Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2022:1919

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-05-2022
Datum publicatie
25-05-2022
Zaaknummer
9775444 UE VERZ 22-80 LH/1040
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet in tijden van corona. Kantonrechter oordeelt dat werknemer onwaarheid heeft gesproken over de reden van zijn afwezigheid. Hij zei positief op corona getest te zijn en in het weekend op bezoek bij een vriend in Duitsland te zijn geweest, maar er moet van worden uitgegaan dat hij met zijn dochter op skivakantie in de Franse Alpen was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0585
RAR 2022/118
Jurisprudentie HSE 2022/47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 9775444 UE VERZ 22-80 LH/1040

Beschikking van 20 mei 2022

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verzoeker] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. R.F. Ronday,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerder] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [verweerder] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. P.M. Hoogstad.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

[verzoeker] heeft op 25 maart 2022 een verzoekschrift (met 10 producties) ingediend, verband houdende met het hem door [verweerder] gegeven ontslag op staande voet. [verzoeker] verzoekt hierin mede om het treffen van een voorlopige voorziening met betrekking tot na te noemen punten A en B.

1.2.

[verweerder] heeft een verweerschrift (met 9 producties) ingediend dat - kortgezegd - strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] en tot afwijzing van zijn verzoeken. [verweerder] heeft tevens, voor het geval het ontslag op staande voet zou worden vernietigd, verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen.

1.3.

Voorafgaand aan de zitting hebben partijen nadere stukken toegezonden. Aan de zijde van [verzoeker] gaat het om zijn producties 10 (ter zitting vernummerd tot 10.1) tot en met 17, en aan de kant van [verweerder] om haar producties 10 tot en met 12.

1.4.

[verzoeker] heeft bij brief van 2 mei 2022 van zijn gemachtigde de tekst van pagina 6 van zijn verzoekschrift aangevuld, in die zin dat hij, onder ‘Mitsdien’ in de hoofdzaak, ook om vernietiging van het ontslag op staande voet verzoekt. Bij brief van 5 mei 2022 heeft [verzoeker] de tekst van zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (onder B) aangepast.

1.5.

De zaak is behandeld ter zitting van 10 mei 2022. [verzoeker] is ter zitting verschenen, vergezeld door mr. Ronday. Voor [verweerder] zijn verschenen de heer [A] en mevrouw [B] , directeuren van [verweerder] , vergezeld door mr. Hoogstad. Partijen hebben de standpunten nader toegelicht, mede aan de hand van de door hun gemachtigden overgelegde pleitaantekeningen. [verzoeker] heeft ter zitting zijn verzoek opnieuw gewijzigd, in die zin dat hij zijn incidentele verzoek onder B ook als vordering in de hoofdzaak heeft ingesteld. Daartegen heeft [verweerder] bezwaar gemaakt. Partijen hebben geantwoord op vragen van de kantonrechter en zij hebben op elkaar kunnen reageren. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

1.6.

Daarna is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] , geboren op [1966] , is op 1 oktober 2019 als technisch commercieel medewerker in dienst getreden van [verweerder] . Met het oog op het voornemen van de heer [A] om het rustiger aan te gaan doen, hebben partijen na de indiensttreding de mogelijkheid onderzocht van een gedeeltelijke overname van het bedrijf door [verzoeker] , in de vorm van een aandelenoverdracht. Daarop vooruitlopend is [verweerder] hem extern als ‘directeur/ grootaandeelhouder’ (DGA) gaan aanduiden en zijn geen werknemerspremies (WW, ZW, WAO/WIA) afgedragen. Van een overdracht van aandelen is het uiteindelijk niet gekomen en [verzoeker] is ook niet als (mede-)directeur aangesteld. In november 2020 hebben partijen, in verband met een kredietaanvraag die [verzoeker] bij een financiële instelling had gedaan, een schriftelijke arbeidsovereenkomst getekend. Deze arbeidsovereenkomst, aangegaan voor onbepaalde tijd, is geantedateerd op 30 september 2019. Partijen hebben zich jegens elkaar steeds als werknemer en werkgever gedragen, in die zin dat [verzoeker] geen zeggenschap had en ondergeschikt was aan [verweerder] . [verzoeker] en [A] hebben in de praktijk nauw met elkaar samengewerkt. [verzoeker] was - naast de beide directeuren - de enige werknemer van [verweerder] . Het laatstgenoten loon heeft € 2.235,55 bruto per maand (exclusief vakantiebijslag) bedragen. [verzoeker] werkte op vier dagen per week (80%); vrijdag was zijn vrije dag.

