Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2022:2070

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-05-2022
Datum publicatie
31-05-2022
Zaaknummer
16-337738-21 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een viertal verdachten wordt veroordeeld tot taakstraffen voor openlijke geweldpleging, gepleegd tegen twee personen in februari 2017. De rechtbank wijst verzoeken van raadslieden tot het horen van ‘Keskin-getuigen’ af aan de hand van het hiervoor geldende toetsingskader. Ondanks de forse overschrijding van de redelijke termijn acht de rechtbank strafoplegging passend en geboden, met name gelet op de ernst van het door een van de slachtoffers bekomen letsel. De rechtbank verwerpt verweren over de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partijen door de omvang van vorderingen tot schadevergoeding, eigen schuld en de wijze van toerekening van schade bij bewezenverklaring van openlijke geweldpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16-337738-21 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 31 mei 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1996] te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek),
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:

[adres] te [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 mei 2022.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. F.E. Leeman en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C. Lammers, advocaat te Utrecht, alsmede mr. P. van der Geest namens de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 26 februari 2017 te Soest in vereniging openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

3 VOORVRAGEN

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

3.1

Het standpunt van de verdediging

Namens verdachte heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Zij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat het niet alleen gaat om een volstrekt onnodige en zeer extreme overschrijding van de redelijke termijn, maar eerst en vooral om het gegeven dat door deze overschrijding de waarheidsvinding vergaand wordt bemoeilijkt. Het horen van getuigen in deze zaak is door het verstrijken van de tijd niet (langer) opportuun, waardoor bepaalde essentiële vragen niet beantwoord kunnen worden. Dit leidt ertoe dat door de overschrijding van de redelijke termijn de kwaliteit van het onderzoek ter terechtzitting ernstig in het gedrang komt. Daarmee is een zorgvuldige beoordeling van de zaak onmogelijk gemaakt en is er geen sprake van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Ter adstructie van haar pleidooi heeft de raadsvrouw onder meer verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2021:2903).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn heeft de officier van justitie gesteld dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een dergelijke overschrijding niet tot gevolg kan hebben dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Juridisch kader

De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat de enkele overschrijding van de redelijke termijn, ook in uitzonderlijke gevallen, niet leidt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie (hierna: OM). Om te komen tot niet-ontvankelijkheid moet er sprake zijn van een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM.

In artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is aan het OM de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het OM om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het OM heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging).

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM. De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat er in dit geval– in tegenstelling tot de uitspraak waarnaar door de raadsvrouw is verwezen – in deze situatie sprake is van een verdenking van een ernstig geweldsdelict, waarbij in ieder geval één van de twee slachtoffers blijkens het dossier aanzienlijk lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De rechtbank is ook van oordeel dat, ondanks dat ook zij constateert dat het een verdenking betreft van een oud feit, niet kan worden gezegd dat daardoor de waarheidsvinding dermate wordt bemoeilijkt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces.

De rechtbank constateert, naast het hiervoor genoemde feit dat er in deze situatie sprake is van een verdenking van een ernstig geweldsdelict, waarbij één van de twee slachtoffers aanzienlijk lichamelijk letsel heeft opgelopen, verder dat beide slachtoffers zich in het strafproces hebben gevoegd als benadeelde partij en daartoe vorderingen tot schadevergoeding ingediend. De belangen van de slachtoffers bij een inhoudelijke beoordeling van de zaak zijn dus groot. Het OM wordt daarom ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte. De rechtbank merkt daarbij op dat dit niet betekent dat het verstreken tijdsverloop geen invloed kan hebben op de inhoudelijke beoordeling van de zaak.

Conclusie ten aanzien van de andere voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Zij gaat uit van het scenario dat verdachte in zijn politieverhoor van 26 en 27 februari 2017 heeft geschetst. In dit scenario heeft verdachte zich verdedigd tegen een aanval van aangevers. Zijn opzet was niet gericht op het in vereniging plegen van openlijk geweld. Verdachte heeft daaraan geen significante bijdrage willen leveren en heeft verklaard dat hij niet heeft geslagen en geschopt, maar dat hij de slagen van aangevers met de stokken (biljartkeus) heeft afgeweerd door zijn armen omhoog te houden en met takjes van een boom om zich heen te zwaaien. Daarmee hoopte hij de aangevers op afstand te houden. Toen het kon, is hij weggerend.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Aangever [slachtoffer 2] heeft op 26 februari 2017 aangifte gedaan en daarin onder meer het volgende verklaard:

