Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2022:1499

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-04-2022
Datum publicatie
15-06-2022
Zaaknummer
C/16/527915 / HA RK 21-238
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Deelgeschil, causaal verband

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2022-0425
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/527915 / HA RK 21-238

Beschikking van 13 april 2022

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonend in [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. Chr.D. de Vos in Assen,

tegen

1. de naamloze vennootschap

ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd in Utrecht,

2. de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd in Rotterdam,

verweersters,

advocaat mr. M.M. Klunder in Ermelo.

Partijen worden hierna [verzoeker] en ASR (regelend verzekeraar) genoemd.

1 De procedure

1.1.

Dit is een deelgeschilprocedure zoals geregeld in artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

1.2.

Op 16 september 2021 heeft mr. De Vos een verzoekschrift met 14 producties ingediend. Met een brief van 4 oktober 2021 heeft hij op verzoek van de griffier nog een toelichting gegeven. Op 31 januari 2022 heeft mr. Klunder voor ASR een verweerschrift met 36 producties ingediend. Ten behoeve van de mondelinge behandeling heeft mr. De Vos nog een akte aanvullende productie (15), een urenoverzicht, ingediend.

1.3.

De mondelinge behandeling was op 15 februari 2022. [verzoeker] was aanwezig, met mr. De Vos. Aan zijn zijde was ook aanwezig de heer [A] van [onderneming] , zijn belangenbehartiger in het voorgaande buitengerechtelijke traject. Aan de zijde van ASR was aanwezig mevrouw mr. [B] , [functie] bij ASR, met

mr. Klunder. Beide partijen hebben ter zitting hun standpunten mondeling toegelicht,

mr. Vos aan de hand van spreekaantekeningen. Verder hebben de advocaten en partijen vragen van de rechtbank beantwoord en over en weer op elkaars standpunten gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de zitting. De spreekaantekeningen van mr. De Vos zijn in het dossier gevoegd. Aan het einde van de zitting heeft de rechter partijen meegedeeld dat op 30 maart 2022 uitspraak zal worden gedaan. Die datum is niet gehaald en dat is aan partijen bericht. Nu volgt deze beschikking.

1.4.

Na de zitting heeft mr. Klunder, met toestemming van mr. De Vos, de rechtbank met een brief van 22 februari 2022 aanvullend geïnformeerd over het bedrag van de openstaande buitengerechtelijke kosten. Met een brief van 2 maart 2022 heeft mr. De Vos de rechtbank laten weten dat deze informatie klopt.

2 Het geschil

Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1.

Op 18 april 2014 en op 10 augustus 2016 is [verzoeker] een verkeersongeval overkomen. De verzekeraar van de aansprakelijke partij van het eerste ongeval is ASR en de verzekeraar van de aansprakelijke partij van het tweede ongeval is Allianz. Beide verzekeraars hebben de aansprakelijkheid erkend. ASR is de regelend verzekeraar.

2.2.

Het eerste ongeval was op de snelweg. De auto van [verzoeker] is door een verkeerfout van een ander gaan tollen, daarna door een tegemoetkomende vrachtwagen meegesleept, daar weer van losgekomen en vervolgens achterstevoren tegen de vangrail tot stilstand gekomen. Bij het tweede ongeval is een afslaande tegenligger tegen de linkerkant van zijn auto gebotst.

2.3.

[verzoeker] stelt dat hij als gevolg van de ongevallen het volgende letsel heeft opgelopen:
- verminderde concentratie,
- vergeetachtigheid,
- voortdurende hoofdpijn,
- regelmatig nekpijn,
- uitstraling (van de nekpijn) naar de linkerschouder en het achterhoofd,
- slaapstoornissen/slaapproblemen,
- duizeligheid,
- verkeersangst (met name op de snelweg),
- dagelijkse pijn in onderrug,
- wantrouwend,
- last van woedeaanvallen,
- in een eerder stadium na het ongeval PTSS.

2.4.

In onderling overleg zijn er na de ongevallen twee medische expertises uitgevoerd, één door een neuroloog en één door een psychiater. Neuroloog [C] heeft op 6 juni 2017 gerapporteerd en psychiater [D] heeft op 29 juni 2017 gerapporteerd.

2.5.

In het rapport van [C] is onder meer het volgende vermeld:

“Het is duidelijk, gezien de aard en de impact van het ongeval (toevoeging rechtbank: dit gaat over het eerste ongeval), dat betrokkene te maken heeft gehad met inwerkend geweld van verschillende kanten op zijn auto.

Het is mogelijk en ook aannemelijk dat hij daarbij contusies heeft opgelopen van zowel de nek als de rug, zoals is geconcludeerd na het onderzoek op de spoedeisende hulp. Op grond daarvan is het begrijpelijk dat betrokkene in aansluiting op het ongeval pijnklachten heeft gekregen in de nek en rug. Bij beeldvormend onderzoek zijn traumatische afwijkingen van de CWK en LWK uitgesloten. Het is tevens aannemelijk is dat er een geforceerde nekbeweging is geweest, met overrekking van de weke delen die de CWK omgeven, een whiplashtrauma.