2.2.

In week 52 van 2021 (27 tot en met 30 december 2021) had [verzoeker] vakantie. Op maandag 27 december 2021 vroeg [A] per Whatsapp aan [verzoeker] of hij op woensdag 29 december 2021 met hem mee kon om bij een klant ( [bedrijf 1] te [vestigingsplaats] ) een inverter in te bouwen. [verzoeker] appte op 28 december 2021 terug: ‘Geen probleem, is coverter kapot?’ In de administratie van [verweerder] is een klantenbon van een tankstation aan de [straat] te [plaats] verwerkt, waaruit blijkt dat daar op 29 december 2021 om 13.10 uur twee broodjes en twee flesjes frisdrank zijn gekocht. Op deze bon staat, handgeschreven: ‘ [verzoeker] + [A] [bedrijf 1] - [vestigingsplaats] ’. [verzoeker] en [A] zijn de initialen van [verzoeker] en [A] . Op 3 januari 2022 hebben [A] en [verzoeker] opnieuw werkzaamheden bij [bedrijf 1] verricht. Op 4 januari 2022 is (door een aan [verweerder] gelieerde vennootschap) aan [bedrijf 2] te [vestigingsplaats] (Italië) gefactureerd voor het werk bij [bedrijf 1] op 29 december 2021 (‘replace inverter’) en

3 januari 2022.

2.3.

Op zondag 23 januari 2022 heeft [verzoeker] aan [A] geappt: ‘Goedemorgen ben, mijn dochter is gister getest, en is positief. Ik ga straks een test doen of ik ook Corona heb. Laat het weten’. Bij Whatsapp van maandag 24 januari 2022 om 11.30 uur heeft [verzoeker] aan [A] meegedeeld: ‘Ik ben positief getest, woensdag weer test staan’. Op 23 en 24 januari 2022 heeft de dochter van [verzoeker] , mevrouw [C] , op haar [naam] -account een filmpje gepost waarop is te zien/horen dat zij met haar vader op skivakantie in de [omgeving] is.

2.4.

Op maandag 31 januari 2022 heeft [verweerder] aan [verzoeker] , die zich toen weer op het werk had gemeld, meegedeeld dat zij niet meer met hem verder wilde. Zij heeft zijn bedrijfssleutels ingenomen. Bij het gesprek was van de zijde van [verweerder] , behalve [A] , mevrouw [B] aanwezig. Volgens deze directeuren is toen aan [verzoeker] ontslag op staande voet verleend en is hem de ontslagbrief, met de redenen voor dit ontslag, overhandigd. [verzoeker] ontkent dit; volgens hem heeft hij in het gesprek laten blijken niet afwijzend te staan tegenover een - regelmatige en neutrale - beëindiging van de arbeidsovereenkomst. [verweerder] heeft op 31 januari 2022 aan PostNL een brief aangeboden, ter aangetekende verzending aan het huisadres van [verzoeker] . Deze brief kon op 1 februari 2022 niet bij [verzoeker] worden bezorgd en hij heeft de brief nadien ook niet zelf bij PostNL opgehaald.

2.5.

[verzoeker] heeft zich, na het gesprek van 31 januari 2022, tot het UWV gewend, waar hem is geadviseerd om zich tegenover zijn werkgever te beroepen op het in niet acht nemen van de opzegtermijn. Het UWV gaf [verzoeker] te kennen dat hij niet eerder dan per 1 maart 2022 aanspraak op een WW-uitkering zou kunnen maken. Op 7 februari 2022 mailde [verzoeker] aan [verweerder] dat hij ervan uit ging dat een maand opzegtermijn in acht zou worden genomen en dat hem het tegoed aan vakantiedagen en de transitievergoeding zouden worden uitbetaald. Diezelfde dag mailde [A] aan [verzoeker] terug dat geen opzegtermijn gold omdat hij op staande voet is ontslagen en dat [verzoeker] geen recht heeft op de transitievergoeding. Volgens [verweerder] resteerde geen tegoed aan vakantie. In ieder geval op 7 februari 2022 nam [verzoeker] kennis van de op 31 januari 2022 gedateerde ontslagbrief; volgens [verweerder] had hij die brief al op 31 januari 2022 gekregen, volgens [verzoeker] zag hij de brief toen voor het eerst.

