom onbesproken blijven.

4.3.3.1 Uitlokken van de liquidatie

Op 6 maart 2017 vindt er een PGP-chatgesprek plaats tussen ‘ [PGP gebruikersnaam 1 medeverdachte 6] ’, veredeld als [medeverdachte 5] en ‘ [PGP gebruikersnaam 1 medeverdachte 7] ’, veredeld als [medeverdachte 7] . [medeverdachte 7] vraagt aan [medeverdachte 5] of ‘ze die man in [woonplaats] willen doen’. [medeverdachte 5] antwoordt hierop bevestigend. [medeverdachte 7] geeft [medeverdachte 5] te kennen dat hij het op gaat zetten. [medeverdachte 5] laat aan [medeverdachte 7] weten dat ze klaar staan.

Het eerste PGP-chatgesprek waaraan [medeverdachte 6] deelneemt dateert van 9 maart 2017 om 21.42 uur, op het moment dat duidelijk is dat de voorgenomen liquidatie van [slachtoffer 10] is mislukt. De rechtbank leidt uit de inhoud van deze chats en uit de inhoud van nadien gevoerde chats af dat [medeverdachte 6] samen met [medeverdachte 7] de opdracht heeft gegeven tot de liquidatie en overweegt daartoe het volgende.

Allereerst blijkt uit het chatgesprek dat vanaf 9 maart 2017 om 21.42 uur wordt gevoerd dat [medeverdachte 6] op de hoogte was van de voorgenomen liquidatie van [slachtoffer 10] . [medeverdachte 6] zegt tegen [medeverdachte 5] dat het niet mis mag gaan. [medeverdachte 5] antwoordt hierop dat [medeverdachte 6] ‘Big’ het moet laten uitleggen. [medeverdachte 5] stuurt vervolgens naar [medeverdachte 7] dat hij het ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 6] ’ moet uitleggen. [medeverdachte 5] laat nog wel aan [medeverdachte 6] weten dat hij vindt dat de ‘tata’ het niet goed heeft gedaan en hij vraagt zich af hoe dat kan terwijl ‘jullie’ hem betalen. [medeverdachte 5] geeft vervolgens aan naar de ‘heads’ te gaan om ze te bedaren.

Een paar uur na de mislukte liquidatie vraagt [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 7] wat hij de ‘heads’ kan zeggen. [medeverdachte 7] antwoordt hierop dat er morgen wat ‘pap’ (de rechtbank begrijpt: geld) wordt gestuurd voor de moeite en dat [medeverdachte 5] dat dan met [medeverdachte 7] kan delen. [medeverdachte 5] vindt dit goed. In de nacht van 10 op 11 maart 2017 vraagt [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 6] wat het adres is. [medeverdachte 6] antwoordt hierop “ [straat ] kruising [straat ] ”. [medeverdachte 5] zegt tegen [medeverdachte 6] dat hij iemand stuurt en geeft vervolgens dat adres aan [E] door. [medeverdachte 6] vraagt aan [medeverdachte 5] of het klopt dat ‘ [bijnaam] ’ 35 heeft afgesproken. [medeverdachte 5] antwoordt hierop “Ja ik zei voor jullie 2 1500. Geef ik heads de rest”. [medeverdachte 5] laat aan [medeverdachte 6] weten dat de persoon die hij heeft gestuurd er staat. [medeverdachte 6] antwoordt om 00.25 uur dat hij het al heeft gegeven. [E] is die nacht om 00.05 uur door de politie op de [straat ] te [woonplaats] gecontroleerd.

In hetzelfde gesprek vraagt [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 6] of [medeverdachte 6] het redelijk vindt. [medeverdachte 6] antwoordt dat dit de eerste keer is en “die man heeft nog niet van je gehoord maar zodra er progres volgt zal je zien heb het je al eens verteld geef me 2 snel en je zal geen geld problemen hebben broer!” Vervolgens antwoordt [medeverdachte 5] : “Dank voor het gebaar mijn broer. We staan aan je zij. Sorry dat we je niet konden geven wat je hoorde te krijgen, maar ik hoop dat er nog een kans volgt om deze voor u naar Satan te sturen.. gr mijn broer”.

Uit een chatbericht tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] van 18 februari 2017 blijkt dat er voor een geslaagde liquidatie € 70.000.- aan [medeverdachte 5] wordt betaald door de organisatie waar [medeverdachte 6] deel van uitmaakte. Uit het feit dat [medeverdachte 5] in het deelonderzoek Barbera geld krijgt voor de moeite, leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 5] ook voor de moord op het beoogde slachtoffer een geldbedrag in het vooruitzicht is gesteld.

De rechtbank leidt uit bovengenoemde feiten en omstandigheden af dat [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] gezamenlijk [medeverdachte 5] hebben geprobeerd te bewegen tot het liquideren van het beoogde slachtoffer door [medeverdachte 5] een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen. Uit hetgeen de rechtbank hierna overweegt met betrekking tot de uitvoering van de liquidatie, blijkt dat in het kader van de uitlokking ook aan [medeverdachte 5] is verteld wat de verblijfplaats van het slachtoffer zou zijn op het moment van de voorgenomen liquidatie, dat het over een Marokkaanse man uit [woonplaats] gaat die [slachtoffer 10] heet, die lang en kaal is en die in een auto van het merk Mazda rijdt.

4.3.3.2 Het beoogde slachtoffer

In de politiesystemen gaven de zoektermen ‘ [slachtoffer 10] , ‘ [woonplaats] ’ en ‘Mazda’ een hit op [slachtoffer 10] . [slachtoffer 10] heeft van 24 januari 2017 tot en met 26 november 2018 een Mazda op naam gehad. In 2017 was hij kaal en hij is 1.80 meter lang. [slachtoffer 10] heeft zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit en wordt al jaren in verband gebracht met de handel in harddrugs. De rechtbank leidt op basis van het voorgaande af dat het aannemelijk is dat [slachtoffer 10] het doelwit van de beoogde liquidatie op 9 maart 2017 was.

4.3.3.3 Plaats van de voorgenomen moord

Op 4 maart 2017 heeft [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 18] gevraagd wat het adres is van café [café] en of dit café nog open is voor publiek of dat het dicht is. Café [café] was gelegen aan de [adres] te [woonplaats] . In dit café werden tot januari 2017 de clubbijeenkomsten van de afdeling [woonplaats] van [motorclub] gehouden.

In de avond van 9 maart 2017 heeft [medeverdachte 5] contact met [medeverdachte 2] (die geen verdachte is in dit onderzoek). Om 19.33 uur laat [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 5] weten dat hij thuis is op de [adres] te [woonplaats] en dat dat vlakbij het café is. [medeverdachte 2] vraagt aan [medeverdachte 5] wat ze rijden en of hij thuis of bij het café moet wachten. [medeverdachte 5] antwoordt hierop dat [medeverdachte 2] ze vanzelf ziet en dat hij thuis op ze moet wachten. Om 20.42 uur vraagt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 5] of hij al wat weet. [medeverdachte 5] antwoordt hierop om 20.45 uur dat [medeverdachte 2] moet wachten. Daarna vinden er nog (al dan niet gemiste) telefoonoproepen plaats tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] . Daarvan is de inhoud niet bekend geworden.

Uit de hierna te noemen chatberichten tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] blijkt dat het beoogde doelwit ook bij een café zou komen. De rechtbank leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat het de bedoelding was dat [slachtoffer 10] op de avond van 9 maart 2017 in of in de nabijheid van café [café] te [woonplaats] zou worden geliquideerd.