Ik ben op 25 februari samen met mijn tweelingbroer [slachtoffer 1] gaan stappen in Soest. (…) Toen wij vlak bij ons huis waren ongeveer ter hoogte van [naam] aan de [straat] te [woonplaats] hoorde ik daar toen glas gerinkel vanuit de richting van het clubhuis van de [naam] . Vlot daarna zag ik dat er een groepje jongens vanaf het terrein van de [naam] kwamen gelopen. Ik meen dat ik ongeveer acht jongens van het terrein heb zien komen. (…) Ik zag dat het groepje jongens meteen om ons heen kwam staan. (…) Ik zag vervolgens dat een van de jongens de fiets van mijn broer pakte en met deze fiets weg liep. (…) In een keer liep de hele groep jongens weg bij ons. Ik zag op dat moment dat er een taxi geparkeerd stond op de parkeerplaats voor bij de [naam] aan de [straat] . Ik besloot samen met [slachtoffer 1] om met de taxi achter de groep jongen aan te gaan. 2 (…) Ter hoogte van de [straat] nummer [nummer] haalden wij de jongens in en zijn toen uit de taxi gestapt. Ik heb toen tegen de groep jongens gezegd waar is de fiets wij willen de fiets terug hebben. Ik hoorde dat er meteen agressief werd gereageerd door de groep jongens. (…) Ik zag dat er door verschillende jongens bakstenen en ander spullen werden gegooid.. 3

[slachtoffer 2] is op 27 februari 2017 aanvullend gehoord. In dit verhoor heeft [slachtoffer 2] onder meer het volgende verklaard:

Ik zag dat de jongens op enig moment met voorwerpen naar ons begonnen te gooien. Ik zag dat zij stenen en takken naar ons gooiden. Hierop kwamen zij met z'n allen op ons af rennen. [slachtoffer 1] en ik wilden eigenlijk weg lopen van hen. Ik zag dat [slachtoffer 1] viel zonder dat er iemand bij hem in de buurt was. Ik vermoed dat er iets tegen zijn hoofd aan is gekomen. [slachtoffer 1] was toen bewusteloos op straat. Ik zag dat de jongens op hem en mij af liepen en dat zij [slachtoffer 1] bewust in het gezicht hebben staan trappen. Ik zag dat er op [slachtoffer 1] 2 a 3 man stond in te trappen en dat ik ook door 2 a 3 man werd aangevallen. 4 (…) Ik zag en voelde dat ik klappen en trappen kreeg van meerdere kanten. Ik zag dat mijn broer op de grond viel. (…) Ik zag dat er hierna twee jongens bij hem stonden en dat en van de jongens bewust tegen zijn hoofd aan trapte. Ook de andere jongen trapte mijn broer. Ik heb hierop mijn belagers van mij afgeduwd en ben naar mijn broer gerend. Ik zag en voelde dat ook ik nog steeds werd aangevallen en voelde dat ik tegen mijn achterhoofd werd geslagen. Ik voelde dat ik werd getrapt tegen mijn benen. (…) Ik zag dat de groep wegrende in de richting van de Den Bliecklaan te Soest. Ik zag dat mijn broer buiten bewust zijn was. Ik zag dat zijn gezicht helemaal onder het bloed zat en dat zijn oog helemaal dik was. Ik zag dat hij diverse verwondingen in zijn gezicht had en niet aanspreekbaar was. Als gevolg van de mishandeling heb ik het navolgende letsel opgelopen:
* Ik heb een gat in mijn hoofd. Deze is gelijmd in het Meander ziekenhuis te Amersfoort.
* Ik heb een zeer been. Mijn kuit is wat dik en beurs. 5

Uit een geneeskundige verklaring van 26 februari 2017 betreffende [slachtoffer 2] lijkt onder meer het volgende:

Betreft: [slachtoffer 2] . Lichamelijk onderzoek. Aangezicht: Op het achterhoofd links een laceratie wondje van ongeveer 2cm, oppervlakkig. 6

Aangever [slachtoffer 1] is op 27 februari 2017 aanvullend gehoord door de politie. Bij dit verhoor heeft [slachtoffer 1] onder meer het volgende verklaard:

Toen de taxi bij de groep was aangekomen riepen wij tegen de chauffeur dat hij de

taxi moest stoppen. Daar zijn wij uitgestapt en zijn naar de groep toe gelopen. Ik riep tegen de groep:" Waar is mijn fiets". Op dat moment keerden de gehele groep tegen ons beiden. Ik zag dat de jongens in de groep een dreigende gevechtshouding aannamen. Ik hoorde mensen roep: "Kom dan". Ik zag toen een paar jongens uit de groep een hofje inrennen en dat zij even later terugkwamen met stenen in hun handen. Ik zag dat zij die stenen naar mij en mijn broer toegooiden. Ik zag dat dit met grote kracht gebeurde.