2.6.

In de ontslagbrief van 31 januari 2022 heeft [verweerder] aan [verzoeker] bevestigd hem die dag op staande voet te hebben ontslagen. De aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde dringende redenen zijn in de brief als volgt omschreven: ‘U heeft zich ziekgemeld op 23 en 24 januari jl. per app met de mededeling dat u net als uw dochter corona heeft en niet kunt komen werken. Wij zijn diverse malen bij u aan de deur geweest op 24 en 25 januari. U was echter nooit thuis. Mensen uit uw directe omgeving hebben aangegeven dat u op vakantie was. Alles was al vanaf zaterdag donker bij u in huis werd er ons meegedeeld. Wij hebben materiaal ontvangen waarop duidelijk te zien en te horen is dat u samen met uw dochter op deze dagen op skivakantie bent in Frankrijk. Uw telefoon gaf ook aan dat u in Frankrijk was toen wij deze probeerde te bereiken. In de loop van woensdag 26 januari bent u thuis gekomen en kwamen er skispullen uit uw Alfa Romeo. (-) U heeft op maandagmorgen 27 september 2021 ondergetekende een whatsapp bericht gestuurd dat u om 10.50 uur een afspraak heeft in het ziekenhuis in verband met een gebroken middenrif. Ondergetekende heeft op deze dag in het bijzijn van mevrouw [B] geconstateerd dat u om 11 uur thuis spullen uit uw auto en aanhanger aan het uitladen was. Vervolgens reed u de straat uit, de dorpsstraat door en stak u over bij de verkeerslichten naar de [straat] . Op maandag 2 augustus 2021 zou u ’s morgens een afspraak hebben bij de tandarts. U bent gesignaleerd op een terras in Vinkeveen. Deze redenen vormen elk afzonderlijk maar ook in samenhang een dringende reden voor dit ontslag op staande voet (-).’

2.7.

[verzoeker] heeft zich met de e-mail van [verweerder] van 7 februari 2022 en met de ontslagbrief van 31 januari 2022 tot zijn gemachtigde gewend. Deze heeft bij brieven/e-mails van 15 en 23 februari, 1 en 18 maart 2022 het ontslag op staande voet aangevochten en de daaraan ten grondslag gelegde dringende reden weersproken. Van de door [verzoeker] geboden opening om tot een regelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen, waarbij de opzegtermijn in acht zou worden genomen en de transitievergoeding zou worden betaald, heeft [verweerder] geen gebruik gemaakt, omdat volgens haar op 31 januari 2022 aan de arbeidsovereenkomst van partijen een rechtsgeldig einde is gekomen en [verzoeker] geen recht op enigerlei vergoeding heeft.

3 De verzoeken en standpunten van partijen

3.1.

[verzoeker] verzoekt, gezien de wijziging van 2 mei 2022 van zijn verzoek in de hoofdzaak, dat het ontslag op staande voet wordt vernietigd en dat [verweerder] wordt veroordeeld tot - kort gezegd - toelating van [verzoeker] tot de bedongen arbeid, op straffe van verbeurte van een dwangsom, alsmede tot loonbetaling over de periode vanaf 31 januari 2022 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% wegens te late betaling van het loon en met de wettelijke rente over het achterstallige loon en de wettelijke verhoging. Subsidiair verzoekt [verzoeker] om de veroordeling van [verweerder] tot betaling van een billijke vergoeding (vermeerderd met rente), door hem begroot op € 42.150,29 bruto, van de vergoeding wegens de onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst en van een transitievergoeding van € 2.181,78 bruto, zulks - op straffe van verbeurte van een dwangsom - onder afgifte van deugdelijke bruto/netto specificaties van beide eerstgenoemde vergoedingen. Voorts maakt [verzoeker] in de hoofdzaak aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (met rente) en verzoekt hij om veroordeling van [verweerder] in de proceskosten (met rente).