4.3.3.4 De voorbereidingshandelingen voor de (mislukte) liquidatie

4.3.3.4 Gebruik van de PGP-telefoon door [medeverdachte 5]

Op 9 maart 2017 vanaf 20.28 uur hebben [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] contact via de PGP. Uit de chatberichten valt op te maken dat er iets te gebeuren staat. [medeverdachte 7] stuurt namelijk een bericht van ‘ [PGP gebruikersnaam C 2] ’, vermoedelijk [C] , door met de inhoud “ [PGP gebruikersnaam C 1] , het kan zijn dat hij daar eerder is om te kijken weet maar nooit”. Om 20.41 uur stuurt [medeverdachte 7] aan [medeverdachte 5] dat “hij er is”. Om 20.43 uur laat PGP-account ‘ [PGP account 1] ’ via PGP-account ‘ [PGP account 2] ’ via ‘ [PGP gebruikersnaam C 2] ’ via [medeverdachte 7] aan [medeverdachte 5] weten dat hij om 9 uur exact naar binnen loopt. ‘ [PGP gebruikersnaam C 2] ’ zegt daarover “Dus hy staat daar gewoon sir 9uur gaat ie na binnen dus als ze zyn auto zien hem erin doen direct” en “Dus laat heads goed kyken hy moet daar zyn nu in auto sir 9uur gaat ie na binnen”. [medeverdachte 7] zegt tegen [medeverdachte 5] dat ze ready moeten staan. De rechtbank leidt uit de inhoud van de berichten en het gebruik van het woord ‘heads’ af dat PGP-account ‘ [PGP account 1] ’ het doelwit is dat om 9 uur ergens zou komen en dat vervolgens moest worden geliquideerd.

Uit het vervolg van het chatgesprek blijkt dat [medeverdachte 5] in de minuten daarna meermalen aangeeft dat ze nog niets zien en dat hij meermalen vraagt of ‘ze’ binnen zijn. [medeverdachte 7] benadrukt daarop dat ‘ [PGP account 1] ’ heeft aangegeven dat hij exact 21 uur naar binnen loopt, dus nog niet binnen is en dat hij in de omgeving moet staan. [medeverdachte 5] noemt dat er ‘popo’ (de rechtbank begrijpt: politie) in de buurt is en dat ‘ze’ er niet meer lang kunnen staan. [medeverdachte 7] antwoordt daarop dat ze zich dan moeten focussen en dat ze niet weg kunnen gaan. Om 21.06 uur stuurt ‘ [PGP account 1] ’ via ‘ [PGP account 2] ’ via ‘ [PGP gebruikersnaam C 2] ’ via [medeverdachte 7] dat de “tent gesloten is”. [medeverdachte 7] stuurt ook nog het volgende bericht van ‘ [PGP gebruikersnaam C 2] ’ door: “Hé deze kanker heads zitten te kanker deze man gaat zo weg en weer niks hy is daar al 25min”. Om 21.09 uur stuurt [medeverdachte 7] naar [medeverdachte 5] : “ [PGP gebruikersnaam C 1] die café gesloten”.

Om 21.08 uur krijgt [medeverdachte 5] van [medeverdachte 7] de opdracht om te kijken waar die ‘wagi’ (de rechtbank begrijpt: auto) staat. Dit moet een Mazda zijn. Volgens [medeverdachte 7] moeten ‘ze’ rijden om de Mazda te zoeken “want man gaat max 10 min weg”. Om 21.21 uur stuurt ‘ [PGP account 1] ’ via ‘ [PGP account 2] ’ via ‘ [PGP gebruikersnaam C 2] ’ via [medeverdachte 7] naar [medeverdachte 5] “Ik ben weg hier”. Uit dit laatste bericht en het vervolg van het chatgesprek leidt de rechtbank af dat het kennelijk niet gelukt is om deze persoon te liquideren. Ook na dit moment heeft [medeverdachte 5] nog contact met [medeverdachte 7] om te bespreken waarom het niet is gelukt. Op de onder [medeverdachte 5] aangetroffen filmpjes van PGP-gesprekken is te zien dat vanaf 21.42 uur ook [medeverdachte 6] met [medeverdachte 5] gaat chatten.

De rechtbank leidt uit het bovenstaande af dat [medeverdachte 5] een PGP-telefoon in zijn bezit heeft gehad, die bedoeld was om gebruikt te worden bij de uitvoering van de moord op [slachtoffer 10] , te weten het doorgeven van het moment waarop het beoogde slachtoffer ter plaatse zou zijn en het onderhouden van contact over de uitvoering.

4.3.3.4.2 Beoogde uitvoerders van de moord en gebruik bestelbus

Uit de telecomgegevens van 9 maart 2017 blijkt dat [medeverdachte 5] ten tijde van het ter plaatse komen van het doelwit en het hierover chatten met [medeverdachte 7] voornamelijk telefonisch contact had of probeerde te hebben met [medeverdachte 10] . Dit is het geval om 20.42 uur, 20.43 uur, 20.49 uur, 20.52 uur, 21.01 uur, 21.10 uur, 21.14 uur en 21.17 uur. Om 21.18 uur straalde een toestel van [medeverdachte 10] aan op de mast [adres] in [woonplaats] .

In het chatgesprek van 9 maart 2017 stuurt [medeverdachte 7] om 21.08 uur “Stuur is foto van ingang van cafe”. [medeverdachte 5] antwoordt met “Ze zitten ervoor in bus”. Op 17 maart 2017, acht dagen na het moment van deze mislukte liquidatie, worden [medeverdachte 11] , [medeverdachte 10] en [verdachte ] aangehouden. [verdachte ] heeft dan een sleutel van een Volkswagen Caddy, een bestelbus, bij zich. De Caddy is in de nacht van 7 op 8 maart 2017, twee dagen voor de mislukte liquidatie van [slachtoffer 10] , in [woonplaats] gestolen. In het navigatiesysteem van deze Caddy stond het adres [straat ] de [woonplaats] . De eigenaar heeft verklaard dit adres als enige van de adressen niet te hebben ingevoerd.

In de nacht van 8 op 9 maart 2017 hebben [medeverdachte 10] en [verdachte ] WhatsApp-contact met elkaar en gaat het erover of [medeverdachte 10] een sleutel aan [verdachte ] heeft gegeven. [verdachte ] geeft aan de sleutel te hebben. [medeverdachte 10] noemt nog dat als [verdachte ] ernaar gevraagd wordt, hij moet zeggen dat [medeverdachte 10] de sleutel heeft. Over de inhoud van deze berichten hebben [medeverdachte 10] en [verdachte ] geen aannemelijke verklaring afgelegd. Gelet op alle overige feiten en omstandigheden in dit dossier, in onderlinge samenhang bezien, gaat de rechtbank er daarom van uit dat het hier gaat om de sleutel van de bestelbus.

Uit de telecomgegevens van 9 maart 2017 blijkt dat [medeverdachte 10] en [verdachte ] in de ochtend met elkaar hebben afgesproken. [verdachte ] appt om 10.09 uur naar [medeverdachte 10] dat hij nu de deur uit is. Om 10.38 uur laat [medeverdachte 10] aan [verdachte ] weten dat [verdachte ] “gewoon voor kan parkeren” en dat hij dan naar [medeverdachte 10] toe moet komen. Om 18.35 uur straalde een toestel van [verdachte ] aan op de mast aan de [adres] te [woonplaats] . Zoals eerder genoemd, straalde een telefoon van [medeverdachte 10] kort na het moment van de beoogde liquidatie ook op deze mast aan. Om 01.27 uur straalde een telefoon van [verdachte ] aan op de mast [adres] te [woonplaats] . Deze mast bevindt zich in de nabije omgeving van de woning van [medeverdachte 5] aan de [adres] te [woonplaats] .