Ik voelde een steen tegen mijn linker bovenbeen aankomen. Toen een steen tegen mijn linker zij en later tegen mijn hoofd. Toen ben ik waarschijnlijk buiten bewustzijn geraakt. Ik weet niets meer daarna 7 .

Uit geneeskundige verklaringen van 26 februari 2017 betreffende [slachtoffer 1] blijkt onder meer het volgende:

26-02-2017 Tijd: 08:44

Aangezicht: meerdere schaafwonden en zwellingen o.a. linker oog, orbita rechts, neus fors gezwollen en meerdere zwellingen links op het voorhoofd. (…)

Mond: mist voortand en snijtand rechts (…)

Extermiteiten: linker onderarm schaafwonden (…)

Conclusie: Contusie aangezicht na mishandeling. 8 (…)

26-02-2017 Tijd: 13:44

Bij de rontgenbespreking de volgende ochtend werd op de CT-cerebrum toch een klein subdurale bloeding links temporaal gezien. 9

In een proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2017 is onder meer het volgende gerelateerd:

Ik vroeg aan [slachtoffer 2] wat er was gebeurd. Wij hoorden [slachtoffer 2] zeggen: "Wij zijn in elkaar geslagen. Ze hebben ons geslagen met een ijzerstaaf". 10 (…) Wij zagen op het wegdek een afgebroken keu en een geknikte ijzeren staaf. (…) Wij zagen dat de staaf bij 40 centimeter geknikt was. Tevens zagen wij een ijzeren stuk van 20 centimeter welk geheel afgebroken was. 11

[verbalisant] , een verbalisant die getuige is geweest van het feit, heeft in een proces-verbaal van bevindingen van 27 februari 2017 onder meer het volgende gerelateerd:

In de nacht van 25 op 26 januari 2016 hoorde ik rond 3:50 uur veel geschreeuw vanaf de [straat] . (…) Vanaf het zolderraam had ik zicht op de [straat] en de groep jongens. Ik zag dat er een groep jongens ter hoogte van onze achtertuin aan het schreeuwen waren. Ik kon niet verstaan wat er geroepen werd. Ik zag dat de groep uit ongeveer 8-10 jongens bestond. (…) Ik zag dat de jongens elkaar onderling aan het duwen waren en hoorde dat een van de jongens heel hard 'Kom dan' riep. (…) Ik zag dat ten minste 1 van de jongens met een grote steen of iets soortgelijks, gooide. Er werd door ten minste drie jongens hard uitgehaald met de stokken, waarbij zij doelgericht op de andere jongens insloegen. Ik zag dat een van de jongens plat op zijn buik op de grond viel en daar helemaal stil bleef liggen. Ik zag dat tenminste 1 jongen, de jongen die op de grond lag, nog een klap met de stok gaf. De jongen die op de grond lag gaf geen reactie. Ik zag dat twee jongens zich bleven bewegen richting de jongen die op de grond lag en dat er slaande bewegingen werden gemaakt. Ik zag dat er een andere jongen met een wat langere jas voor de jongen die op de grond lag ging staan, hij hield hierbij een hand op zijn hoofd. Op dat moment renden de andere jongens weg. 12 (…) De afgelopen maanden lagen er bij de achtertuin van nummer [nummer] een aantal grote stenen en een ijzeren, roestige holle staaf. Deze staaf was recht van vorm en was ongeveer 40-50/cm lang. Deze lagen bij de zwarte schutting van de genoemde achtertuin. Zondagochtend zag ik dat de stenen en een ijzeren pijp er niet meer lagen. 13

Getuige [getuige 1] , taxichauffeur, heeft in een verhoor van 26 februari 2017 onder meer het volgende verklaard:

Bij de [straat] stonden twee jongens. (…) Tegen mij werd gezegd dat ik moest gaan rijden in de richting van die groep jongens. Bij de achterste jongen van de groep moest ik stoppen. Onderweg hoorde ik dat een van die twee jongens zei dat die groep een fiets van hun hadden gestolen. 14 (…) Ik zag dat die twee naar de achterste jongen toeliepen. (…) Ik zag gelijk dat een groot gedeelte van die groep op die twee jongens af doken. Ik zag dat er geslagen en geschopt werd. 15

Verdachte heeft in een politieverhoor van 27 februari 2017 onder meer het volgende verklaard:

V: Wat was de samenstelling van de groep op het feest ?
A: Deze hele groep die hier in Houten nu zit (de rechtbank begrijpt: de aangehouden medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en de eveneens aangehouden [getuige 2] ).