3.2.

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om voor de duur van het geding een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat (onder A) [verweerder] wordt veroordeeld om aan hem het loon c.a. over de periode vanaf 31 januari 2022 te betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% en met de wettelijke rente over het achterstallige loon en de wettelijke verhoging, alsmede om aan hem - op straffe van verbeurte van een dwangsom - de bijbehorende salarisspecificaties te verstrekken. Bij wege van incidenteel verzoek (onder B), verzoekt [verzoeker] , gezien de wijziging van 5 mei 2022, tevens om veroordeling van [verweerder] om het UWV en de Belastingdienst te berichten dat [verzoeker] niet als DGA heeft gewerkt maar vanaf 1 oktober 2019 als gewoon werknemer in dienst is geweest, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom. Ook in het incident vraagt [verzoeker] om toekenning van een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (met rente) en om veroordeling van [verweerder] in de proceskosten (met rente).

3.3.

[verzoeker] baseert zijn verzoeken op het volgende. Hem is eerst op 7 februari 2022, onder mededeling van de daaraan door [verweerder] ten grondslag gelegde redenen, ontslag op staande voet verleend. Op 31 januari 2022 is volgens hem alleen besproken dat partijen afscheid van elkaar zouden nemen. [verzoeker] betwist dat er een dringende reden voor ontslag op staande voet was. Hij bestrijdt dat hij eind januari 2022 op skivakantie in Frankrijk is geweest. Het door zijn dochter - vanwege studiedrukte, met enige vertraging - geposte [naam] -filmpje betrof een skivakantie die [verzoeker] samen met zijn dochter, van 27 december tot en met 30 december 2021, in Frankrijk heeft doorgebracht. Volgens [verzoeker] was hij van vrijdag 21 januari tot en met maandag 24 januari 2022 op bezoek bij een vriend (de heer [D] ) in Duitsland. Dat hij naar Duitsland is afgereisd was vanwege de positieve uitslag van zijn corona-zelftest weliswaar ‘niet netjes’, aldus [verzoeker] , maar hem zou bij vertrek nog niets hebben gemankeerd. In Duitsland voelde hij zich naar zijn zeggen niet lekker en heeft hij opnieuw, en meermalen, corona-zelftests gedaan, die dat weekend herhaaldelijk positief uitvielen. Op maandag

24 januari 2022 is hij per auto naar huis teruggekeerd. Die dag heeft hij zich omstreeks

11.30

uur bij [verweerder] ziekgemeld, in afwachting van een GGD-coronatest die door de toenmalige drukte bij de GGD-testlocaties pas op vrijdag 28 januari 2022 kon plaatsvinden. Ook de uitslag van die GGD-test was positief, waarna op 30 januari 2022 een zelftest een negatieve uitslag te zien gaf, reden waarom hij zich op maandag 31 januari 2022 weer op het werk heeft gemeld, aldus [verzoeker] .

3.4.

[verweerder] heeft verweer gevoerd. Zij heeft zich erop beroepen dat [verzoeker] pas na het verstrijken van de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4, aanhef en onder a Burgerlijk Wetboek (BW), die liep tot twee maanden na het ontslag op staande voet van 31 januari 2022, een verzoek om vernietiging van het ontslag heeft gedaan. In het initiële verzoekschrift van [verzoeker] van 25 maart 2022 was onder het ‘Mitsdien’ zo’n verzoek om vernietiging niet opgenomen. [verweerder] betoogt dat dit tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] moet leiden.

[verweerder] meent dat het verzoek om vernietiging van het ontslag moet worden afgewezen en zij vraagt de kantonrechter om voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst van partijen rechtsgeldig wegens een dringende reden is opgezegd. [verweerder] stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op 31 januari 2022 is geëindigd, toen hij op staande voet is ontslagen. Daarvoor waren dringende redenen, in het bijzonder het feit dat [verzoeker] zich ten onrechte heeft ziekgemeld, heeft gelogen over de reden voor zijn afwezigheid in de periode van 24 tot en met 27 januari 2022 en op skivakantie naar Frankrijk is gegaan. Ook voor een voorlopige voorziening bestaat volgens [verweerder] geen reden.