Uit de telecomgegevens die zich in het dossier bevinden blijkt niet dat [medeverdachte 10] en [verdachte ] zich op de avond van 9 maart 2017 op enig moment in de nabijheid van café [café] hebben bevonden. De verdediging van [medeverdachte 10] en [verdachte ] heeft gesteld dat dit tot vrijspraak zou moeten leiden . In dat verband hebben zij mede aangevoerd dat [verdachte ] en [medeverdachte 10] ook op andere avonden in de betreffende periode in [woonplaats] waren waarbij hun telefoons de zendmast aan de [adres] aanstraalden. Uit het enkele feit dat zij ook op de avond van 9 maart 2017 in [woonplaats] waren, kan dus geen betrokkenheid bij het tenlastegelegde worden afgeleid, aldus de verdediging.

De rechtbank acht op basis van de telecomgegevens met betrekking tot (het tijdstip van) de contacten tussen [medeverdachte 10] en [medeverdachte 5] , de feiten en omstandigheden met betrekking tot de bestelbus en het feit dat [medeverdachte 10] en [verdachte ] de avond na de mislukte liquidatie samen naar [medeverdachte 5] zijn gereden, in samenhang met het feit dat zij die avond in [woonplaats] waren, voldoende aannemelijk dat zij betrokken waren bij de uitvoering van het plan om [slachtoffer 10] van het leven te beroven. Dat zij op andere avonden in die periode ook in [woonplaats] waren, is gelet op het overige belastende bewijsmateriaal niet van doorslaggevend belang.

De rechtbank gaat er op basis van het voorgaande van uit dat [medeverdachte 10] en [verdachte ] de beoogde schutters zouden zijn bij de liquidatie van [slachtoffer 10] en dat [medeverdachte 10] en [verdachte ] eerder genoemde bestelbus voorhanden hebben gehad om te gebruiken bij de voorgenomen liquidatie van [slachtoffer 10] . De rechtbank heeft daarbij gelet op het gegeven dat [medeverdachte 5] op het moment van de beoogde liquidatie veelvuldig chatcontact had met [medeverdachte 7] en later ook [medeverdachte 6] over de uitvoering van de liquidatie en dat [medeverdachte 5] op datzelfde moment met zijn normale telefoontoestel continu contact zocht of heeft gehad met [medeverdachte 10] .

4.3.3.5 Alternatief scenario

Voor zover de verdediging zich op het standpunt stelt dat verdachten moeten worden vrijgesproken omdat de inhoud van de PGP-chats niet overeenkomt met de werkelijke gang van zaken, wordt dit verweer weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen. De rechtbank zal de daartoe strekkende verweren daarom verder onbesproken laten.

4.3.3.6 De rol van verdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 10] en [verdachte ]

De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 10] en [verdachte ] zich in [woonplaats] bevonden ter uitvoering van het plan om [slachtoffer 10] van het leven te beroven. Uit het dossier kan echter niet worden afgeleid dat zij al tot een strafbaar begin van uitvoering waren gekomen. De rechtbank zal [medeverdachte 5] , [medeverdachte 10] en [verdachte ] daarom vrijspreken van alle feiten waarbij een pogingsvariant ten laste is gelegd.

De rechtbank acht op basis van het bovenstaande wel wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 5] , [medeverdachte 10] en [verdachte ] zich tezamen en in vereniging schuldig hebben gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor moord. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de (bestel)bus waarvan [medeverdachte 10] en [verdachte ] die avond gebruik maakten, bestemd was tot de daadwerkelijke uitvoering van de voorgenomen liquidatie. Daarmee is voldaan aan het zogenoemde bestemmingsvereiste (zie ECLI:NL:HR:2020:1198 en 1380). Gelet op de nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 5] , [medeverdachte 10] en [verdachte ] , waarbij de bijdrage van ieder van hen van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen, kan het voorhanden hebben van deze bus ook aan [medeverdachte 5] worden toegerekend.

Uit het dossier blijkt voorts dat [medeverdachte 5] die avond een PGP-telefoon voorhanden heeft gehad, waarmee hij met [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] communiceerde ten behoeve van de daadwerkelijke uitvoering van de voorgenomen liquidatie. Hiermee is voldaan aan het hiervoor genoemde bestemmingsvereiste. Niet gebleken is dat [medeverdachte 10] en/of [verdachte ] die avond ook een PGP-telefoon voorhanden hebben gehad, zodat zij van het voorhanden hebben daarvan zullen worden vrijgesproken.

Niet gebleken is dat de gewone telefoons die [medeverdachte 5] , [medeverdachte 10] en/of [verdachte ] die avond voorhanden hebben gehad waren bestemd tot de daadwerkelijke uitvoering van de voorgenomen liquidatie, als bedoeld in de hiervoor genoemde jurisprudentie. Het voorhanden hebben van deze telefoons kan daarom niet zonder meer als voorbereiding worden gekwalificeerd.

4.3.4

Arford

De rechtbank leidt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af.

4.3.4.1 De aangetroffen chats

Op 16 maart 2017 vindt er vanaf ongeveer 16.41 uur een PGP-chatgesprek tussen ‘ [PGP gebruikersnaam 1 medeverdachte 6] ’, veredeld als [medeverdachte 5] en ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 6] ’, veredeld als [medeverdachte 6] plaats. [medeverdachte 6] stuurt een foto en zegt “die 2” en geeft als adres [straat ] 90. Op een harde schijf die onder [medeverdachte 5] in beslag is genomen staan twee foto’s die op 16 maart 2017 om 19.07 uur en 19.08 uur van een mobiele telefoon zijn gemaakt. Via het genoemde adres, waar zijn vriendin en kind woonden, komt de politie bij [slachtoffer 11] die zichzelf op één van de door [medeverdachte 6] gestuurde foto’s herkent. Ook zijn vriend [slachtoffer 12] herkent zichzelf op één van de twee foto’s. [medeverdachte 6] geeft [medeverdachte 5] nog de volgende informatie: “vrouw rijdt zwarte golf 6 met zwarte velgen blondje en heeft dochtertje 2 a 3 jaar”, “niet in die straat staan want hij ziet alles als hij thuis is”, “rijdt meestal vanaf de [straat ] de [straat ] in [straat ] , dan verder na [straat ] , komt vanaf de [straat ] meestal!”, “hij woont op 3 hoog witte luxa flex daar kan hij heel stiekem door kijken zonder dat je het door hebt bro”, “hij gaat meestal via die deur rechts als je in de straat komt rijden soort brandtrapje niet bij de hoofdingang”,, “hij traint ook bij die [sportschool] bij [straat ] is 3 min lopen van z’n huis!”, “z’n vrouw werkt tot 3 uur”, “weet ook waar ze eten in [locatie] , tussen 5 en 7 uur”. [slachtoffer 11] herkent zichzelf in deze informatie en zowel [slachtoffer 11] als [slachtoffer 12] geven aan dat er maar één persoon is die al deze informatie kende, namelijk een persoon met wie zij tot voorheen dagelijks samen waren en die zij ‘ [bijnaam medeverdachte 6] ’ noemen. [slachtoffer 11] wijst [medeverdachte 6] op een foto aan als de persoon die hij kent als ‘ [bijnaam medeverdachte 6] ’.

[medeverdachte 6] laat aan [medeverdachte 5] weten dat de prijs voor de twee mannen “140 allebei op snelheid 160” is. [medeverdachte 5] mag deze personen ook een “drive by geven”. Volgens [medeverdachte 6] stapt “hij uit voor zijn deur”, dan moet [medeverdachte 5] “hem pakken”. [medeverdachte 5] mag hem ook pakken “als hij naar huis loopt van gym”. [medeverdachte 6] tipt nog dat ze “in die hoofdstraat tegen over [sportschool] moeten staan, zie je iedereen erin of eruit rijden”.