Het valt te verwachten dat pijnklachten als gevolg van contusies binnen enkele maanden verdwijnen. In sommige gevallen is dat na een overrekking van de CWK niet het geval en persisteren de pijnklachten in de nek, waarbij geen anatomisch substraat aanwezig is maar de pijn kan worden gezien als een chronisch pijnsyndroom. Dit kan de lange duur van de nekklachten bij betrokkene verklaren, waarbij echter dient te worden overwogen dat de nekklachten in de loop van de tijd zijn verminderd en inmiddels intermitterend optreden, waarbij betrokkene desgevraagd tijdens het neurologisch onderzoek meldt geen nekpijn te hebben en bij onderzoek van de nek er geen bijzonderheden zijn, met name geen bewegingsbeperking en geen drukpijn. Desgevraagd is de nekpijn, indien aanwezig, gelokaliseerd in de nekspieren links, zodat het kennelijk thans myyogene nekklachten betreft. Deze klachten passen thans niet meer bij een whiplash associated disorder, waarvan bij betrokkene blijkens de anamnese en de medische correspondentie aanvankelijk wel aan is gedacht. Een later gemaakt MRI van de CWK heeft geen afwijkingen laten zien.

Voor de LWK is een ongevalsmechanisme zoals voor de CWK, waarbij overrekking optreedt, niet van toepassing, zodat de pijnklachten in de rug aanvankelijk alleen kunnen worden verklaard door de contusie. Het valt echter niet te begrijpen is dat betrokkene bijna drie jaar na het ongeval deze klachten nog heeft. De huidige rugklachten passen bij aspecifieke lage rugklachten, omdat radiculaire verschijnselen of uitval ontbreekt en er op de MRI LWK ook geen aanwijzingen zijn voor een eventuele radiculopathie. De MRI toont wel degeneratieve afwijkingen laag lumbaal, die pijnklachten zouden kunnen genereren, al kunnen dergelijke afwijkingen ook symptoomloos zijn. Aspecifieke rugklachten komen in een normale populatie veel voor en het is niet uitgesloten dat, mede gezien de degeneratieve afwijkingen op de MRI, betrokkene ook zonder ongeval op enig moment rugklachten zou hebben gekregen.

Blijkens de anamnese heeft een tweede ongeval in 2015 de klachten verergerd, maar deze omstandigheid verklaart ook niet de lange duur van de genoemde nek- en rugklachten.

Betrokkene heeft ook klachten over een verminderde concentratie en een verminderd geheugen, maar deze klachten lijken op grond van de anamnese mild en leiden niet tot serieuze problemen in het dagelijks leven. Tijdens het onderzoek valt geen verminderde concentratie of verhoogde afleidbaarheid op en heeft betrokkene geen moeite met het ophalen van gebeurtenissen van de afgelopen jaren, waarbij hij geen aantekeningen raadpleegt. Ook omdat er geen sprake is geweest van een hoofd-/hersenletsel, omdat betrokkene niet bewusteloos is geweest en er geen amnesie bestaat, is het onwaarschijnlijk dat bij een eventueel neuropsychologische onderzoek cognitieve stoornissen kunnen worden gevonden, die de cognitieve klachten van betrokkene zouden kunnen objectiveren. Daarbij dient te worden overwogen dat betrokkene gediagnosticeerd is met een depressie, waarbij klachten van de cognitie niet ongebruikelijk zijn.

Diagnose

Status na contusie van de CWK en LWK met thans aspecifieke nek- en rugklachten.”

2.6.

In de rapportage van psychiater [D] is vermeld:

“De huidige klachten bestaan vooral uit pijn van het bewegingsapparaat, regelmatige somberheid en stemmingswisselingen, inslaap- en concentratieproblemen evenals schuldgevoelens. Betrokkene beschouwt zich beperkt op diverse levensgebieden als gevolg daarvan. Bij het psychiatrisch onderzoek wordt een wat gedrukte stemming en een licht vervlakt affect gezien maar zeker geen grove psychopathologie. De klachten worden waarschijnlijk onderhouden door de volgende factoren: Relatieproblemen (…) Financiële problemen (…) Persoonsgebonden factoren (…) Een sinds jaren bestaand gebrek aan zinnige dagbesteding (…) Een lopende letselschadeprocedure (…).
Met betrekking tot de betrouwbaarheid van alle anamnetische gegevens in deze casus, stel ik vast dat er geen duidelijke inconsistenties in het verhaal van betrokkene zijn, ook niet ten opzichte van alle meegezonden en opgevraagde informatie, en dat e.e.a. voldoende plausibel overkomt; betrokkene geeft bijvoorbeeld ook helder aan waarvan hij geen last heeft. Ik heb m.a.w. geen aanwijzingen voor evidente aggravatie laat staan simulatie.
Mijn diagnostische overwegingen zijn dan als volgt: klachten en symptomen in deze casus zijn relatief aspecifiek en liggen vooral binnen het stemmingsspectrum. Ik heb daarbij geen duidelijke aanwijzingen voor een ‘depressieve stoornis’ conform DSM-5; hiervoor ontbreken kernsymptomen zoals vrijwel voortdurende somberheid of uitgesproken anhedonie. Ook bij psychiatrisch onderzoek in engere zin worden (behoudens een licht vervlakt affect) geen typische symptomen van een depressie in engere zin gezien zoals geremdheid, initiatiefverlies, sombere stemming of cognitieve functiestoornissen.
Desondanks is aannemelijk dat betrokkene sinds jaren overheersende somberheidsgevoelens en aanverwante symptomen ervaart, die dan m.i. best geclassificeerd kunnen worden als een ‘persisterende depressieve stoornis’ conform DSM-5 (de vroegere ‘dysthyme stoornis’ conform DSM IV) (…). (…) Ook de (ook recente) correspondentie van de behandelende sector is mij niet geheel duidelijk hoe de huidige ‘depressie’ daar exact geclassificeerd wordt (…), en mist bovendien een psychiatrisch onderzoek evenals een beschouwing in de correspondentie van de GGZ. Ik kan dus niet precies aangeven hoe en waarom mijn classificering zou verschillen van die in de behandelende sector.
Ik zie geen aanwijzingen dat betrokkene thans (nog) voldoet aan de criteria van een PTSS; evident is dat er geen intrusies meer bestaan en ook het psychiatrisch onderzoek in engere zin (waarin geen trauma-gerelateerde angst of vermijding wordt geobjectiveerd) zou daarbij niet passen. Het is niet onaannemelijk dat betrokkene enige tijd geleden nog veel voldeed aan de criteria van PTSS maar diagnostiek in retrospect is notoir lastig in ons vak.
Tot slot heb ik geen duidelijke aanwijzingen voor een persoonlijkheidsstoornis; in ieder geval tot enkele jaren geleden heeft betrokkene toch overwegend bevredigend gefunctioneerd op de diverse levensgebieden.”

