Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2022:2058

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-05-2022
Datum publicatie
31-05-2022
Zaaknummer
16-019634-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor verduistering in dienstbetrekking. Rechterlijke waarneming als bewijsmiddel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16-019634-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 30 mei 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1999] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] in [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 mei 2022, alwaar de zaak inhoudelijk is behandeld.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M.M. Lemstra en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. P.W. Hermens, alsmede de benadeelde partij [aangever] en zijn advocaat, mr. F.A. Verberk-Elich, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De tenlastegelegde periode is ingekort en beslaat nu de periode dat verdachte meerderjarig was. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 12 december 2017 tot en met 28 januari 2018 uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking etenswaren en geld heeft verduisterd.

3 VOORVRAGEN

Aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag verdachte vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging te schorsen.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde, deels, wettig en overtuigend te bewijzen. Zij vindt het tenlastegelegde verduisteren van geld door verdachte niet te bewijzen voor de gehele ten laste gelegde periode, maar enkel voor de data 26 en 27 januari 2018 nu er enkel ten aanzien van die data camerabeelden zijn. Daarnaast acht de officier van justitie de verduistering van etenswaren in de tenlastegelegde periode wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt om verdachte vrij te spreken van de tenlastegelegde verduistering van gelden in de periode 12 december 2017 tot en met 28 januari 2018. Er is namelijk geen wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zich daadwerkelijk de geldbedragen die hij mogelijkerwijs in zijn handen hield, heeft toegeëigend, aldus de raadsman. De raadsman is van oordeel dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van de verduistering van etenswaren in de ten laste gelegde periode.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Bewijsmiddelen 1

Aangever [aangever] heeft op 21 februari 2018 aangifte gedaan en onder meer het volgende verklaard:

Ik doe aangifte van verduistering uit hoofde van persoonlijke dienstbetrekking. Het incident vond plaats tussen zondag 17 september 2017 te 17:00 uur en zondag 28 januari 2018. Op zaterdag 27 januari 2018 omstreeks 23.00 uur ging ik zelf de kassa controleren. Ik kwam toen tot de ontdekking dat de zogenaamde foutbonknop op de kassa was gebruikt. 2 Ik zag op de bon dat deze foutbonknop op die dag veertien keer gebruikt was. Omdat ik een en ander vreemd vond, heb ik tevens de kassabon van de dag ervoor, dus vrijdag 26 januari 2018 bekeken. Ik zag op deze kassa uitdraai dat ook deze dag de foutbonknop gebruikt was. Ik vertelde [verdachte] dat ik op camerabeelden had gezien dat hij bestelde goederen door vrienden van hem niet liet betalen. Op maandag 29 januari 2018 heb ik camerabeelden bekeken van zaterdag 28 januari 2018. 3

Verdachte heeft ter terechtzitting van 16 mei 2022 het volgende verklaard4:

Ik heb ongeveer 1,5 jaar bij [werkgever] gewerkt. In de ten laste gelegde periode was ik daar werkzaam. Het klopt dat ik in de periode van 12 december 2017 tot en met 28 januari 2018 eten heb weggegeven.

De camerabeelden, overlegd door het Openbaar Ministerie, alsmede de camerabeelden overlegd door de benadeelde partij – die deel uitmaken van het dossier – zijn ter terechtzitting bekeken in aanwezigheid van verdachte, zijn raadsman en de officier van justitie. De officier van justitie en de raadsman alsook de rechters hebben zich omtrent de waarneming van de beelden uitgelaten. Ook verdachte heeft hiertoe de gelegenheid gehad.

De rechtbank heeft aldus ter terechtzitting van 16 mei 2022 de volgende waarnemingen gedaan:

OM Camera 1 [bestandsnaam] 5

3.19

Handen van de verdachte zijn open en leeg als hij de kassa open doet. Man zet blikje op de toonbank, verdachte pakt € 50 aan en haalt deze door de scan. Verdachte houdt € 50 in linkerhand. Verdachte maakt het klein in linkerhand. Verdachte pakt met rechterhand wisselgeld en houdt het briefgeld in linkerhand bovenin vuist. Verdachte pakt met rechterhand munt wisselgeld. Verdachte geeft wisselgeld terwijl linker vuist gesloten blijft. Verdachte pakt bon en doet deze over zijn linkerhand en stopt de inhoud van de linkerhand in zijn rechterhand. Verdachte draait met zijn rug naar de camera en gaat tegen het werkblad aan de kant van de frituur aan staan. Verdachte stopt rechtervuist onder linkerarm en terug. Verdachte stopt linkerhand in broekzak, maakt met rechterhand dezelfde beweging als met linkerhand.