De rechtbank leidt hieruit af dat [medeverdachte 6] via de chat een opdracht tot het liquideren van [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] uitzet, daarover inlichtingen aan [medeverdachte 5] verschaft en hier een prijs van € 140.000,- of € 160.000,- tegenover zet.

Later in het chatgesprek laat [medeverdachte 6] aan [medeverdachte 5] weten dat als het “vandaag niks is dan morgen op scherp” en dat “deze binnen nu en paar dagen max klaar moet zijn”. [medeverdachte 5] antwoordt dat hij het “morgen 200% doet”, “als sportschool klopt of niet klopt hebben we savonds nog” en hij “laat ze morgen hele dag daar zijn”. Ook noemt [medeverdachte 5] dat ze in een bus kunnen om te ‘timeren’ en heeft hij het over een Clio.

In een WhatsApp-gesprek van 16 maart 2017 tussen ‘ [WhatsApp account 1] ’ (veredeld als [medeverdachte 5] ) en ‘ [WhatsApp account 2] ’ (veredeld als [E] ) vraagt [medeverdachte 5] “kan je die tv voor me brengen” en antwoordt [E] “ik ben ermee onderweg naar [verdachte ] cuzz”. [medeverdachte 5] vraagt “oh had je een afspraak met hem, waarna [E] antwoordt met “moest van [bijnaam medeverdachte 11] cuzz”. [medeverdachte 5] antwoord “Hk, dan is t hood”.

4.3.4.2 De aanhouding van verdachten en het aantreffen van goederen

Op 17 maart 2017 omstreeks 15.45 uur werden [medeverdachte 11] , [medeverdachte 10] en [verdachte ] bij de ingang van het [naam 1] aan de [straat ] tegenover de [sportschool] aan de [straat ] aangetroffen. Zij hielden zich daar enige tijd op en waren met elkaar aan het praten. Op een gegeven moment liepen zij naar een parkeerplaats en reden zij weg in een gestolen Renault Clio met valse kentekenplaten. De politie heeft hen vervolgens aangehouden. Tijdens de fouillering van [verdachte ] werd een sleutel aangetroffen van een gestolen Volkswagen Caddy met valse kentekenplaten, die naast de Clio op de parkeerplaats stond. Een Volkswagen Caddy is een bestelbus. In deze bestelbus bevonden zich meerdere wapens, namelijk twee automatische aanvalsgeweren (waarvan één met ontbrekende onderdelen) en twee pistolen, een geluidsdemper die op één van de pistolen paste, munitie voor de aanvalsgeweren en voor de pistolen en een bivakmuts. Op een deel van deze goederen is het DNA van [verdachte ] en [medeverdachte 10] aangetroffen. Ook werd er een tv in de bestelbus aangetroffen. Daarop zat een handafdruk van [medeverdachte 11] . Door de kroongetuige is verklaard dat leden van [motorclub] wapens in tv’s verstopten. Tijdens de fouillering van [medeverdachte 10] is er een PGP-toestel aangetroffen. Uit de uitgelezen data van dit toestel blijkt dat er op 17 maart 2017 164 berichten zijn gewisseld met [medeverdachte 5] . Ook vlak voor de aanhouding zijn er nog berichten gewisseld met [medeverdachte 5] .

De rechtbank leidt hieruit af dat [medeverdachte 11] , [medeverdachte 10] en [verdachte ] op 17 maart 2017 bezig waren met de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] en dat zij daarbij in nauw contact stonden met [medeverdachte 5] , die de opdracht tot het liquideren van deze personen de dag ervoor van [medeverdachte 6] had aangenomen. In dit verband is ook van belang dat de plek waar [medeverdachte 11] , [medeverdachte 10] en [verdachte ] zijn aangetroffen precies de plek is die [medeverdachte 6] in de chat met [medeverdachte 5] noemt als plek waar hij moet staan.

4.3.4.3 De rol van [verdachte ]

Aan [verdachte ] is primair medeplegen poging tot moord tenlastegelegd. De rechtbank overweegt dat er slechts sprake is van een strafbare poging als er een begin is gemaakt met de uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Daarvoor is vereist dat er een handeling is geweest die direct was gericht op de voltooiing van het delict. Op het moment dat [verdachte ] samen met [medeverdachte 11] en [medeverdachte 10] werd aangehouden was van dergelijke handelingen nog geen sprake. Dit betekent dat er geen sprake is van een strafbare poging. De rechtbank spreek [verdachte ] daarom vrij van het primair tenlastegelegde.

Ten aanzien van [verdachte ] leidt de rechtbank uit de gebezigde bewijsmiddelen af dat [verdachte ] bezig was met de voorbereiding voor de liquidatie van [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] door samen met [medeverdachte 10] en [medeverdachte 11] precies op de door [medeverdachte 5] besproken plek te staan, waarbij zij de beschikking hadden over gestolen voertuigen met valse kentekenplaten en wapens. Ook waren in de Caddy plastic flessen en een jerrycan met benzine aanwezig, die gebruikt kunnen worden om de vluchtauto’s nadien in brand te steken.

[verdachte ] heeft verklaard dat hem gevraagd is of hij de auto waarin later de wapens zijn aangetroffen naar [woonplaats] wilde rijden en op de [straat ] (de rechtbank begrijpt: de [straat ] ) wilde neerzetten. Vervolgens moest [verdachte ] richting de ingang van het park lopen en daar zou iemand de sleutel komen halen. [verdachte ] had naar eigen zeggen geen weet van de reden dat hij de auto daar neer moest zetten en dacht dat dit mogelijk te maken had met opnames voor een pilotfilm.

De rechtbank volgt [verdachte ] hierin niet. Uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat alle handelingen zagen op voorbereidingshandelingen voor liquidaties. [verdachte ] heeft in de loop der tijd (waaronder eerder in het onderzoek 13Armonk) wisselende verklaringen afgelegd die ook afwijken van verklaringen van medeverdachten. Gelet hierop acht de rechtbank zijn laatste verklaring niet aannemelijk geworden. In de chats tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] wordt gezegd dat het ‘200%’ de bedoeling was dat het 17 maart 2017 zou gebeuren en dat [medeverdachte 5] ze daar de hele dag zou laten staan. Daarnaast waren alle benodigdheden voor een liquidatie die dag aanwezig en stonden [medeverdachte 11] , [medeverdachte 10] en [verdachte ] via de aangetroffen PGP die dag tot het moment van aanhouding continue in contact met [medeverdachte 5] . Gelet op deze omstandigheden is het volstrekt onaannemelijk dat [medeverdachte 11] , [medeverdachte 10] en [verdachte ] geen weet hadden van wat de bedoeling was.

De rechtbank acht gelet op het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte ] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het voorbereiden van moord met [medeverdachte 5] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 11] , met uitzondering van de in de tenlastelegging genoemde PGP-telefoons. Omdat niet is komen vast te staan dat deze PGP-telefoons bestemd waren tot het begaan van het misdrijf – namelijk de daadwerkelijke uitvoering van de voorgenomen liquidatie – is niet voldaan aan het zogenoemde bestemmingsvereiste (zie ECLI:NL:HR:2020:1198 en 1380). Het voorhanden hebben van de PGP-telefoons kan daarom niet zonder meer als voorbereiding worden gekwalificeerd. De rechtbank zal [verdachte ] daarom vrijspreken van het verwerven, vervaardigen en voorhanden hebben van de PGP-telefoons.