3.5.

Voor het geval het ontslag op staande voet geen stand zou houden, verzoekt [verweerder] de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst van partijen te ontbinden op de zogenoemde e-, f-, g- en i-grond in de zin van artikel 7:669 lid 3 BW. [verweerder] stelt zich op het standpunt dat aan [verzoeker] noch een billijke vergoeding, noch de wettelijke transitievergoeding toekomt.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Alvorens aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil toe te komen, heeft de kantonrechter te beslissen op het bezwaar dat [verweerder] ter zitting heeft gemaakt tegen de wijziging van het verzoek dat [verzoeker] mondeling ter zitting heeft gedaan, inhoudende dat hij de onder B verzochte voorlopige voorziening (die ziet op een melding aan het UWV/de Belastingdienst) ook als vordering in de hoofdzaak instelt. Dit bezwaar is gegrond. Voorafgaand aan de zitting heeft [verzoeker] zijn verzoeken, zowel die in het incident als die in de hoofdzaak, tweemaal schriftelijk gewijzigd. De tweede wijziging (bij brief van 5 mei 2022) had nadrukkelijk alleen betrekking op de tekst van (een deel van) het verzoek om een voorlopige voorziening. Daaruit heeft [verweerder] mogen opmaken dat het onder B verzochte de scope van het incident niet te buiten ging. Zij heeft er dan ook op mogen rekenen dat de kantonrechter, bij een te verwachten spoedige eindbeschikking in de hoofdzaak, aan het incident niet toe zou komen. Ook blijkens de ter zitting door de gemachtigde van [verzoeker] voorgedragen pleitaantekeningen was de verzochte melding nog uitdrukkelijk alleen als voorlopige voorziening bedoeld. De wijziging van het verzoek die [verzoeker] daarna, in reactie op een vraag van de kantonrechter, mondeling heeft gedaan, kwam daarom te laat en is in strijd met de goede procesorde.

4.2.

[verweerder] wordt niet gevolgd in haar betoog dat [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat hij het verzoek om vernietiging van het ontslag op staande voet pas heeft gedaan nadat de vervaltermijn van twee maanden was verstreken. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] uit het op 25 maart 2022 ingediende verzoekschrift redelijkerwijs heeft kunnen begrijpen dat het [verzoeker] primair te doen was om in rechte vastgesteld te zien dat zijn arbeidsovereenkomst met [verweerder] door het hem gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig geëindigd was. In het lichaam van het verzoekschrift, op pagina 4 onderaan, is als onderdeel van het primaire verzoek in de hoofdzaak immers ook de vernietiging van het ontslag op staande voet opgenomen. Dat dit verzoek om vernietiging op pagina 6, onder ‘Mitsdien’ niet is herhaald, is weliswaar zeer onzorgvuldig, maar heeft [verweerder] al met al als een kennelijke omissie moeten opvatten.

4.3.

Dit geding draait in de kern om de vraag of [verweerder] een dringende reden heeft gehad om [verzoeker] op staande voet te ontslaan. Partijen twisten weliswaar ook over de vraag wanneer het ontslag op staande voet door [verweerder] is gegeven, maar uit hetgeen [verzoeker] in dat kader heeft gesteld kan niet worden opgemaakt dat hij zich erop beroept dat het ontslag niet onverwijld is gegeven of dat hem de ontslagreden niet onverwijld is meegedeeld. Wat hiervan ook zij: de kantonrechter neemt als vaststaand aan dat [verweerder] [verzoeker] op 31 januari 2022 op staande voet heeft ontslagen en dat zij hem daarvan bij aangetekende brief van diezelfde dag in kennis heeft gesteld onder mededeling van de aan het ontslag ten grondslag gelegde redenen. Het heeft [verzoeker] daarom, zo niet al gedurende het gesprek met de beide directeuren van [verweerder] waarin ook zijn sleutels zijn ingenomen, dan toch uit de ontslagbrief van 31 januari 2022, aanstonds duidelijk moeten zijn - zowel - dat hij met onmiddellijke ingang was ontslagen - als - waartegen hij zich had te verweren ingeval hij tegen het ontslag zou willen opkomen. Dat de aangetekend verzonden ontslagbrief [verzoeker] niet op 1 februari 2022 heeft bereikt en hij de brief ook niet bij PostNL heeft afgehaald, komt voor zijn rekening en risico.