V: Wat was de samenstelling groep bij die vechtpartij ?
A: Diezelfde 5 personen, ik was daar ook bij.

Verdachte heeft in een politieverhoor van 26 februari 2017 onder meer het volgende verklaard:

Ik ging op hun af. (…) Het was onze groep. Ik was voorop en die andere 4 achter mij.

Getuige [getuige 2] heeft in een politieverhoor van 26 februari 2017 onder meer het volgende verklaard:

Ik had een feest geregeld van een vriend. Dit was in Soest bij een softbal / handbalclub. Ik was samen met mijn vrienden die hier (de rechtbank begrijpt: het politiebureau) nu ook zitten, dit zijn [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte), [medeverdachte 3] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 3] ), [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2] ), [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1] ). (…) Die jongens kwamen aan met de auto. [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zijn terug gaan vechten.16 (…) Ik zag mensen met voorwerpen in hun handen. Ik hoorde hen schreeuwen. Ik zag hen vechten en heb ook iemand op de grond zien liggen.17

In een proces-verbaal van bevindingen van 27 februari 2017 is onder meer het volgende gerelateerd:

Nadat [getuige 2] in ons voertuig stapte hoorde wij hem het volgende verklaren:

Dat hij met vrienden in Soest was geweest. (…)

Dat er een auto bij hen stopte.

Dat er meerdere jongens uit de auto stapten en gingen vechten met zijn vrienden. 18

Bewijsoverwegingen

Betrouwbaarheid verklaringen aangevers

De rechtbank acht de verklaringen van aangevers betrouwbaar. Deze verklaringen zijn in lijn met elkaar en vinden op meerdere punten steun in het dossier. Daarbij is van belang dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat er bij aangevers letsel is geconstateerd dat past bij de geweldshandelingen die door hen in hun verklaringen zijn beschreven. Ook bieden de verklaringen van de onafhankelijke getuigen [verbalisant] en [getuige 1] op belangrijke punten steun aan de verklaringen van aangevers. Onder meer de geweldshandelingen die [verbalisant] beschrijft zijn overeenstemmend met de geweldshandelingen die aangevers beschrijven. Getuige [getuige 1] heeft in zijn verklaring bevestigd dat het aangevers waren die door leden van de groep werden aangevallen, nadat zij de taxi verlieten. Ook het feit dat er op en nabij de plaats delict een fiets en een ijzeren staaf zijn aangetroffen biedt steun aan de verklaringen van aangevers. Tegenover de betrouwbare verklaringen van aangevers staan de uiteenlopende en wisselende verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten, die elkaar op belangrijke punten tegenspreken en ook (in ieder geval op de cruciale punten) geen ondersteuning vinden in het dossier.

De rechtbank gaat daarom bij de beoordeling van de tenlastelegging uit van de gang van zaken zoals deze door aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is geschetst. Aan de verklaringen van verdachte, de medeverdachten en getuige [getuige 2] , voor zover deze afwijken van de verklaringen van aangevers, hecht de rechtbank geen geloof.

Openlijke geweldpleging

Juridisch kader

Van het openlijk in vereniging plegen van geweld is sprake indien verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan openlijk gepleegd geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die in vereniging geweld pleegt. Beoordeeld moet worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

Beoordeling

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen de navolgende feiten en omstandigheden vast.

Nadat [slachtoffer 1] was bestolen van een fiets is hij samen met zijn broer [slachtoffer 2] in de taxi van getuige [getuige 1] gestapt om verhaal te halen bij de groep die voor de diefstal verantwoordelijk was. Uit het dossier blijkt dat aangevers alvorens in de taxi te stappen nog biljartkeuen hebben gehaald.

De taxi is gestopt bij een groep jongens, waarna aangevers met de biljartkeuen uit de taxi stapten en naar de groep riepen dat zij hun fiets terug wilden. Op dat moment werd er vanuit de groep jongens agressief gereageerd. De groep gooide stenen richting aangevers en heeft hen vervolgens aangevallen door (onder meer en al dan niet met behulp van slagvoorwerpen) te slaan en schoppen tegen de aangevers. [slachtoffer 1] is door het geweld bewusteloos geraakt.

Verdachte heeft onder meer verklaard dat (alleen) hij en zijn medeverdachten bij de vechtpartij betrokken waren. Getuige [getuige 2] heeft onder meer verklaard dat hij zag dat aangevers aankwamen met de auto en dat hij vervolgens zag dat verdachte en zijn drie medeverdachten met hen gingen vechten. De rechtbank stelt op grond van deze verklaringen vast dat de groep jongens die het in de bewijsmiddelen omschreven openlijke geweld heeft gepleegd, (in ieder geval) bestond uit verdachte en zijn drie medeverdachten.