4.3.5

Criminele organisatie

4.3.5.1 De criminele organisatie

De tenlastelegging houdt in dat sprake was van een criminele organisatie die, kort gezegd, tot oogmerk had het plegen van moord, het voorbereiden van moord en het bezit van vuurwapens en munitie.

De rechtbank hanteert het volgende juridisch kader. Onder een organisatie moet worden verstaan een samenwerkingsverband tussen tenminste twee personen met een zekere duurzaamheid en structuur. Niet vereist is dat daarbij komt vast te staan dat elke deelnemer aan deze organisatie moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere deelnemers, of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is (zie Hoge Raad 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7134). Het oogmerk van de organisatie moet gericht zijn op het plegen van meer misdrijven (zie Hoge Raad 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6148). Oogmerk op het plegen van één misdrijf is dus onvoldoende. Voor het bewijs van dat oogmerk – waartoe ook het naaste doel dat de organisatie nastreeft moet worden gerekend – zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie (zie Hoge Raad 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502).

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen in de diverse deelonderzoeken en hetgeen daarover in het kader van de verschillende deelonderzoeken is overwogen, alsmede op grond van de aanvullende bewijsmiddelen voor de criminele organisatie en bijlage 3 bij dit vonnis (veredelingen en identificaties) komt de rechtbank tot de conclusie dat er sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband dat zich gedurende meer dan een jaar, in wisselende samenstelling, maar met een vaste kern, heeft beziggehouden met het plegen van liquidaties, dan wel voorbereidingen daartoe, alsmede het bezit van vuurwapens en munitie.

Aan deze criminele organisatie namen twee organisaties deel . Een organisatie van vermoedelijk [C] , waarvan [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] deel uitmaakten en de organisatie waarin [medeverdachte 5] de spilfunctie had. De eerste organisatie hanteerde een dodenlijst en besteedde de uitvoering van deze liquidaties uit aan de organisatie van [medeverdachte 5] . Bij de uitvoering van deze liquidaties was sprake van een nauwe samenwerking tussen beide organisaties. De organisatie van vermoedelijk [C] bepaalde de beoogde slachtoffers, zorgde voor de wapens (ijzers), de auto’s (fietsen) en de lokkers. [medeverdachte 5] zorgde voor de schutters (heads) uit zijn eigen omgeving, ofwel vanuit de [naam 2] ofwel vanuit de nieuw opgerichte motorclub [motorclub] . De moord op [slachtoffer 16] (deelonderzoek Langenhorst) betreft een liquidatie waarbij de organisatie van [medeverdachte 5] niet in opdracht van vermoedelijk [C] heeft gewerkt, maar in opdracht van een andere, niet nader bekend geworden criminele groepering. Ook in die zaak is in ieder geval de criminele organisatie van [medeverdachte 5] als zodanig betrokken bij de uitvoering van de moord. Ook de moord op [slachtoffer 17] (deelonderzoek Lis) betreft een liquidatie waarvan de opdrachtgever onbekend is gebleven, maar daarvoor geldt in ieder geval dat ook deze liquidatie is uitgevoerd door de organisatie van [medeverdachte 5] . In deze twee onderzoeken is de criminele organisatie dus anders samengesteld.

De rechtbank benadrukt daarbij dat de organisatie van [medeverdachte 5] weliswaar deels bestond uit mensen die ook lid waren van [motorclub] , maar daarmee niet gelijkgesteld kan worden. De vraag of [motorclub] al dan niet een criminele organisatie is, is in het Eris-proces niet aan de orde.

Veelzeggend over het professionele karakter van de criminele organisatie zijn de eigen woorden van [medeverdachte 5] tegen [medeverdachte 6] in februari 2017 over de overname van de liquidatiewerkzaamheden van medeverdachte [medeverdachte 3] : “Ik zei geef die BV over”. In december 2017 spraken [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] over het verder professionaliseren van hun organisatie, de taakverdeling en de vergroting van de efficiëntie van hun bedrijfsplan in 2018.

De leden van de organisatie maakten gebruik van PGP-toestellen om heimelijk met elkaar te kunnen communiceren. Ook maakten zij gebruik van (automatische) vuurwapens, (gestolen) voertuigen, valse kentekenplaten en lokkers, zoals in de afzonderlijke deelonderzoeken bewezen is verklaard. Zij werden voor hun werkzaamheden door de organisatie betaald.

Dat het oogmerk van de organisatie niet alleen zag op moord en de voorbereiding daarvan, maar ook op het bezit van vuurwapens en munitie, volgt reeds uit het feit dat voor liquidaties wapens en munitie noodzakelijk zijn. Hierbij roept de rechtbank in herinnering dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad tot het oogmerk van de organisatie ook moet worden gerekend het naaste doel dat de organisatie nastreeft. Het plegen van liquidaties heeft als noodzakelijk, en daarmee door de organisatie gewild gevolg, dat tevens overtredingen van de Wet wapens en munitie worden begaan.

4.3.5.2 De deelnemers aan de criminele organisatie

De rechtbank hanteert hierbij het volgende juridisch kader. Van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr kan slechts dan sprake zijn indien de verdachte:

  1. behoort tot het samenwerkingsverband en

  2. een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie (zie Hoge Raad 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264).

In het bestanddeel deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr ligt tevens een opzetvereiste van de verdachte besloten. Redelijke wetsuitleg brengt volgens de Hoge Raad mee dat voor ‘deelneming’ voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet vereist is dat de verdachte wetenschap heeft van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd (zie Hoge Raad 18 november 1997, NJ 1998/225). Ook hoeft de verdachte geen opzet op die concrete misdrijven te hebben (zie Hoge Raad 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651).

De verdediging van [verdachte ] heeft geconcludeerd tot vrijspraak van dit feit, nu [verdachte ] geen wetenschap van het oogmerk van de criminele organisatie had.

De rechtbank volgt de verdediging hierin niet. Dat [verdachte ] heeft behoord tot de criminele organisatie en dat hij wist dat de organisatie het plegen van liquidaties en aanverwante misdrijven tot oogmerk had, volgt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam uit hetgeen hiervoor is overwogen in de deelonderzoeken Barbera en Arford. Tevens heeft de rechtbank de aanvullende bewijsmiddelen ten aanzien van de criminele organisatie in haar oordeel betrokken.

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte ] vanaf maart 2017 (deelonderzoek Barbera) tot en met 17 maart 2017 (aanhouding [verdachte ] in deelonderzoek Arford) heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. [verdachte ] heeft als deelnemer aan de voorbereiding van de liquidaties van [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] en [slachtoffer 10] een belangrijke bijdrage geleverd aan de doelstelling van de criminele organisatie. Hij heeft hierin nauw samengewerkt met [medeverdachte 10] . Hoewel uit deelonderzoek Charon blijkt dat [verdachte ] sinds begin februari 2017 rechtstreeks onder [medeverdachte 5] viel en klussen voor hem deed zoals het in brand steken van de vluchtauto na de liquidatie op [slachtoffer 2] , kan hieruit niet worden afgeleid dat hij op dat moment al wetenschap had van de organisatie. Die wetenschap blijkt wel uit de dossiers Barbera en Arford. Het ging hierbij immers om professionele voorbereidingen voor liquidaties, met onder meer vluchtauto’s en wapens en met een sturende rol van [medeverdachte 5] . Dat [verdachte ] wellicht niet van alle details op de hoogte werd gesteld doet daaraan niet af. Hij is niet uit eigen beweging gestopt, maar omdat hij werd aangehouden en twee jaren gedetineerd is geweest.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte ] :

Ten aanzien van 16/659124-19 (Barbera en Arford)

2.