4.4.

Het partijdebat over de (al dan niet) rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet heeft zich toegespitst op de door [verweerder] - mede - aan het ontslag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden die zich in en omstreeks de laatste week van januari 2022 hebben voorgedaan. Kort gezegd voert [verweerder] aan dat [verzoeker] onwaarheid heeft gesproken over de reden voor zijn afwezigheid in de periode van 24 tot en met 27 januari 2022 en dat hij op skivakantie naar Frankrijk is geweest, terwijl [verzoeker] stelt dat hij vanwege een coronabesmetting niet kon komen werken en dat hij niet op skivakantie naar Frankrijk is geweest, maar in en rond het weekend van 22 en 23 januari 2022 alleen een vriend in Duitsland heeft bezocht.

De kantonrechter komt op grond van hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd tot de slotsom dat [verzoeker] eind januari 2022 met zijn dochter op skivakantie in Frankrijk is geweest en dat niet is komen vast te staan dat hij een coronabesmetting heeft doorgemaakt, noch dat hij er redelijkerwijs van uit heeft mogen gaan dat hij mogelijk besmet was. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.5.

Nu [verzoeker] zich beroept op het ontbreken van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 BW, stelt de kantonrechter het volgende voorop. Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen voor een ontslag op staande voet beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het is aan de werkgever om de dringende reden aan te tonen. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats in de beschouwing te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt. En verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zouden hebben.

4.6.

[verzoeker] heeft zich, voorafgaand aan en in de loop van dit geding, wisselend uitgelaten over zijn testgedrag en vakantie. Op 23 februari 2022 heeft zijn gemachtigde aan [verweerder] bericht dat hij ( [verzoeker] ) op vrijdag 21 en zaterdag 22 januari 2022 telkens twee keer een zelftest heeft gedaan die alle positief waren. De gemachtigde meldde in de brief/e-mail van 23 februari 2022 dat [verzoeker] in de daaropvolgende dagen niet thuis was, maar bij zijn vriendin heeft verbleven. Zijn dochter, die na een eerdere positieve test inmiddels weer negatief had getest, zou met haar moeder (van wie [verzoeker] gescheiden is) op wintersport zijn gegaan. [verzoeker] had zelf evenwel per Whatsapp van 23 januari 2022 aan [A] laten weten dat hij een coronatest zou doen omdat zijn dochter, met wie hij kennelijk in contact was geweest, positief had getest. En aansluitend appte [verzoeker] op 24 januari 2022 dat ook zijn testuitslag positief was. Toen [verweerder] op 25 februari 2022 de gemachtigde op deze incongruentie had gewezen, volgde op 1 maart 2022 de mededeling van de gemachtigde van [verzoeker] dat op vrijdag 21 en zondag 23 januari 2022 sprake was geweest van een positieve test. Bij de brief/e-mail van 1 maart 2022 was een screenshot van een GGD-testafspraak op 28 januari 2022 en van een ‘Uitslag coronatest’ gevoegd. Die testuitslag luidde: ‘U bent getest op 28 januari 2022. De uitslag van de test is positief. Dat betekent dat u corona heeft (-).’ Uit geen van beide afbeeldingen bleek echter dat de afspraak en de testuitslag op [verzoeker] betrekking hebben. Toen [verweerder] daarop had gewezen en had gedoeld op ‘getuigenverklaringen en ander materiaal’ waaruit blijkt dat [verzoeker] eind januari 2022 met zijn dochter op skivakantie was, ontkende de gemachtigde van [verzoeker] bij brief/e-mail van 18 maart 2022 dat [verzoeker] met zijn dochter op skivakantie was geweest. Hij zou op vrijdag 21 januari 2022 - alleen - naar een kennis in Duitsland zijn gegaan, waar hij een zelftest - met positieve uitslag - had gedaan omdat hij zich na aankomst niet lekker voelde. Ter zitting heeft [verzoeker] , op vragen van de kantonrechter, geantwoord dat het ‘niet netjes’ van hem was om, na een eerdere positieve zelftest, naar Duitsland af te reizen, maar dat hij daarin geen kwaad zag omdat hij zich bij zijn vertrek ‘niet ziek’ voelde. Volgens de vriend die hij in Duitsland zegt te hebben bezocht (overgelegd is een schriftelijke verklaring van de heer [D] ) zouden ze er samen naar een bobbaan zijn geweest. Daaraan stonden de gestelde gezondheidsklachten en positieve zelftests kennelijk voor [verzoeker] evenmin in de weg.