4.43

Verdachte zwaait meerdere keren met rechter open hand en staat nog op dezelfde locatie.

Verduistering 4 – bestand overlegd door BP 6

2.05

Verdachte pakt € 50 biljet van toonbank. Zichtbaar is dat het vak van de € 50 biljetten gevuld is. Verdachte brengt het € 50 biljet wat op de toonbank lag, met zijn linkerhand naar de lade richting het vak van de € 50 biljetten. Verdachte pakt met zijn rechterhand het aanwezige € 50 biljet/de aanwezige € 50 biljetten uit de lade en vouwt deze samen met het biljet dat hij in zijn linkerhand had tot een klein pakketje. Verdachte houdt het vervolgens in zijn gesloten linkerhand. Zichtbaar is dat het vak van de € 50 biljetten in de lade leeg is. Verdachte brengt zijn linkerhand naar het bonnenbakje met de bonnetjes, pakt er een bonnetje uit en vouwt dit samen met de inhoud van zijn linkerhand tot een prop. Verdachte doet het in zijn rechterhand en deponeert de prop met zijn rechterhand in het bonnenbakje. Verdachte legt vervolgens met zijn linkerhand een kladblok op het bonnenbakje. Verdachte pakt met zijn rechterhand een wittige prop uit het bonnenbakje en doet dit in zijn gesloten linkerhand en doet daaroverheen het kladblok. Verdachte draait vervolgens weg van de camera.

3.03

Verdachte legt met zijn rechterhand een kladblok op de toonbank, zijn linkerhand is gesloten tot een vuist.

Verdachte is vervolgens grotendeels uit beeld.

3.15

Verdachte is wederom met een gesloten linker vuist in beeld.

Verdachte is vervolgens grotendeels uit beeld.

3.41

Verdachte draait zich om en heeft een wittige prop in zijn gesloten linker vuist.

Verduistering 5 – bestand overlegd door BP 7

2.05

Verdachte doet de kassalade open met zijn linkerhand. Zichtbaar is dat het meest linker vak van de kassalade leeg is. Verdachte ontvangt van klant een € 50 biljet en maakt dit klein in zijn linker vuist. Verdachte vouwt het biljet meerdere keren samen met zijn linkerhand. Zichtbaar is dat het vak van de € 50 biljetten in de kassa nog steeds leeg is. Verdachte houdt het wisselgeld tussen zijn duim en ogenschijnlijk wijsvinger van de linkerhand die verder nog steeds gesloten is. Verdachte houdt zijn linkerhand onder een wittige doos.

3.07

Verdachte draait zich om met zijn rug naar de camera.

4.3.2.

Bewijsoverweging

Op grond van de inhoud van bovengenoemde wettige bewijsmiddelen concludeert de rechtbank het navolgende. Verdachte is ongeveer 1,5 jaar werkzaam geweest voor aangever [aangever] bij [werkgever] . In zijn hoedanigheid als (kassa)medewerker heeft hij geldbedragen en etenswaren onder zich gehad. Verdachte heeft bekend in de tenlastegelegde periode etenswaren te hebben weggegeven. Op grond van de eigen waarnemingen van de rechtbank is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich in de ten laste gelegde periode tevens geld heeft toegeëigend. Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat uit de aangifte volgt dat het geld dat verdachte heimelijk in zijn handen verfrommelde, niet bij aangever dan wel [werkgever] is teruggekeerd. Evenmin is op andere wijze aannemelijk dat verdachte de geldbedragen niet heeft gehouden. Gelet op de steelse wijze waarop verdachte de bankbiljetten niet in de kassalade legde, na ontvangst van de klant, maar het geld in zijn handen verfrommelde, en zelfs ook eenmaal geld uit de kassalade erbij pakte en dit vervolgens onder zich hield, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich het geld heeft toegeëigend. Aldus is, anders dan de raadsman heeft betoogd, sprake van een voltooid delict. De rechtbank acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

in de periode van 12 december 2017 tot en met 28 januari 2018 te [plaats] , gemeente De Ronde Venen opzettelijk een hoeveelheid geld en een hoeveelheid etenswaar, die toebehoorden aan [werkgever] , en welke goederen verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als (kassa)medewerker, onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert, ex artikel 9a Wetboek van Strafrecht, een schuldigverklaring zonder oplegging van straf. De officier van justitie benadrukt de ernst van het feit. Rekening houdend met een flinke overschrijding van de redelijke termijn, de jeugdige leeftijd van verdachte en zijn blanco documentatie ziet de officier van justitie echter geen meerwaarde meer in het opleggen van een straf.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt om conform artikel 77c Wetboek van Strafrecht het jeugdstrafrecht toe te passen. Daarnaast wijst de raadsman op de blanco documentatie van verdachte en op de overschrijding van de redelijke termijn.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder verdachte het feit heeft gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

8.3.1.

De ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering van geldbedragen door zich opzettelijk geld uit de kassa van zijn werkgever toe te eigenen. Verdachte deed dit op een zeer brutale en geraffineerde wijze door, in sommige gevallen direct onder de ogen van zijn werkgever, maar ook van klanten en zijn collega’s, op heimelijke wijze geld weg te nemen. Door zo te handelen heeft verdachte ernstig misbruik gemaakt van het door zijn werkgever in hem gestelde vertrouwen en in het geheel geen rekening gehouden met de financiële gevolgen voor zijn werkgever. Het is een feit van algemene bekendheid dat wanneer bij een kleinschalig bedrijf als onderhavige geld ontbreekt, door de werkgever logischerwijs als eerste naar de eigen werknemers wordt gekeken of zij daar mogelijk iets mee van doen hebben. Dit kan ten koste gaan van de algehele sfeer op de werkvloer en het welzijn van de collega’s. Verdachte heeft deze situatie door zijn handelen gecreëerd. Ook weegt de rechtbank mee dat sinds het gepleegde feit de verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven en geen verantwoordelijkheid heeft genomen. Ook ter zitting toen de camerabeelden getoond werden, bleef verdachte volhouden dat hij geen geld van zijn werkgever had verduisterd ondanks dat deze beelden anders uitwijzen. De rechtbank rekent dit alles verdachte zeer aan.

8.3.2.

De persoonlijke omstandigheden van verdachte

Strafblad

Uit de justitiële documentatie van verdachte van 11 april 2022 blijkt dat verdachte niet eerder, maar ook niet sindsdien, is veroordeeld voor strafbare feiten.

Adolescentenstrafrecht

Verdachte was ten tijde van het plegen van het feit achttien jaar oud en dus meerderjarig. Op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog onder de 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, die daartoe aanleiding geven (artikel 77c Wetboek van Strafrecht). Van dergelijke omstandigheden is niet gebleken zodat de rechtbank geen aanleiding ziet tot toepassing van het adolescentenstrafrecht. Alhoewel zij het adolescentenstrafrecht niet van toepassing acht, houdt de rechtbank wel rekening met de jonge leeftijd van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde.

8.3.3.

De overschrijding van de redelijke termijn

Een verdachte heeft recht op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn om te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging zou moeten leven. Die termijn begint te lopen op het moment dat een verdachte in redelijkheid kan verwachten dat tegen hem of haar vervolging wordt ingesteld. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van de zaak op de zitting dient te zijn afgerond met een einduitspraak van de rechtbank binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen. Het onderzoek tegen verdachte is aangevangen met een verhoor op 30 augustus 2018. Dat is de datum waarop de redelijke termijn is aangevangen. Op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, zijn inmiddels dus ruim 3,5 jaren verstreken, hetgeen een overschrijding van de redelijke termijn met ruim 1,5 jaren oplevert. De rechtbank zal daar in het voordeel van verdachte rekening mee houden.

8.3.4.

Conclusie

De straf

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verduistering waarbij hij zich, meerdere malen, op brutale en geraffineerde wijze geld heeft toegeëigend. Bovendien heeft hij, onbevoegd en ten koste van zijn werkgever, zijn vrienden etenswaren gegeven. De rechtbank acht de handelswijze van verdachte ernstig en merkt daarbij op dat deze getuigt van een volwassen opererende verdachte. Verdachte heeft meermaals het vertrouwen van zijn werkgever op ernstige wijze beschaamd. Voor aangever heeft dit niet alleen financiële, maar ook psychische gevolgen gehad, hetgeen blijkt uit de door hem ingediende vordering.

De rechtbank weegt voorts de houding van verdachte ter terechtzitting, die bepaalt niet getuigt van het nemen van verantwoordelijkheid, mee in haar oordeel. De rechtbank houdt tevens rekening met het feit dat verdachte geen strafblad heeft en dus als first-offender kan worden beschouwd.

De omstandigheid dat sprake is van een ruime overschrijding van de redelijke termijn is aanleiding voor de rechtbank om verdachte geen gevangenisstraf op te leggen, hetgeen anders wel in de rede had gelegen.

Alles overwegend acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 40 uren passend en geboden.