Subsidiair

in de periode van 7 maart 2017 tot en met 9 maart 2017 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met anderen ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord op die man uit [woonplaats] ( [slachtoffer 10] ) (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 289 Wetboek van Strafrecht oplevert), opzettelijk een vervoermiddel, te weten

- een bestelbus

bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad;

1.

Subsidiair

in de periode van 16 maart 2017 tot en met 17 maart 2017 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met anderen ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord op [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 289 Wetboek van Strafrecht oplevert), opzettelijk voorwerpen en vervoermiddelen, te weten:

  • -

    vuurwapens en

  • -

    gestolen auto’s

bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad;

Ten aanzien van 16/659041-20 (Deelname criminele organisatie)

in de periode van 1 maart 2017 tot en met 17 maart 2017 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie bestaande uit hem, verdachte, en medeverdachten, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

  • -

    het opzettelijk met voorbedachten rade een ander van het leven beroven zoals bedoeld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    voorbereiding daarvan zoals bedoeld en omschreven in artikel 46 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    het voorhanden hebben van wapens van de categorieën II en III en van munitie van categorieën II en III zoals bedoeld in de Wet Wapens en Munitie.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte ] is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. [verdachte ] wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van 16/659124-19 (Barbera en Arford)

Feit 2, subsidiair medeplegen voorbereiding van moord;

Feit 1, subsidiair medeplegen voorbereiding van moord, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van 16/659041-20 (Deelname criminele organisatie)

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte ] uitsluit. [verdachte ] is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd [verdachte ] ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 26 jaren met aftrek van de tijd die [verdachte ] in voorarrest heeft gezeten.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank om een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van zes jaar. Voor zover de rechtbank een gevangenisstraf van langere duur zou overwegen, verzoekt de verdediging de rechtbank om in dat geval rekening te houden met de gevolgen van de Wet straffen en beschermen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

8.3.1

Ernst van de feiten

Het draait in de zaak Eris om een criminele organisatie, gericht op het plegen van moorden, het voorbereiden van moorden en het bezit van vuurwapens en munitie. De strafwaardigheid van deelneming aan een criminele organisatie wordt bepaald door het ontwrichtende karakter daarvan voor de openbare orde én de (daarmee samenhangende) aard van de misdrijven die worden beoogd. Binnen de hier aan de orde zijnde criminele organisatie zijn meerdere buitengewoon ernstige en schokkende feiten begaan. Door (leden van) de organisatie zijn vijf afzonderlijke liquidaties gepleegd. Daarnaast zijn er voorbereidingen getroffen om elf andere personen te liquideren.

De wijze waarop de organisatie opereerde is zonder meer professioneel te noemen. Binnen de organisatie ging een dodenlijst rond met namen van de verschillende doelwitten. Door [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] werden namens vermoedelijk [C] opdrachten verstrekt aan [medeverdachte 5] om deze liquidaties te plegen. [medeverdachte 5] liet deze opdrachten vervolgens uitvoeren door leden van zijn organisatie. Hoewel [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] in beginsel eerder aan een organisatie van vermoedelijk [C] te linken zijn, werd er ten behoeve van het afwerken van de dodenlijst nauw samengewerkt met [medeverdachte 5] en zijn mannen, zodanig dat zij ook deel uitmaakten van de criminele organisatie waarvan [medeverdachte 5] de spil was. [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] regelden namens vermoedelijk [C] de zogenaamde ‘spotters’ (observeerders), de lokkers, de wapens en de gestolen auto’s en [medeverdachte 5] regelde de ‘heads’ (schutters) en de daadwerkelijke voorbereiding en uitvoering van de liquidaties. [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] betaalden [medeverdachte 5] voor zijn werkzaamheden, [medeverdachte 5] betaalde daarvan weer zijn mannen. [medeverdachte 5] had verschillende teams/mannen tot zijn beschikking die, al dan niet in wisselende samenstellingen, de “klussen” voor hem oppakten.

Door de leden van de organisatie werd gebruik gemaakt van PGP-toestellen om heimelijk met elkaar te kunnen communiceren. Uit de aangetroffen communicatie doemt een schokkend beeld op van een organisatie die zich fulltime, zo nodig 24 uur per dag, met het plegen van liquidaties bezig hield. In huiveringwekkende berichten werd gesproken over hoe de beoogde doelwitten het beste geliquideerd konden worden (zoals “fiets in de fik met die hond erin”, waarmee bedoeld werd dat iemand in zijn auto verbrand zou worden) en over de hoogte van het te betalen bedrag (“Geef je 70 de hoofd sir ”/”Als je hem dit weekend nog of maandag geef ik je 80 snel zonder gezeik!!!”/”Maar als u uw eigen fietsen yzers alles dan kan ik na 90 sir soms een ton!”). De leden van de organisatie, die zich onbespied waanden, spreken in de berichten gewetenloos over andere (mensen)levens, die in hun ogen kennelijk niets waard zijn.

De wijze waarop de liquidaties werden uitgevoerd is als zeer gewelddadig te kenschetsen. Zo werd, op de openbare weg, soms in het bijzijn van getuigen, gebruik gemaakt van (semi-) automatische wapens waarbij meerdere kogels van dichtbij – onder meer in het hoofd – werden afgevuurd.

Hierbij zijn vijf mensenlevens beëindigd. Vijf mannen, vaders, broers, zoons, partners, vrienden, die een blijvende leegte achterlaten in de levens van de nabestaanden. Hiervan hebben de benadeelden op indrukwekkende wijze getuigd in hun verklaringen: het gemis is er nog elke dag. Jonge kinderen die hun vader nooit zullen leren kennen en ouders die het grootst denkbare verdriet hebben moeten ervaren, namelijk het verlies van hun kind. De wijze waarop ze zijn vermoord maakt dat het verlies nog veel moeilijker te dragen is, bijvoorbeeld door de onbeantwoorde vragen over waarom hun geliefde zoon of broer dood moest en wie daarvoor verantwoordelijk is.

Daarnaast zijn binnen de organisatie de liquidaties van elf andere personen voorbereid, waarbij het soms heel dicht bij een uitvoering kwam, maar die toch door toeval of fouten niet zijn uitgevoerd. Elf personen die destijds aan de dood ontsnapten. Die nu, voor zover zij niet later alsnog zijn omgekomen, moeten leven met de gedachte dat ze op een dodenlijst stonden en misschien nog wel staan, en nog lang over hun schouder zullen blijven kijken.

Moord behoort tot de ernstigste feiten die in onze strafwetgeving strafbaar zijn gesteld. Een moord in de vorm van een liquidatie geeft aan die ernst een extra lading. De verdachten in Eris hebben allen een al dan niet voorbereidende rol gespeeld bij een of meer liquidaties in Nederland en daarmee bijgedragen aan de publieke onrust en verontwaardiging die bij dit soort ernstige geweldsdelicten ontstaat.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straffen gekeken naar straffen die in andere moordzaken en zaken over voorbereidingshandelingen zijn opgelegd. Hoewel strafzaken zich moeilijk laten vergelijken, kan hieruit wel een zekere lijn worden afgeleid. In dat kader tekent zich een ontwikkeling af naar steeds zwaardere straffen, waarbij twintig jaren gevangenisstraf voor één liquidatie geen uitzondering is, net zoals zes tot acht jaren voor voorbereidingshandelingen. Dit kan worden gezien in het kader van steeds gewelddadiger optreden in het criminele milieu, waarmee de maatschappij in toenemende mate wordt geconfronteerd en de roep om vergelding steeds luider wordt. Het opleggen van straffen dient bij te dragen aan de algemene preventie van strafbare feiten en daarom moet er een zekere afschrikkende werking vanuit gaan. Ook in deze zaak wordt duidelijk gemaakt dat op deze ernstige vormen van ontwrichtend geweld een zeer stevige reactie van de strafrechter volgt. De rechtbank realiseert zich daarbij dat alleen zwaarder straffen de golf van geweld niet tot stoppen kan brengen en dat ook de hoogste straf het leed van de nabestaanden niet kan vergelden.