Als antwoord op vraag 2.1 of het psychiatrisch ziektebeeld uitsluitend het gevolg is van het ongeval van 2014 en/of van het ongeval van 2016 vermeldt hij:

“Er bestaan zeker geen duidelijke aanwijzingen dat de huidige psychiatrische stoornis het gevolg is van het ongeval in augustus 2016; betrokkene had reeds voordien de psychische symptomen die ook daarna aanwezig waren en geeft zelf ook aan dat het ongeval van augustus 2016 geen noemenswaardige verergering van de psychische klachten teweeg heeft gebracht.
Wat betreft het ongeval in april 2014: ik heb in deze casus geen stoornis vastgesteld waarbij de etiologie per definitie monofactorieel is en bovendien in de criteria van de stoornis zelf besloten ligt – zoals bij PTSS. Bij PTSS is per definitie een stressor/psychotrauma een conditie sine qua non voor het ontwikkelen van deze stoornis. Vrijwel alle andere psychiatrische stoornissen, en zeker ook stemmingsstoornissen, worden in ons vak beschouwd als multifactorieel wat betreft hun etiologie. Zo ook het geval van betrokkene: om te beginnen kan niet geheel uitgesloten worden dat er pre-existent reeds enige mate van psychopathologie aanwezig was: in het huisartsdossier wordt immers medio 2013 gesproken van ‘psychische klachten ‘en wordt betrokkene verwezen naar de psycholoog. Binnen het onderhavige onderzoek worden verdere details m.b.t. deze episode niet geheel duidelijk en ook het opvragen van informatie hieromtrent bij de huisarts gaf geen helderheid (zie onder ‘psychiatrische voorgeschiedenis’). Wat betreft de ontwikkeling nà het ongeval van april 2014, valt ten eerste op dat betrokkene zelf enig delay aangeeft in de ontwikkeling van stemmingssymptomen nadien; naar zijn idee ontwikkelden zich pas stemmingssymptomen een half jaar na het ongeval maar dit wordt enigszins tegengesproken door aantekeningen in het huisartsdossier die melding maken van stemmingswisselingen reeds in mei 2014.
Belangrijker echter: er zijn meerdere post-ongeval factoren en stressoren aan te wijzen waarop betrokkenes stemmingsklachten evident (mede) reactief zijn (geweest) zoals een slechte belangenbehartiger eind 2014, chronische financiële en relationele problemen evenals inadequate schaamtegevoelens en vermijdingsgedrag. De omgevingsstressoren (financiële en relationele problemen) lijken in ieder geval ten dele ook een autonome rol te spelen in het versterken en onderhouden van het klinisch beeld d.w.z. zijn niet slechts een afgeleide van (de gevolgen van) het ongeval. Het geheel leidt dan bij betrokkene tot een ingewikkelde negatieve spiraal waarin schaamtegevoelens en ontwijkgedrag de relatieproblemen onderhouden waardoor meer stemmingssymptomen – daardoor weer meer vermijding en relatieproblemen, etc.
Samengevat wordt in het bovenstaande betoogd dat het ongeval van april 2014 wel een luxerende factor voor de dysthymie lijkt te zijn geweest (hoewel de aard en duur van de psychische klachten medio 2013 dus onduidelijk is) maar dat onaannemelijk is dat dit ongeval de (enige) causale factor in het huidige klinisch beeld is aangezien meerdere omgevingsstressoren en intrapsychische factoren sindsdien ook (ten dele autonoom) een causale rol spelen.”

In antwoord op vraag 2.4 of de klachten ook zonder ongeval zouden zijn ontstaan vermeld [D] :

“(…) niet uit te sluiten dat betrokkene in het hypothetische geval van een ander “life event” dan het ongeval van april 2014 (bijvoorbeeld een definitieve relatiebreuk, het overlijden van een dierbare e.d.) ook op enig moment een dysthyme stoornis (‘persisterende depressieve stoornis’) had ontwikkeld. (…) immers (…) is de etiologie van een chronische stemmingsstoornis nooit monocausaal van aard en zo ook niet in het specifieke geval van betrokkene. Het ongeval van 2014 kan dus niet als conditio sine qua non voor deze dysthemie worden aangemerkt aangezien in de casus van betrokkene er ook diverse stressoren zijn aan te zijen die een etiologische rol spelen. Hoewel dus niet kan worden uitgesloten dat zonder ongeval ook een dysthymie zich had ontwikkeld, valt omgekeerd moeilijk te zeggen of en met welke zekerheid of op welke termijn zich deze dan had ontwikkeld aangezien een dergelijke situatie hypothetisch is en elke uitspraak daarover m.i. speculatief zou zijn.”