Dat verdachte over zijn betrokkenheid en die van zijn medeverdachten bij de vechtpartij heeft verklaard als onderdeel van een zelfverdedigingsbetoog doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de bruikbaarheid voor het bewijs van deze verklaring. De rechtbank gebruikt de verklaring van verdachte alleen voor zover deze bewijst dat verdachte en zijn medeverdachten de personen zijn die betrokken waren bij de vechtpartij. Verder bezigt de rechtbank de verklaringen van verdachte niet voor het bewijs. Er is dan ook geen sprake van het denatureren van zijn verklaring.

Conclusie

Op grond van de bewijsmiddelen staat voor de rechtbank vast dat verdachte, door met zijn medeverdachten een vechtpartij te initiëren en daaraan vervolgens deel te nemen, opzet heeft gehad op de ten laste gelegde geweldshandelingen en daaraan een voldoende significante bijdrage heeft geleverd.

Daarmee is het verweer van de verdediging verworpen en komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

Voorwaardelijke getuigenverzoeken

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om, indien de rechtbank het feit bewezen acht, de zaak aan te houden teneinde de verdediging in staat te stellen een drietal getuigen nader te horen. De rechtbank zal de verzoeken hieronder bespreken.

Buurtbewoner

Een buurtbewoner woonachtig aan de [adres] te [woonplaats] heeft verklaard ten tijde van het feit veel geschreeuw te hebben gehoord, buiten een jongen op straat te hebben zien liggen en een groep (vermoedelijk Turkse of Marokkaanse) jongens te hebben gezien. De rechtbank zal het verzoek om deze buurtbewoner nader te horen afwijzen. Het horen van de buurtbewoner is overbodig, nu de rechtbank ook zonder gebruik van zijn getuigenverklaring het feit wettig en overtuigend bewezen acht.

Meldster [verbalisant] en taxichauffeur [getuige 1]

Getuigen [verbalisant] en [getuige 1] hebben een voor verdachte belastende verklaring afgelegd die door de rechtbank mede redengevend wordt geacht voor het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. De verdediging heeft het ondervragingsrecht ten aanzien van deze getuigen nog niet kunnen uitoefenen. Het belang van de verdediging bij het nader horen van deze getuigen moet daarom worden voorondersteld. De rechtbank zal het verzoek hiertoe evenwel afwijzen en overweegt daartoe als volgt.

Het door de rechtbank voor het bewijs gebezigde deel van de verklaring van getuige [verbalisant] vindt ondersteuning in meerdere onafhankelijke bewijsmiddelen. Het door haar beschreven geweld, de wijze waarop dit plaatsvond en hoe de vechtpartij eindigde komen nagenoeg volledig overeen met de (als betrouwbaar aangemerkte) verklaringen hierover van beide aangevers. Ook de op de plaats delict aangetroffen ijzeren staaf biedt ondersteuning aan de verklaring van [verbalisant] . De getuigenverklaring van [verbalisant] staat dus niet op zichzelf en de bewezenverklaring steunt niet in beslissende mate op haar verklaring.

Het door de rechtbank voor het bewijs gebezigde deel van de verklaring van getuige [getuige 1] vindt ondersteuning in de verklaringen van aangevers. Zowel [getuige 1] als de aangevers hebben verklaard dat de groep waarvan verdachte deel uitmaakte de vechtpartij initieerde. Ook de overige onderdelen van de verklaring van getuige [getuige 1] vinden steun in de verklaringen van aangevers. De getuigenverklaring van [getuige 1] staat dus niet op zichzelf en de bewezenverklaring steunt niet in beslissende mate op deze verklaring.

In aanvulling op bovenstaande heeft de rechtbank bij de beoordeling van de verzoeken en de te waarborgen eerlijkheid van het proces als geheel ook meegewogen dat de verdediging niet zelf in een eerder stadium kenbaar heeft gemaakt de getuigen nader te willen horen, terwijl daartoe ruim vijf jaren de gelegenheid heeft bestaan. Het OM heeft de verdediging in oktober 2020 om onderzoekswensen gevraagd. Hierop is door de verdediging niet gereageerd.