[verdachte ] heeft een paar weken deelgenomen aan deze organisatie. Hij verrichtte in deze periode hand- en spandiensten binnen de organisatie, maar heeft ook voorbereidingshandelingen gepleegd voor de liquidatie van [slachtoffer 10] (deelonderzoek Barbera) en [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] (deelonderzoek Arford). Door tijdig ingrijpen van de politie in dat laatste onderzoek, dat toen nog 13Armonk genaamd was, is [verdachte ] op 17 maart 2017 aangehouden en heeft hij vervolgens een straf van twee jaar uitgezeten voor wapenbezit. [slachtoffer 10] , [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] zijn destijds aan de dood ontsnapt. [verdachte ] had zelf geen conflict met deze personen, maar voerde een opdracht van [medeverdachte 5] uit. Het is ontluisterend dat [verdachte ] hiermee heeft bijgedragen aan de organisatie die op deze manier over leven en dood meende te kunnen beschikken. Gelet op de ernst van de feiten is alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur passend.

8.3.2

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de [verdachte ] en geconstateerd dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten. Dit heeft echter geen matigende invloed op de straf.

[verdachte ] heeft verklaringen afgelegd over een aantal belastende omstandigheden en heeft bekend dat hij op verzoek van [medeverdachte 5] een auto in brand heeft gestoken, maar heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor de feiten die de rechtbank bewezen acht. De rechtbank heeft daardoor geen inzicht gekregen in zijn drijfveren. Dat [verdachte ] mogelijk niet kan verklaren omdat hij zich heeft ingelaten met een criminele organisatie waar praten tot de dood kan leiden , is iets wat voor zijn eigen rekening en risico komt.

[verdachte ] was zwaar verslaafd aan verdovende middelen in de periode dat hij heeft deelgenomen aan de criminele organisatie, maar hij is daarvan inmiddels afgekickt. Na afloop van de detentie in 13Armonk heeft hij werk gevonden in de bouw en hij zou daarin weer aan de slag kunnen. Dit is – in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, met name over de ernst van de feiten waarvoor hij wordt veroordeeld – echter van onvoldoende gewicht om de straf te matigen.

8.3.3

Strafmaat

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat – ook rekening houdend met artikel 63 Sr – als uitgangspunt een gevangenisstraf van veertien jaren op zich passend en geboden is. Deze straf dient in de eerste plaats ter vergelding van het leed dat [verdachte ] de beoogde slachtoffers heeft aangedaan. Daarnaast hoopt de rechtbank er met deze straf aan bij te dragen dat anderen ervan worden weerhouden om soortgelijke misdrijven te begaan.

8.3.4

Redelijke termijn

Als uitgangspunt heeft te gelden dat een behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze bijzondere omstandigheden kunnen zijn gelegen in de ingewikkeldheid en omvang van de zaak, de invloed van de verdachte en zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden, die met name zijn gelegen in de ingewikkeldheid en omvang van de zaak.

Naar aanleiding van de verklaringen van de kroongetuige is in november 2018 een landelijke klapdag gevolgd met als resultaat de aanhouding van een groot aantal verdachten en onder meer de ontdekking van een zeer groot aantal gegevensdragers en bestanden die moesten worden uitgelezen, geverbaliseerd en onderzocht. Dit alles heeft uiteindelijk een zeer omvangrijk dossier opgeleverd, waarvan het einddossier uiteindelijk in juni 2020 is verspreid, maar waarop nog vele aanvullingen zijn gevolgd. Elke pro formazitting en de regiezitting in december 2020 hebben geresulteerd in een groot aantal getuigenverhoren, niet in de laatste plaats de vele verhoren van de kroongetuige. Er heeft een inhoudelijke zitting van vele dagen plaatsgevonden tussen augustus 2021 en maart 2022. Daarbij heeft de rechtbank rekening moeten houden met de omstandigheid dat vanwege veiligheidsaspecten rondom deze zaak, de behandeling grotendeels heeft moeten plaatsvinden in een extra beveiligde zittingszaal, waarvan de beschikbaarheid beperkt is. De rechtbank acht vanwege deze bijzondere omstandigheden een redelijke termijn van drie jaren gerechtvaardigd.

De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak de aanvangsdatum van de redelijke termijn moet worden gesteld op 3 september 2019, de datum waarop [verdachte ] is aangehouden en in verzekering is gesteld. Dit betekent dat de redelijke termijn in de zaak van [verdachte ] niet is overschreden.

8.3.5

Wet straffen en beschermen

Met ingang van 1 juli 2021 is de Wet straffen en beschermen in werking getreden. Deze wet strekt tot wijziging van de regeling inzake detentiefasering, waaronder in het bijzonder de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling, in de Penitentiaire beginselenwet en in het Wetboek van Strafrecht. Veroordeelden zullen niet meer automatisch in beginsel in aanmerking komen om voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld. Daarnaast zal de periode waarin een veroordeelde via een voorwaardelijke invrijheidstelling kan werken aan zijn resocialisatie worden gehandhaafd op een derde van de opgelegde straf, maar met een maximum van twee jaar. De wet bevat geen overgangsbepaling zodat de regeling onmiddellijke werking heeft, in die zin dat op vonnissen van na 1 juli 2021 het nieuwe regime van toepassing is.

De rechtbank ziet in de situatie van [verdachte ] geen aanleiding om de op te leggen straf om die reden te matigen. Ook onder het oude regime bestond geen zekerheid dat voorwaardelijke invrijheidstelling zou worden verleend. De veroordeelde kwam van rechtswege in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling, maar of dit plaatsvond was afhankelijk van het gedrag van de veroordeelde. Daarbij bleef onder het oude regime een langere voorwaardelijke gevangenisstraf boven het hoofd van de betrokkene hangen dan onder het nieuwe regime. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank zich rekenschap gegeven van de gevolgen voor [verdachte ] van de invoering van de nieuwe regeling voor de tenuitvoerlegging.

Alles afwegend zal de rechtbank [verdachte ] – met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten – veroordelen tot veertien jaar gevangenisstraf.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.

De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen. Gelet op de straf die wordt opgelegd wijst de rechtbank dit verzoek af.

9 BESLAG

De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring gevorderd van de volgende onder [verdachte ] inbeslaggenomen voorwerpen:

  1. AA.01.02.001 Tablet

  2. AA.01.01.002 PX mobiele telefoon

De verdediging heeft verzocht om teruggave van de bovengenoemde voorwerpen.

De rechtbank zal teruggave gelasten aan [verdachte ] van bovengenoemde inbeslaggenomen voorwerpen en overweegt daartoe als volgt.

Op grond van het bepaalde in artikel 33a Sr kunnen voorwerpen alleen verbeurd verklaard worden als het gaat om:

  1. voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen;

  2. voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan;

  3. voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;

  4. voorwerpen met behulp van welke de opsporing van het misdrijf is belemmerd;

  5. voorwerpen die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd;

  6. zakelijke rechten op of persoonlijke rechten ten aanzien van de onder a tot en met e bedoelde voorwerpen.

Ten aanzien van het onder 1 genoemde voorwerp stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat deze tablet nog in onderzoek is en daarom niet teruggegeven kan worden. Het enkele feit dat deze tablet nog in onderzoek is, is echter geen grond waarop deze verbeurd verklaard kan worden. Uit het dossier blijkt verder niet dat het bij deze tablet gaat om een voorwerp als bedoeld in artikel 33a sub a tot en met f Sr.