Onder het kopje ‘psychiatrische voorgeschiedenis’ waar [D] in vraag 2.1. naar verwijst is onder meer het volgende vermeld:

“ zegt betrokkene dat hij zich rond 2010 (niet 2013 volgens betrokkene) ongeveer een half jaar wat somber heeft gevoeld (…). Hij is toen tweemaal bij een vrouwelijke psycholoog is geweest, maar kan zich haar naam niet meer herinneren en/of weet niet meer waar die gevestigd was. (…)

N.a.v. bovenstaande onduidelijkheid is informatie opgevraagd bij de huisarts (…). Specifiek verzoek daarbij was de ingekomen correspondentie van ene ‘ [E] ’ te ontvangen (waarvan in het huisartsenjournaal d.d. 12-7-2013 melding wordt gemaakt en die betrekking lijkt te hebben op een verwijzing naar de psycholoog van betrokkene). N.B.: betrokkene is pas ingeschreven in de huisartspraktijk [F] vanaf 2015. In haar reactie d.d. 16/6/2017 schrijft huisarts [F] dat zij het dossier van betrokkenes vorige huisarts heeft gekregen vanaf september 2012. Er zijn dus géén gegevens van vóór deze datum aanwezig in het dossier, ondanks eerdere en meerdere verzoeken van haar kan aan deze vorige huisarts. Bovendien is de specifieke brief van ‘ [E] ’ niet terug te vinden in de (door de vorige huisarts aangeleverde) stukken. (…)”

2.7.

De medisch adviseurs van partijen hebben op de (concept)rapportages gereageerd en verschillen van mening hoe deze geduid moeten worden.

2.8.

Volgens de medisch adviseur van [verzoeker] vormen de inhoud van het medisch dossier en de beide expertises het medisch bewijs dat het [verzoeker] overkomen trauma de hoofdoorzaak is van de nadien aanwezige klachten en beperkingen. De diagnose “status na contusie van de CWK en LWK met thans a-specifieke klachten van nek en rug” passen volgens hem binnen de ongevalskaders op zowel neurologisch als op psychiatrisch gebied. Hij wijst op de wisselwerking tussen alles. Hij schrijft: “Er is namelijk een veel betere verklaring voor het voortduren van de fysieke klachten en die komt voort uit de bij de cliënt voortdurende psychische klachten. De persisterende dysthyme stoornis waaraan cliënt lijdende is vormt in mijn ogen de bron van het aanhouden van de fysieke klachten. Dat is geen idee van mij zelf maar is een veel vaker voorkomend verschijnsel bij en met het optreden van psychische klachten. De fysieke klachten onderhouden visa versa op hun beurt weer de dysthyme stoornissen en dus de klachten.”

2.9.

De medisch adviseur van ASR meent dat het rapport van [C] duidelijk en eenduidig is en kan dienen als uitgangspunt voor de afwikkeling van de schade. Hij wijst erop dat [C] alleen tijdelijke klachten onderkent. In reactie op de rapportage van [D] schrijft hij dat hij het vreemd vindt dat [verzoeker] stelt dat hij niet meer weet hoe de psycholoog die hij voor het ongeval twee keer heeft bezocht heet en waar zij praktijk hield.

2.10.

Omdat partijen het na de rapportages niet eens werden over de causaliteit tussen het ongeval en de klachten en beperkingen van [verzoeker] , hebben zij medio 2018 via mediation geprobeerd tot overeenstemming te komen. Dat is niet gelukt. Hierna heeft ASR eenzijdig aan [verzoeker] een slotbetaling gedaan van € 74.100,-- (schadevergoeding) en € 7.000,-- (buitengerechtelijke kosten). In totaal heeft ASR daarmee een bedrag van € 138.688,72 (waarvan € 46.412,73 aan buitengerechtelijke kosten) aan [verzoeker] betaald. Daarna heeft ASR de onderhandelingen van partijen bij schrijven van 8 november 2018 formeel afgebroken. Bij schrijven van 17 maart 2021 heeft [verzoeker] de lopende verjaring gestuit en vervolgens heeft hij op 16 september 2021 het onderhavige deelgeschil tegen ASR aanhangig gemaakt.

3 Het (verminderde) verzoek en het verweer (zakelijk weergegeven)

3.1.

[verzoeker] is de mening toegedaan dat diens klachten en beperkingen in causaal verband staan met de ongevallen uit 2014 en 2016. Hij heeft dit standpunt uitvoerig toegelicht en onderbouwd in zijn verzoekschrift. Na een vermindering van diens verzoeken ter zitting heeft [verzoeker] (uiteindelijk) gevraagd:

- voor recht te verklaren dat zijn klachten en beperkingen in causaal verband staan met de ongevallen uit 2014 en 2016,
- voor recht te verklaren dat ASR zijn geleden en nog te lijden schade moet vergoeden,
- te gelasten dat ASR, op haar kosten, haar medewerking moet verlenen aan een verzekeringsgeneeskundig onderzoek,
- te gelasten dat ASR een aanvullend voorschot van € 200.000 aan geleden schade en nog te lijden schade verstrekt,
- te gelasten dat ASR een aanvullend voorschot van € 30.000 aan buitengerechtelijke kosten verstrekt,
- de kosten van dit deelgeschil te begroten op € 14.227,22 en ASR te veroordelen tot vergoeding daarvan.