De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen reden om de zaak aan te houden teneinde de verdediging in de gelegenheid te stellen getuigen [verbalisant] en [getuige 1] nader te horen. Het strafproces als geheel is met inachtneming van het hiervoor overwogene ook bij afwijzing van het getuigenverzoek in overeenstemming met het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 26 februari 2017 in de gemeente Soest openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de [straat] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit het

- meermalen (met kracht) met een (ijzeren) pijp/staaf op/tegen het lichaam slaan en

- meermalen (met kracht) op/tegen het lichaam stompen/slaan en/of schoppen trappen en

- op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gooien van (een) ste(e)n(en)/kei(en) en

- gooien van (een) ste(e)n(en)/kei(en) op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] ten gevolge waarvan hij (bewusteloos) ten val is gekomen en

- terwijl die [slachtoffer 1] (bewusteloos) op de grond lag schoppen/trappen tegen het hoofd en/of het lichaam.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Noodweer

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw, uitgaande van de verklaringen van verdachte bij de politie op 26 en 27 februari 2017, aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waarbij de verdediging noodzakelijk en proportioneel was.

De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de raadsvrouw aan het verweer ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk geworden. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen, namelijk dat aangevers met stokken op verdachte en zijn medeverdachten afkwamen en hen daarmee als eerste aanvielen, vindt zijn weerlegging in de verklaringen van aangevers die de rechtbank om in de bewijsoverwegingen genoemde redenen betrouwbaarder acht.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn of andermans lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Het verweer wordt daarom verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Noodweerexces

In het verlengde van het noodweerverweer heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op de schulduitsluitingsgrond noodweerexces. De rechtbank verwerpt dit verweer onder verwijzing naar haar motivering van de afwijzing van het beroep op noodweer.

Er is ook overigens geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een taakstraf van 40 uren, met aftrek van het voorarrest, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 20 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank primair verzocht om bij het bepalen van een eventuele straf toepassing te geven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht (schuldverklaring zonder strafoplegging).

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

Verdachte heeft begin 2017 te Soest samen met drie anderen op de openbare weg zinloos en aanzienlijk geweld gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , waarbij onder andere [slachtoffer 1] in bewusteloze toestand meermaals tegen het hoofd en het lichaam is geschopt. [slachtoffer 1] heeft fors letsel opgelopen en langdurig last ondervonden van het feit. Verdachte heeft met zijn handelen niet alleen een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en het algemene welzijn van de gebroeders [gebroeders] , maar bovendien meerdere omwonenden en een nietsvermoedende burger deelgenoot gemaakt van het openlijk geweld. Het plegen van openlijk geweld maakt een onacceptabele inbreuk op de openbare orde en voedt gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.

Persoon van verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 8 april 2022. Hieruit blijkt dat verdachte voorafgaand aan het feit niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, maar wel een transactie is overeengekomen voor een door hem gepleegde mishandeling op 11 september 2014. De rechtbank weegt dit gelet op het tijdsverloop niet in het nadeel van verdachte mee.

Adolescentenstrafrecht

De rechtbank ziet op dit moment in de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan geen reden om het jeugdstrafrecht toe te passen. Er zijn geen uitzonderlijke omstandigheden die maken dat er een meerwaarde is om verdachte te straffen overeenkomstig het jeugdstrafrecht.

Artikel 63 Wetboek van Strafrecht

De rechtbank houdt er bij het opleggen van de straf rekening mee dat verdachte na het plegen van het bewezenverklaarde in 2017 is veroordeeld tot een werkstraf en in 2021 tot een taakstraf. De rechtbank heeft de voorschriften toegepast die gelden voor de situatie waarin verdachte een straf zou zijn opgelegd voor alle feiten tegelijk. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat verdachte, indien deze zaak eerder was afgedaan, een hogere straf opgelegd zou hebben gekregen dan nu het geval is. Het verstreken tijdsverloop dat nu sterk strafverminderend meeweegt had in dat geval immers een kleinere rol gespeeld. Toepassing van artikel 63 Wetboek van Strafrecht leidt nu dus niet tot matiging van de op te leggen straf.

Strafoplegging

Gelet op de ernst van het feit en de hevigheid van het letsel bij (met name) [slachtoffer 1] is toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht (schuldverklaring zonder oplegging van straf) ondanks het verstreken tijdsverloop niet passend. De officier van justitie heeft in haar eis van 40 uur taakstraf voorwaardelijk reeds rekening gehouden met de forse overschrijding van de redelijke termijn door in strafmatigende zin aanzienlijk af te wijken van het uitgangspunt dat de LOVS-oriëntatiepunten voor het bewezen verklaarde geven, namelijk een taakstraf van 150 uren. De rechtbank kan zich vinden in deze mate van strafvermindering. Omdat artikel 22b Wetboek van Strafrecht van toepassing is kan aan verdachte niet slechts een taakstraf worden opgelegd. De rechtbank zal daarom naast de geëiste voorwaardelijke taakstraf een onvoorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van 1 dag opleggen, waarbij het voorarrest van beide straffen zal worden afgetrokken.