Ten aanzien van de onder 2 genoemde telefoon stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat er destructief onderzoek is geweest bij TDO en dat de telefoon niet terug kan in verband met deze onderzoeksmethode. Dat de officier van justitie feitelijk niet meer in staat is om deze telefoon terug te geven aan [verdachte ] , is geen grond voor verbeurdverklaring. Daarvoor in de plaats zal de officier van justitie dan een schadevergoeding verschuldigd zijn. Uit het dossier blijkt verder niet dat het bij deze telefoon gaat om een voorwerp als bedoeld in artikel 33a sub a tot en met f Sr.

10 BENADEELDE PARTIJ

10.1

Ten aanzien van 16/706504-19-19 (Charon)

10.1.1

Getuige [getuige ] (vader)

Getuige [getuige ] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 73.003,80. Dit bedrag bestaat uit € 13.003,80 materiële schade en € 60.000,- immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte tenlastegelegde feiten.

10.1.2

[benadeelde 1]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 41.950,74. Dit bedrag bestaat uit € 1.950,74 materiële schade en € 40.000,- immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte tenlastegelegde feiten.

10.1.3

[benadeelde 2]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 20.000,- immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte tenlastegelegde feiten.

10.1.4

[benadeelde 3]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 34.632,02. Dit bedrag bestaat uit € 14.634,02 materiële schade en € 20.000,- immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte tenlastegelegde feiten.

10.1.5

[benadeelde 4]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 34.632,02. Dit bedrag bestaat uit € 18.737,- materiële schade en € 20.000,- immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte tenlastegelegde feiten.

10.1.6

[benadeelde 5]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 23.945,20. Dit bedrag bestaat uit € 3.945,20 materiële schade en € 20.000,- immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte tenlastegelegde feiten.

10.1.7

[benadeelde 6]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 68.360,-. Dit bedrag bestaat uit € 63.360,- materiële schade en € 5.000,- immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte tenlastegelegde feiten.

10.2

Het oordeel van de rechtbank

Nu [verdachte ] van het tenlastegelegde wordt vrijgesproken zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen. Zij kunnen hun vorderingen tegen [verdachte ] slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 46, 47, 57, 63, 140, 289 van het Wetboek van Strafrecht en zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 16/706504-19, 16/659124-19 feit 1: primair en feit 2: primair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 jaren;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:

  • -

    AA.01.02.001 Tablet

  • -

    AA.01.01.002 PX mobiele telefoon

Benadeelde partij

Charon

Getuige [getuige ] (vader)

  • -

    verklaart getuige [getuige ] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

[benadeelde 1]

  • -

    verklaart [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

[benadeelde 2]

  • -

    verklaart [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

[benadeelde 3]

  • -

    verklaart [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

[benadeelde 4]

  • -

    verklaart [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

[benadeelde 5]

  • -

    verklaart [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

[benadeelde 6]

  • -

    verklaart [benadeelde 6] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil

Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, mrs. L.M.G. de Weerd en O.P. van Tricht, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. N. Kruijswijk en B. van Dam, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 juli 2022.

Bijlage 1: de zittingsdagen

2021:

Augustus:

30 en 31.

September:

1, 7, 9, 17, 20, 28 en 30.

Oktober:

1, 5, 8, 12, 14, 15 en 26.

November:

2, 5, 9, 11, 12, 16, 18 en 30.

December:

2.

2022:

Januari:

11, 13, 18, 21, 27, 28 en 31.

Februari:

3, 4, 7, 8, 10, 11, 14, 15, 21, 22 en 24.

Maart:

8, 14, 16 en 28.

April:

6 en 19.

Mei:

12.

Juli:

5.

Bijlage 2: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat:

Ten aanzien van 16/706504-19 (Charon)

Primair

hij op of omstreeks 31januari 2017 te [woonplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd door met een of meer vuurwapens kogels in het lichaam van [slachtoffer 2] te schieten;

(art. 289 Wetboek van Strafrecht; art. 47 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 januari 2017 tot en met 4 februari 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord (op [slachtoffer 2] als bedoeld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht (telkens) opzettelijk een of meer informatiedragers, te weten een of meer PGP-telefoon(s) en/of (een) telefoon(s), bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad:

(art 46 Wetboek van Strafrecht)

Ten aanzien van 16/659124-19 (Arford en Barbera)

1.

Primair

hij op of omstreeks 17 maart 2017, te [woonplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 13] en/of [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 12] van het leven te beroven, met gestolen auto’s en vuurwapens onderweg is/zijn gegaan naar de plek waar [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 13] en/of [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 12] zich toen bevond(en) (en deze plek heel dicht heeft/hebben genaderd) om vervolgens met die vuurwapens kogels af te vuren in de richting van [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 13] en/af [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 12] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 289 Wetboek van Strafrecht; art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht; art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van januari 2017 tot en met 17 maart 2017 te [woonplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord op [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 13] en/of [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 12] ( hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 289 Wetboek van Strafrecht oplevert), opzettelijk een of meer voorwerpen en/of stoffen en/of informatiedragers en/of vervoermiddelen, te weten:

  • -

    een of meer vuurwapens en/of

  • -

    een of meer (gestolen) auto’s en/of

  • -

    een of meer PGP telefoons

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, heeft vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad;

(art 289 Wetboek van Strafrecht; art 46 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2.

Primair

hij op of omstreeks 9 maart 2017, te [woonplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade die man uit [woonplaats] ( [slachtoffer 10] ) van het leven te beroven, met een of meer vuurwapens aanwezig was op de plek waar die man uit [woonplaats] ( [slachtoffer 10] ) op dat moment aanwezig zou zijn met het oogmerk om vervolgens met die vuurwapens een of meer kogels af te vuren in de richting van die man uit [woonplaats] ( [slachtoffer 10] ), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 289 Wetboek van Strafrecht; art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht; art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van januari 2017 tot en met 9 maart 2017 te [woonplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord op die man uit [woonplaats] ( [slachtoffer 10] ) (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 289 Wetboek van Strafrecht oplevert), opzettelijk een of meer voorwerpen en/of stoffen en/of informatiedragers en/of vervoermiddelen, te weten

  • -

    een of meer PGP telefoon(s) en/of

  • -

    een bus (althans een vervoersmiddel) en/of

  • -

    telefoon(s)

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, heeft vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad;

(art 289 Wetboek van Strafrecht; art 46 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Ten aanzien van 16/659041-20 (Deelname criminele organisatie)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 21 november 2018 te [woonplaats] en/of [woonplaats] en/of [woonplaats] en/of [woonplaats] en/of [woonplaats] en/of [woonplaats] en/of [woonplaats] en/of [woonplaats] en/of [woonplaats] en/althans (elders) in Nederland, al dan niet als oprichter, leider en/of bestuurder, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en/of (al dan niet in wisselende samenstellingen) een of meer medeverdachten [zijnde overwegend leden van de zogenaamde MC (MotorClub) [motorclub] ], welke Organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (onder meer):

  • -

    het opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander van het leven beroven (zoals bedoeld in artikel 287 en/of artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

  • -

    voorbereiding daarvan (zoals bedoeld en omschreven in artikel 46 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

  • -

    het voorhanden hebben van en/of overdragen van één of meer wapens van de categorieën 1 en/of II en/of III en/of van munitie van categorieën II en/of III (zoals bedoeld in de artikelen 13 en/of 14 en/of 26 en/of 31 van de Wet Wapens en Munitie).

1 ECLI:NL:HR:2019:601.