[verzoeker] heeft zijn schade (zonder de kosten van rechtsbijstand) begroot op € 585.168,47. ASR heeft een bedrag van € 92.276,00 uitgekeerd, zodat aan hem nog resteert te vergoeden € 492.892,47.

3.2.

ASR heeft zich hiertegen verweerd en in haar visie kan hooguit sprake zijn van tijdelijke klachten en een restloos herstel. Zij is van mening dat met de onder 2.10 genoemde betaling de volledige schade als gevolg van de ongevallen uit 2014 en 2016 is voldaan. Zij heeft geconcludeerd tot afwijzing van de resterende verzoeken.

4 De beoordeling

Kan [verzoeker] worden ontvangen in zijn verzoeken? Ja.

4.1.

Hoewel [verzoeker] oorspronkelijk (vrijwel) het volledige geschil tussen partijen aan de rechtbank heeft voorgelegd, resteert er na de intrekking van twee deelverzoeken (het verzoek om mee te werken aan een arbeidsdeskundig en rekenkundig onderzoek) een deelgeschil als bedoeld in artikel 1019W Rv. Een beslissing op de nu nog voorliggende geschilpunten stelt partijen mogelijk in staat een vervolgstap te zetten en kan zo bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. En daar is deze procedure voor bedoeld. Het gaat hier om een langlopende afhandeling van letselschade; de ongevallen zijn van 2014 en 2016, de deskundigenrapportages van 2017 en het is nu 2022. Uit de toelichting van [verzoeker] ter zitting en uit het rapport van [D] blijkt dat de langdurige strijd over de afhandeling van zijn letselschade een negatieve invloed heeft op zijn gezondheid. Daar is geen van partijen bij gebaat en met een beslissing op de overgebleven verzoeken kan een impasse in het buitengerechtelijke onderhandelingsproces mogelijk worden doorbroken.

Is er causaal verband tussen de aanrijdingen en de klachten van [verzoeker] ? Deze vraag wordt deels bevestigend beantwoord.

4.2.

Voorop gesteld wordt dat het aan [verzoeker] is om zijn stellingen over het bestaan van de klachten, het oorzakelijke verband tussen deze klachten en de ongevallen en vervolgens (de hoogte van) de schade te bewijzen.

Volgens vaste jurisprudentie gaat het bij het bestaan van de gestelde (whiplash)klachten niet alleen om klachten die in medische zin objectief vast te stellen zijn, maar ook om naar hun aard subjectieve klachten, die aanwezig, reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn. Voor de beantwoording van de vraag naar het causaal verband tussen een ongeval en door de benadeelde gestelde (subjectieve) klachten geldt het zogenaamde plausibiliteitscriterium. Van een dergelijk consistent, consequent en samenhangend - en dus plausibel - patroon van klachten kan sprake zijn indien wordt vastgesteld dat de benadeelde voor het ongeval deze gezondheidsklachten niet had, de gezondheidsklachten op zich door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de gezondheidsklachten ontbreekt. In een dergelijk geval zullen aan het bewijs van het oorzakelijk verband geen al te hoge eisen mogen worden gesteld. Uit vaste rechtspraak vloeit verder voort dat bij schending van een verkeers- of veiligheidsnorm, zoals hier, deze ruim wordt toegerekend (6:98 BW), de aansprakelijke partij heeft het slachtoffer in beginsel te nemen zoals hij is, inclusief diens zwakheden, kwetsbaarheden en andere bijzonderheden. Een bijzonder lichamelijke of geestelijke zwakheid of privésituatie kan wel van invloed zijn op de hypothetische situatie zonder ongeval.

4.3.

Ter voldoening aan de op hem rustende stelplicht en bewijslast heeft [verzoeker] in deze procedure medische stukken (productie 2) overgelegd en een tweetal op gezamenlijk verzoek uitgebrachte deskundigenrapporten: dat van de neuroloog [C] (productie 6) en de psychiater [D] (productie 7). Op deze gegevens, aangevuld door de stellingen ter zitting, baseert de rechtbank haar oordeel. De klachten vallen uiteen in drie categorieën: nek- en schouderklachten (whiplashklachten), lage rugklachten en psychische klachten. Deze zullen hierna achtereenvolgens de revue passeren.

Whiplashklachten (nek en schouder)

4.4.

Uit de overgelegde medische gegevens en het rapport van [C] blijkt voldoende dat, hoewel er bij neurologisch onderzoek geen afwijkingen zijn gevonden, de sedert het eerste ongeval door [verzoeker] geuite whiplashklachten reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn. Van de aanwezigheid daarvan moet dan ook in rechte worden uitgegaan. Het causaal verband tussen deze klachten en het eerste en tweede ongeval acht de rechtbank aanwezig omdat [verzoeker] ’s klachten ook voldoen aan het plausibiliteitscriterium. Immers, uit de rapportage van [C] blijkt ondubbelzinnig dat hij vóór het eerste ongeval niet bekend was met dit type klachten, terwijl de klachten op zich door het eerste (en tweede) ongeval veroorzaakt kunnen worden. [C] overweegt dat, gezien de aard en impact van het eerste ongeval, het aannemelijk is dat er een geforceerde nekbeweging is geweest met overrekking van de weke delen die de CWK omgeven, resulterend in een whiplashtrauma. Tenslotte is een alternatieve verklaring voor deze consistente, consequente en samenhangende klachten gesteld noch gebleken. In zoverre is de verzochte verklaring voor recht toewijsbaar.

4.5.