4.7.

Wat betreft de vraag naar het bestaan van (de kans op) een coronabesmetting van [verzoeker] aan het einde van de maand januari 2022, heeft hij volstaan met het overleggen van (screenshots van) een niet-gepersonaliseerde GGD-testafspraak op en -testuitslag van 28 januari 2022. Ook in reactie op de tegenwerping van [verweerder] dat die ‘van iedereen kunnen zijn’, heeft [verzoeker] geen beroep gedaan op stukken, feiten of omstandigheden die erop wijzen dat hij inderdaad op 28 januari 2022 door de GGD positief is getest. Dat [verzoeker] twee dagen later een negatieve uitslag van een zelftest had en daaruit heeft opgemaakt dat hij op 31 januari 2022 wel weer het werk kon, wijst daarop niet.

4.8.

Maken de wisselende uitlatingen van [verzoeker] en het ontbreken van een aan [verzoeker] te liëren positieve testuitslag al dat zijn stelling, dat hij vanwege (de kans op) een coronabesmetting niet kon komen werken, op voorhand niet plausibel is, ook kan hij niet worden gevolgd in de manier waarop hij betwist dat hij eind januari 2022 op skivakantie in Frankrijk is geweest. Niet in geschil is dat het filmpje op het [naam] -account van mevrouw [C] door [verzoeker] is gemaakt en dat hij zich toen met zijn dochter op een besneeuwde skipiste in de [omgeving] bevond. De kantonrechter passeert de - ongetekende - verklaring van de dochter van [verzoeker] , kenbaar uit een e-mail van haar van 6 mei 2022, inhoudende dat zij haar [naam] -account vanaf oktober 2019 vanwege studiedrukte twee maanden heeft geblokkeerd en dat zij het filmpje van de skivakantie in Frankrijk, die duurde van 27 tot en met 30 december 2021, pas later heeft gepost. Deze verklaring roept vragen op, al was het maar omdat de bedoelde twee maanden dat het [naam] -account geblokkeerd zou zijn geweest eind 2019 alweer verstreken waren. De verklaring van de dochter van [verzoeker] is alleen al daarom weinig geloofwaardig.

4.9.

Belangrijker nog vindt de kantonrechter evenwel hetgeen [verweerder] - ondersteund door een schriftelijke verklaring van [A] van 9 mei 2022 - heeft gesteld over de werkzaamheden die [A] op 29 december 2021, toen [verzoeker] dus naar zijn zeggen met zijn dochter op vakantie in Frankrijk was, samen met [verzoeker] heeft verricht bij [bedrijf 1] te [vestigingsplaats] . De door [verweerder] overgelegde, en door [verzoeker] niet gemotiveerd betwiste, Whatsapp-wisseling van 27 en 28 december 2021, de bon van het tankstation te Den Haag van 29 december 2021 en de factuur voor die werkzaamheden van 4 januari 2022 maken dat in dit geding als vaststaand kan worden aangenomen dat [verzoeker] op 29 december 2021, midden in de week waarin hij stelt op skivakantie in Frankrijk te zijn geweest, in Nederland was. Dit maakt dat aan de verklaring van zijn dochter, dat het [naam] -filmpje niet actueel was en dat het - anders dan op dat sociale medium gebruikelijk is - ging om een pas later geposte opname van een eerdere vakantie, geen betekenis toekomt. [verzoeker] heeft zijn stelling dat hij op 29 december 2021 niet in [vestigingsplaats] heeft gewerkt slechts onderbouwd door te wijzen op het feit dat hij op 3 januari 2022 met [A] naar [bedrijf 1] in [vestigingsplaats] is geweest. Het een sluit het ander evenwel niet uit. [verzoeker] heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid die hij voorafgaand aan de mondelinge behandeling van zijn verzoek op 10 mei 2022 heeft gehad om - bijvoorbeeld aan de hand van bankafschriften in de periode van 21 tot en met 27 januari 2022 - de stelling van [verweerder] dat hij in Frankrijk was, te betwisten. Het had, mede gezien de bijzondere situatie waarin werkgever en werknemer ten tijde van de coronapandemie jegens elkaar hebben verkeerd, op de weg van [verzoeker] gelegen om dat wél te doen. In het licht van het voorgaande kan ook de verklaring van de heer [D] , dat [verzoeker] op zaterdag