9 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. [slachtoffer 2] vordert een bedrag van € 2.750.-. Dit bedrag bestaat uit € 250,- materiële schade en € 2.500,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. [slachtoffer 1] vordert een bedrag van € 12.091,18. Dit bedrag bestaat uit € 7.091,18 materiële schade en € 5.000,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat beide vorderingen integraal worden toegewezen, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een aantal verweren gevoerd. Primair dienen de vorderingen niet-ontvankelijk te worden verklaard gelet op de bepleitte vrijspraak. Subsidiair dienen de vorderingen niet-ontvankelijk te worden verklaard nu de beoordeling ervan gelet op de omvang en verstrekkende gevolgen, alsmede gelet op de vele stukken ter onderbouwing, de omvangrijke schadeposten en de beperkte tijd om dit inhoudelijk en gedegen voor te bereiden voor deze zitting, een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Hiermee samenhangend heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht verdere behandeling van deze zaak aan te houden, zodat een gespecialiseerde collega (een civilist) de vorderingen nader kan bestuderen en beoordelen.

Indien de rechtbank niet overgaat tot niet-ontvankelijkheidsverklaring dan wel aanhouding, van de behandeling, verzoekt de raadsvrouw de verzochte schadevergoeding te verminderen naar evenredigheid van de eigen schuld. In dit geval gaat het wat de verdediging betreft om een grote mate van eigen schuld, nu zonder de bewuste zoektocht naar de jongens van de fiets en de daarbij gezochte confrontatie met wapens (stokken) de schade in het geheel niet zou zijn ingetreden.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Niet-ontvankelijkheid OM en het aanhoudingsverzoek

De rechtbank is van oordeel dat de ingediende vorderingen eenvoudig genoeg zijn om inhoudelijk te worden beoordeeld, zonder dat dit een onevenredige belasting oplevert van het strafproces. De vordering van [slachtoffer 1] is weliswaar van enige omvang, maar onvoldoende gecompliceerd of onduidelijk om de benadeelde partij op voorhand in zijn geheel niet-ontvankelijk te verklaren in diens vordering. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande ook geen reden om de behandeling van de zaak aan te houden voor nader specialistisch onderzoek door de verdediging.

Eigen schuld

De rechtbank zal de vorderingen van de benadeelde partijen hierna inhoudelijk beoordelen en deze in beide gevallen deels toewijzen. De rechtbank ziet geen reden om hierbij rekening te houden met enige mate van eigen schuld aan de kant van de benadeelde partijen. De rechtbank gaat immers uit van de feiten en omstandigheden zoals deze door aangevers zijn geschetst en daaruit volgt dat het verdachte was die samen met zijn medeverdachten het conflict en het daaropvolgende geweld heeft veroorzaakt. Er is niet gebleken van agressieve (gewelds)handelingen van aangevers die hebben bijgedragen aan het ontstaan van het jegens hen gepleegde openbare geweld. Het enkele feit dat de benadeelde partijen de confrontatie niet hebben gemeden – hetgeen invoelbaar is omdat een van hun fietsen was gestolen – doet aan dat oordeel niet af.

[slachtoffer 2]

Materiële schade

De gevorderde schadevergoeding voor het betalen van eigen risico ten bedrage van € 250.- is voldoende onderbouwd en zal worden toegewezen.

Immateriële schade

[slachtoffer 2] heeft als gevolg van het bewezenverklaarde lichamelijk letsel opgelopen. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b Burgerlijk Wetboek, komt [slachtoffer 2] daarom in aanmerking voor vergoeding van immateriële schade. Bij het bepalen van de hoogte van deze schadevergoeding weegt de rechtbank mee dat het letsel van [slachtoffer 2] relatief beperkt is gebleven en dat hij moest toekijken dat zijn broer is mishandeld terwijl deze bewusteloos op de grond lag. Gelet daarop, en gezien de hele context van het feit, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 1.500,- passend.