Uit de bevindingen van [C] volgt verder dat deze nek- en schouderklachten, waarbij geen anatomisch substraat aanwezig is, na een overrekking van de CWK persisteren. Hij duidt dit aan als een chronisch pijnsyndroom. Dit kan de lange duur van de nekklachten bij [verzoeker] verklaren. Vervolgens heeft [C] echter vastgesteld dat de nekklachten in de loop van de tijd zijn verminderd en inmiddels intermitterend optreden, waarbij [verzoeker] desgevraagd tijdens het neurologisch onderzoek meldt geen nekpijn te hebben en bij onderzoek van de nek er geen bijzonderheden zijn, met name geen bewegingsbeperking en geen drukpijn. Desgevraagd is de nekpijn, indien aanwezig, gelokaliseerd in de nekspieren links, zodat het kennelijk thans myyogene nekklachten betreft. Deze klachten passen thans niet meer bij een whiplash associated disorder, aldus [C] . Naar het oordeel van de rechtbank wijst deze conclusie van [C] op een doorbreking van het causale verband tussen de ongevallen en de nek- en schouderklachten van [verzoeker] ; zulks met ingang van 6 juni 2017. De rechtbank vindt steun voor deze conclusie van [C] in de omstandigheid dat [verzoeker] over de periode van 6 juni 2017 tot heden geen, althans onvoldoende, medische gegevens heeft overgelegd die concrete aanknopingspunten bieden voor de aanname dat de nek- en schouderklachten zich (onverminderd) hebben voortgezet. Dat is ook in lijn met de verklaring van [verzoeker] ter zitting, waaruit blijkt dat het beter met hem gaat en hij vanaf 2018 weer werkzaamheden verricht. Hij werkt thans 36 uur per week. Vorenstaande overwegingen brengen met zich dat de gevraagde verklaring voor recht, daar waar het gaat om de nek- en schouderklachten, voor de periode ná 6 juni 2017 niet toewijsbaar is.

Rugklachten

4.6.

Uit de rapportage van [C] blijkt ondubbelzinnig dat de rugklachten niet als ongevalsgevolg kunnen worden aangemerkt. De rechtbank neemt deze conclusie over en motiveert dit als volgt.

De pijnklachten in de rug kunnen volgens [C] aanvankelijk alleen worden verklaard door de kneuzingen en het is in medische zin niet verklaarbaar dat [verzoeker] deze klachten bijna drie jaar na het ongeval nog zegt te hebben. Zulks klemt temeer omdat radiculaire verschijnselen of uitval ontbreken en er op de MRI LWK ook geen aanwijzingen zijn voor een eventuele radiculopathie. De MRI toont wel degeneratieve afwijkingen laag lumbaal, die pijnklachten zouden kunnen genereren, al kunnen dergelijke afwijkingen ook symptoomloos zijn. Aspecifieke rugklachten komen in een normale populatie veel voor en het is niet uitgesloten dat, mede gezien de degeneratieve afwijkingen op de MRI, betrokkene ook zonder ongeval op enig moment rugklachten zou hebben gekregen. De bevindingen van de deskundige wijzen derhalve sterk in de richting van een alternatieve oorzaak voor de lage rugklachten. En voor de periode na de rapportage van [C] tot heden heeft ook hier te gelden dat relevante medische gegevens, die de stellingen van [verzoeker] genoegzaam zouden kunnen onderbouwen, ontbreken.

Psychische klachten. Dysthyme stoornis?

4.7.

Uit de rapportage van [D] kunnen de volgende conclusies worden getrokken. [D] kan bij [verzoeker] geen aanwijzingen vinden voor een persoonlijkheidsstoornis of een thans aanwezige PTSS. Wel acht hij voldoende aannemelijk dat [verzoeker] sinds jaren overheersende somberheidsgevoelens en aanverwante symptomen ervaart, die het best geclassificeerd kunnen worden als een persisterende depressieve stoornis (dystyme stoornis). [D] sluit niet uit dat er bij [verzoeker] pre-existent ook al enige mate van psychopathie aanwezig was. Immers, in het huisartsendossier wordt medio 2013 gesproken over psychische klachten en is hij verwezen naar een psycholoog. Omtrent de precieze aard van deze klachten is het onderzoek van [D] nog onvoldragen. Dergelijke stemmingsstoornissen zijn in de visie van de deskundige nooit monocausaal van aard. Wel wordt vastgesteld dat het eerste ongeval een luxerende factor voor de dystymie lijkt te zijn geweest, maar [D] voegt daaraan toe dat meerdere omgevingsstressoren en intrapsychische factoren daarbij ook een (ten dele autonome) rol hebben gespeeld.

4.8.

De rechtbank is van oordeel dat, voor zover het gaat om de toename van de psychische klachten (dystymie) na het eerste ongeval, er wel degelijk sprake is van een causaal verband dat – bij de huidige stand van zaken – niet in tijd beperkt is.

Maar uit de rapportage van [D] blijkt ook dat [verzoeker] voor het ongeval mogelijk al (soortgelijke) psychische klachten had. Vast staat dat hij voorafgaand aan het ongeval tweemaal een psycholoog heeft bezocht, maar verder is daarover niets bekend. [D] heeft geen kennis kunnen nemen van de aard van de problemen en de behandeling die [verzoeker] voor de ongevallen heeft gehad omdat het niet gelukt is om deze gegevens via de huisarts op te vragen. Deze gegevens zijn van belang gelet op het verweer dat op dit punt sprake is van pre-existentiële klachten. Deze zijn van invloed op de bepaling van de (hoogte van de) te begroten schade. Dat geldt ook voor de door de deskundige geduide (autonome) alternatieve oorzaken voor (het voortbestaan van) de dystymie. Zowel op het punt van de pre-existente psychische klachten als de aangegeven (autonome) alternatieve oorzaken lijkt met het oog op de te begroten schade een aanvullende rapportage door [D] aangewezen.