9 BENADEELDE PARTIJ

[aangever] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en heeft op 16 april 2019 en 1 september 2021 een vordering ingediend. Ter terechtzitting heeft de advocaat van de benadeelde partij de vordering nader toegelicht.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade voor toewijzing in aanmerking komt tot het, volgens haar te bewijzen, totaal verduisterde bedrag van € 228,25. Daarnaast wordt verzocht om de opgevoerde advocaatkosten in het geheel toe te wijzen. De kosten voor de Seria rapportage vindt de officier van justitie niet voor toewijzing vatbaar, reden waarom zij verzoekt om deze af te wijzen. Voor wat betreft de immateriële schade acht de officier van justitie een bedrag van € 200,00 redelijk. Voor het toegewezen bedrag vordert de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de immateriële schade in het geheel niet-ontvankelijk te verklaren. Voor wat betreft de opgevoerde materiële schade merkt de raadsman op dat deze onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair voert hij aan dat de materiële schade toewijsbaar is tot een maximumbedrag van € 200,00.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij [aangever] als gevolg van het hiervoor bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden. In het dossier bevinden zich camerabeelden van, in ieder geval, twee verschillende data. Op deze camerabeelden is te zien dat verdachte zich, meermalen, bankbiljetten van € 50,00 heeft toegeëigend. Gelet hierop schat de rechtbank het totaal verduisterde bedrag op € 200,00. De rechtbank acht dit verduisterde bedrag schade die rechtstreeks het gevolg is van het bewezen verklaarde feit. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de kosten voor de Seria rapportage als rechtstreekse schade van het bewezen verklaarde feit kunnen worden aangemerkt. Het daarvoor gevorderde bedrag van € 538,06 zal worden toegewezen.

Voor wat betreft de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank begrijpt dat het strafbare handelen van verdachte een grote impact op de benadeelde partij heeft gehad. Verdachte heeft immers met zijn handelen het vertrouwen van zijn werkgever ernstig geschonden. Immateriële schadevergoeding in de zin van artikel 6:106 BW kan echter slechts worden toegekend als er bij de benadeelde partij ten gevolge van het feit sprake is van lichamelijk letsel of van geestelijk letsel. Met betrekking tot dit geestelijk letsel zal de benadeelde partij voldoende concrete gegevens naar voren moeten brengen om naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel vast te kunnen stellen. Concrete gegevens zijn door de benadeelde partij niet naar voren gebracht. Dit deel van de vordering zal de rechtbank daarom niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Proceskosten

Als de in het ongelijk gestelde partij, zal de rechtbank verdachte veroordelen tot vergoeding van de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten. De rechtbank constateert dat deze kosten voor de benadeelde partij noodzakelijk waren – mede vanwege de door de benadeelde partij ingediende klacht tegen de niet vervolging die gegrond werd verklaard – om de procedure te voeren. De rechtbank komt op basis van de facturen van de advocaat op grond van zowel de vordering ingediend in 2019, als die in 2021, op het totaalbedrag aan kosten voor rechtsbijstand van € 955,30. De rechtbank acht deze kosten voldoende onderbouwd en aannemelijk geworden en zal de vordering tot vergoeding daarvan in het geheel toewijzen.

Schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [aangever] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.693,36, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 12 december 2017 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 26 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 40 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 20 dagen hechtenis;

Benadeelde partij

- wijst de vordering van [aangever] toe tot een bedrag van € 1.693,36;

- verklaart [aangever] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever] aan de Staat € 1.693,36 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2018 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 26 dagen gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.R. Buisman, voorzitter, mr. P.C. Quak en mr. A.A.T. Werner, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Chanier, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 mei 2022.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 december 2017 tot

en met 28 januari 2018 te [plaats] , gemeente De Ronde Venen opzettelijk een (grote) hoeveelheid geld en/of een hoeveelheid etenswaar, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehoorde aan [werkgever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten (kassa)medewerker, elk geval anders dan door misdrijf onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(art 321 Wetboek van Strafrecht, art 322 Wetboek van Strafrecht)

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers zijn dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van 24 maart 2021, genummerd PL0900-2018051664, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 234. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Alle bewijsmiddelen zijn zakelijk weergegeven.

2 Proces-verbaal van aangifte [aangever] d.d. 21 februari 2021, p. 3.

3 Proces-verbaal van aangifte [aangever] d.d. 21 februari 2021, p. 4.

4 Proces-verbaal onderzoek ter terechtzitting d.d. 16 mei 2022.

5 De rechterlijke waarneming van de zich in het dossier bevindende camerabeelden van het Openbaar Ministerie, getiteld Camera1_ [bestandsnaam] .

6 De rechterlijke waarneming van de zich in het dossier bevindende camerabeelden van de benadeelde partij [aangever] , getiteld Verduistering 4 - Camera1_ [bestandsnaam] .

7 De rechterlijke waarneming van de zich in het dossier bevindende camerabeelden van de benadeelde partij [aangever] , getiteld Verduistering 5 - Camera1_ [bestandsnaam] .