22 en zondag 23 januari 2022 bij hem in [woonplaats] (Duitsland) was, [verzoeker] niet baten.

4.10.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [verzoeker] naar het oordeel van de kantonrechter onwaarheid heeft gesproken over de reden voor zijn afwezigheid in de periode van 24 tot en met 27 januari 2022 en dat hij toen, voorwendend corona te hebben opgelopen, op skivakantie naar Frankrijk is geweest. Dat is, ook afgezien van de door [verweerder] in de ontslagbrief genoemde eerdere - vergelijkbare - voorvallen van 2 augustus en 27 september 2021, die [verzoeker] slechts in algemene termen en niet nader gemotiveerd heeft weersproken, een dringende reden voor het ontslag op staande voet. De bedoelde eerdere voorvallen maken ook begrijpelijk dat [verweerder] [verzoeker] , wat betreft de door hem opgegeven reden voor zijn afwezigheid, niet zomaar vertrouwde en in de week van 24 januari 2022 bij diens woning poolshoogte is gaan nemen. De arbeidsovereenkomst van partijen is dan ook op 31 januari 2022 rechtsgeldig beëindigd. Van (persoonlijke) omstandigheden die [verweerder] van het ontslag op staande voet hadden moeten afhouden, is niet gebleken: het dienstverband heeft niet lang geduurd en [verzoeker] heeft niet weersproken dat zijn arbeidsmarktpositie niet slecht is. [verzoeker] heeft geen recht op de transitievergoeding, omdat het eindigen van de arbeidsovereenkomst, zo blijkt uit het voorgaande, het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen en nalaten zijnerzijds. Hierop stuiten de verzoeken van [verzoeker] in de hoofdzaak af. Deze worden afgewezen.

4.11.

Nu met deze beschikking een einde aan dit geding komt, laat de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] tot het treffen van een voorlopige voorziening buiten behandeling. Wel wijst de kantonrechter er volledigheidshalve nog op dat [verzoeker] , tegenover de gemotiveerde betwisting van [verweerder] , niet heeft onderbouwd dat de volgens hem onjuiste voorstelling die [verweerder] eerder van zijn positie in de onderneming heeft gegeven tot gevolg heeft gehad dan wel heeft veroorzaakt dat hem niet (meteen) na het ontslag op staande voet een werkloosheidsuitkering is toegekend.

4.12.

Ook aan het voorwaardelijke ontbindingsverzoek van [verweerder] wordt, nu de arbeidsovereenkomst reeds is geëindigd, niet toegekomen. Bij de verzochte verklaring voor recht, dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] rechtsgeldig wegens een dringende reden heeft opgezegd, heeft zij onder de gegeven omstandigheden geen belang. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.

4.13.

[verzoeker] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [verweerder] . Deze proceskosten worden tot deze beschikking begroot op € 747,-- aan salaris gemachtigde. De door [verweerder] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten worden toegewezen, zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in de hoofdzaak

5.1.

wijst de verzoeken van [verzoeker] af;

5.2.

wijst het verzoek van [verweerder] om een verklaring voor recht af en laat haar voorwaardelijke ontbindingsverzoek buiten behandeling;

5.3.

veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [verweerder] , tot deze beschikking begroot op € 747,-- aan salaris gemachtigd, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de vijftiende dag na de datum van het wijzen van deze beschikking tot de dag van volledige betaling;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

In het incident

5.5.

laat het verzoek van [verzoeker] tot het treffen van een voorlopige voorziening buiten behandeling.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Creutzberg, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2022.