De noodzaak van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek

4.9.

Hiervoor is vastgesteld dat er tussen de beide ongevallen en de whiplashklachten van [verzoeker] tot 6 juni 2017 een causaal verband kan worden aangenomen. Ook bestaat er een causaal verband tussen het eerste ongeval en de toegenomen psychische klachten van [verzoeker] ; zulks tot heden. Indien partijen in hun na deze beschikking voort te zetten onderhandelingen geen overeenstemming bereiken omtrent (de hoogte van) de schade, die [verzoeker] als gevolg daarvan heeft geleden, dan is de volgende vraag of en, zo ja, in welke mate deze whiplashklachten en de toegenomen psychische klachten bij [verzoeker] hebben geleid tot beperkingen. Daarvoor is een verzekeringsgeneeskundig onderzoek nodig. In dit stadium is het gelasten van een dergelijk onderzoek prematuur en zal daarom worden afgewezen.

De verplichting tot schadevergoeding en de betaling van een aanvullend voorschot

4.10.

De verzochte verklaring voor recht dat ASR gehouden is de als gevolg van beide ongevallen door [verzoeker] geleden en te lijden schade te vergoeden, ligt geclausuleerd voor toewijzing gereed. Op ASR rust enkel de verplichting tot vergoeding van de schade die betrekking heeft op de als gevolg van de ongevallen ontstane whiplashklachten tot 6 juni 2017 en de als gevolg van het eerste ongeval toegenomen psychische klachten tot heden.

Voor zover de verklaring voor recht een ruimere strekking heeft, moet deze worden afgewezen.

4.11.

Nu de verzochte verklaring voor recht met betrekking tot de aan [verzoeker] toekomende schadevergoeding slechts in beperkte zin toewijsbaar is, dienen partijen zich in hun onderhandelingen te heroriënteren op de vraag of kan worden volstaan met de bedragen die door ASR al zijn betaald of dat de schade van [verzoeker] het voorschot overstijgt. In het kader van dit deelgeschil zijn daar geen zinnige uitspraken over te doen. Dat brengt met zich dat het verzochte aanvullend voorschot moet worden afgewezen.

Het verzoek om een aanvullende voorschot van € 30.000 aan buitengerechtelijke kosten

4.12.

Partijen zijn het erover eens dat in totaal € 94.450,45 is gedeclareerd aan buitengerechtelijke kosten, waarvan ASR een bedrag van € 46.412,73 heeft betaald en dat een openstaand bedrag van € 48.037,72 resteert. [verzoeker] meent dat een aanvullend voorschot van € 30.000 alleszins redelijk en gerechtvaardigd is, temeer nu na 5 november 2018 geen aanvullende betaling door ASR meer heeft plaatsgevonden. Volgens ASR heeft zij genoeg betaald en zijn de redelijke kosten ruimschoots vergoed, niet alleen wat het de voorbij periode betreft maar ook met betrekking tot de nabije toekomst.

4.13.

Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Uitgangspunt is dat de buitengerechtelijke kosten die worden gemaakt om de aansprakelijkheid en de hoogte van de geleden (letsel)schade te bepalen, worden vergoed door (de verzekeraar van) de aansprakelijke partij, voor zover het redelijk en noodzakelijk was daarvoor deskundige bijstand in te roepen en de daarvoor gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn (de dubbele redelijkheidstoets).

4.14.

Aan de eerste redelijkheidstoets is voldaan. Bij letselschade is het in het algemeen redelijk om deskundige rechtsbijstand in te roepen. Dat is ook niet in geschil.

4.15.

Bij de beoordeling van de vraag of de hoogte van de kosten redelijk is, is in de jurisprudentie het uitgangspunt dat het enkele feit dat de schade nog niet vaststaat, of als uiteindelijk komt vast te staan dat de geleden schaden beperkt is, op zichzelf geen reden is om in redelijkheid gemaakte kosten niet te vergoeden. (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 13 maart 2015 ECLI:NL:HR 2015:586). In letselschadezaken betekent dit uitgangspunt dat, ook al staat de omvang van de schade niet vast en/of is de aansprakelijke partij van mening dat de uiteindelijke schade beperkt zal zijn, dit op zichzelf geen reden is om te weigeren voorschotten te betalen op de buitengerechtelijke kosten, zelfs als dit bedrag meer is dan de uiteindelijke schade. De reden hiervan is dat de benadeelde de (financiële) mogelijkheid moet hebben zijn of haar schade te verhalen en het niet redelijk is dat de benadeelde dit gedeelte van de schade zou moeten voorfinancieren.

4.16.

In het algemeen wordt in letselschadezaken op basis van het aantal gewerkte uren bij de verzekeraar gedeclareerd. Een belangenbehartiger heeft een grote mate van vrijheid bij de inrichting en de omvang van de werkzaamheden ten behoeve van zijn of haar cliënt en de cliënt en belangenbehartiger zijn ook vrij om een bepaald tarief overeen te komen. Maar als de benadeelde verlangt dat de aansprakelijke partij deze kosten van de rechtsbijstand betaalt, mag verwacht worden dat de benadeelde en diens professionele belangenbehartiger ook rekening houden met het belang van de aansprakelijke partij door er voor te zorgen dat de kosten redelijk blijven. Het is niet zo dat een verzekeraar onbeperkt alle gemaakte buitengerechtelijke kosten moet voldoen. Het gaat er niet om of de belangbehartiger alle gedeclareerde werkzaamheden werkelijk heeft verricht, maar om de vraag of het redelijk is dat de kosten daarvan in volle omvang voor rekening van de aansprakelijke partij komen.