Conclusie

De schade ter hoogte van in totaal € 1.750,- komt voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal daarom de vordering tot dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 26 februari 2017 tot de dag van volledige betaling.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 2] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.750,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 26 februari 2017 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 17 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft. De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

[slachtoffer 1]

Materiële schade

De gevorderde schadevergoeding voor het betalen van het eigen risico, het maken van tandartskosten en de daarmee verband houdende reiskosten wordt toegewezen nu deze schadeposten voldoende zijn onderbouwd. De gevorderde schadevergoeding door inkomstenderving wordt ook toegewezen. Gezien de ernst van het letsel dat [slachtoffer 1] heeft opgelopen is het aannemelijk dat hij enkele weken niet heeft kunnen werken. De door de benadeelde partij gegeven berekening voor de inkomstenderving komt de rechtbank aannemelijk voor. Het gevorderde bedrag is laag ingeschat en is bovendien onderbouwd met stukken die onder meer het gehanteerde uurloon bevestigen.

In totaal zal de rechtbank materiële schade ter hoogte van € 6.921,8‬0 toewijzen.

De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van de schadevergoeding voor reparatie van de fiets, nu deze schade in onvoldoende rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde.

Immateriële schade

[slachtoffer 1] heeft als gevolg van het bewezenverklaarde lichamelijk letsel opgelopen. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b Burgerlijk Wetboek, komt [slachtoffer 1] daarom in aanmerking voor vergoeding van immateriële schade. Bij het bepalen van de hoogte van deze schadevergoeding weegt de rechtbank mee dat het letsel van [slachtoffer 1] fors is geweest en dat hij daarvan langdurig hinder heeft ondervonden. Bovendien zal [slachtoffer 1] nooit meer kunnen beschikken over een volledig en gezond gebit en heeft het feit ook psychisch een forse impact gehad. Gelet op het voorgaande, en gezien de hele context van het feit, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 3.500,- passend.

Conclusie

De schade ter hoogte van in totaal € 10.421,80 komt voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal daarom de vordering tot dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 26 februari 2017 tot de dag van volledige betaling.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 10.421,80 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 26 februari 2017 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 87 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft. De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Ontvankelijkheid officier van justitie

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 dag;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 40 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 20 dagen hechtenis;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf en de taakstraf in mindering zal worden gebracht, voor de taakstraf berekend naar de maatstaf van 2 uren per dag;

- bepaalt dat de taakstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 1 jaar vast;

- als algemene voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 1.750,-;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2017 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

  • -

    verklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 1.750,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2017 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 17 dagen gijzeling;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 10.421,80;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2017 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

  • -

    verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 10.421,80 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2017 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 87 dagen gijzeling;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Reijnierse, voorzitter, mrs. D. Riani el Achhab en A.J.P. Schotman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.H.A. de Poot, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 mei 2022.

De oudste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 februari 2017 in de gemeente Soest openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de [straat] , in elk geval op of aan een openbare weg en/of voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit het

- meermalen (met kracht) met een (ijzeren) pijp/staaf, in ieder geval een dergelijk hard voorwerp, op/tegen het lichaam slaan en/of

- meermalen (met kracht) met een keu en/of een stok, in ieder geval een dergelijk hard voorwerp, op/tegen het lichaam slaan en/of

- meermalen (met kracht) op/tegen het lichaam stompen/slaan en/of schoppen trappen en/of

- op/tegen het lichaam, in ieder geval in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gooien van (een) ste(e)n(en)/kei(en) en/of

- gooien van (een) ste(e)n(en)/kei(en) op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] ten gevolge waarvan hij (bewusteloos) ten val is gekomen en/of

- terwijl die [slachtoffer 1] (bewusteloos) op de grond lag schoppen/trappen tegen het hoofd en/of het lichaam;

( art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 20 april 2017, genummerd PL0900-2017074385, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 222. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] , p. 71.

3 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] , p. 72.

4 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 2] , p. 75.

5 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 2] , p. 76.

6 Een geneeskundige verklaring d.d. 26 februari 2017, opgemaakt door drs. F.J. Amelung, arts-assistent chirurgie, p. 78 van proces-verbaal nr. PL0900-2017074385.

7 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1] , p. 84.

8 Een geneeskundige verklaring d.d. 26 februari 2017, opgemaakt door drs. F.J. Amelung, arts-assistent chirurgie, p. 91 van proces-verbaal nr. PL0900-2017074385.

9 Een geneeskundige verklaring d.d. 26 februari 2017, opgemaakt door H. ter Riet, arts-assistent SEH, p. 92 van proces-verbaal nr. PL0900-2017074385. H. Ter Riet

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 103.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 104.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 148.

13 Proces-verbaal van bevindingen, p. 149.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 152.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 153.

16 Proces-verbaal van verhoor (ex-)verdachte [getuige 2] , p. 196.

17 Proces-verbaal van verhoor (ex-)verdachte [getuige 2] , p. 197.

18 Proces-verbaal van bevindingen, p. 147.