4.17.

Bij het verzoekschrift (productie 13) is een gedetailleerd overzicht gegeven van de verrichte werkzaamheden over de periode 2015 – 2020, waarin de aard van de werkzaamheden tot op de minuut is gespecificeerd, maar dat wil niet zeggen dat al deze werkzaamheden noodzakelijk waren voor het vaststellen van de schade en/of dat het voor al deze werkzaamheden (elke e-mail, gesprek, opvragen van stukken etc.) redelijk is om te verwachten dat ASR deze werkzaamheden vergoedt. De discussie in het voorgaande traject was deels gericht op complexe onderwerpen zoals het causaal verband en de duiding van de rapportages en de bijstand bij de mediation maar zag ook op eenvoudige werkzaamheden zoals het verzamelen van gegevens en het overdragen van het dossier aan de advocaat. De zaak rechtvaardigt vergoeding een substantieel bedrag maar de rechtbank is het met ASR eens dat het rekening brengen van 371 uren met (exclusief de medische verschotten van

€ 5.193,96 en het bedrag van € 6.380 dat aan een eerdere belangenbehartiger is betaald) een totaalbedrag (inclusief btw en kantoorkosten) van € 82.876,49 in een zaak als dit bovenmatig is. Gelet op wat al is uitgekeerd (€ 46.412,73) en gelet op de aard van de zaak acht de rechtbank een voorschot van € 10.000,- redelijk. Dit bedrag zal worden toegewezen.

Kosten deelgeschil

4.18.

De rechtbank moet de kosten van deze deelgeschilprocedure begroten. Ook hier geldt de dubbele redelijkheidstoets. Anders dan ASR is de rechtbank van oordeel dat het verzoek niet nodeloos is ingediend. De rechtbank houdt er bij de begroting wel rekening mee dat [verzoeker] twee deelverzoeken ter zitting heeft ingetrokken.

4.19.

In het verzoekschrift zijn de kosten van het deelgeschil berekend op (27,6 uur x € 255 vermeerderd met 6% kantoorkosten en 21% btw =) € 9.026,93. In de aanvullende akte zijn voor de aanvullende werkzaamheden de kosten begroot op (3,4 uur en 12,5 uren x € 255 inclusief 6% kantoorkosten en 21% btw =) € 1.112,01 en € 4.088,28. In totaal bedragen de kosten voor dit deelgeschil volgens [verzoeker] € 14.227,22 (inclusief 6% kantoorkosten en 21% btw).

4.20.

De zaak is niet heel eenvoudig en ook best bewerkelijk, maar rechtvaardigt in redelijkheid niet het totaal aantal uren van 43,5 met een tarief van € 255 exclusief kantoorkosten en btw. Het gehanteerde uurtarief acht de rechtbank niet exorbitant hoog, zolang de 6% kantoorkosten niet zelfstandig in rekening worden gebracht. Voor zover er al kantoorkosten zijn gemaakt, mag er in de tegenwoordige tijd in redelijkheid van worden uitgegaan dat deze in het uurtarief zijn verdisconteerd. De rechtbank begroot de redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift, waarbij mede rekening wordt gehouden met de werkzaamheden die zijn verbonden aan de twee ingetrokken (deel)verzoeken, en de verdere behandeling van de zaak op (25 uren x € 255,- te vermeerderen met btw =) € 7.713,75 inclusief btw. Daar moet het griffierecht van € 1.666,-, dat [verzoeker] aan de rechtbank heeft moeten betalen, nog bij opgeteld worden. Nu ASR de aansprakelijkheid voor de gevolgen van de ongevallen heeft erkend, zal ASR zoals verzocht in de hiervoor genoemde kosten worden veroordeeld.

Uitvoerbaar bij voorraad?

4.21.

De rechtbank zal deze uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren zoals [verzoeker] vraagt omdat niet rechtstreeks tegen een beschikking in een deelgeschilprocedure kan worden opgekomen. Dit volgt uit artikel 1019bb Rv.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat er een causaal verband bestaat tussen de beide ongevallen en de whiplashklachten van [verzoeker] over de periode van 18 april 2014 tot 6 juni 2017 (de datum van het rapport van [C] );

5.2.

verklaart voor recht dat er een causaal verband bestaat tussen het eerste ongeval en de toegenomen psychische klachten van [verzoeker] over de periode van 18 april 2014 tot heden;

5.3.

verklaart voor recht dat ASR gehouden is de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade te vergoeden als gevolg van beide ongevallen, doch enkel voor zover deze betrekking heeft op de als gevolg van de ongevallen ontstane whiplashklachten van 18 april 2014 tot 6 juni 2017 en de als gevolg van het eerste ongeval toegenomen psychische klachten van 18 april 2014 tot heden;

5.4.

gelast ASR om aan [verzoeker] een aanvullend voorschot te verstrekken aan buitengerechtelijke kosten van € 10.000,-;

5.5.

begroot de kosten van dit deelgeschil op € 7.713,75 inclusief btw, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 1.666,- en veroordeelt ASR tot betaling daarvan aan [verzoeker] ;

5.6.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.P. Drijkoningen en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2022.1

1 type: PvT 4189